Geografisch thema

Kantons Evergem en Lochristi

ID: 16219   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16219

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Het gebied omvat de kieskantons Evergem (7.503 hectare) en Lochristi (13.269 hectare), gelegen in het noorden en noordoosten van het administratieve arrondissement Gent, aan weerszij van de uitgestrekte zone van het Kanaal Gent-Terneuzen.

Het kanton Evergem beslaat enkel de gemeente Evergem, die in 1977 ontstond uit de fusie van Evergem niet Sleidinge en Ertvelde-Kluizen, laatstgenoemde gemeenten werden reeds gefusioneerd op 31 december 1964. Het kanton Lochristi bevat naast Lochristi met haar fusiegemeenten Beervelde, Zaffelare en Zeveneken, ook de afzonderlijk gebleven gemeenten Moerbeke en Wachtebeke.

Stedelijke centra ontbreken in dit gebied. De geografische situering ten noorden van Gent was bepalend voor de landschappelijke en historische ontwikkeling. Eerst de Lieve (1269) en erna de Sasse Vaart (1563) en de Brugse Vaart (1613) verbonden Gent met de zee en lagen aan de basis van de economische ontwikkeling van de streek. De Sasse Vaart, later uitgegroeid tot het Kanaal Gent-Terneuzen, vormt thans een brede industriële as behorend tot het grondgebied Gent, die het hier behandelde gebied in twee regio's verdeeld. De van de industriezone verder afgelegen gemeenten vertonen nog een actieve agrarische bedrijvigheid. Het landelijke karakter van de "kanaalgemeenten" Evergem, Kluizen, Ertvelde (op de linkeroever) en Wachtebeke (op de rechteroever) contrasteert sterk met de industriële uitbouw op de kanaaloevers. Ten behoeve van de industriële expansie aan het Kanaal Gent-Terneuzen vond in 1927 een eerste annexatie plaats van gedeelten van deze gemeenten bij Gent. Een tweede annexatie volgde in 1964.

De uitbouw van de Gentse zeehaven en de hoge concentratie van industriële vestigingen aan beide kanaaloevers oefenden een sterke invloed uit op de bevolkingsevolutie en de bebouwingsdichtheid van de aangrenzende gemeenten. De gemeente Evergem heeft met 451 inwoners per vierkante kilometer de grootste bevolkingsdichtheid, Moerbeke met 146 inwoners per vierkante kilometer is de dunst bevolkte gemeente.

Kenmerkend voor de hier behandelde kantons is het dichte wegennet met landelijke bebouwing. Naast de straatdorpen noteren we veel gehuchten met lintbebouwing regelmatig verspreid over de gemeenten. Alleen in de alluviale depressie van de Moervaart is de bebouwing schaars. De vallei van de Moervaart vormde onder meer wegens het overstromingsgevaar tot begin 20ste eeuw een nagenoeg onbewoonde vlakte met weiland. Algemeen constateren we door de geleidelijke inkrimping van de landbouw de laatste decennia een evolutie van het bebouwingsbeeld van landelijke dorpen naar residentiële woonplaatsen voor de toenemende forenzenbevolking tewerkgesteld in de industrie rondom het kanaal Gent-Terneuzen en in het Gentse.

HISTORISCHE GEOGRAFIE

De streek ten noordoosten van Gent vormt het centrale gedeelte van de Vlaamse Zandstreek, meer bepaald de zogenaamde Vlaamse Vallei. Slechts de pleistocene en holocene formaties waren hier van belang voor de bodemvorming. Men vermoedt dat de Vlaamse Vallei, een glaciale erosievallei, zich tijdens het onder- en midden-pleistoceen 20-30 m diep in het tertiaire substraat heeft uitgeschuurd. Tijdens de würmijstijd vormde zich een afzetting van zogenaamd dekzand, een lemig-zandig en fijnzandig materiaal van eolische of fluviatiele oorsprong. De morfologie van het huidige oppervlak gaat terug tot het laatglaciaal. Opvallend is de duidelijk ontwikkelde zandrug Maldegem-Stekene ten noorden in het hier besproken gebied. Daarnaast komen zwak uitgesproken zandruggen voor met overwegend westzuidwest-oost-noordoostrichting, waarschijnlijk daterend uit de Jonge Dryas (-8900 tot -8300). Ook tijdens het holoceen deden zich zandverstuivingen voor.

Het lage en vlakke dekzandgebied vertoont een vlak en matig uitgesproken micro-reliëf gekarakteriseerd door een afwisseling van zwakke ruggen en depressies. De laagste stroken volgen de vallei van de Kale, de depressies van Kluizen en van de Moervaart. De Moervaartdepressie is 2-2,5 kilometer breed met de laagste punten op een niveau van 3-4 meter. Het gebied ten zuiden van de Moervaartdepressie (Zaffelare, Lochristi, Zeveneken, Beervelde) is zeer vlak met een hoogteligging van 5-7 meter. Het noordelijk gelegen gebied (Wachtebeke, Moerbeke) heeft een meer uitgesproken microreliëf waarvan de koppen 7,5 meter bereiken en de laagste gedeelten op een niveau van 3 meter gelegen zijn. Aansluitend op het dekzandgebied, aan de landsgrens ligt een smalle polderstrook waarvan het laagste punt rond 0 meter ligt.

De markante opeenvolging van westzuidwest en oostnoordoost georiënteerde ruggen, gescheiden door zwakke depressies, typeert de streek. De oudste nederzettingen en de belangrijkste verkeerswegen met typische lintbebouwing ontstonden op en volgen deze zandruggen, bijvoorbeeld de Antwerpse heerweg op de zandrug Maldegem-Stekene.

Het mozaïekachtig patroon van kleine akker- en weilandpercelen in de meest zuidelijk gelegen gemeenten zoals Zaffelare, Lochristi, Zeveneken en ook Sleidinge, verraadt een oud cultuurlandschap.

In de periode voor de grote ontginningen werd het middeleeuwse landschap van de kantons Evergem en Lochristi vooral gekenmerkt door woeste gronden (wastinen, later veld genoemd) die zich uitstrekten ten noorden van Gent. Bovendien bevond zich ten noorden van ons studiegebied, in de streek van de Vier Ambachten, een belangrijk veengebied. De venen of moeren en de woeste zandgronden behoorden grotendeels tot het grafelijke domein. Vanaf de 12de eeuw werden grote gedeelten ervan weggeschonken of verkocht voor ontginning en turfexploitatie. Eind 12de eeuw gaven graaf Philips van de Elzas en later Boudewijn IX moeren uit in de omgeving van Wachtebeke en Ertvelde. De grafelijke moer- en turfgronden in Moerbeke werden slechts in de 13de en 14de eeuw verkocht aan de Sint-Baafsabdij en Gentse poorters. In het kanton Lochristi wisselden in de 11de en 12de eeuw "wastinen" af met boscomplexen. Als voorbeeld vermelden we het bos Meentocht in Zaffelare dat in het noorden begrensd werd door de Zuidlede en in het zuiden door het "Odeveld". Ten zuiden hiervan bevond zich nog een boscomplex. De huidige dichtbebouwde Oude Veldstraat, grensstaat van Zaffelare met Lochristi en Zeveneken, ontstond uit het voormalige "Odeveld", vermoedelijk een begraasde veldstrook ontstaan als een driftweg in het bos of een dries. Thans bevindt zich het grootste boscomplex te Wachtebeke en Zaffelare in de Moervaartdepressie, op het huidige Provinciaal Domein Puyenbroeck. Verder treft men nog naaldhoutbossen op vroegere veldzones gelegen aan de grens van Wachtebeke met Moerbeke.

In de oprichting van grote ontginningsbedrijven speelden de geestelijke en wereldlijke institutionele grondbezitters de hoofdrol. De oudste ontginningen gaan terug tot de 11de en 12de eeuw. De woeste gronden in de noordelijk gelegen streken van Ertvelde en Wachtebeke werden pas later, voornamelijk in de 13de eeuw, in cultuur gebracht. De percelen zijn er door de systematische ontginning regelmatiger van vorm. De naaldbossen die voorkomen op de rugzones zijn pas in de 18de en 19de eeuw aangeplant. De bewoning is er minder dicht.

De graven van Vlaanderen richtten enkele geprivilegieerde ontginnersdorpen op. Zo een ontginningsstichting van de graaf is Kluizen. Graaf Boudewijn VII schonk tussen 1115 en 1119 aan de abdij van Ename een woest stuk grond aan de Langebeek in de nabijheid van een bos, waarop hij reeds twaalf kolonistenhoeven had laten bouwen, onder voorwaarde dat de abdij een kerk en een kluis voor monniken, verantwoordelijk voor de ontginning, zou bouwen. De systematische aanleg van het dorp aan de Langebeek typeert dit ontginningscentrum rondom het Hof ter Cluysen.

De grote abdijen vatten relatief laat de systematische ontginning van de "wastinen" in noordelijk Vlaanderen aan.

Het grootste deel van Evergem en Sleidinge werd in de 13de eeuw door de Sint-Baafsabdij ontgonnen.

