Geografisch thema

Arrondissement Halle-Vilvoorde

ID: 16210   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16210

Beschrijving

Algemene situering

Het bestudeerde gebied beslaat het noordwestelijk deel van de Provincie Brabant en omringt het grondgebied van de Brusselse negentien gemeenten. Het grenst aan de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen, en raakt aan de Waalse provincie Henegouwen. De enige steden zijn Halle en Vilvoorde; in feite voelt men de aanwezigheid van Brussel als de centrale ook historische pool en als het hart van het gebied. De overige nagenoeg honderd gemeenten zijn dorpen die ofwel een overheersend residentieel karakter hebben — de gemeenten grenzend aan Brussel; ofwel bewaren ze een nog uitgesproken landelijk voorkomen — voornamelijk het Pajottenland (1) —, ondanks de soms uitgebreide recente bebouwing voor een forenzenbevolking; ofwel zijn het dorpen waarvan de kern een centrumfunctie ontwikkelde, als Overijse, Grimbergen, Asse, Merchtem.

Landschapstypering

Landschappelijk (2) behoort het bestudeerde gebied tot het type van de Brabantse glooiingen, met ten noorden de overgang naar het vlakkere laaglandtype en ten zuidwesten naar het meer geaccidenteerde type der Vlaamse Ardennen. Ten zuiden ligt het unieke Zoniënwoud, sedert de negentiende eeuw erg gerooid, zodat heden slechts het zuidoostelijk arrondissementsdeel er landschappelijk door wordt bepaald.

De agrarische factor speelt een overwegende rol: grosso modo kan men spreken van het karakteristieke Brabantse akkerland, met in het noordwestelijk gedeelte de hopteelt als bepalend element; ten zuidwesten is er het open type met talrijke boomgaarden; in de zuidoostelijke streek bepalen de druivenserres het landschapsbeeld, de noord- en noordoostelijke zone is een tuinbouwstreek waar voornamelijk de witloofteelt een belangrijke factor is in het landschappelijk voorkomen.

De industrie in het arrondissement is hoofdzakelijk geconcentreerd langsheen de Willebroeksevaart en bij de loop van het kanaal Brussel/Charleroi. De Brabantse glooiingen en talrijke beken waren geschikt voor de inplanting van wind- en watermolens, die vooral sinds de twintigste eeuw als herkenningspunten uit het landschap verdwenen. De waterlopen werden ook gebruikt voor het vervoer van bouwmateriaal vooral van lokale natuursteen. De streek kende plaatselijke steengroeven, voornamelijk van kalkzandsteen: het Brusseliaan werd tot in de achttiende en negentiende eeuw ontgonnen in het noordoostelijk arrondissementsdeel. De groenachtige arkose treft men in de Zennevallei aan, ten westen gebruikt men sporadisch ook de roestkleurige zandsteen van Balegem, in het zuiden wordt ook ingevoerde blauwe hardsteen verwerkt, in de streek van Lembeek vindt men de plaatselijke breuksteen.

Historische achtergrond

Historisch maakte het grootste deel van het arrondissement deel uit van het hertogdom Brabant. Een aanzienlijk deel ressorteerde onder het graafschap Henegouwen, hiervan vormden een aantal gemeenten meer bepaald het land van Edingen. Het westen was een belangrijk grensgebied met het graafschap Vlaanderen. Deze historische grenspositie heeft voor gevolg enerzijds een reeks oorlogsfeiten, veldslagen, belegeringen en innamen, anderzijds het optrekken van defensieburchten, en het begunstigen van betrouwbare stichtingen (Affligem).

