Teksten van Naamsevest

https://id.erfgoed.net/themas/15096

Naamsevest (herinventarisatie) ()

De Naamsevest is de stadszijde van de Leuvense vesten tussen de Parkpoort en de Naamsepoort. De veldzijde - de Erasme Ruelensvest - is het grondgebied van deelgemeente Heverlee. Beide delen van de vest zijn van elkaar gescheiden door een brede, verhoogde berm - steil aan stadszijde, zacht glooiend aan veldzijde - en beplant met wilde kastanjebomen. Dit langgerekt wandelpark is een restant van de aarden wal, die deel uitmaakte van de in 1998 als stadsgezicht beschermde tweede stadsommuring (1357-1365). De muur verdween omstreeks 1827, maar pas in 1953 werden delen van de wal afgegraven om de de huidige ringlaan aan te leggen. In de volksmond gekend als "Kastanjeboulevard", biedt dit deel van de voormalige stadsvesten zowel een unieke aanblik van de historische morfologie van de stadsommuring, als een groen rustpunt in het huidige, drukke vestenverkeer. De vest wordt omzoomd door een vrij homogene randbebouwing van herenhuizen, daterend van 1900 tot de vroegen jaren 1930. De gevelrij aan stadszijde volgt de rooilijn van de vroegere rondweg binnen de stadswal, behalve tussen de nrs. 22 en 90, waar de bebouwing enkele meters achteruit is gezet, en kleine voortuinen zijn aangelegd. De percelen zijn voorzien van zeer diepe tuinen, die grenzen aan het zogenaamde Nieuw Kwartier dat vanaf 1930 werd verkaveld.

De randbebouwing kwam hoofdzakelijk in twee bouwfasen tot stand. In de periode 1905-1915 werden voornamelijk roodbakstenen burgerhuizen gebouwd van drie bouwlagen onder pannen zadeldaken, vaak versierd met aan de jugendstil ontleende motieven in blauwe hardsteen of witte natuursteen. Kenmerkend zijn de houten erkers of bow-windows in de bovenbouw en de kleurcontrasten van rode en witte bakstenen voor muurbanden en ontlastingsbogen. Deze rijwoningen werden aanvankelijk vanaf de Parkpoort zuidwaarts opgetrokken in aansluiting met de arbeiders- en burgerhuizen in de Park- en Weldadigheidsstraat die eveneens in die periode tot stand komen. Voorbeelden zijn de nrs. 104-110, een rij eenvoudige burgerwoningen van twee traveeën, drie bouwlagen en mezzanino, opgetrokken in rode baksteen met verwerking van witte natuursteen en voorzien van getoogde muuropeningen en hardstenen balkons met smeedijzeren balustrades. Enkele huizen dateren van voor 1900, met name aan de Naamsepoort, in aansluiting met de aloude Verkortingsstraat (nrs. 10-16, G. Mommaels, 1886). Deze burgerwoningen van telkens twee traveeën en drie bouwlagen bevatten lijstgevels met rechthoekige en getoogde muuropeningen in hardstenen geblokte omlijstingen en waren eertijds wellicht bepleisterd.

Na de Eerste Wereldoorlog, met een zwaartepunt in het begin van de jaren 1930, werd de gevelrij volgebouwd met rijhuizen, doorgaans traditioneel van opbouw maar in de geveluitwerking vooruitlopend op de sobere modernistische architectuur van het Nieuw Kwartier, waar omstreeks 1935-1936 de grootste bouwactiviteit heerst. Hier zijn dan ook dezelfde locale architecten aan het werk, roergangers van de regionale modernistische stijl: J. Van Meulebrouck, G. Decock, E. Vanderheyden, V. Broos... De panden worden gekenmerkt door voor- en achteruitgeschoven gevelvlakken, erkers, balkons en portieken, kleurcontrasten door het gebruik van beton of kunststeen, en decoraties van alternerende metselverbanden. De nrs. 28 (1926), 30-32 (1932), 34-38 (1939) en 44 (1932), alle naar ontwerp van G. Decock, omvatten twee traveeën, een souterrain met garage, drie bouwlagen onder pannen zadeldaken en driezijdige erkers onder balkons. Deze panden maken deel uit van een reeks huizen op teruggetrokken rooilijn (nrs. 24-88), die worden voorafgegaan door kleine voortuinen met vaak fraaie hekwerken. Het probleem van de deels blinde zijgevel wordt in het nr. 22, een erg plastisch uitgewerkte gevel naar ontwerp van L. Dierickx, opgelost door middel van een afgeschuinde travee, en in het nr. 90 van Cl. Boon, via doorlopende similibanden, opgelost. De hoek met de Parkstraat wordt sinds 1964 gevormd door een dissonant appartementsgebouw van zes bouwlagen, dat de plaats van enkele oudere huizen innam.

