Geografisch thema

Kanton Ieper

ID: 16214   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16214

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Het kieskanton Ieper beslaat het centrale gedeelte van het gelijknamige administratief arrondissement gelegen in het uiterste zuidwesten van het land en behorend tot de economisch-geografische streek van de Westhoek. Het arrondissement telt verder nog vijf kieskantons: Poperinge met ongeveer dezelfde omvang als het kieskanton Ieper, en vervolgens in volgorde van grootte respectievelijk Heuvelland, Zonnebeke, Wervik en Mesen (faciliteitengemeente).

Het kieskanton Ieper grenst ten noorden aan het arrondissement Diksmuide en ten noordoosten aan het arrondissement Roeselare; ten oosten, ten zuiden en ten westen respectievelijk aan Zonnebeke, Heuvelland en Poperinge. Het gebied heeft een overwegend agrarisch karakter, en telt één stedelijk centrum-Ieper - met een regionaal verzorgende en administratieve functie. Ieper is tevens de hoofdplaats van het gelijknamig administratief en gerechtelijk arrondissement.

Het kanton telt circa 41.969 inwoners (december 1986) over een oppervlakte van circa 18.561 hectare, wat neerkomt op een bevolkingsdichtheid van 226 inwoners per vierkante kilometer (gemiddelde bevolkingsdichtheid in West-Vlaanderen: 344 inwoners per vierkante kilometer).

Tijdens de Eerste Wereldoorlog behoorde het gebied tot de frontstreek; het werd nagenoeg totaal verwoest. Enkel het westelijke gedeelte van de gemeenten Elverdinge en Vlamertinge grenzend aan het kieskanton Poperinge, bleef enigszins gespaard. Ondanks het tamelijk vlugge herstel, zette de Eerste Wereldoorlog toch een domper op de economische en demografische uitbouw van het kanton.

LANDSCHAPSTYPERING

Het kieskanton Ieper sluit ten noorden aan bij het Vlaamse laagland. Het gebied wordt van west naar oost gekenmerkt door een overgang van droge zandleem- en licht-zandleemgronden naar vochtige tot natte zandleemgronden ter hoogte van Ieper; ten noordoosten gaat de grond over in matig natte tot natte licht-zandleem, versneden door stroken natte kleigrond overeenkomstig de beekvalleien. De Ieperiaanse klei - ruim 100 meter dik en weinig doorlatend - vormt de diepe ondergrond van de hele streek.

Het algemeen reliëf is vlak tot zwak golvend met duidelijk ingesneden beekvalleien. De stadskern van Ieper is gevestigd in een natuurlijke verbreding van de Ieperleevallei, die circa 19 meter boven de zeespiegel ligt. Het reliëf wordt in het zuidoosten heuvelachtig, waar het een deel vormt van de zogenaamde getuigeheuvelrug (paniseliaan) die loopt van Diksmuide over Klerken naar Westrozebeke, Hollebeke en Mesen. Deze heuvelkam vormt voorts de zuidelijke begrenzing van het kanton, waar hij ter hoogte van Wijtschate aansluit bij de Zuidvlaamse bergen of de grosso modo van west naar oost verlopende getuigeheuvels - onder meer de Kemmelberg - van de laatste grote zeeoverspoeling (diestiaan), die het landschap visueel afsluiten in het zuidwesten.

Ter hoogte van het zuidoostelijke heuvellandschap situeert zich de waterscheidingslijn tussen IJzer- en Leiebekken. In het kanton watert het grootste gedeelte van het hydrografisch net in de IJzer af; slechts een klein gedeelte in de zuidoostelijke hoek behoort tot het stroomgebied van de Leie. Enkele bronniveaus lokaliseren zich rond de waterscheidingslijn. De belangrijkste beken (IJzerbekken) zijn de Bellewaardebeek, de Bollaartbeek, de Ieperlee, de Klietgatbeek, de Steen- of Hanebeek, de Vijver- of Dikkebusbeek, de Vuilebeek, de Wane- of Lombaardbeek, en de Grote Kemmelbeëk. Het verval van alle beken is nagenoeg overal voldoende om een goede en snelle afwatering toe te laten. Door kunstmatige afdamming van verscheidene beken ontstonden reeds op het einde van de 13de en in de loop van de 14de eeuw de vijvers van Zillebeke (1295), Dikkebus (circa 1322) en Bellewaarde (1362-1365). De bedoeling van de afdamming was de stad Ieper, met zijn bloeiende lakennijverheid, van water te voorzien en terzelfder tijd een waterreservoir aan te leggen voor de stadswallen. Thans voorzien de vijvers van Zillebeke en Dikkebus nog gedeeltelijk in de drinkwatervoorziening van de stad Ieper.

Het gebied wordt gekenmerkt door een half open tot gesloten cultuurlandschap met enkele bossen, een afwisseling van akker- en weilandpercelen, een verspreide landelijke bebouwing, een stadskern en meerdere dorpskernen. De onregelmatige perceelindeling wijst op een ongeorganiseerde en spontane ingebruikname van de bodem in functie van plaatselijke factoren van bodemgesteldheid en reliëf.

De verwoesting tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft het landschap in grote lijnen blijkbaar ongewijzigd gelaten; de omgewoelde aarde was reeds tegen 1922 bijna geheel geëffend, waarna het herstel naar het vooroorlogse landschapspatroon volgde.

STREEKEIGEN MATERIAAL

De lokale afwezigheid van natuursteen leidde tot de aanvoer vóór 1200 van ijzerzandsteen afkomstig van de Kemmelberg, de Catsberg en de Casselberg (Zuidvlaamse bergen). IJzerzandsteen - voornamelijk hergebruikte - wordt nog sporadisch aangetroffen, in de onderbouw van de huidige kerken. Uit dit romaanse bouwmateriaal is de westbouw van de Sint-Pieterskerk te Ieper opgetrokken.

In de 13de eeuw werd zandsteen aangevoerd uit Artesië voor de bouw van kerken, openbare burgerlijke gebouwen en privé-"stenen" te Ieper. Het betrof voornamelijk harde Atrechtse zandsteen. De zachtere Bray-zand-steen werd aangewend voor architecturale versieringen.

In de loop van dezelfde eeuw - blijkbaar voornamelijk vanaf circa 1250 - grijpt echter ook een verschuiving plaats in de gebruikte bouwmaterialen: de "nieuwe" baksteen verdringt de Artesische zandsteen althans voor opgaand metselwerk. De eerste bouwcampagnes van de Ieperse Sint-Maartenskerk illustreren deze overgang: de vroeg-gotische koorpartij (1221 - circa 1251) werd opgetrokken uit Atrechtse zandsteen, doch vanaf het gotische transept nam het gebruik van gele baksteen toe in combinatie met natuursteen voor sokkel, lijsten, maaswerk,...

Niettemin bleef Artesische zandsteen tot ver in de 18de eeuw het traditionele bouwmateriaal voor de onderbouw (sokkel, plint) van stadshuizen en blijkbaar ook van landelijke woningtypen van enig aanzien (buitenplaatsen, herenboerenhuizen).

Voor de aanvoer van dit Noord-Franse bouwmateriaal speelde de ten zuidwesten van het gebied stromende Leie een belangrijke rol. Naar verluidt fungeerde Waasten - middeleeuwse transithaven aan de Leie - volgens Ieperse stadsrekeningen uit de 15de eeuw als toenmalig overslagcentrum van Artesische zandsteen afkomstig uit Béthune.

Ook Doornik, het belangrijkste uitvoercentrum van natuursteen in de middeleeuwen, vond afzet in het gebied; voor kapitelen, en in mindere mate voor zuilen en scheibogen, werd Doornikse steen gebruikt.