Het gebied was van oudsher bewoond en kende een pre-Romeins wegennet. De belangrijkste van die bestaande wegen werden tijdens de Romeinse periode uitgebouwd tot "Romeinse" heirbanen met blijvende betekenis, als de Waalsebaan, de Schapenstraat, de Bruneaustraat,... die in meerdere gemeenten, soms onder verschillende benamingen terug te vinden zijn. In de loop der tijden werd het wegennet uitgebreid; voornamelijk in de loop van de achttiende en negentiende eeuw werden de grote steenwegen aangelegd, die Brussel met Leuven, Halle, Mons, Aalst, Ninove, Waver en Halle met Edingen, Ninove, Geraardsbergen verbonden. Recentelijk werd dit wegennet nog uitgebreid met de autosnelwegen en de grote ring rondom Brussel. Het einde van de negentiende eeuw bezorgde het arrondissement nog een aantal spoorweglijnen. Het luchthavengebied van Zaventem breidde zich de laatste decennia uit ter plaatse van het vroegere Saventerloo, domaniaal jachtgebied der hertogen van Brabant, (zichtbaar op de arrondissementskaart). De bewoning in het bestudeerde gebied klimt tot ver in het verleden op. Van de Romeinse aanwezigheid getuigen talrijke bodemvondsten; belangrijke Romeinse nederzettingen kunnen bijvoorbeeld gesitueerd worden te Asse, Elewijt, Kester, Wemmel, enzovoort. Uit de analyse van de toponymie blijkt een groot aantal gemeenten en plaatsen terug te gaan op Frankische nederzettingen. De huidige nederzettingsvorm varieert van concentraties met straatdorpen en gehuchten, tot een meer verspreide bebouwing. Later ontwikkelde de bewoning zich vooral langs de steenwegen, en de recentere uitbreidingen van woonzones in de vorm van verkavelingen gebeurt al te dikwijls ten koste van historische hoeven, landbouwgronden en kasteeldomeinen.

Op religieus gebied hing deze streek aanvankelijk af van het bisdom Kamerijk en later, na zijn oprichting van het bisdom Mechelen. De evolutie van het parochiewezen, van de kerkgebouwen maar ook van het cultureel en economisch leven van de streek werd in grote mate bepaald niet alleen door de in de twaalfde eeuw gestichte benedictijnenabdij van Affligem en de norbertijnenabdij van Grimbergen, maar ook door de buiten het onderzoekingsterrein gelegen abdijen van Ninove, Nijvel, Vorst, Dielegem (Jette), Ter Kameren.

Religieuze architectuur

De religieuze architectuur volgde er doorgaans de algemene opvolging der diverse stijlen, zonder er een vooruitstrevende rol te spelen. De vernieuwing trad eerst op in de ornamentiek, pas nadien werd het veranderd constructie- en overwelvingssysteem overgenomen; dit gebeurde doorgaans in van abdijen afhangende parochiekerken die gebouwd, vernieuwd, vergroot of heropgebouwd werden in de loop der eeuwen. De aanwezigheid van natuursteen, en het vervoer ervan naar armere streken, stimuleerde een duurzame bouwkunst.

De oudste kerken in het gebied behoren tot de romaanse- of de overgangsstijl, voornamelijk aanknopend bij de Scheldeschool. De centrale aanleg van de verdwenen Sint-Lambertuskerk te Muizen, van Karolingische oorsprong, is een uitzondering. Doorgaans had men éénbeukige kerken of pijlerbasilieken, gemarkeerd door een toren boven het presbyterium of de kruising (Humelgem, Zaventem, Perk, Melsbroek, Nossegem). De westtoren komt eveneens vrij veel voor (Wolvertem, Meusegem, Hekelgem, enzoverder). De meeste van deze kerken werden in de loop der tijden verbouwd in de heersende bouwstijl; slechts de toren werd doorgaans behouden.

De verschuiving van de overgangsstijl naar de gotiek liep zeer geleidelijk. Het gotisch overwelvingssysteem vond pas veralgemeend ingang in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw. Verdwenen abdijkerken van Ninove en Affligem, overwelfd in de dertiende eeuw, vormden belangrijke schakels in de evolutie, en hun invloed, in het bijzonder op de ontwikkeling van de Denderschool (Hekelgem, Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek) is moeilijk te achterhalen. In het zuidelijk arrondissementsdeel bespeurt men de aanwezigheid van de Henegouwse school, soms met vermenging van de Brabantse elementen (Halle). De streek biedt een rijke illustratie van de Brabantse laat-gotiek op het platteland in de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw: basilicale of pseudo-basilicale of hallenkerktypen, met westtoren, transept en polygonaal koor, met een vormentaal met soms nog laat-romaanse of vroeg-gotische reminiscenties, en het lang doorlevende koolbladkapiteel.