In 1215 schonk gravin Johanna aan de Sint-Baafsabdij het gebruiksrecht van alle "wastinen" in de gemeenten Evergem, Lochristi en Zeveneken. Voordien had de abdij reeds grote hoeven opgericht op open plekken in het bos, die zich ontwikkelden tot centra van landontginning en in de 12de eeuw uitgroeiden tot gehuchten. Eén van de centra van landontginning in de 12de eeuw in Lochristi was het Oude Hof, waarvan het ontstaan evenwel teruggaat tot de vroege middeleeuwen. Daarentegen zijn de grote hoeven (de "curtes" Lichtelaar en Roeselaar) evenals de dorpskern jongere ontginningen uit de 12de en 13de eeuw. Het dorp Lochristi werd als ontginningskern pas systematisch aangelegd nadat de abdij omstreeks 1215 toelating kreeg van gravin Johanna om ook de tussen deze grote hoeven gelegen "wastinen" te ontginnen. De brede Antwerpse Steenweg, vermoedelijk een oude driftweg met verzamelplaats voor het vee, vormde hier een ontginningsas. Zo ontstonden midden 13de eeuw en circa 1281 de straatdorpen Lochristi en Zeveneken met een systematische aanleg.

Zaffelare was tot de 13de eeuw nagenoeg volledig ingenomen door het bos Meentocht. Oorspronkelijk toebehorend aan de Sint-Baafsabdij, werd dit bosgebied na de verwoesting van de abdij door de Noormannen, geüsurpeerd door de graaf van Vlaanderen en circa 1150 geschonken aan de Sint-Pietersabdij. Wanneer gravin Johanna in 1223 toestemming verleende tot ontginning van het bos Meentocht werd op de centrale zandrug in Zaffelare de Rechtstraat aangelegd als tweede ontginningsas, parallel met de bovengenoemde Oude Veldstraat. Zo stichtte de Sint-Pietersabdij ten noorden van Lochristi en Zeveneken in het bos "Meentocht", het ontginnersdorp Zaffelare met een bevoorrechte keure vanaf 1265. Ook Zaffelare groeide uit tot een karakteristiek straatdorp met een vrij systematische aanleg. Reeds in 1221 verkreeg de abdij toestemming er een kerk te bouwen.

Ook Beervelde, voor het eerst vermeld in 1309, toen nog een wijk in Destelbergen, was grotendeels bos en wastine. Tot de 17de eeuw waren nog grote delen onbewoond. Beervelde maakte deel uit van het rechtsgebied van de Sint-Pietersabdij die samen met Onze-Lieve-Vrouw ten Bossche veel heeft bijgedragen tot de ontginning.

De landschappelijke evolutie van de streek ten noorden van Gent werd ook sterk beïnvloed door haar geografische ligging en hydrografische kenmerken. Naast de talrijke natuurlijke beekjes werd vanouds een dicht kunstmatig waterwegennet uitgebouwd, onder andere turfvaarten in het noorden van het gebied voor het vervoer van veen naar Gent, bijvoorbeeld de Langelede bij Wachtebeke. Ook voor het noorden, meer bepaald in Wachtebeke en Moerbeke, zijn kreken (Sint-Elooiskreek, een deel van de Grote Kreek en Pereboomsgat) en ingedijkte Scheldepolders een typerend verschijnsel. Toen eind 17de eeuw nieuwe overstromingen de omgeving blank zetten werd ter verdediging van de nog niet overstroomde gronden de Papdijk als landdijk aangelegd. Een natuurlijke waterloop van belang voor de historische geografie van de streek is het Kale-Durmestelsel dat in de Schelde uitmondde in Hamme. Oorspronkelijk behoorden verschillende waterlopen tot het Durmebekken, onder andere, van noord naar zuid, de Hoogkale, de Neerkale met de Poekebeek en de Mandel. In de middeleeuwen mondde de Mandel reeds lang uit in de Leie. Ten westen van de Sasse Vaart werd in de loop van de 15de eeuw de naam Durme verdrongen door Kale. De oudste bewoningskern van Evergem situeert zich op de kouter ten noorden van de Durme-Kale vallei. De Durme splitst zich in Mendonk, ten noorden van Zaffelare, in twee armen; de noordelijke arm of Noordlede, wordt de eigenlijke Durme, later Moervaart, de zuidelijke arm wordt de Zuidlede genoemd. Ertussen ligt de reeds vermelde alluviale depressie van de Moervaart, een laaggelegen slecht ontwaterd gebied niet geschikt voor bewoning.

In het zoeken naar een rechtstreekse verbinding tussen Gent en de Noordzee werden een aantal kanalen gegraven die het hier betrokken gebied gedeeltelijk doorstromen. De eerste kunstmatige verbinding, de Lieve, werd oorspronkelijk als turfvaart gegraven naar Aardenburg en kreeg in de periode 1251-69 met toestemming van Margaretha van Constantinopel een verbinding met Damme. Door de verzanding van het Zwin in de 14de eeuw en de verplaatsing van het economische zwaartepunt naar Antwerpen en de Westerschelde in de 16de eeuw, verloor de Lieve haar belang voor de scheepvaart.

In 1547 verleende keizer Karel V een octrooi om de Sasse Vaart naar de Braakman, in de Westerschelde, als nieuwe verbinding met de zee, te graven. Deze vaart werd in 1825-27 onder koning Willem I doorgetrokken naar Terneuzen en verbreed, waardoor Gent een zeehaven werd. Dit kanaal Gent-Terneuzen werd verder nog herhaalde malen verbreed en uitgediept.

Een nieuwe vaart werd van Gent naar Brugge gegraven in 1614 op initiatief van de Staten van Vlaanderen en verlengd tot Oostende in 1664-76. Op het grondgebied van Evergem werd een gedeelte van de Brugse Vaart gegraven in de bedding van de Lieve. Ook deze waterweg werd herhaalde malen aangepast ten behoeve van de scheepvaart.

Alle gemeenten hebben inzake bodemgebruik nog een agrarisch karakter. De landbouwbedrijven zijn van het gemengde type: akkerbouw op de droge gronden en grasland met de nadruk op veeteelt in de depressies met gebrekkige waterafvoer. De tuinbouw en vooral de bloementeelt nemen een belangrijke plaats in. Als vollegrondkulturen genieten de hier geteelde azalea en begonia een internationale faam. Lochristi behoort met zijn ongeveer tweehonderd bloemenkwekers tot één der vermaardste begonia- en azaleacentra. De bloeiende bloemenvelden kleuren op een schitterende wijze het landschap aldaar op het einde van de zomer. Ook de aangrenzende gemeenten Zaffelare en Zeveneken ontwikkelden de laatste decennia een begonia- en azaleateelt. Beervelde is nog steeds een landelijke gemeente zonder industrie die zich sedert 1890 eveneens ontwikkelde als een tuinbouwgemeente met als voornaamste produkten azalea's, begonia's en aardbeien. Sedert 1933 wordt er een aardbeienmarkt gehouden. In Evergem zijn naast de azalea's en begonia's ook de kasplanten onder glas belangrijk. Thans vormen de boomkwekerijen en de varens de specialiteit van Evergem. Sleidinge had destijds een bloeiende fruitteelt, die thans vrijwel verdwenen is.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Hoewel het laatste decennium het archeologisch onderzoek in de Zandstreek ten noorden van Gent zowel door luchtfotografische verkenning als door terreinprospectie meer en meer aan bod komt, zijn we over de prehistorische bewoning in deze streek nog schaars ingelicht. De eerste sporen van menselijke bewoning dateren hier uit het epipaleolithicum (circa 11.000 - 8000 voor Christus). Een grote hoeveelheid artefacten uit die periode werden gevonden in Zaffelare en in Evergem.

Ten noorden van de Moervaart (Wachtebeke, Moerbeke) en aan de Kale (Evergem) werden een hele reeks vuurstenen werktuigen verzameld die wijzen op een prehistorische bewoning die zeker opklimt tot het epipaleolithicum of het vroeg-mesolithicum. Daarnaast werden in Evergem in de periode 1907-12 door de archeoloog J. Maertens de Noordhout verschillende sites uit het neolithicum (circa 4000 -1800 voor Christus) teruggevonden.

In Evergem-Ralingen en Evergem-Molenhoek wijzen circulaire structuren, grote kringgreppels, die op de tardiglaciale ruggen worden aangetroffen, vermoedelijk op grafheuvels uit de bronstijd (circa 1800-700 voor Christus).

Een opgegraven landelijke nederzetting in de Spoorwegstraat in Evergem wijst op aanwezigheid van de ijzertijd, meer bepaald de la-tèneperiode. Op dezelfde plaats was trouwens een woonplaats uit de Romeinse tijd gelegen, evenals bij het noordelijke Vierlinden. Het daar gevonden materiaal is te dateren uit de 1ste tot 3de eeuw. Uit de Gallo-Romeinse periode (50-350) wijzen ook losse vondsten in de buurt van het Kanaal Gent-Terneuzen en in Moerbeke en Zeveneken op bewoning.

Twee belangrijke middeleeuwse interlokale heerwegen, de Antwerpse heerweg op de hoogten tussen Brugge en Antwerpen die onder meer door Moerbeke, Wachtebeke en Ertvelde loopt, en de Biervlietse Gentweg, over Boekhoute, Ertvelde en Kluizen leidend naar de Antwerpse heerweg, worden traditioneel beschouwd als Romeinse heirbanen, hoewel recent onderzoek dit in twijfel trekt.