Hoewel de eigenheid van de bodem (Ieperiaanse klei) zich uitstekend leende voor lokale baksteenfabricage, werd via de IJzer en de Ieperlee gele baksteen aangevoerd vanuit de kuststreek. De polderklei is geelbakkend, waardoor het contrast tussen de baksteen en het voegwerk verkleint. Tijdens de middeleeuwen werd de in Ieper gebruikte baksteen besteld in het Diksmuidse en bij de Veurnse Sint-Niklaasabdij.

Het gebruik van donkerrode baksteen voor het binnenmetselwerk van de middeleeuwse vestingtorens te Ieper, verwijst echter ook naar het bestaan van een lokale baksteenproductie. Blijkbaar werd de lokale roodbakkende klei aanvankelijk enkel geëxploiteerd voor tichelen (dakbedekking) en ruw, niet onmiddellijk zichtbaar of naderhand van geelbakstenen parement voorzien metselwerk.

Dit veranderde echter toen circa 1600 de Ieperse stadsoverheid de lokale baksteenfabricage stimuleerde om aanvoerkosten te drukken. Van toen af werden ook gebouwen opgetrokken uit rode baksteen, evenwel afgewisseld met gele kustbaksteen voor versieringen als hoekbanden en omlijstingen van muuropeningen. De gele baksteen bleef echter het favoriete bouwmateriaal en lag aan de basis van streekeigen vertolkingen van de opeenvolgende bouwstijlen; voornamelijk de renaissancestijl werd in de Westhoek op een zeer aparte wijze geïnterpreteerd.

Het stimuleren van de lokale baksteenfabricage door de Ieperse stadsoverheid hield mogelijk ook verband met hun poging (1619-1620) om de houten gevels intra muros te doen verdwijnen (brandpreventie); niettemin telde de stad er nog 94 in 1829. Tengevolge van in 1823 getroffen saneringsmaatregelen verdwenen zij tenslotte uit het stadsbeeld op één uitzondering na, het zogenaamde "Houten Huis" dat na de Eerste Wereldoorlog gereconstrueerd werd.

De westelijke strook van het kieskanton bewaart nog zeer sporadisch in de vooroorlogse hoevebouw, stijl- en regelwerk met bakstenen en/of lemen vullingen, of met horizontale plankenbeschieting (dwarsschuren).

De wederopbouw bracht geen ommekeer in het traditionele materiaalgebruik. Zeldzaam geworden nood- en semi-permanente woningen knopen door hun bouwtechniek en -materialen aan bij de vooroorlogse landelijk vakwerkbouw; zij lijken meestal samengesteld uit gestandaardiseerde houten skeletten en raamwerken afkomstig uit de magazijnen van de Dienst van de Verwoeste Gewesten. De opruimingswerken resulteerden in een logische recuperatie van bouwmaterialen. Het meest opvallend is het hergebruik van Atrechtse zandsteen voor sokkels en plinten. Gerecupereerde bakstenen werden voornamelijk gebruikt voor funderingen. Voorts werd puin gemalen en met kalk verwerkt tot mortel; het overschot diende onder meer voor het aanvullen van terreinen.

Nieuwe bakstenen werden lokaal gefabriceerd in "mechanische"- en veldsteenbakkerijen of aangevoerd, voornamelijk vanuit de kuststreek, onder meer via de tramlijn Veurne-Ieper. De gele kustbakstenen waren afkomstig van de "Mekanieke Steenbakkerij van Nieuwpoort" en de "Briqueteries de l'Yser" met zetel te Veurne.

Typerend voor de wederopbouw is het gebruik van overwegend gele baksteen voor de straatgevels, wat aansluit bij de traditionele voorkeur voor dit bouwmateriaal; zij- en achtergevels, evenals de binnenmuren zijn dan doorgaans opgetrokken uit rode baksteen. Dit is voornamelijk het geval te Ieper en bij "betere" landelijke gebouwen als gemeentehuizen, burgerwoningen en pastorieën.

De courante rode dakpannen zijn meestal afkomstig uit het Kortrijkse.

Het gebruik van minder traditionele en "eigentijdse" bouwmaterialen bleef beperkt. Voornamelijk simili- en/of Euvillesteen werd aangewend, onder meer voor kozijnconstructies, lijsten en ornamenten. Indien niet van Atrechtse zandsteen, zijn plinten en sokkels van stads- en dorpswoningen vaak van arduin. Volledig gecementeerde (ook simili-bepleistering) gevels zijn eerder zeldzaam. Cementpannen, lokaal soms "Duitse pannen" genoemd, worden sporadisch aangetroffen en dan nog voornamelijk in de hoevebouw.

Behalve voor lateien van muuropeningen en sommige binnenconstructies, vond beton tijdens de wederopbouw weinig ingang in het bestudeerde gebied. Betonconstructies als de twee watertorens (Ieper, Vlamertinge) en het kasteel Elzenwalle zijn er dan ook uitzonderlijk.

Vermeldenswaardig met betrekking tot het interieur is het geregeld voorkomen van granito als vloerbekleding, aangebracht door Italianen. "Pitch-pine" is een courante houtsoort voor ramen en deuren.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Vóór de komst van de Romeinen werd het bestudeerde gebied bewoond door de Menapiërs, een Keltische stam waarvan het gebied zich vanaf de Schelde tot aan de Noordzeekust uitstrekte en in het zuiden tot aan de Aa reikte. In 53 vóór Christus werd de streek veroverd door de Romeinen. De muntschat uit de 1ste à 3de eeuw na Christus die gevonden werd te Elverdinge, aan de Steenstraat, een diverticulum van de weg Kassel-Oudenburg is één van de schaarse restanten van de Romeinse aanwezigheid in het bestudeerde gebied.

Na de invallen van de Franken en gedurende de ganse Merovingische periode (5de tot 8ste eeuw) bleef het gebied een onontgonnen terrein. Ten oosten van Ieper vanaf Roeselare tot aan Voormezele en Dikkebus, strekte zich een woud uit; deze bosgordel besloeg het grondgebied van de gemeenten Passendale, Zillebeke, Geluveld en gedeelten van Hollebeke en Dikkebus.

De bevolkingsexplosie in de 11de eeuw was het startsein voor de grote middeleeuwse ontginningen die door de graven van Vlaanderen gestimuleerd werden; de meeste parochies in het kanton werden in de 11de-12de eeuw gesticht. Ook de stichting van de stad Ieper door Boudewijn V past in dit beleid. Uitgestrekte gebieden werden door de monniken van Voormezele in cultuur gebracht.