Tezelfdertijd met de stijl- en materiaalverarming in de zeventiende eeuw worden opkomende barokelementen verwerkt onder meer in de deur- of vensteromlijstingen.

De renaissancestijl vindt weinig toepassing in de streek, en de barok vindt onder impuls van de abdijen ingang met de contrareformatie na de godsdiensttroebelen.

Deze stijl vindt men in min of meer geprovincialiseerde vormen of naïeve versies terug in een groot aantal kleinere bedevaart- en devotiekapellen (Impde, Amelgem, Jezus-Eik,...) vaak gesticht door de plaatselijke of hogere adel.

De onafgewerkte Abdijkerk van Grimbergen neemt een vrij unieke plaats in: de nagestreefde interpenetratie van de centrale en longitudinale aanleg (zie ook Karmelietessenklooster van Vilvoorde), de nieuwe ruimtewerking, ondanks het nog gotisch constructiesysteem, de plastische afwerking, vinden geen navolging.

Wellicht is de oorlogsperiode van de zeventiende- begin achttiende eeuw een mogelijke verklaring.

Pas omtrent het midden van de achttiende eeuw wordt de bouwactiviteit, weerom door toedoen van de abdijen, hervat. Aanvankelijk wordt bij de wederopbouw van dorpskerken de classicistische stijl nog vermengd met de laat-barok (Mollem, Bekkerzeel...). Een aantal gotische kerken worden vergroot of aangepast naar de heersende stijl (Opwijk, Malderen, Nossegem). Einde achttiende en begin van de negentiende eeuw waren nog een aantal heroprichtingen aan de gang, nog meer gekenmerkt door de verstarring van de laat-classicistische stijl (Berg, Bever, Sint-Katarina-Lombeek, Galmaarden), die tot in de eerste helft van de negentiende eeuw blijft doorleven.

Het einde van de negentiende eeuw beleefde de wederopbouw in neogotische stijl van soms aloude kerkjes, te Pamel en Oetingen, gepaard gaand met een dorpsverschuiving, of zorgde voor grondige en ingrijpende restauraties naar de geest van Viollet-le-Duc (Alsemberg, Dilbeek, Sint-Brixius-Rode).

De aanvang van deze eeuw zag een groot aantal historische dorpskerken (streek tussen Mechelen-Brussel) vernield worden door de Eerste Wereldoorlog: ze werden soms getrouw, soms vrij modern geïnterpreteerd heropgebouwd (respectievelijk Eppegem, Weerde en Zemst, Humbeek). Nieuwe kerken pogen een vernieuwing te brengen in de religieuze architectuur (Halle Sint-Rochus, Diegem-Lo, Heikruis), ook dankzij de aanwending van nieuwe technieken (beton).

De rol van de grote abdijen is, zoals boven aangehaald, niet te onderschatten. Toch is een aantal, iets later gestichte abdijen als de priorij van Bellingen, van Groot-Bijgaarden, van Klein-Bijgaarden, de augustijnerpriorijen van Groenendaal en Zevenborren, het kartuizerklooster van Herne,... eerder van plaatselijk belang. Anderzijds waren de steden in het bestudeerde gebied niet belangrijk en wellicht ook niet veilig genoeg om vestigingen van kloosterorden of hun refugia in de hand te werken; de hoofdstad werkte hier dan wel erg concurrerend. De dominicanen en karmelietessen vestigden zich in Vilvoorde, de jezuïeten en minderbroeders in Halle.

De Franse Revolutie betekende in de streek zo niet de volledige teleurgang dan toch een grondige verwoesting van de abdijen en priorijen. Er blijven zelfs geen indrukwekkende ruïnelandschappen van over, en de resterende constructies in traditionele of classicistische stijl, roepen zelfs niet het roemrijke verleden op.