Frankische nederzettingen uit de vroege middeleeuwen (385-900) zijn te lokaliseren aan de hand van de toponymie. De Frankische nederzettingsnaam Evergem verwijst naar een bewoningskern, gelegen vlak bij het alluviale gebied van Durme-Kale, tenminste opklimmend tot de 7de eeuw. Ook de talrijke andere -gem en -zele namen van gehuchten in Evergem wijzen op een Frankische bewoning. Evergem maakte in de vroege middeleeuwen deel uit van een Merovingisch kroondomein, de fiscus Marca, waarschijnlijk door koning Dagobert voor 639 aan de Heilige Amandus geschonken, die er onmiddellijk de Sint-Baafsabdij mee begiftigde. Op 5 mei 966, bevestigde koning Lotharius van Frankrijk de Gentse abdijen van Sint-Baafs en Sint-Pieter in hun rechten en bezittingen.

Het ontstaan van de vol-middeleeuwse nederzettingen in ons studiegebied is reeds geschetst in de historische geografie. De middeleeuwse ontginningen waren niet alleen van ingrijpende betekenis voor de vormgeving en de evolutie van het landschap maar lagen tevens aan de basis van bewoningskernen die uitgroeiden tot de eerste dorpen en gehuchten.

De bestuurlijke en juridische organisatie van Vlaanderen weed vanaf het einde van de 9de eeuw voornamelijk bepaald door de graaf van Vlaanderen, leenman van de Franse koning. Circa 1000 reorganiseerde Boudewijn IV het graafschap. In het graafschap Vlaanderen ressorteerde het bestudeerde gebied onder het burggraafschap of de kasselrij van Gent, onderverdeeld in vier rechtsgebieden: de Oudburg van Gent, de Vier Ambachten, het Land van Waas en het Ambacht van Zomergem. Wachtebeke, Ertvelde en Kluizen behoorden tot het Ambacht Assenede van de Vier Ambachten, Moerbeke tot het Land van Waas en de andere gemeenten hoorden tot de Oudburg van Gent. Hoewel de Vier Ambachten bestuurlijk deel uitmaakten van de kasselrij Gent, ressorteerden zij in politiek opzicht onder Rijksvlaanderen, leenroerig afhankelijk van het Duitse Rijk, in tegenstelling tot het Frankische Rijk; op kerkelijk vlak behoorden zij dan weer tot het bisdom Utrecht. De rechtsgebieden van de kasselrij waren op hun beurt administratief en gerechtelijk verder onderverdeeld in heerlijkheden.

Een belangrijke enclave in Ertvelde en Kluizen was de burggravij van Gent, een leen van het grafelijk leenhof van de Oudburg van Gent met hoofdzetel te Heusden. De heren van de burggravij, de burggraven van Gent, bouwden een burcht, een castrale motte op de "Hoge Wal" in Ertvelde, die in 1385 definitief vernield werd.

De walgrachten, voornamelijk in de 13de tot de 15de eeuw aangebracht rondom de voormalige heerlijke verblijven of adellijke landgoederen met hun aansluitend neerhof, en rondom voorname pachthoven, vormen thans nog duidelijk herkenbare tekens in het landschap. Bijzondere aandacht verdient de concentratie van omgrachtingen in Zaffelare en Lochristi.

Een belangrijke periode in de occupatiegeschiedenis van de streek is de 12de en 13de eeuw. De enorme bevolkingsgroei en de opkomst van de stad Gent bevorderde de ontginning en cultivering van het omliggende landschap.

In het graafschap Vlaanderen was een groot deel van de bodem persoonlijk bezit van de graaf. De grondpolitiek van de graven van Vlaanderen lag mede aan de basis van het ontstaan van de eerste nederzettingen. De grafelijke wastinen en moeren werden geëxploiteerd en ontgonnen. Grote gedeelten van de venen en woeste gronden van het grafelijke domein in de omgeving van Ertvelde en Wachtebeke werden in de 12de eeuw door de graven Philips van de Elzas en Boudewijn IX ter ontginning geschonken aan kloosters. Gravin Johanna van Constantinopel (1205-1244) zette deze politiek van schenkingen op grote schaal verder, onder meer aan de door haar of dank zij haar opgerichte cisterciënzer vrouwenkloosters. Onder haar opvolgster, gravin Margareta (1244-1278) werden eveneens gronden verkocht. Graaf Gwijde van Dampierre (1278-1305) verkocht verschillende moergronden in Wachtebeke.

Zoals reeds vermeld hadden de religieuze instellingen, vooral de Sint-Baafs- en Sint-Pietersabdijen, de cisterciënzerinnenabdijen van Doornzele, Nieuwenbossche en Marquette evenals de abdij van Ename, een belangrijk aandeel in het oprichten van ontginningscentra en landbouwbedrijven ("curtes"), bijvoorbeeld in Wachtebeke, Lochristi, Zeveneken, Sleidinge en Kluizen. In 966 (oudste vermelding van Evergem) en in 1105 werd de Sint-Baafsabdij in haar bezittingen te Evergem bevestigd. Belangrijke delen van haar gebied werden later geüsurpeerd door het geslacht van Gavere, graven van Evergem. De burggraven van Gent traden vanaf de 13de eeuw op als de wereldlijke voogden van de Sint-Baafsabdij in Evergem. In 1242 stond burggraaf Hugo II zijn rechten af aan de Sint-Baafsabdij en in 1282 kocht de abdij alle bezittingen van Raas III van Gavere in onder meer Evergem, Sleidinge en Kluizen. Aldus verenigde de abdij al deze bezittingen in het uitgestrekte graafschap Evergem. De abt van Sint-Baafs en later de bisschop droeg de titel graaf van Evergem. De abdij stond in voor de ontginning van grote heidegebieden in Evergem. Een deel van Sleidinge toebehorend aan de Sint-Baafsabdij (zogenaamd Sleidinge Sint-Baafs) werd door haar in cultuur gebracht, terwijl het andere deel (zogenaamd Sleidinge-Keure) toebehoorde aan de graven van Vlaanderen en door gravin Margaretha in 1248 voorzien werd van een eigen keure. Hoewel nog grote delen van de gemeente woest bleven, waren de ontginningen midden 13de eeuw toch in die mate gevorderd dat er een parochie kon opgericht worden. De eerste vermelding ervan dateert van 1263.

We vermelden in dit verband ook de tot ontginningscentrum geëvolueerde "curtis" van Sint-Pieters in Wachtebeke.

Wanneer de oudste parochies gesticht zijn en de eerste kerken gebouwd werden kon niet achterhaald worden, wel staat vast dat de invloed van de Sint-Baafsabdij in de oprichting van de parochies bijzonder groot was. In het noordoosten van haar domaniaal gebied ontstonden de parochies Lochristi, Zeveneken en Zaffelare uit de moederparochie Heilige Kerst. In het noordwesten ontstonden Evergem en Sleidinge uit de moederparochie Ekkergem. De grenzen van de parochies Ertvelde, in de 12de eeuw afgescheiden van de moederparochie Assenede, en Kluizen werden in 1232 vastgelegd. De parochiegrenzen tussen Zeveneken en Lochristi werden afgebakend in 1287. De bisschop van Utrecht gaf in 1199 aan de Sint-Pietersabdij de toestemming in Wachtebeke een kapel op te richten, voorloper van de latere parochiekerk. De meeste dorpskerken werden trouwens in de 13de eeuw in duurzaam materiaal gebouwd of heropgebouwd (Ertvelde, Sleidinge, Lochristi, Zaffelare, Zeveneken). De parochies ressorteerden onder de bisdommen Utrecht (de gemeenten van de Vier Ambachten) en Doornik. Na de herinrichting van de bisdommen in 1559 kwamen alle parochies onder het bisdom Gent.

Door hun strategische ligging ten noordoosten van Gent, toen de grootste stad van Vlaanderen, waren de hier behandelde gemeenten sterk betrokken bij de politieke en militaire gebeurtenissen. De Gentse opstand (1379-84) tegen het grafelijke gezag van Lodewijk van Male (1346-1384) speelde zich gedeeltelijk in deze streek af. Lodewijk van Male trachtte Gent te isoleren en de toevoer van levensmiddelen uit het omliggende platteland te verhinderen. Na de bezetting(van Damme door de Gentenaars hield zijn opvolger Philips de Stoute, hertog van Bourgondië (1384-1404), een strafexpeditie naar de Vier Ambachten. Het Franse leger sloeg zijn tenten op in Ertvelde en vernielde er onherroepelijk de hoger genoemde burcht van de burggraaf van Gent, thans nog bekend onder de naam Hoge Wal. Als gevolg van de Gentse opstand bleef de streek ontredderd achter. De machtsstrijd tussen Gent en de Franse koning laaide opnieuw op onder Philips de Goede (1419-1467) en mondde uit in een nieuwe Gentse opstand in 1452-53 met rampzalige gevolgen voor het omliggende land. Zo legde het Bourgondische leger Moerbeke, Wachtebeke en Ertvelde volledig in puin. Een nieuwe golf van oorlogsgeweld teisterde de streek onder Maximiliaan van Oostenrijk (1488-1492).