Het huidige kieskanton Ieper maakte deel uit van de voormalige kasselrij Ieper, welke qua uitgestrektheid ongeveer beantwoordt aan het huidige Ieperse arrondissement. Deze bestuurlijke eenheid, die gedurende het hele Ancien Régime bleef bestaan, werd opgericht door Boudewijn van Rijsel (1035-1067). De juridische bevoegdheid kwam grotendeels toe aan het "Zaalhof" te Ieper. De stad Ieper behoorde niet tot de kasselrij, maar had een eigen schepenbank. Ieper was tevens de hoofdstad van het Westerkwartier, een uitgestrekte administratieve eenheid, bestaande uit de kasselrijen Veurne-Ambacht, Kassei, Sint-Winoksbergen, Belle, Waasten en Boubourg. De parochies Elverdinge, Vlamertinge, Zuidschote vormden samen met Watou, Noordschote, Reningelst, Loker, Woesten (zie kieskanton Poperinge) de Generaliteit van de Acht Parochies; zij hadden een eigen bestuurscollege en rechtspraak. Voor fiscale aangelegenheden ressorteerden zij onder de kasselrij van Veurne-Ambacht. Vanaf de 11de, en voornamelijk de 12de eeuw groeide Ieper uit tot een internationaal lakencentrum. Aanvankelijk werd de plaatselijke wolproductie verwerkt, later werd een fijnere wolsoort uit Engeland ingevoerd en ter plaatse verwerkt tot laken. Ieper, de stad der jaarmarkten, was goed bereikbaar via de landweg Brugge-Torhout-Ieper-Mesen-Rijsel en via de Ieperlee en de golf van Lo die in verbinding stond met de Noordzee. De 12de en de 13de eeuw waren de bloeiperiode voor Ieper en het ommeland. Reeds tegen het einde van de 13de eeuw kende de lakenhandel een sterke recessie, die samenviel met de spanningen tussen enerzijds het patriciaat, gesteund door de Franse Koning en de drapiers, en anderzijds de meer bescheiden bedrijfsleiders, gesteund door de graaf van Vlaanderen (1280: opstand van de Cokerulle). Ook bij de opstand van 1328-'29 behoorde een groot deel van het bestudeerde gebied tot het opstandige kamp; de stad Ieper sloot zich pas in 1326 bij de opstandelingen aan. Talrijke vrije boeren sneuvelden in de slag bij Kassel (1328). Zij streden voor de politieke ontvoogding tegen de machtige patriciërs en edelen, die gesteund werden door de Franse Koning. Tijdens de Honderdjarige Oorlog werd de stad Ieper in 1383 gedurende negen weken belegerd door de Engelsen, met de Gentenaren als bondgenoten. De "voorgeborchten" van de stad werden volledig verwoest. De vrijwaring van de stad werd toegeschreven aan Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne, sindsdien beschermheilige van de stad.

Vanaf de 14de en de 15de eeuw vindt het dure Ieperse laken minder afzet door de concurrentie van het Engelse laken enerzijds, en deze van het platteland anderzijds. Kleinere centra, zoals Langemark produceerden laken met goedkope Spaanse wol en tegen lage lonen.

Tijdens de tweede helft van de 16de eeuw werd het gebied getroffen door de godsdiensttroebelen, die tevens gepaard gingen met een sterk verzwakte economische toestand. De beeldenstorm, gestart in 1566 te Steenvoorde, bracht ernstige schade aan. Voornamelijk op het einde van de 16de eeuw ontbrak te Ieper een hevige strijd tussen de opstandelingen en de Spaanse troepen. De streek kwam totaal uitgebloed uit de strijd, het platteland van Ieper bleef in 1585 volledig onontgonnen, de wolarbeiders waren uitgeweken naar Engeland. Talloze kerken waren verwoest onder meer Beselare, Boezinge, Geluveld, Langemark, Poelkapelle, Voormezele, Zillebeke, Vlamertinge, alsook het kasteel van Boezinge en het kasteel van Elverdinge. In de stad Ieper beperkte de schade zich eerder tot de vernieling van de kerk- en kloosterinboedels.

Het einde van de 16de eeuw luidde echter een verbetering van de toestand in. In tegenstelling tot het vroegere internationaal karakter, evolueerde Ieper tot een plaatselijk centrum van regionale handel en huisnijverheid (kant) midden een agrarisch ommeland. Daarentegen werd Ieper een belangrijk kerkelijk bestuurscentrum, wat blijkt uit de oprichting van het bisdom (1559), de stichting van een seminarie (1572), de stichting (1585) van één van de oudste jezuïetencolleges in de Nederlanden en de talrijke kloosters die zich binnen de vestingen teruggetrokken hadden.

Tijdens de tweede helft van de 17de en de eerste helft van de 18de eeuw werd het gebied ontwricht door de oorlogen en de ermee gepaard gaande economische crisis. De streek werd achtereenvolgens aan de Spanjaarden (tot 1678 Verdrag van Nijmegen), de Fransen (tot 1713 Verdrag van Utrecht), de Oostenrijkers (tot 1791) en opnieuw aan de Fransen (tot 1814) toegewezen. Als grensstad tussen de oorlogvoerende mogendheden evolueerde Ieper tot belangrijke vesting met een eigen fortificatiesysteem aangelegd door Vauban.

Tijdens het Oostenrijkse tijdvak kende het gebied een zekere bloei, die onder meer te danken was aan de huisnijverheid, de plaatselijke handel, alsook de smokkelhandel met Frankrijk. De Oostenrijkse vorsten legden talrijke wegen aan: Ieper-Elverdinge-Veurne; Ieper-Zonnebeke; Ieper-Menen-Rijsel; Ieper-Gits via Hooglede; Dikkebus-Reningelst.

De Industriële Revolutie ging het bestudeerde gebied als het ware voorbij. In de loop van de 19de eeuw ontwikkelden zich enkele agrarische nijverheden, zoals brouwerijen, maalderijen en een hopmagazijn. Enige kleine nijverheden waren geconcentreerd te Ieper onder meer een blekerij, een gasfabriek (voor de openbare verlichting), een lintenweverij, een constructiebedrijf voor fietsen. Ook de kantnijverheid bleef tot in de 19de eeuw voortleven. Ieper was voornamelijk een handelscentrum, met de graan- en metaalhandel als belangrijke exponenten. Vooral het kanaal Ieper-IJzer was zeer belangrijk bij het vervoer van de producten.

De pogingen in 1883 om Ieper te verbinden met het Leiebekken via het kanaal Ieper-Komen mislukten door de slechte geologische omstandigheden.

Heel belangrijk, zo niet de levensader van Ieper, was de aanwezigheid van een internationaal bekende ruiterijschool, de Weldadigheidsschool (een school voor lichte jeugddelinquenten) en een garnizoen soldaten. Deze drie instellingen betekenden een ware bron van inkomsten voor de talrijke neringdoeners van Ieper en het omliggende. De aanwezigheid van de militaire elite verklaart tevens het groot aantal buitenplaatsen in de omgeving van de stad.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog behoorde het bestudeerde gebied tot de frontstreek. Het Duitse offensief strandde op een frontlijn die tot 1917 nauwelijks nog veranderde. Ter hoogte van Ieper vormde deze noordzuid-frontlijn een deels om de stad lopende oostelijke bocht, de zogenaamde "Ypres Salient"; samen met het IJzerfront, het kernstuk van de stellingoorlog. De Duitse strategie was gericht op het bereiken van Calais aan de Franse kust, via Ieper, waardoor meteen een wig zou worden gedreven tussen de geallieerde troepen. Rond de "Salient" werd tot het einde voor ieder lapje grond gevochten. De stad, gelegen buiten het front, werd systematisch beschoten; de verwoesting van de omgeving was evident.

Reeds in 1915 richtte de regering in Le Havre de "Mission du Ministère des Sciences et des Arts" op. Deze permanente commissie onder leiding van architect E. Dhuicque (1877-1955) had tot doel de kunstwerken (roerende en onroerende) te redden, die het risico liepen beschadigd te worden tijdens het oorlogsgeweld; daartoe werd een grondige inventaris opgemaakt bestaande uit beschrijvingen, tekeningen, opmetingen en foto's.