De invloed van deze abdijgebouwen en hun interactie met de landelijke architectuur is niet altijd te evalueren. In de steden is de wisselwerking tussen deze kloostergebouwen en de burgerlijke bouwkunst even moeilijk bespeurbaar, mede door de latere verminkingen en verbouwingen.

Burgerlijke architectuur

Op het gebied van de burgerlijke bouwkunst is het arrondissement niet zozeer rijk aan openbare gebouwen, dan wel aan interessante voorbeelden uit de militaire, heerlijke en landelijke architectuur. Historisch belangrijke openbare gebouwen zijn eerder schaars. De oude gemeentehuizen van Asse en van Vilvoorde werden gesloopt en in de negentiende eeuw door nieuwe vervangen; het stadhuis van Halle werd sterk gerestaureerd en de eens interessante Hal van Overijse is sinds de "restauratie" als historisch document zo goed als verloren. Het merendeel der gemeentehuizen dateert uit de negentiende eeuw, en behoort tot het eerder kleine, en voornamelijk in het Pajottenland steeds terugkerende type, dikwijls naar ontwerp van de provinciale architecten. Asse bewaart gelukkig nog zijn historisch gasthuis; in Vilvoorde bleef het sterk verbouwde hospitaal bewaard, evenals de laat-18de-eeuwse gevangenis, die de vroegere burcht verving.

Het kastelenpatrimonium is, wellicht dankzij de feodaliteit, bijzonder rijk en typologisch erg verscheiden; enkele specimina vertellen in se de evolutie van het als een militaire versterking opgetrokken bouwwerk tot de aangename heerlijke verblijfplaats. Min of meer eenvoudige woontorens vindt men terug in het Hof ten Steen (Brussegem-Oppem), het Hof ten Hout (Merchtem-Peizegem), het Torenhof (Kobbegem), het Hof te Wedem (Halle-Budingen); zij illustreren de evolutie van het sterk weerbaar karakter naar een meer representatieve vorm. Bij de woontorens werden naderhand ofwel omgrachte boerderijen gebouwd (Halle - Hof te Wedem), ofwel werden ze in ruimere burchtcomplexen opgenomen (Groot-Bijgaarden).

Aanvankelijk wordt de burcht met een onregelmatige of polygonale aanleg ingeplant, rekening houdend met de natuurlijke situatie van het terrein (Beersel, Boechout-Meise, Gaasbeek) nadien (in de dertiende - veertiende eeuw) krijgt men een strengere plattegrond, meestal met binnenplaats (Vilvoorde, Perk). Vervolgens (in de zestiende - zeventiende eeuw) wordt de opstelling compacter, krijgt men een basisvierkant geflankeerd door hoektorens, ingeplant in het water en voorafgegaan door een neerhof (Ham - Steenokkerzeel, Coloma - Sint-Pieters-Leeuw). Nadien wordt het defensief karakter achterwege gelaten, krijgt men een langgerekte opstelling met ringgrachten (Beaulieu - Machelen) en wordt het wooncomfort voorrang verleend (Sterrebeek).

In de achttiende eeuw wordt menige nog bewaarde burcht tot heerlijke woonstede omgevormd: het kasteel van Relegem (Zemst), Steenhault (Vollezele).

Later worden werkelijke landhuizen gebouwd: de kastelen van Budingen (Halle), Linterpoorten (Zemst), Ursene (Londerzeel), ter Rijst (Heikruis), enzoverder. De negentiende eeuw verwezenlijkt riante verblijfplaatsen als de kastelen van Revelingen (Sint-Genesius-Rode), van de Rey (Drogenbos), of romantische of eclectische verbouwingen van constructies, die soms op een historische kern teruggaan: het kasteel Houtem (Ramsdonk), het de Lundenkasteel (Humbeek), het Ribaucourtkasteel (Perk). De kastelen bezaten doorgaans parken, domeinen en bossen, die dikwijls belangrijke groenreserves gebleven zijn.