Na de dood van Keizer Karel in 1555 herenigde zijn zoon Filips II Spanje en de Nederlanden. Vlaanderen leed onder het dictatoriale bewind vanuit Spanje, dat samenviel met de slechte economische situatie en met de godsdienstoorlogen. Na de verwoesting van de abdij van Doornzele (Evergem) in 1578 door de Gentse calvinisten verlieten de cisterciënzerinnen hun klooster aan Doornzeledries en namen hun intrek in hun refugiehuis in Gent. De kerken van Evergem, Ertvelde, Kluizen en Zeveneken leden schade onder de beeldenstormen. Ertvelde en Kluizen werden zo goed als verlaten en de ruïnes van de kerken werden in 1592 ingenomen als militair bolwerk.

Met de invasie van Willem van Oranje in de Nederlanden begon de Tachtigjarige oorlog (1568-1648). Deze crisistijd veroorzaakte een breuk in de demografische groei en het kanton Evergem raakte zelfs vrijwel onbewoond. Reeds in de 16de eeuw vormde de Sasse Vaart het voornaamste verdedigingsmiddel tegen vijandelijke invallen. Tijdens het Twaalfjarig bestand (1609-1621) werd met toestemming van Albrecht en Isabella vanaf 1613 een nieuwe verdedigingslinie, de Brugse Vaart naar Gent, gegraven. In 1621 herbegonnen de vijandelijkheden tussen Spanje en de Verenigde Provincies en vielen de Hollandse troepen Vlaanderen binnen. De streek ten noorden van de Brugse Vaart tot aan de Sasse Vaart (waaronder Evergem en Sleidinge) was door de Hollanders bezet en behoorde tot het zogenaamde contributieland. Het Verdrag van Munster van 1648 stelde een einde aan de oorlog, maar ook in onze gewesten bleef Frankrijk in oorlog tegen Spanje. Met de scheiding van Noord- en Zuidnederland werd de officiële landsgrens vastgelegd doorheen het gebied van de Vier Ambachten. In de 17de eeuw werden aan de Sasse Vaart en de Brugse Vaart een reeks versterkingen aangelegd. Moerbeke werd voorzien van dijken. In het dijkentracé werden oude forten opgenomen en nieuwe aangelegd, zoals bijvoorbeeld in Koewacht. De militaire of door stormvloeden veroorzaakte inundaties van de Moervaart en de Zuidlede in de loop van de 17de eeuw eeuw zetten grote gedeelten van Moerbeke en Zaffelare onder water. In 1672 verklaarde Spanje de oorlog aan Frankrijk. Franse troepen vielen Vlaanderen binnen en plunderden, onder andere in 1675 in Lochristi en Wachtebeke. In het zelfde jaar zetten stormvloeden de polders in de omgeving van Wachtebeke en Moerbeke blank. De jaren daarop vonden nog steeds krijgsverrichtingen plaats in de omstreken van Gent. Ook Evergem, gelegen tussen de verdedigingslinies van de Brugse Vaart en de Sasse Vaart werd getroffen. Na de belegering van Gent in 1678 door Lodewijk XIV volgde slechts een korte periode van vrede. In 1683 vernielden de Franse troepen de dorpskom van Evergem en in 1684 belegerde Lodewijk XIV Gent opnieuw. Nog in 1691 sloegen de Fransen op Doornzeledries en Kluizen hun kamp op en brachten door brandstichtingen grote schade toe aan de omgeving.

Na het herstel ten gevolge van de oorlogen tegen Lodewijk XIV steeg de welvaart onder het Oostenrijkse bewind (1713-1794). De spectaculaire ontwikkeling van de landbouw en de bevolkingstoename veroorzaakten een versnippering van de landbouwgronden en de bouw van kleinere boerderijen voor pachters. In deze periode kwam een ongekende bouwactiviteit op het platteland tot stand. De in de 18de eeuw gebouwde hoeven bepaalden het dorpsbeeld voor de volgende eeuwen.

Voornamelijk onder keizerin Maria Theresia (1740-1780) werd door het kasseien en rechttrekken van de belangrijke verbindingswegen het wegennet aanzienlijk verbeterd. Zowel de waterlopen als de steenwegen vormden belangrijke verkeersaders.

Tijdens de Franse bezetting (l794-1814) behoorde de streek die later de provincie Oost-Vlaanderen zou worden tot het Scheldedepartement. De parochies en heerlijkheden werden vervangen door gemeenten. Behalve twee uitzonderingen behoorden de hier behandelde gemeenten tot het arrondissement Gent. Ertvelde en Kluizen behoorden tot 1803 tot het arrondissement Sas-van-Gent, en erna tot 1977 (de gemeentefusies) tot het arrondissement Eeklo. Onder het Franse bewind werden de talrijke aangeslagen goederen van de afgeschafte religieuze instellingen als nationaal goed openbaar verkocht.

Onder Willem I, koning van het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830), werd Gent een zeehaven door het hergraven van de Sasse Vaart als het Kanaal van Terneuzen. De openstelling van het Kanaal in 1827 bevorderde in grote mate de economie van de Gentse regio en zorgde voor de industriële expansie van de stad. Gent werd in de 19de eeuw het belangrijkste industriecentrum van Vlaanderen. Reeds tijdens de eerste decennia van het nieuwe koninkrijk België werd de bevolking geconfronteerd met een grote economische crisis, waarbij op het platteland vooral de lijnwaadnijverheid werd getroffen. De sterk ontwikkelde huisnijverheid ten noorden van Gent in de eerste helft van de 19de eeuw omvatte zowel het vlas-spinnen en -weven als het katoenweven. De voedselcrisis van 1845-47 werd gevolgd door een sterke daling van de bevolking. De tewerkstelling werd enigszins gecompenseerd door de verwezenlijking van belangrijke infrastructuurwerken. De gemeenten voerden een belangrijke wegenpolitiek door het kasseien van de voornaamste straten en het verfraaien van de dorpskernen. De infrastructuur werd nog verder uitgebreid toen in het tweede en derde kwart van de, 19de eeuw een aantal spoorlijnen werden aangelegd die Gent verbinding gaven met respectievelijk Antwerpen (station in Beervelde), Zelzate (stations in Evergem-Langerbrugge en Ertvelde-Rieme) en Eeklo (station in Sleidinge). Lokeren werd via Moerbeke en Wachtebeke verbonden met Zelzate en Terneuzen. Eind van de eeuw en begin 20ste eeuw werden nieuwe parochies opgericht in Evergem (Belzele, Wippelgem) en in Moerbeke (Kruisstraat).

Op 23 oktober 1914 trokken de Duitse troepen Ertvelde en Kluizen binnen. Als Etappengebied behelsde de Kommandantur Ertvelde onder meer Ertvelde, Wachtebeke, Sleidinge, Evergem en Zaffelare. Door de opgeëisten werd in 1916-17 onder Duitse leiding in Kluizen, Ertvelde, Moerbeke en Zaffelare door middel van een reeks thans nog grotendeels bestaande bunkers een stelling ter verdediging van de Scheldemonding uitgebouwd. De Duitse legerleiding vreesde immers een inval van de geallieerden in het neutrale Nederland, zodat deze door een landing op de Schelde, gecombineerd met een frontale aanval, het Duitse westfront kon doorbreken. Om een eventuele aanval vanuit Nederland ter verhinderen of af te slaan werden aan de grenzen versterkte zones uitgebouwd. Zo verdedigde de Hollandstelling, waarvan de genoemde bunkers deel uitmaakten, de grens te noorden van Gent. Het was echter vooral bij het bevrijdingsoffensief van 1918 dat de linkeroever van het Kanaal Gent-Terneuzen betrokken was. Op 2 november 1918 dynamiteerden de Duitsers de kerktoren van Evergem en een dag later begon de beschieting van Kluizen. Ook de toren van de kerk van Ertvelde werd door granaatslagen getroffen.

Vermelden we nog voor wat de naoorlogse periode betreft de oprichting van Beervelde als zelfstandige gemeente in 1921 en de eerste aanhechting van delen van de kanaalgemeenten Evergem en Ertvelde bij Gent in 1927.

Het verhaal van de Tweede Wereldoorlog in de streek begon met de eerste luchtaanval op het bedrijf Purfina in Rieme (Ertvelde) op 10 mei 1940. In de meidagen van 1940 werden tijdens de vierdaagse kanaalslag de luchtaanvallen verder gezet. Door de dynamitering van de kerktorens van Doornzele, Kluizen, Rieme en Ertvelde werden de kerkgebouwen zwaar beschadigd. Op 23 mei vond een grootscheepse aanval op de kanaalzone plaats, waarbij vooral de olietanks het doelwit waren. Op 24 mei staken de Duitsers het kanaal over en bezetten Ertvelde en Kluizen. Rieme werd opnieuw zwaar gebombardeerd door de Amerikaanse en Engelse luchtmacht in juli en augustus 1944 onder andere om de Duitse benzinevoorraden te vernietigen. Deze bombardementen brachten grote schade toe aan fabrieken, woningen en kerken in de omgeving.

Tenslotte vond er in 1964 een tweede annexatie plaats van gedeelten van Ertvelde, Kluizen, Wachtebeke, en Zaffelare aan het Kanaal van Terneuzen bij Gent.