Kort na de wapenstilstand kwamen vele vluchtelingen, zich niet bewust van de verregaande verwoesting, naar de streek terug. Velen waren met verstomming geslagen bij het zien van de woestenij. Een groot deel, voornamelijk de hoge burgerij die over de middelen beschikte om elders een nieuw bestaan op te bouwen, verliet de streek definitief. Dit verklaart mede de demografische evolutie; uit een volkstelling van 1930 in de stad Ieper bleek dat slechts 37% van de inwoners Ieperlingen waren. Om de herbevolking van de gewesten aan te moedigen, werden terugkeerpremies (een gratis terugreis en dagelijks steungeld ten bedrage van ongeveer 1,5 frank) uitbetaald aan de vluchtelingen met een toelatingsbewijs. Dit bewijs werd bij voorkeur uitgereikt aan personen wiens beroep dienstig kon zijn bij de wederopbouw. De bevolking keerde later terug in totaal verwoeste dorpen, zoals Boezinge, Poelkapelle, gelegen ten noordoosten van Ieper in de eigenlijke frontstreek; vroeger in gemeenten zoals Vlamertinge, Dikkebus, ten westen van Ieper, waar de vernieling minder algeheel was. De gemeentelijke autoriteiten kwamen doorgaans pas terug in de tweede helft van 1919; intussen werd hun taak veelal waargenomen door de pastoor of de veldwachter.

De eersten, de "pioniers", begonnen onmiddellijk na de wapenstilstand met het effenen en het bewerken van hun gronden met eigen middelen. Het eigenlijk landbouwherstel werd echter georganiseerd door de "Bijzondere dienst voor het heropbouwen der door den oorlog verwoeste streken in West-Vlaanderen". In 1919 werden de gronden reeds drooggemaakt, nadien kon het effenen en ontmijnen van de terreinen en het opruimen van de puinen worden aangevat. Niettemin bleven enkele landschappelijke restanten van oorlogvoering in de vorm van loopgrachten en kraters te Zillebeke bewaard. De landbouwers konden zelfde herstelling verrichten, en naarmate het werk vorderde, werden ze vergoed door de vermelde dienst.

Anderzijds kon men ook een beroep doen op de staat om gronden te laten herstellen. Dit laatste systeem bleek het meest efficiënt; de vernoemde dienst beschikte over een uitstekend team dat voorbereidende 'studies maakte, zoals bodemonderzoek, en op een beslissende manier het herstel kon doorvoeren; het bezorgde de landbouwers tevens het nodige vee. In het privé-initiatief speelde de Belgische Boerenbond een aanzienlijke rol; het herstel van de gronden was het werk van de bijzondere afdeling, de Belgische Heidemaatschappij.

Het meest dringende probleem was de huisvesting; sommigen improviseerden kleine optrekjes of gingen in bunkers huishouden. Teneinde de woningnood te lenigen werden barakken gebouwd door het Koning Albert Fonds (reeds opgericht op 23 september 1916). Later (15 maart 1920) onder het bewind van Minister Renkin werden tevens toelagen verleend aan geteisterden, die bereid waren om zelf een semi-definitieve woning te bouwen; deze semi-permanente woningen dienden buiten de dorpskom op onbebouwde gronden en op een afstand van 10 meter te worden opgetrokken.

De regering gaf zich vrij spoedig rekenschap van het feit dat de gemeenten de zware taak van de wederopbouw onmogelijk alleen tot een goed einde konden brengen. Door de wet van 8 april 1919 kregen de verwoeste gemeenten de kans zich te laten adopteren door de Staat. De geadopteerde gemeenten werden gegroepeerd per gewest; aan het hoofd van elk gewest stond, onder het gezag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, een Hoog Koninklijke Commissaris. Laatstgenoemde centraliseerde de bevoegdheden in gemeentezaken, die normaal toekwamen aan de Bestendige Deputatie, de Gouverneur en de Koning. De geadopteerde gemeenten waren onder meer verplicht een algemeen rooilijnplan, een algemeen aanlegplan en een politiereglement in verband met het bouwen ter goedkeuring voor te leggen aan de Hoog Koninklijke Commissaris. Daartegenover stond dat voornoemde gemeenten extra financiële hulp ontvingen. In het bestudeerde gebied lieten alle gemeenten zich adopteren: Langemark, Poelkapelle behoorden tot het gewest West-Vlaanderen; de overige gemeenten maakten deel uit van het gewest Zuidwest-Vlaanderen.

In aansluiting met de wet op de aangenomen gemeenten werd de Dienst der Verwoeste Gewesten opgericht, die instond voor de financiering en de coördinatie van de wederopbouw.

De geteisterden dienden hun aanvraag tot schadevergoeding in bij de burgemeester van de gemeente. Het dossier werd doorgestuurd naar de Rechtbank van Oorlogsschade; deze rechtsinstantie werd voorgezeten door een voorzitter en twee ondervoorzitters. De Staatscommissaris, aangesteld door het Ministerie van Financiën om de belangen van de staat te verdedigen, onderzocht in eerste instantie het dossier en trachtte tot een overeenkomst "in der minne" te komen. Kwam het niet tot een vergelijk tussen beide partijen, dan werd het dossier voor de Rechtbank beslecht. Zowel de geteisterde als de Staatscommissaris hadden het recht tegen deze beslissing in beroep te gaan bij het Hof van Oorlogsschade.

Bij het uitbetalen van de schadevergoeding, berekend op de waarde van het vernielde pand vóór de mobilisatie, werd door de Rechtbank gecontroleerd of de wederbelegging gebeurde op hetzelfde terrein, binnen een vastgestelde termijn, en, of deze gebeurde in onroerende goederen met eenzelfde of gelijksoortige bestemming. Deze laatste voorwaarde werd na verloop van tijd versoepeld; het herstelde of nieuw op te trekken gebouw diende niet noodzakelijk dezelfde bestemming te hebben als de oorspronkelijke; een herenhuis kon voortaan vervangen worden door een aantal arbeiderswoningen.

Voor monumenten en openbare gebouwen mocht de Rechtbank slechts beslissingen nemen na advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Natuurschoon. Voor gebouwen met een historische of artistieke waarde, kon de Minister van Wetenschappen en Kunst, in samenspraak met de vermelde Commissie en de betrokken besturen, opteren voor de heroprichting van het gebouw of voor het consolideren van de puinen. Dit verklaart enigszins dat de hevige polemieken omtrent het al of niet wederopbouwen van het Ieperse "spilmonument" Hal-Belfort voornamelijk gevoerd werden op nationaal vlak; hun reconstructie werd echter lokaal en zeker door het stadsbestuur nooit ter discussie gesteld.

Bij de concrete toepassing van deze basiswetgeving, werden al vlug talrijke moeilijkheden ondervonden. De problemen werden door de opeenvolgende bevoegde Ministers, de Broqueville (tot december 1919), Renkin (december 1919 - juni 1920), Van de Vijvere (november 1920 - november 1924), op verschillende manieren aangepakt.

De Rechtbanken van Oorlogsschade waren al vlug overbelast; vooral in het Ieperse waar de juridische organisatie niet aangepast was aan de uitzonderlijke graad van vernieling. Daartoe werden de Samenwerkende Maatschappijen voor Oorlogsschade opgericht, zij traden op als bemiddelaar tussen de Staat en de geteisterden. Indien de geteisterde een beroep deed op een Samenwerkende Maatschappij, kon hij onmiddellijk een voorschot op de oorlogsschade aanvragen, nog vóór de Rechtbank een uitspraak had gedaan. Dit systeem werd onder het bewind van Minister Jaspar verder uitgebouwd en tevens sterk aanbevolen.