De privé-architectuur toont zoals elders, een sterke gebondenheid aan het streekmateriaal. De noordoostelijke zone met talrijke vindplaatsen van kalkzandsteen wordt gekenmerkt door een overwegend traditionele architectuur met min of meer verwerkte barokinvloeden in de ornamentiek. De steenarme noordelijke streek bewaart veel leembouw, al werd in de loop van de negentiende eeuw het versteningsproces ingezet, onder meer onder invloed van de baksteenindustrie uit de Rupelstreek. Het westelijk en zuidwestelijk gedeelte krijgt een duidelijker classicistisch karakter, gemakkelijker aansluitend bij de Henegouwse bouwstijl. De classicistische vormgeving werkt, ook vertaald in het baksteenmetselwerk, nog ver tot in de negentiende eeuw door.

Interessant zijn de pastorieën, waarvan de architectuur doorgaans meer verzorgd is dan het gewone huis, omdat ze door abdijen werden gebouwd. Ze illustreren de evolutie van de traditionele stijl, het overnemen van schaarse barokelementen, het inburgeren van de classicistische stijl en de eclectische stijlopvattingen. In de steden volgt het burgerhuis dezelfde evolutie, ietwat sneller misschien dan op het platteland. Halle illustreert duidelijk het ver doorleven van de classicistische vormelementen; Vilvoorde, welvarend op het einde van de negentiende en begin twintigste eeuw, zag zijn traditioneel karakter erg verbouwd en gemoderniseerd worden. In de landelijke architectuur zijn de hoeven een interessant studieobject. Het hoevetype is vrij gevarieerd: de vierkanthoeve met gesloten aanleg of in los verband, de semi-gesloten hoeve, het U-vormig of langgestrekte type. De grootste boerderijen waren meestal abdijhoeven en werden in de loop van de 18de eeuw gebouwd of na verwoesting heropgebouwd en behoren dan tot de traditionele of classicistische stijl, al naargelang dit in de eerste of tweede heft van de eeuw te situeren valt. Werkelijk architecturaal verzorgde hoeven zoals die in de arrondissementen Leuven of Nijvel voorkwamen, zijn eerder zeldzaam; het Hof te Bollebeek (Mollem), het Hof Bree-eik (Sint-Kwintens-Lennik), de Perkhoeve (Linkebeek), de hoeve van Groenendaal (Hoeilaart) enzovoort zijn eerder uitzonderingen. Opmerkelijk is ook het groot aantal laat-negentiende-eeuwse hoeven in het Pajottenland, soms wel historische stichtingen, en in het gerooide gebied van het Zoniënwoud.

Besluit

Besluitend kan bevestigd worden dat het bestudeerd gebied noch geografisch noch historisch een homogene entiteit vormt. De architectuur volgt er de normale trend van de lang doorlevende traditionele stijl, naar de langzaam overgenomen classicistische vormen, tot de eclectische negentiende-eeuwse verschijningsvormen. Het is een gevarieerd en vriendelijk gebied waarin de geherwaardeerde architectura minor geapprecieerd kan worden. Interessant is het bovendien voor de kennis van de romano-gotische overgangsstijl, voor de Brabantse laat-gotiek en niet in het minst omwille van het rijke kastelenbezit. De aanwezigheid van zogenaamd "technische" gebouwen verdient de belangstelling van de industriële archeologie.

Voorlopig nog vrij goed bewaard, wordt de streek die reeds lang de druk van Brussel weerstaat, bedreigd enerzijds door de uitbreiding van woonzones, anderzijds door de geplande uitbreiding van het verkeersnet met een snelspoor Parijs/Brussel en met de autobaan Doornik/Brussel.

Voetnoten

(1) De begrenzing van het Pajottenland varieert van auteur tot auteur, in zijn engste betekenis ligt het tussen de steenwegen Brussel/Ninove en Brussel/Halle.

(2) VAN NUFFEL S. en BAEYENS H., Toeristische infrastructuur Halle-Vilvoorde (Ministerie van Openbare Werken), 1972.


Bron     : De Maegd C. & Van Aerschot S. 1975: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Vlaams-Brabant, Halle-Vilvoorde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 2N, Gent.
Auteurs :  De Maegd, Christiane, Van Aerschot, Suzanne
Datum  : 1975


Relaties