ARCHITECTUUR

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

In de behandelde streek liet de kerkelijke bouwkunst geen sporen na van constructies uit de Romaanse periode. De stichting van de meeste parochies in het gebied gaat terug tot de 12de, 13de eeuw, tijd waarin het grondgebied in cultuur werd gebracht. De Gentse Sint-Baafs- en Sint-Pietersabdij die een groot aandeel bezaten in deze ontginningsbeweging waren ook actief betrokken bij de bouw van parochiekerken in de dorpen ten noorden van Gent. Een belangrijk deel van het gebied (Ertvelde met Sleidinge enerzijds en Lochristi met Zaffelare en Zeveneken anderzijds) behoorde tot de oudste (7de eeuw) bezittingen van de Sint-Baafsabdij. De vroege kerstening van de streek ging ongetwijfeld hier en daar ook gepaard met de bouw van een eerste bedehuis of kapel. De vroegste informatie waarover we beschikken betreft de vermelding van een kapel in Evergem in 966 die in 1105 onder het patronaat van de Sint-Baafsabdij werd geplaatst. In Wachtebeke kreeg de Sint-Pietersabdij in 1199 toestemming om een kapel te bouwen. Elders gaan de oudste bouwhistorische gegevens in verband met de dorpskerk ook ten vroegste terug tot de 12de eeuw. De oudste constructieve overblijfselen zijn echter jonger en behoren tot de gotische stijlrichting. Nauwkeurige bouwdata ontbreken veelal. Te Sleidinge, dat in de 13de eeuw als parochie van Evergem werd afgesplitst, bezit de gewitte driebeukige bakstenen hallenkerk een opmerkelijke achthoekige kruisingstoren in vroeg-gotische stijl die vermoedelijk nog opklimt tot de periode 1260-1280.

Specifiek zijn de drie door waterlijsten aangegeven geledingen, de architectonische decoratie in de vorm van blindnissen met drielobtracering onder de spitsbogige galmgaten in steekboognissen. Door latere ingrepen (1664 en 1774) verkreeg de rest van de kerk een barok en een classicistisch aspect. Ook te Lochristi wordt het oudste onderdeel van de Sint-Nicolaaskerk gevormd door een kruisingstoren die hier vierkant van vorm is, 15de-eeuws en uitgevoerd in zandsteen. Voorts liet de gotische bouwfase er nog geringe sporen na in het metselwerk onder meer in de vorm van een gedicht spitsboogvenster boven het portaal van 1837. Afgezien van gedichte spitsboogvensters onder meer in de drie koren, bezit de aanvankelijk éénbeukige Sint-Eligiuskerk van Zeveneken een ingebouwde achtkantige gotische westtoren op vierkante basis, opgetrokken van "witte Brabantse hardsteen" en zandsteen. De toren zou opklimmen tot de 14de of 15de eeuw. Uit dezelfde periode dateert het zandstenen koor van de Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk van Ertvelde, overigens het enige behouden gotische onderdeel van de aanvankelijk driebeukige kerk met kruisingstoren. Moerbeke en Wachtebeke bewaren in de dorpskern een kerkgebouw dat zijn gotisch karakter haast volledig behield. Beide bak- en zandstenen gebouwen van het type driebeukige hallenkerk zijn vergrotingen van een aanvankelijke kruiskerk waarvan de kruisingstoren bewaard bleef. Kenmerkend zijn de drie vrijwel even hoge en brede puntgevels als westgevel met centraal korfboogvormig portaal. Een van de zijbeuken van de kerk in Moerbeke werd verrijkt met zandstenen speklagen. Uitingen van de laat-gotische stijl zijn de westtoren van de kerk van Beervelde te situeren circa 1600 en ook het koor van de kerk van Zaffelare dat uit de eerste helft van de 17de eeuw dateert.

In de barokperiode kwamen enkele nieuwe kleinere éénbeukige kerken tot stand. De fraaie bedevaartkapel Onze-Lieve-Vrouw van Stoepe te Ertvelde uit de 17de eeuw bleef na de uitbreiding met een koor en dwarse polygonale zijkapellen in 1774 in gave toestand bewaard en herbergt onder haar rijk mobilair nog een 17de-eeuwse kansel en portiekaltaar. De Onze-Lieve-Vrouw Geboortekerk te Overslag in Wachtebeke behield van de later vergrote kerk nog een zandstenen gesculpteerde portaalomlijsting met barokke motieven uit 1711-1712.

De oorspronkelijke zaalkerk Sint-Philippus en Jacobus uit 1713-1714 van het gehucht Koewacht in Moerbeke wordt voorafgegaan door een vierzijdige toren bekroond door een achthoekige klokkentoren. Ook de portiekaltaren zijn nog in barokstijl uitgevoerd. In de loop van de 18de eeuw verkregen verscheidene bestaande dorpskerken naar aanleiding van vergrotingswerken door het toevoegen of verbreden van zijbeuken een classicistisch getint uitzicht, voornamelijk resulterend uit het aanbrengen van steekboogvensters en lisenen. Die veranderingswerken gingen gewoonlijk gepaard met een nieuwe stoffering van het interieur en de aanschaf van rijk kerkmobilair. Sprekende voorbeelden zijn te vinden in de Sint-Nicolaaskerk te Lochristi en de Sint-Joriskerk te Sleidinge. Architect F. Drieghe, die in 1773 instond voor de plannen die het toevoegen van zijbeuken voorzagen aan de Sint-Eligiuskerk van Zeveneken, ontwierp voor Evergem een volledig nieuwe parochiekerk (1785-1790) toegewijd aan Sint-Christoffel. De pilastergevel met centraal fronton voor de ingebouwde toren van de driebeukige hallenkerk bezit een uitgesproken classicistisch karakter.

De neogotiek die zich in de loop van de 19de eeuw had opgedrongen als toonaangevende bouwstijl in de kerkelijke architectuur bleef ook de eerste decennia van de 20ste eeuw nog in zwang, zeker als het vergrotings- of vernieuwingswerken betrof van aanvankelijk gotische kerkgebouwen. Volgens de plannen van 1896 getekend door architect B. de Lestré de Fabribeckers, epigoon van de Sint-Lucasschool in Gent, verkreeg de Zaffelaarse parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Pieter een nieuw basilicaal schip met sacristie en vierkante westtoren die stilistisch aansluiten bij het gerestaureerde laat-gotische koor.

De bakstenen Heilige Hartkerken van de nieuwe parochies te Moerbeke (wijk Kruisstraat) en Evergem (gehucht Belzele) vertegenwoordigen de neogotische stijlrichting die eerder inspiratie vond in de vroeg-gotische stijl. Hun plattegrond is basilicaal met transept en zijdelings aangebouwde vierkante toren. Het interieur van de Moerbeekse Heilig Hartkerk (1908) door de Brugse architect A. De Pauw bezit een decoratieve polychrome beschildering en mobilair dat typerend is voor de neogotiek. Met de Onze-Lieve-Vrouw Middelareskerk (Hijfte) te Lochristi van 1950 naar ontwerp van architect-restaurateur A. Bressers komt de gotische vormentaal in een gemoderniseerde versie aan bod. Architect H. Vaerwyck, die voor de bouw en vernieuwing van verschillende kerken in het gebied werd aangezocht realiseerde eenvoudige bakstenen kerken met vierkante fronttoren in een modernistische trant. Voorbeelden zijn de Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk (1953) en de Sint-Barbarakerk van het gehucht Rieme te Ertvelde (1934-35), Sint-Petrus en Sint-Pauluskerk aan Doornzele Dries te Evergem (1952) en de toren van de Onze-Lieve-Vrouw Geboortekerk (1953) te Kluizen.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Openbare gebouwen

In het besproken gebied zijn de openbare historische gebouwen niet alleen schaars maar doorgaans ook beperkt tot de functie van gemeentehuis. Een uitzondering hierop voor het arrondissement Gent werd ons nagelaten in de gemeente Wachtebeke. Het betreft de "Oude Vierschaar", een bak- en zandstenen rechtsgebouw opgericht in 1579 als hoekpand tegenover de kerk aan het dorpsplein. Uit de cartouches en deuromlijsting van de traditionele voortrapgevel blijkt een vroege uiting van regionale barokstijl.

Tijdens het ancien regime en ook nog de eerste decennia na de Belgische onafhankelijkheid vergaderden de schepenen traditiegetrouw veelal in een speciaal daartoe voorbehouden lokaal van een betere dorpsherberg of in een ander centraal gelegen dorpshuis. Een mooi exemplaar van zo'n voorname herberg die tevens een tijdlang als gemeentehuis functioneerde is het huidige café "Oud-gemeentehuis" te Ertvelde. De decoratieve 18de-eeuwse deuromlijsting verleent de herberg een bijzonder cachet. Te Moerbeke werd in 1864 een gemeentehuis gebouwd dat vormelijk nog veeleer de identiteit bezit van een grote burgerwoning (Bevrijdersstraat nr. 1). Het gemeentehuis dat sinds 1870 te Ertvelde prijkt is daarentegen een representatief voorbeeld van dit gebouwtype met duidelijk herkenbaar officieel karakter. Bovendien draagt de uitgesproken neoclassicistische vormgeving door architect E. de Perre bij tot het monumentale en prestigieuze karakter van het gebouw. Het neotraditionele voormalige gemeentehuis van Evergem, gebouwd in 1901 naar ontwerp van de Brusselse architect L. Bouckaert, is een hoekgebouw dat voornamelijk stilistisch refereert aan de middeleeuwse stadhuizen doch qua concept niet onmiddellijk typerend is voor het veel voorkomende landelijke gemeentehuis in neostijl.