Om de heropbouw op gang te brengen werd onder het bewind van de Broqueville een groots plan voorgesteld voor het bouwen van duizend arbeiderswoningen en evenveel pachthoeven door de Staat. Deze woningen konden tegen minimum prijzen door de bewoners overgekocht worden. Het plan zou worden uitgevoerd door het Bestuur van de Bouwdienst onder leiding van R. Verwilghen. Het ging om meer progressieve projecten, die aansloten bij de eigentijdse huisvestingsprinciepen gebaseerd op oudere tuinwijkgedachten. De bouw van de duizenden pachthoeven kaderde tevens in een algemene landbouwpolitiek. Dit groots opgevatte bouwproject werd echter door Minister Renkin, de Broquevilles opvolger, stopgezet. Laatstgenoemde propageerde veeleer het systeem dat eigenaars hun huizen lieten wederopbouwen door de Staat, op voorwaarde dat zij afstand deden van hun schadevergoeding. De geteisterde kon zelf zijn architect aanduiden, maar de plannen, bestekken en lastencohieren werden onderworpen aan de goedkeuring van een Hoog Koninklijke Commissaris.

De wederopbouw werd sterk gehinderd door de schaarse bouwmaterialen. Ten einde dit euvel te verhelpen werden gemeente- en staatsmagazijnen door de Dienst der Verwoeste Gewesten opgericht. De bevolking kon zich aldaar voorzien van de nodige bouwmaterialen tegen zo laag mogelijke prijzen.

Bovendien was de totale ontreddering van het transport een grote hinderpaal bij de aanvoer van de bouwmaterialen. Daartoe werd binnen de Dienst der Verwoeste Gewesten een bestuur opgericht met zetel te Roeselare, die beschikte over vrachtwagens, locomotieven, trein wagens. Deze dienst maakte tevens gebruik van de Decauvillelijnen, een net van smalle spoorlijnen tijdens de oorlog aangelegd door de legers. Om de transportkosten van de bouwmaterialen te drukken en de handel te herstellen, werd er vooral door de Ieperse bevolking op aangedrongen het kanaal Ieper-IJzer spoedig te herstellen. De eis werd tevens geformuleerd door de "Ieperse club van Poperinge", één van de verenigingen die streden voor de belangen van de geteisterden en de problemen van de wederopbouw meer ruchtbaarheid gaven. Niettegenstaande de drukkingsgroepen werden de herstellingswerken van het kanaal pas in 1933 voltooid.

Na de goedkeuring van de aanleg- en rooilijnplannen kon de definitieve wederopbouw van start gaan. Het Verwoeste Gewest veranderde in een bouwwerf: de lokale architecten werden door collega's uit het ganse Vlaamse land en zelfs uit Noord-Frankrijk bijgestaan, die dikwijls te Ieper bijkantoren oprichtten.

Uitzonderlijk werd het aanlegplan gewijzigd; dit gebeurde doorgaans in functie van een "spil-monument". De creatie van het Guynemerplein te Poelkapelle en het Monseigneur Sixplein te Vlamertinge zijn te verklaren door de bouw van respectievelijk een veel grotere dorpskerk en van een monumentaler gemeentehuis.

Zelden werden de hoeven op de vooroorlogse fundamenten opgetrokken. Veelal werd de hoeve-uitbating dichter bij de openbare weg heropgebouwd.

Nieuw zijn de enkele buiten de oude stads- en dorpskommen ingeplante tuinwijken.

De militaire kerkhoven lagen tijdens de Eerste Wereldoorlog dicht achter het front of dicht bij een veldhospitaal. De kerkhoven van de geallieerden (Engelsen, Fransen, Belgen) liggen voornamelijk geconcentreerd rond de "Ypres Salient". Logischerwijs lagen de Duitse kerkhoven aan de andere kant van het front. Duitse, Franse en Belgische kerkhoven werden na de oorlog ontgraven en gegroepeerd in grote begraafplaatsen. Enkel de Britse graven bleven op hun oorspronkelijke plaats, wat de diversiteit in ligging en grootte mede verklaart.

Bij de wederopbouw kende dit kanton een intense, doch kortstondige economische bedrijvigheid, gepaard gaande met een hoge tewerkstelling en een demografisch hoogtepunt.

Al vlug stabiliseerde de economie zich op het vooroorlogse peil. Het kanton bleef een voornamelijk agrarisch gebied met aanverwante nijverheden, die nog volledig aansloten bij de 19de-eeuwse traditie, zoals molens, maalderijen, brouwerijen en hopmagazijnen. Typerend is het, dat te Bikschote in 1922, de in 1915 uitgebrande molen, werd vervangen door een nieuwe, gebouwd met onderdelen van twee andere staakmolens. Het werkgelegenheidstekort werd gedeeltelijk ondervangen door de grensarbeid, naar het geïndustrialiseerde Noord-Frankrijk. Dit fenomeen, reeds bestaande in de 19de eeuw, bleef doorleven tot in de jaren 1960.

Tussen de jaren 1955-1965 werden industrieterreinen te Ieper aangelegd. De industriële werkgelegenheid wordt gedomineerd door de metaalsector (weefautomaten) aangevuld met kleine en middelgrote bedrijven.

Voornamelijk te Ieper verzorgt de handels- en dienstensector een vrij grote tewerkstelling, ook tengevolge van het toerisme. Naast het fronttoerisme, reeds bestaande kort na de wapenstilstand, kende het dagtoerisme in de laatste jaren met de vijvers van Dikkebus en Zillebeke, het Provinciaal Domein de Palingbeek en het pretpark te Zillebeke, als belangrijkste trekpleisters, een ware opgang.

Vooral de A 19 is belangrijk voor de ontsluiting van het kanton, als aansluiting met de E 40 (Antwerpen-Rijsel) en de A 17 (Brugge-Wevelgem).

ARCHITECTUUR

De wederopbouw in het kanton grijpt terug naar reeds regionaal bestaande bouwprogramma's; deze historiserende aanpak blijkt, althans op het eerste gezicht, ervaren te worden als een normaal heropnemen van de draad die door de Eerste Wereldoorlog werd onderbroken.

Het wederopgebouwde gebouwenbestand vertoont in het algemeen de traditionele structuur en planindeling van het 19de-eeuwse. Plaatselijk alom aanvaarde, gewaardeerde en visueel onmisbaar geachte "historische monumenten" werden naar het vertrouwde-, en vaak "zuiverder" dan het vooroorlogse uitzicht gereconstrueerd; indien (nog) bestaand gebeurde dit onder meer aan de hand van vooroorlogse restauratie- en opmetingsplans. In het wederopgebouwde Ieper ressorteren de integrale reconstructies zowel onder de religieuze als onder de burgerlijke openbare en privé-architectuur; in bepaalde landelijke gemeenten betreft het meestal enkel de parochiekerk.

De "wederopbouwstijl" is echter voornamelijk eclectisch en nogal lokaal getint in de lijn van de als "Vieux-Neuf" bestempelde eclectische bouwtrant die zich in de eerste Ieperse stadsuitleg van rond de eeuwwisseling ontplooide. Meer doorgedreven interpretaties van traditionele vormen zijn zeldzaam en modernisme is hoogst uitzonderlijk (Ieper, architectenwoning Verbruggen). Decoratieve elementen verraden soms een art-deco-invloed.

Het traditionele verschil in architecturale uitwerking van stedelijke en landelijke architectuur bleef ook in de wederopbouw bewaard: de dorpsarchitectuur is een vereenvoudigde versie van de stedelijke.

Hoewel J. Coomans (Ieper) duidelijk een persoonlijke stijl hanteert, die in al zijn realisaties - stedelijke en landelijke - teruggevonden kan worden, is dat voor de andere wederopbouwarchitecten in het kanton veel minder het geval. Dit neemt echter niet weg dat enkelen toch een zekere homogeniteit in stijl nastreefden in de wederopbouwprojecten die hun binnen sommige dorpen werden toevertrouwd.