  • Stadsarchief Leuven, Modern Archief, doss. 44411 (bouwverg. 05.04.1886); doss. 85994 (bouwverg. 07.05.1926); doss. 88637 (bouwverg. 29.03.1929); doss. 91964 (bouwverg. 20.12.1932); doss. 92260 (bouwverg. 08.08.1932); doss. 92481 (bouwverg. 03.01.1939); doss. 117992/5735 (bouwverg. 19.03.1964).
  • AMELYNCK J., De moderne woning in Groot-Leuven van 1928 tot 1940. Een aanzet tot inventarisatie en analyse (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), K.U.Leuven, 1988, p. 64-66.
  • PEETERS M., Gids voor oud Leuven, Antwerpen, 1983, p. 215, 226.
  • UYTTERHOEVEN R., Leuven Weleer. Op de Westhelling en langs de Vesten, deel 6, Leuven, 1990, p. 96-108.

Bron: MONDELAERS L. & VERLOOVE C. met medewerking van VAN ROY D., VAN DAMME M. en MEULEMANS K. 2009: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie Vlaams-Brabant, Leuven binnenstad, Herinventarisatie, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen VLB2, onuitgegeven werkdocumenten.
Auteurs:  Verloove, Claartje; Mondelaers, Lydie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: Naamsevest [online], https://id.erfgoed.net/teksten/127573 (geraadpleegd op ).


Tweede stadsomwalling (1N) ()

Door de bevolkingsaangroei van Leuven werd in de 14de eeuw een tweede ringmuur noodzakelijk; tijdens de 13de eeuw waren reeds de buitenwijken van Sint-Michiel, Sint-Kwinten, Sint-Jacob en Sint-Gertrudis bewoond. Toelating door Jan III verleend in 1340; het werk werd pas in 1357 aangevangen onder leiding van Jan Hore en Hendrik Sammen; de omheiningsmuur, voorzien van acht poorten werd in 1363 afgewerkt; gedurende de 15de en zelfs begin 16de eeuw werden de achtenveertig torens opgetrokken.

De tweede walmuur, versterkt door brede gracht en een zekere grondophoging, werd gebouwd van baksteen en voorzien van overstekende bovenpartijen, lagere muur in de moerassige gebieden, tussen de Naamse Poort en de Voer. Deze versterking werd vaak gerestaureerd, onder meer van 1425 tot 1439 en tussen 1478 en 1480.

Bij decreet van de Hollandse regering volledig gesloopt, na gedeeltelijke afbraak onder Napoleon; nadien gebruikt voor aanleg van de ringlanen, die ongeveer hetzelfde tracé volgen.

Overblijfselen: onderbouw van de "Verloren Kosttoren" (1462?) bij de Mechelsesteenweg en een paar muurresten van de Mechelse poort bij de ingang tot de Keizerbergabdij. Brusselse poort, twee neoclassicistische commiezenhuizen uit 1825 door Martin Joseph.


Bron: GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen, Architectuur, Provincie Brabant, Arrondissement Leuven, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 1, Luik.
Auteurs:  Genicot, Luc; Van Aerschot, Suzanne; de Crombrugghe, Anne; Sansen, Hadewych; Vanhove, Jacqueline
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: Naamsevest [online], https://id.erfgoed.net/teksten/128932 (geraadpleegd op ).