Te Zeveneken vinden we de nog voorkomende combinatie van een gemeentehuis met gemeenteschool en onderwijzerswoning in een als een geheel geconcipieerd officieel gebouw (Zeveneken-Dorp nr. 11). De bakstenen voorgevel vertoont een bouwtrant met eclectische inslag die courant toepassing vond voor gemeentelijke openbare gebouwen in Oost-Vlaanderen tijdens de tweede helft van de 19de eeuw. Architect E. de Perre- Montigny, die zich ook in de scholenbouw van Oost-Vlaanderen actief inzette, had zich een gelijkaardige bouwstijl met officiële karaktertrekken eigen gemaakt. Een vroeg voorbeeld (1859) van dergelijke realisaties is de gemeenteschool met geïncorporeerde onderwijzerswoning te Wachtebeke. Van dezelfde architect bleef de ook gebruikelijke afzonderlijke onderwijzerswoning bewaard aan de Schoolstraat nr. 7 te Wachtebeke (1862), te Evergem (1875) en aan de Ooststraat nr. 28 te Moerbeke naar plannen van 1869. Dergelijk herkenbaar type onderwijzerswoning met dubbelhuisopstand komt ook nog voor te Lochristi aan de Schoolstraat nr. 16.

Architect E. de Perre-Montigny ontwierp ook openbare gebouwen uit de sociale sector, meer bepaald godshuizen of rusthuizen voor bejaarden. We herkennen in de brede lijstgevel met hoekpilasters en centraal fronton van het "Rusthuis St.-Jozef" (1860) te Evergem de eclectische vormentaal eigen aan voornoemde architect. Een gelijkaardig burgerlijk godshuis of "Gesticht De Mey" bouwde hij in 1864 in opdracht van een milde particulier te Wachtebeke. De bakstenen voorgevel van het "Rustoord St.-Pieter" te Lochristi, dat ook met het fortuin van een particulier werd gefinancierd, dateert uit dezelfde periode (1861-67) en werd door architect D. Derkinderen voorzien van een neoclassicistisch uitgewerkte centrale toegangsdeur.

Pastorieën

De oudste gerepertorieerde pastorieën in het bestudeerde gebied dateren uit de 18de eeuw. Het is in deze periode dat de pastorie vrij algemeen evolueerde tot een specifiek woningtype met een zeker aanzien waardoor het gebouw zich onderscheidde van de gewone dorpshuizen. Gewoonlijk betrof het een alleenstaande woning met bovenverdieping en een haast klassiek te noemen lijstgevel met symmetrische dubbelhuisopstand. De ligging middenin de dorpskom binnen een al dan niet door een muur of walgrachten afgesloten omringende tuin was een even kenmerkend aspect van het pastoreel huis. Die aparte inplanting van de pastorie kwam voor de 18de eeuw ook al voor. Daarvan getuigt onder meer de omgrachte pastorie van Kluizen (Pastoorshoek nr. 22) waarvan de aanpassingswerken van 1781 de toevoeging van een tweede verdieping voorzagen. De aanvankelijk van binnen- en buitengrachten voorziene pastorie van Zaffelare gaat in oorsprong zelfs terug op een 15de-eeuwse "priesteragie". Het zeven traveeën brede bakstenen tweeverdiepingshuis dankt zijn huidig voorkomen voornamelijk aan 18de-eeuwse bouwingrepen (1743 en 1790) uitgevoerd op last van de Gentse Sint-Pietersabdij. Daaraan herinnert trouwens nog een gevelsteen met de wapens en kenspreuk van de abt in de voorgevel. De pastorie van Zaffelare dankt haar respectabel karakter echter ook aan het afzonderlijk poortgebouw van 1769 met koetshuis en stallen opgetrokken aan de straat. Couranter zijn stallen en koetshuis ondergebracht in aansluitende zijvleugels van de pastorie. In Sleidinge was de pastoor al sinds 1372 op dezelfde plek gehuisvest (Sleidingedorp nr. 43). Zijn huisgevel kan thans model staan voor de meest gangbare 18de-eeuwse pastorie zonder uitwendige stilistisch opvallende bouwkarakteristieken. De monumentale bakstenen gevelpoort in de omheiningsmuur draagt ook hier bij tot het eerbiedwaardig voorkomen van het geheel. Zoals ook elders in de provincie voor een aantal pastorieën het geval is troffen we in het werkgebied ook een pastorie aan die veel meer aansluiting vond bij de stijlbewustere stedelijke architectuur. Dit geldt voor de pastorie van Ertvelde van 1778 die met zijn centraal driehoekig fronton op stucconsoles en uitgewerkte hardstenen spiegelboogvormige deuromlijsting op een waardige wijze de classicistische bouwstijl vertegenwoordigt. De Lodewijk XVI-stijl komt aan bod in de omlijsting van de voor- en achterdeur van de pastorie te Evergem van 1786.

De 19de-eeuwse pastorie hield het dubbelhuistype van twee verdiepingen verder in stand doch volgde gewoonlijk de stijlevolutie van het burgerhuis nauwer op de voet. Zo is de vlak bepleisterde lijstgevel van de pastorie van 1841 van Zeveneken (Hoekstraat nr. 16) verrijkt met een typische hardstenen deuromlijsting. Architect E. de Perre, bouwmeester van talloze scholen, pastorieën en kerken in de provincie Oost-Vlaanderen, ontwierp in 1869 de bak- en zandstenen voorgevel van de pastorie te Wachtebeke (Dorp nr. 35) met een duidelijke eclectische inslag. Van de 20ste-eeuwse pastorieën is die naast de nieuwe Heilig Hartkerk (1908) te Moerbeke (Kruisstraat nr. 39) het vermelden waard als voorbeeld van een typisch neogotische pastorie. Het ontwerp ervan is van architect A. De Pauw die tevens instond voor de plannen van de kerk.

Herenhuizen en burgerhuizen

De classicistische vormentaal vond op het platteland niet enkel toepassing bij een aantal pastorieën. Ook andere gezaghebbende of kapitaalkrachtige dorpsbewoners, zoals bijvoorbeeld een brouwer, lieten zich in de 18de eeuw soms een huis bouwen dat in tegenstelling tot de doorsneebebouwing stilistisch aansloot bij de stedelijke privé-architectuur. Het onderzochte gebied telt echter weinig gaaf bewaarde exemplaren. We herkennen wel het type tweeverdiepingshuis met dubbelhuisopstand maar voorts bleek de aandacht zich voornamelijk te beperken tot de vormgeving van de deuromlijsting. Zo bleven er wel een paar typische uitgewerkte omlijste spiegelboogdeuren bewaard die wij situeren in het midden van de 18de eeuw. Bij uitzondering vond een ander stijlelement uit de classicistische gevelarchitectuur toepassing zoals de centrale gevelbekroning met een driehoekig fronton (Evergem, Dorpsplein nr. 14-1-5). De rocaille, een expliciete uiting van de rococostijl, komt in stucconsoles voor onder het hoofdgestel van de tuingevel aan Dorp-West nr. 52 te Lochristi. De opvallende pilastergevel aan de straat van dit 18de-eeuwse herenhuis vertoont overwegend elementen uit de Lodewijk XVI-stijl.