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Uit het wederopgebouwde kerkenbestand in het kanton blijkt dat voornamelijk enkel gotische bedehuizen naar hun vooroorlogse uitzicht werden wederopgebouwd.

De Sint-Michielskerk te Boezinge, de Sint-Petrus en Pauluskerk te Elverdinge, Sint-Vedastuskerk te Vlamertinge, Sint-Catharinakerk te Zillebeke, Sint-Paulus Bekeringkerk te Langemark, Sint-Leonarduskerk te Zuidschote en mogelijk ook in Sint-Andrieskerk te Bikschote werd de overwegend laat-gotische dorpskerk min of meer getrouw - over het algemeen "corrigerend" met betrekking tot de stijleenheid - gereconstrueerd. Bouwschema en materiaal van deze bedehuizen sluiten aan bij de typische baksteengotiek van de kuststreek. De bakstenen, driebeukige hallenkerken met rijzige westtoren worden er getypeerd door op elkaar gestelde hoeksteunberen en een meestal bakstenen spitsbekroning afgezet met hogels en geflankeerd door vier hoektorentjes.

Ook de vooroorlogse Sint-Jacobskerk te Ieper, een laat-gotische hallenkerk met hoger opgebouwde middenbeuk, werd getrouw gereconstrueerd; op de westtoren, vóór 1909 met smalle stompe spits, prijkt opnieuw de toen pas aangebrachte bakstenen spits naar regionaal patroon.

De interieurs van de wederopgebouwde hallekerken vertonen het typisch, ruime karakter dat in de lijn van de traditie doorgaans nog gestimuleerd wordt door de overdekking met houten gewelven.

In zijn geheel genomen herstelde de wederopbouw de vooroorlogse Sint-Maartenskerk te Ieper. Het groots opgevatte bedehuis - in deze voormalige bisschopsstad (1559-1801) doorgaans nog de "kathedraal" genoemd -stijgt traditiegetrouw uit boven de kerkbouw in het gebied. De reconstructie bewaart de opeenvolgende bouwcampagnes met inbegrip van de begin 20ste-eeuwse restauraties onder meer "ter correctie" van restauratiewerken uitgevoerd in de loop van de 19de eeuw. De innoverende vroeg-gotische koorpartij (1221 - circa 1251) waarvan de aanleg gekenmerkt wordt door een veellobbig uitzicht, is voor onze streken vrij uniek - op het andere, eenvoudige voorbeeld van de Onze-Lieve-Vrouw Bezoekingskerk te Lissewege na - maar verwijst rechtstreeks naar de abdijkerk van Saint Yved te Braisne, nabij het Franse Soissons. Vanaf het transept (circa 1254 - eerste helft 14de eeuw) tekenen zich meer streekeigen gotische vormen af, wat samenhangt met de intensivering van het baksteengebruik. Het driebeukige schip (14de eeuw) heeft een basilicale opstand; de middenbeuk wordt gestut door luchtbogen. De uitspringende westtoren (voornamelijk 15de-eeuws), waarin onder leiding van de Mechelse bouwmeester M. Uytenhove elementen uit de Brabantse gotiek zouden zijn ingevoerd, werd bij de wederopbouw aangevuld met de in het begin van de 20ste eeuw geplande stenen spits.

Van dezelfde archeologische wederopbouwaanpak getuigt de andere historische stadskerk te Ieper. In de Sint-Pieterskerk is de gerestaureerde vooroorlogse toestand hersteld waarin gespaard gebleven muren en partijen, voornamelijk in het westblok, geïntegreerd werden. Deze westbouw, opgetrokken uit ijzerzandsteen, is de enige resterende getuige van romaanse architectuur in het gebied. Volgens de door F. Desmidt uitgewerkte reconstructie van de romaanse kerkplattegrond sloot zij aan bij een kruiskerk, die later systematisch uitgebreid werd tot een gotische hallenkerk. Het rondbogig westportaal overleefde de Eerste Wereldoorlog; de zuiltjes zijn niet meer oorspronkelijk, de ietwat strak en naïef uitgewerkte kapitelen zijn echter wel authentiek en sluiten duidelijk aan bij de romaanse iconografie waarin mensen- en dierenfiguren graag worden vermengd en met behulp van plantmotieven worden herleid tot decoratieve elementen ingepast in de basisvormgeving van architectuuronderdelen. Vermeldenswaardig in deze context is de 12de-eeuwse doopvont van Doornikse steen bewaard in de Sint-Catharinakerk te Zillebeke.

In het algemeen vertonen bedehuizen die vóór de Eerste Wereldoorlog een "andere" dan de gotische bouwtrant vertoonden - onder meer neoclassicistische (de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Poelkapelle, de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Voormezele, Ieperse Stint-Niklaaskerk) - na de wederopbouw een eclectische vormentaal; plattegronden en opstanden geven weinig blijk van uniformiteit, doch wijken nauwelijks of niet af van de in de kerkbouw algemeen gangbare. Hun architecturale uitwerking leunt aan bij het neo-romaans met regionale en Byzantijnse inslag (de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Voormezele), de toenmalige "moderne" religieuze architectuur (de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Poelkapelle, de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brielen), of de neogotiek met minder lokale inslag (de Sint-Juliaanskerk te Langemark, de Sint-Jan-Baptistkerk te Sint-Jan, de Onze-Lieve-Vrouw Geboortekerk te Hollebeke, Sint-Jan-Baptistkerk te Dikkebus). Door de gestileerde verweving met modernistische inslag van voornamelijk neo-Byzantijnse en neo-romaanse elementen, neemt de Ieperse Stint-Niklaaskerk een enigszins aparte plaats in. In deze stadskerk werden nieuwe technieken en voorzieningen - onder meer kelder met stookplaats, sanitair, bergplaatsen - ingebracht en werden moderne bouwmaterialen, bijvoorbeeld beton, vermengd met meer traditionele zoals gele baksteen, met schaarse verwerking van natuursteen voor het opgaand metselwerk.

Kloostergemeenschappen ten behoeve van onderwijs, zieken- of bejaardenzorg herbouwden traditioneel, veelal met neogotische inslag. De grotere kloosterkerken van de Ieperse kapucijnen - tevens parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw-Midelares (extra muros) - en het karmelietenklooster, getuigen van dezelfde neo-romaans-Byzantijnse inslag als de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Voormezele; ze zijn alle drie een ontwerp van architect J. Coomans (Ieper).

De straatvleugel van het Onze-Lieve-Vrouwgasthuis te Ieper is neoclassicistisch, in aanluiting bij de classicerende versie van de vooroorlogse barokke kapelgevel; bij andere, in opdracht van het bestuur van de toenmalige Burgerlijke Godshuizen te Ieper wederopgebouwde complexen, is de gereconstrueerde hoofdvleugel min of meer getrouw aan het vooroorlogse uitzicht: het Bellegodshuis met kapel in laat-gotische stijl gekenmerkt door renaissance-ornamentiek (1616), en het "Nazareth" in Lodewijk XlV-stijl (1717). De deels gespaarde 16de-eeuwse vleugel van het Sint-Jansgodshuis werd hersteld.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Intra muros

In het wederopgebouwde Ieper, nog voor twee derde omgord door zijn herstelde vestingen - ontegensprekelijk verbonden met de naam van Vauban -, weerspiegelt het unieke, bij de Scheldegotiek aanleunende complex Belfort-Lakenhal opnieuw het toenmalige belang van Ieper en zijn lakennijverheid; de integrale reconstructie getuigt tevens,van het monumentale en grootschalige karakter van de burgerlijke architectuur in de middeleeuwen. Ook het aanpalende "Nieuwerck" (circa 1622), een ander architectuur-historisch belangrijk openbaar gebouw, Werd integraal wederopgebouwd; samen met de aansluitende "conciërgerie" (1623) illustreert het de toenmalige invoer van ornamenten in een overgangsstijl van renaissance naar barok die in de lokale, 17de-eeuwse privé-architectuur zullen worden nagevolgd als "nieuwe" decoratieve elementen.

Nog andere, vrij getrouwe reconstructies met openbaar of privé-karakter, zijn - samen met de gespaarde gevel van het "Huis van der Mersch" (1772) - illustratief voor de opeenvolgende bouwstijlen zoals ze zich in het vooroorlogse Ieper aftekenden. Het meest representatief zijn: het "Groot Vleeshuis" (onderbouw: tweede helft 13de eeuw) en het Tempelierssteen (eind 13de - begin 14de eeuw) als weerklank van de bouwtrant van het complex Belfort-Lakenhal, het "Huis Biebuyck" (1544) als exponent van de laatgotische baksteenarchitectuur, het "Houten Huis" of het laatste exemplaar van de lokale 16de-eeuwse houtbouw, het "Genthof" (tweede helft 16de eeuw) in overgangsstijl gotiek-lokale renaissance, enkele 17de-eeuwse woningen in lokale renaissancestijl met zijn typerende traditionele wandstructuur verrijkt met de regionale interpretatie van de "stijlornamenten" zoals voornamelijk het aediculavenster, de Vispoort in Lodewijk XIV-stijl (1714), het "hotel Merghelynck" in overgangsstijl Lodewijk XV - Lodewijk XVI (1774), de classicistische "Kloosterpoort"(circa 1780), het burchtachtige poortgebouw van de gevangenis (1873-1876) en ten slotte de gevelrij voor het nieuwe stationskwartier door stadsarchitect J. Coomans ontworpen in "Vieux-Neuf"-stijl, een specifieke eclectische stijlrichting met diverse componenten voornamelijk ontleend aan de gotische stijl en de lokale Vlaamse renaissance.

Behoudens een aantal imitatieve varianten op de lokale architectuur uit de 17de en 18de eeuw, is de stedelijke wederopbouwarchitectuur eclectisch en ligt ze vaak in de lijn van de "Vieux-Neuf". Hieruit resulteren in het algemeen vrij homogene gevelwanden tengevolge van de herhaalde aanwending van dezelfde "traditionele" bouwonderdelen en vergelijkbare materiaalkeuze met baksteen op de eerste plaats; bij nader toezien echter zijn de gevels veelal gekarakteriseerd - al of niet volgens eenheidsconcept - door de verschillende verwerking van vermelde soortgelijke elementen. Dezelfde "wederopbouwstijl" typeert de architectuur uit de jaren 1920 aan de uitvalswegen.

In de stadsperiferie zijn meer progressieve wederopbouwprojecten als de tuinwijken N.M.B.S. en Kalfvaart, eerder geïnspireerd op de "regionale" dorpsbebouwing dan op de typische tuinwijkaanleg naar Engels model; hoewel vrij uniform, helt de architectuur er ook veel meer over naar de lokale bouwtrant dan naar de radicalere modernistische esthetiek. De Ligywijk- de grootste Ieperse tuinwijk - gaat echter door als één van de meest geslaagde en succesvolle realisaties van de Dienst der Verwoeste Gewesten omwille van de planmatige opbouw, de gestandaardiseerde woningen echter met de schilderachtigheid van de landelijke vakwerkbouw (een verbeterd type van de semi-permanente woning), de verzorgde groenaanleg en de perceptie van het stratenplan ontleend aan het Engels tuinwijkvocabularium. Ondanks de talrijke beeldtransformaties bleef het initiële tuinwijkconcept bewaard; de Ligywijk wordt thans nog even "enthousiast" bewoond.

Extra muros

De landelijke wederopbouwarchitectuur determineert nog sterk het profiel van het kanton.

In de gemeenten sluit de wederopbouwarchitectuur aan bij de traditionele dorpsbebouwing uit de 19de eeuw. De burgerhuizen zijn meestal versoberde versies van de stadswoningen. Pastorieën vallen onder dezelfde noemer, hoewel ze soms een overwegend neogotische inslag vertonen. Een uitzondering vormt de pastorie van Zillebeke, die wederopgebouwd werd naar het regionale patroon van de landelijke pastorie uit het einde van de 18de eeuw, met typerende dubbelhuisopstand.

Het gemeentenhuis van Vlamertinge, het gemeentenhuis van Boezinge, gemeentenhuis van Elverdinge zijn in een meer historiserende bouwtrant wederopgebouwd, die ze duidelijk herkenbaar maakt; het gemeentenhuis van Langemark onderscheidt het oorspronkelijke gemeentehuis zich van de overige doorsnee-bebouwing door een iets meer doorgedreven interpretatie van traditionele vormen.

Het buiten de oude dorpskom van Elverdinge gelegen tuinwijkje (1921) in de vorm van een konijnenpijp, vertoont qua concept en architecturale uitwerking grosso modo dezelfde kenmerken als de Ieperse Kalfvaartwijk.

Hoevebouw is ongetwijfeld de belangrijkste component van de landelijke wederopbouwarchitectuur. Opstelling van - én bestanddelen, aanplantingen, bouwmateriaal, indelingen, volumes en vormen zijn grosso modo dezelfde gebleven als in de regioale (laat-) 19de-eeuwse hoevebouw; zelfs de toen door de Belgische Boerenbond gepropageerde modelhoeven liggen in dezelfde lijn. Hoewel zij soms toch blijk geven van een hernieuwd functionalisme (bijvoorbeeld: een meer functionele opstelling en indeling uitgaande van de aard van de landbouwuitbating) zijn de wederopbouw hoeven in feite nog "grondgebonden bedrijven" uit een periode die de eigenlijke technologische en economische vernieuwingen in het landbouwgebeuren voorafgaat; zij vertonen thans in dezelfde mate als de gespaarde vooroorlogse hoeven, beeldtransformaties, voornamelijk in functie van een vernieuwd bedrijfsgebeuren tengevolge van arbeidsrationalisatie en teelttechnische perfectie.

De lage hoevebestanddelen - boerenhuis, stal(-len), schuur - onder zadeldaken (soms geknikte) zijn langgestrekt, L-vormig, sporadisch semi-gesloten doch staan overwegend los opgesteld rondom het erf; soms liggen een hopast (enkel in het grensgebied met het Poperingse) en een cichorei-ast - in de jaren 1940 veelal aangepast tot tabaksast - enigszins afgezonderd van de overige hoevegebouwen omwille van brandpreventie. Naar aloude volkstraditie ligt soms een wegkapel aan de erfoprit.

Indien niet recent verhard, hebben de meeste erven bakstenen of gekasseide stoepen rondom de meeste hoevegebouwen; de vaalt ligt veelal in het midden of achter de stalvleugel, maar is thans doorgaans vervangen door een gras- of siertuin. Overdekte vaalten in de vorm van open, eenbeukige gebouwtjes zijn eerder zeldzaam. Soms beschaduwt een notelaar nog het erf; zij zomen een hoeveoprit af aan de hoeve te Ieper.

Omwallingen, of sporen ervan, worden bij wederopbouwhoeven nagenoeg niet aangetroffen; schaarse omwallingsresten bleven bewaard bij enkele niet (volledig) verwoeste hoeven met oude kern uit de tweede helft van de 18de en de eerste helft van de 19de eeuw. Ook een moestuin - soms nog omhaagd - en een boomgaard (voornamelijk nog resten) kunnen tot de onmiddellijke omgeving van de wederopbouwhoeve behoren.