Naarmate de 19de eeuw vorderde nam het aantal prominente dorpsbewoners zoals dokters en notarissen, die zich een woning met enige stadsallure konden permitteren, stelselmatig toe. Uit de eerste eeuwhelft resten ons diverse herenhuizen waarvan de rondboogvensters met booglijst op imposten naast andere gevelornamentiek getuigen van enige verwantschap met de empirestijl. Dit is ook het geval voor een paar doktershuizen die zich zowel als alleenstaande woning met omringende tuin of als rijhuis voordoen. De gevelbepleistering raakte in ieder geval vlot ingeburgerd net als de accentuering van de centrale toegang door middel van een neoclassicistische hardstenen deuromlijsting. Soms is dit trouwens nog het enige tijdsbepalende vorm-element dat van de oorspronkelijke 19de-eeuwse gevel rest. Vooral het type omlijsting samengesteld uit pilastervormige rechtstanden onder een vlakke fries met kroonlijst kwam courant en langdurig voor. Sinds het midden van de 19de eeuw breidde de gevelornamentatie van het burgerhuis op het platteland zich verder uit met stucornamenten, voornamelijk rond de vensters en onder het hoofdgestel, en ook met markerend voegwerk. Op deze manier behandelde gevels bleven doorleven tot in het begin van de 20ste eeuw. De gevelbepleistering werd soms vervangen door cementering. Enkele neoclassicistische gevels vertonen een uitgesproken versiering met stijlkenmerken ontleend aan de Lodewijk XVI-stijl (Ertvelde, Lindenlaan nr. 1). Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw komt met de eclectische bouwstijl ook een rijkere materiaalkeuze aan bod. Een notariswoning te Zaffelare van 1884 en een doktershuis te Sleidinge van 1887 zijn aan elkaar gewaagd door hun imposant voorkomen; dit wordt trouwens bevestigd door de aanwezigheid van een zijtoren. Dit element is ook telkens nadrukkelijk aanwezig in de eclectische bloemistenhuizen en andere verzorgde kasteelachtige burgerwoningen die architect J. Rooms ontwierp in het begin van de 20ste eeuw. Zijn herkenbaar oeuvre is vooral in het bij zijn woonstreek aansluitende Lochristi met zijn vele tuinbouwbedrijven te vinden. Als er sprake is van enig stijlbewustzijn in de burgerwoningbouw tussen 1900 en de Eerste Wereldoorlog dan blijkt vooral het eclecticisme de boventoon te voeren. Te Moerbeke neigen een paar huisgevels bij uitzondering tot de neogotiek. Voor dezelfde periode valt wel te vermelden het gebruik van verschillend gekleurde of geglazuurde baksteen als gevelparement. Evenals geveldetails van faiencetegels of sgraffito zijn dit constructie-elementen die van toepassing waren in de art-nouveau-architectuur. Deze bouwstijl kwam slechts sporadisch en vooral fragmentarisch aan bod, zoals in de boogvelden of borstweringen van een huis te Lochristi van 1905, een huis te Sleidinge van 1912 en een huis te Moerbeke, Opperstraat nr. 99 van 1906. In Zeveneken-Dorp komen een paar opvallende huisgevels voor die nauwer verwant zijn aan de art nouveau en worden toegeschreven aan architect J. Welvaert van het aangrenzende Lokeren. Behalve het kleurrijke aspect en decoratieve details in art-nouveaustijl vertonen deze gevels hoefijzer- of korfboogboogvormen voor de muuropeningen. Het typische zweepslagmotief van de art-nouveau duikt enkel op in het hekwerk van een bloemistenhuis te Zeveneken. Het café "Sanderushuis" te Sleidinge van 1926 van architect L. Pintelon brengt op kleine schaal een late toepassing van de eclectische stijl. De inbreng van de art deco in de jaren 1920 van deze eeuw beperkt zich onder meer tot enkele bloemistenvilla's te Lochristi waar deze decoratieve stijl vooral tot uiting komt in de geometriserende gekleurde glas-in-loodramen met bloem-, en vaasmotieven. Een manifeste en kwaliteitsvolle realisatie in art-decostijl behelst het totale gevelontwerp van twee gekoppelde rijhuizen te Lochristi van architect F. Bilsen. Al even uitzondelijk voor het bestudeerde gebied is het vormelijk vernieuwend bouwen in nieuwe zakelijkheid van de jaren 1930. Kenmerkend voor laatstgenoemde stijlrichting is een villa te Lochristi van architect E. De Nil die evenals architect Bilsen vooral in stad Gent woningen realiseerde die bepalend zijn voor de periode tussen beide wereldoorlogen. Nog te vermelden voor het interbellum zijn een rijwoning met plat dak door architect J. Dendooven te Zeveneken-Dorp nr. 55 en een paar gekoppelde woningen van architect G. Marchand uit Moerbeke in de Schoolstraat nr. 9-11 te Lochristi.

Kastelen, heerlijke verblijven en buitenplaatsen

Een voorbeeld van het oudste type kasteel, namelijk de middeleeuwse burcht of het versterkte feodaal slot kwam voor vlakbij de kerk van Evergem. De Gentse Sint-Baafsabdij had namelijk in de 10de eeuw na de Noormanneninvallen de heren van Dendermonde aangesteld als voogden over het domein Evergem. Omtrent het precieze tijdstip van de bouw van de oorspronkelijke burcht en of het aanvankelijk voornamelijk een militaire vesting betrof bezitten we geen informatie. Enkel de percelering en de kasteel vijver bewaren thans nog een herinnering aan het vroeger omgrachte kasteel dat de toepasselijke benaming "Huis ter Burcht" tot op heden behield. Het huidige kasteel dagtekent echter pas van 1884. De vroeger dubbel omgrachte site werd hier bovendien sterk verstoord door de gedeeltelijke verkaveling van het kasteelpark. Nabij de Kale richtte de graaf van Evergem als tegenhanger van de burcht van de heren van Dendermonde in de 12de eeuw een kasteel op. Sanderus beeldt het in de 17de eeuw af als een waterburcht met binnenkoer en ronde hoektorens. Ook hier moest dit typische kasteel plaats ruimen voor een neoclassicistisch bouwwerk dat wel de benaming "Kasteel van Evergem" behield. Het aangrenzende Ertvelde bezat eveneens een feodale versterking nabij de Burggravenstroom waarvan bekend is dat de burggraven van Gent er sinds de 12de eeuw verblijf hielden. De zogenaamde "Hoge Wal" aan de Jacob Van Arteveldelaan te Ertvelde is onbebouwd maar geldt als één van de best bewaarde voorbeelden van een castrale motte in de omgeving van Gent. Dit aarden monument vertoont nog het voor de castrale motte kenmerkende breed circulair omgrachte opperhof met een metershoge aarden ophoging waarop zich een torengebouw bevond dat waarschijnlijk in 1385 werd vernield. Het voor de castrale motte essentieel bijbehorende voor- of neerhof tekent zich wel nog af maar de walgracht ervan is gedempt. Het geheel van deze typische tweeledige versterking was vermoedelijk nog eens voorzien van een tweede ringgracht hetgeen kan worden afgeleid uit het omgevende stratenpatroon.

Het bestudeerde gebied telt nog meerdere laat-middeleeuwse kastelen die in oorsprong teruggaan op het type castrale motte uit de 12de, 13de eeuw waarvan het opperhof een uitgesproken defensief karakter bezat terwijl het economische leven zich afspeelde op het neerhof. De lagere locale aristocratie, het Gentse stadspatriciaat met bezittingen in de omgeving van Gent en vrije hereboeren bootsten tot in de late middeleeuwen uit veiligheidsoverwegingen maar ook om prestigieuze redenen de tweeledige mottesite of castra van de hogere adel op kleinere schaal na in hun sites met walgrachten. Verscheidene latere lusthoven, zogenaamde "speelgoedjes" of zomerhuizen vinden hun oorsprong in dergelijke versterkte herenverblijven. We zien echter ook dat de cirkelvormig omgrachte motte of het opperhof door de heren vaak definitief verlaten werd en dat enkel de landbouwfunctie van het neerhof bleef doorleven. In de Persijzerstraat nr. 47 te Zaffelare bleef een zeer bescheiden exemplaar van een vermoedelijk 13de-eeuwse woontoren of primitief versterkt stenen huis bewaard als onderdeel van een later boerenhuis. De onderkelderde constructie telde minstens twee verdiepingen en vertoont op de hoeken nog metselwerk van Doornikse steen. Te Lochristi werd een oorspronkelijke landbouwsite Roeselaar met walgrachten bestaand uit een opper- en neerhof in de tweede helft van de 13de eeuw uitgebouwd tot het heerlijk buitenverblijf eerst van de abten van de Gentse Sint-Baafsabdij, later van de bisschoppen van Gent. Deze zomerresidentie had de vorm van een waterkasteel met verschillende vleugels rondom een binnenkoer. Het "Kasteel Rozelaar" onderging diverse keren herstellings- en verfraaiingswerken doch werd op het eind van het Ancien Régime vrijwel geheel verwoest. Twee gerestaureerde ronde zandstenen flankeertorens van de onderkelderde inkompoort gaan vermoedelijk nog tot de 13de-14de eeuw terug en bewaren met de brede ringgracht een defensief aspect van het vroegere waterkasteel.

Wat verder als kasteel in zijn geheel overbleef in het bestudeerde gebied dateert ten vroegste uit de 16de eeuw en is opgetrokken in traditionele bak- en zandsteenbouw. De Gentse patriciërsfamilie Borluut bezat sinds de 13de eeuw een omgracht buitenhuis of "huys van plaisance" te Evergem met de naam "Goed ten Broeke". Hun "kasteeltje" werd heropgebouwd in 1551 en kan omschreven worden als een eenvoudige rechthoekige bak- en zandstenen woning met bovenverdieping waarvan de voorgevel geopend is met kruiskozijnen. Het aanzien van de familie die op het goed verbleef blijkt nog uit de aanwezigheid van een duiventoren op het bijgaande neerhof. Ook op het voormalig "Goed ten Hulle" te Evergem getuigt een vierkante duiventoren van 1623 in de buurt van de kasteelhoeve van de heerlijke oorsprong van het domein. Nog te Evergem en in oorsprong ook teruggaand op een 13de-eeuwse site met walgrachten en motte is het "Goed ten Boekel". Het kasteel fungeerde ook als "speelgoed" en het huidig voorkomen komt nog sterk overeen met de 17de-eeuwse toestand zoals getekend door A. Sanderus. Typisch voor dit aanvankelijk waterkasteel is het compacte volume verkregen door het tegen elkaar aanbouwen van twee parallelle vleugels met zijtrapgevels. Een trapgevel markeert ook de centrale inkom die echter later van een 18de-eeuwse deuromlijsting werd voorzien. Aan weerszij van het voorhof werden in de 18de eeuw twee bepleisterde paviljoenen gebouwd. Zij resulteren uit de nieuwe opvattingen inzake kasteelbouw in de 18de eeuw waarbij gestreefd werd naar nog meer openheid en symmetrie ook in de aanleg van kasteel en bijgebouwen. Het "Kasteel Heylweghen" te Evergem gaat ook alweer op een ouder omwald "speelgoed" terug.