Baksteen - voornamelijk rode - is het bouwmateriaal; het gebruik van beton beperkt zich doorgaans tot lateien van muuropeningen. Alhoewel een systematisch onderzoek van interieurs niet onmiddellijk tot het opzet van de inventaris behoort, werden bij de bezochte schuren, indien niet aangepast, toch houten gebinten genoteerd; beton lijkt op het eerste gezicht gebruikt voor stalzolderingen onder meer in combinatie met ijzeren I-balken.

Als vanouds beschikt het wederopgebouwde boerenhuis over een opkamer. In de stalvleugel zijn meestal ook een voederkeuken, een melk-, een bakhuis, en een privaat opgenomen. De bakstenen wederopbouwschuur behoort tot het regionale dwarschuurtype, en beschikt meestal over een wagenberg en een aardappelkelder.

De eenvoudige wederopbouwtrant sluit aan bij de regionale 19de-eeuwse hoevebouw; anderzijds worden streekeigen bouwelementen wel eens (over-) geaccentueerd; aandaken, muurvlechtingen, topstukken, uilegaten en overstekende dakranden op houten modillons zijn evenals houten (pseudo-) kozijnconstructies met kleine roedeverdeling en luiken, vrij courant. Bij sommige wederopbouwhoeven, onder meer de historische "Bellegoeden", zijn streekeigen bouwelementen en vormen meer ingepast in het totale hoeveconcept. Enkele van deze hoeven beschikken over een inrijpoort; het "Buurloofhof" te Brielen en de hoeve "'s Heren Jans Zetel" te Vlamertinge overleefden een 18de-eeuwse inrijpoort, respectievelijk eenvoudig en classicistisch uitgewerkt, de Eerste Wereldoorlog.

Pachthoeven van één eigenaar zijn meestal door dezelfde architect wederopgebouwd en vertonen hierdoor verwante elementen inzake algemeen concept en architecturale uitwerking, soms nog onderlijnd door de beschildering van het houtwerk in de "kleuren van de eigenaar". De hoeven van de Ieperse Burgerlijke Godshuizen (thans O.C.M.W.), bijvoorbeeld, zijn duidelijk herkenbaar aan hun rood- en witbeschilderde luiken.

De wederopgebouwde buitenplaatsen behouden min of meer uitgesproken reminiscenties aan hun vooroorlogse, voornamelijk 19de-eeuws eclectische uitzicht gedomineerd door neogotische of neoclassicistische stijlontleningen. Nog representatief voor de vooroorlogse, grotere buitenplaatsen zijn het overwegend neogotisch getinte kasteel te Vlamertinge en enigszins ook nog het naar de vooroorlogse "Loire"-allures herstelde kasteel te Elverdinge. Een uitzondering vormt het kasteel 't Hoge te Zillebeke dat, in afwachting van de nooit gerealiseerde wederopbouw van het eigenlijke kasteel, in een meer intieme cottagestijl werd wederopgebouwd. Het kasteel Elzenwalle te Voormezele valt echter volkomen buiten de reeks; dit architecturaal curiosum getuigt door vorm en materie (beton) van de aparte wederopbouwaanpak van bouwheer-architect-aannemer E. Blérot.

Van het voormalig buitenverblijf in classicistische stijl (1758) van de Ieperse seminaristen te Vlamertinge, overleefden de buitenmuren grosse modo de Eerste Wereldoorlog; het werd zo getrouw mogelijk hersteld en tot hoeve aangepast.

HERINNERINGEN AAN DE EERSTE WERELDOORLOG

Het "wederopgebouwde landschap" bewaart niettemin nog duidelijke sporen van het oorlogsgeweld.

In de eerste plaats herinneren de vele soldatenkerkhoven - naargelang van de nationaliteit van de gesneuvelden op een verschillende manier - aan de tragiek van de Eerste Wereldoorlog. Deze goed onderhouden parken met "vreemde" benamingen vormen een component van het hedendaagse landschap; zij worden aangevuld door talrijke gedenktekens.

De vele Britse begraafplaatsen, hoe klein ook, worden gekenmerkt door eenzelfde basisconcept dat reeds in het begin van 1918 vastgelegd werd onder de artistieke leiding van F. Kenyon, directeur van het "British Museum", enkele vooraanstaande Engelse architecten als E. Luyens, H. Baker, R. Blomfield en de auteur R. Kipling ("Jungle Books"): laag ommuurde, soms ook deels omhaagde grastuinen met keurig opgestelde eenvoudige zerkjes gedomineerd door een "cross of sacrifice" of een stenen kruis met bronzen zwaard (R. Blomfield). De "stone of remembrance" met de op voorstel van Kipling aangebrachte inscriptie "Their name liveth for evermore" uit "Ecclesiasticus", wordt op de grotere kerkhoven aangetroffen. Deze beschikken over één of meerdere poortgebouwtjes met neoclassicistische inslag. Beplanting bij voorkeur met specifieke Engelse bloemen en planten, geven deze kerkhoven het uitzicht van een Engelse tuin, nog versterkt door de witte Portlandsteen.

De indrukwekkende Menensepoort naar ontwerp van R. Blomfield, het meest beroemde van de "Missing Memorials", is als een neoclassicistische triomfpoort opgenomen in de Ieperse vestinggordel; de muren dragen de naam van 54.896 vermisten.

Over de enige Duitse begraafplaats in het kanton, het "Deutscher Soldatenfriedhof 1914-1918" te Langemark, hangt een weemoedige, geladen sfeer, aangewakkerd door de aard van de beplanting (beuken, eiken), het grasveld met eenvoudige graftegels waaruit zich sobere, per drie gegroepeerde kruisen van basaltlava verheffen, het centrale massagraf opgetrokken uit donkerrode zandsteen van het Wesenbergland, dat zich herhaalt in het poortgebouw, de bronzen beeldengroep van E. Krieger (München), en de omzoming met lage muur, beek en beukenhaag, nog versterkt door een dubbele rij wilgen. De initiële vormgeving dateert uit 1930-1932 en werd tengevolge van een uitbreiding aangepast onder leiding van architect R. Tischler.

Aan de Zonnebeekseweg te Ieper is het grote Franse soldatenkerkhof "Saint-Charles de Potyze" duidelijk herkenbaar aan de nationale vlag; het heeft diagonaal naast elkaar ingeplante kruisjes versierd met rozenstruiken, en een "ossuaire" (massagraf).

Hoewel de nog vrij regelmatig in het kanton aangetroffen bunkers moeilijk de vergelijking kunnen doorstaan met de latere monoliete betonconstructies van bijvoorbeeld de Atlantische Muur, mogen zij toch beschouwd worden als voorlopers van de bunkerarchitectuur uit de Tweede Wereldoorlog. Het betreft bomvrije schuilplaatsen (reserves, hulppost) en gevechtsbunkers. De nog resterende bunkers of fragmenten ervan, laten vermoeden dat zij tot een heel eenvoudig en klein type behoren. De Duitse bunkers zijn lage, rechthoekige constructies met een effen textuur; de Britse bunkers zijn meestal halfrond en hebben een geribd oppervlak. Het verschillend uitzicht vloeit voort uit het materiaal voor de bekisting waarin het beton gegoten werd: de Duitsers gebruikten hout, de Engelsen golfplaten.


Bron     : Delepiere A.-M., Huys M. & Lion M. 1987: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Ieper, Kanton Ieper, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 11N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Delepiere, Anne Marie, Huys, Martine, Lion, Mimi
Datum  : 1987


Relaties