Het huidige kasteel kwam tot stand in de jaren 1780 en is een typisch voorbeeld van een 18de-eeuws classicistisch kasteel. Kenmerkend is de symmetrie in de gevelordonnantie met een door een driehoekig fronton bekroond middenrisaliet voor het leien mansardedak. Ook typerend is de centrale deurtravee die geaccentueerd werd door spiegelboogomlijstingen. Dezelfde stilistische eigenschappen zijn aanwezig bij het kasteel met U-vormige plattegrond van het voormalig "Goed ten Hulle" te Evergem. Verbouwingswerken uit het einde van de 19de eeuw zijn waarschijnlijk bepalend voor het huidige uitzicht van dit in oorsprong veel oudere kasteel. Het park met axiale toegangsdreef en symmetrisch grachtenpatroon vormt een passend kader voor het kasteel van het "Goed ten Hulle". Afgezien van de bijbehorende kasteelhoeve zijn er bijgebouwen te vinden die sinds de 18de eeuw sterk in trek kwamen zoals paardenstallen en een ijskelder.

De voormalige paardenstallen en oranjerie (1782-83) van "Kasteel Rozelaar" te Lochristi werden volgens plannen van 1833 van de Gentse architect Louis Minard " verbouwd tot een typisch neoclassicistische buitenplaats. De brede horizontaliserende bepleisterde lijstgevel met attiekbekroning vertoont een hoger opgaand middenrisaliet verrijkt met hardstenen elementen die kenmerkend zijn voor het oeuvre van architect L. Minard. Wij vinden ze ook terug bij een kleiner voormalig buitengoed te Lochristi van dezelfde architect waarvan de voorgevel jammer genoeg ontdaan werd van zijn bepleistering.

De tendens om bestaande kastelen en buitenplaatsen aan de wisselende noden en mode van de tijd aan te passen bleef ook in de tweede helft van de 19de eeuw hardnekkig standhouden. In die periode beheerste het internationaal historicisme ook het bouwen van kastelen. Het neoclassicisme en het eclecticisme vierden hoogtij en als bouwmateriaal werd bij voorkeur een mengeling van bak- en natuursteen gehanteerd die de decoratieve vormentaal ondersteunde. Bij het ontwerp van een nieuw kasteel in neostijl werd dikwijls een toren voorzien om de status van het gebouw te bevestigen.

Te Beervelde werd circa 1873 een oudheerlijk kasteeldomein totaal vernieuwd. Voor de gebouwen werd een beroep gedaan op het talent van ingenieur-architect T. Bureau die vertrouwd was met het creeëren van complexe gebouwen. Het kasteel en de omvangrijke bijgebouwen werden uitgevoerd in eclectische stijl met neogotische inslag. Het werkelijk groots opgevatte kasteel verdween op de hergebruikte kelderverdieping na. De bijgebouwen die in dezelfde stijl geconcipieerd waren vallen op door hun monumentaliteit en zijn door hun gevarieerde detailuitwerking op zijn minst pittoresk te noemen. Het plan voor de parkaanleg werd toevertrouwd aan L. Fuchs en het resultaat ervan geldt thans als een toonbeeld van 19de-eeuwse hovenierskunst en tuinarchitectuur. Als voorbeeld van een kasteel in neo-Vlaamse-renaissancestijl kan het kasteel "Ter Burcht" te Evergem worden aangehaald, opgericht in 1884 naar ontwerp van de Gentse bouwkundigen E. en L. Van Herrewege. Bij het neoclassicistische kasteel van de familie Lippens te Moerbeke van 1879 hoort een afzonderlijke donjonachtige watertoren die moest instaan voor de watervoorziening van het hele domein. Het "Kasteel Groenveld" naar ontwerp van architect F. Roussel te Evergem van 1911 heeft alle historiserende kasteelaspecten geruild voor een concept dat volledig aansluit bij de Engelse landhuisarchitectuur en kan veeleer bestempeld worden als een grote villa. Met zijn centrale toren houdt het zogenaamde "Kasteel Van Geeteruyen" te Moerbeke van 1914, met zijn gevelpartijen in imitatie vakwerkbouw het midden tussen een villa in cottage-stijl en een kasteel.

Hoevebouw

Het hoevetype dat duidelijk in het gebied overheerst is de hoeve met losse bestanddelen opgesteld in U- of L-vorm. Het langgestrekte type komt wel voor maar heeft gewoonlijk betrekking op onbeduidende boerenhoven die veeleer kunnen bestempeld worden als boerenarbeiderswoningen met aangebouwde schuur en stal. Vrijwel iedere opgenomen gemeente telt een aantal hoeven met historische benaming wat veelal toeliet gegevens omtrent hun oorsprong op te sporen. Zo blijkt hun geschiedenis dikwijls op te klimmen tot de late middeleeuwen. De aanwezigheid van walgrachten is een bijkomende indicatie voor een ontstaan in de middeleeuwse periode. Sommige hoeven vormden aanvankelijk het neerhof van de zetel van een heerlijkheid of van een leengoed. Zoals reeds aangehaald bij de kastelen uit zich dat dikwijls in een samengestelde omgrachting met afzonderlijk omgracht opperhof waarop zich eertijds het herenverblijf bevond. Dit geldt onder meer voor het "Goed ten Rosen" te Zaffelare, waarvan de vroegste vermelding teruggaat tot het einde van de 13de eeuw. Nog een mooi voorbeeld vormt het "Goed ter Avrije" te Ertvelde. Andere enkelvoudig of meervoudig omgrachte hoeven vervingen een vroeger kasteel of herenverblijf. Dit was zo voor de "Raveschoothoeve" te Beervelde. Daarnaast gaan tal van omgrachte hoeven terug op een vanouds bestaande landbouwuitbating. Enkelvoudig omgrachte hoeven, zowel met een circulair of rechthoekig erf komen ook talrijk voor. Het aanbrengen van walgrachten bood een zekere mate van beveiliging maar gold evenzeer als statussymbool en getuigde van het aanzien van de heer van de hoeve. De aanwezigheid van een duiventoren op het erf getuigt ook van de status van een hoeve. We troffen er nog een aan te Evergem en te Lochristi. Uit documenten leidden we af dat de toegang tot het erf van belangrijke hoeven afgesloten werd door een poortgebouw, maar in situ zijn dergelijke constructies zeldzaam geworden. De "Haanhouthoeve" te Beervelde bezit nog een monumentale poort. Een poortgebouw met overzolderde doorrit vormt de toegang tot het "Wispelaere goed" te Lochristi. Er bestaan wel nog verscheidene hoeven waar het metselwerk van de hekpijlers bij de erfingang resten zijn van een vroegere poort, zoals op het "Goed ten Rosen" te Zaffelare en te Sleidinge. Een landschappelijk element dat de omgrachte hoeve dikwijls vergezelde is een toegangsdreef vanaf de openbare weg. De niet omgrachte hoeven bezitten vaak nog een haag die het erf met de boomgaard omsluit. Ook op de kleinere boerenhoven vinden we geregeld nog een ijzeren toegangshek aan gemetste of ijzeren hekpijlers.

De boerenwoning zelf vertoont een rechthoekige plattegrond en telt één bouwlaag waarbij de lange, oorspronkelijk meestal gekalkte en thans geschilderde voorgevel bij voorkeur naar het zuiden of zuidoosten gericht werd. Boerenhuizen met overblijfselen van vakwerkbouw komen op een uitzondering na niet meer voor. Slechts exceptioneel treffen we nog boerenhuizen aan die blijkens een inscriptie of gedateerde gevelsteen voor de 18de eeuw werden opgericht. Baksteen ging in de 18de eeuw als bouwmateriaal overheersen op de hout- en leembouw. De traditioneel rechthoekige vensters bewaren in een paar zeldzame gevallen nog zandstenen kruiskozijnen met luiken. De met zandsteen omlijste korfboogdeuren van de hoeve aan de Rietveldstraat nr. 2 te Beervelde maken van deze woning die waarschijnlijk 17de-eeuws is, een unicum. Ook de zo karakteristieke houten kruiskozijnen met kleine roedeverdeling komt door vervanging van het houtwerk slechts zelden meer voor. Voorbeelden van boerenhuisgevels met een dakvenster troffen we niet veel aan in het onderzochte gebied (Beervelde en Beervelde, Heistraat nr. 78). Een in de streek vaak aangebracht decoratief accent van de voorgevel is de gekleurde omlijsting van kleine baksteen rondom de lage korf- of steekboogdeur (te Evergem en te Lochristi, Ommegangstraat nr. 8). De oudere hoeven zijn dikwijls nog herkenbaar aan de aandaken met vlechtingen van de zijpuntgevels die het kenmerkende zadeldak begrenzen. De strodakbedekking is op een exceptioneel voorbeeld na totaal verdrongen door pannenbekleding. Een belangrijk authentiek aspect van het boereninterieur is de balklaag waarvan de moerbalkuiteinden zeer dikwijls een gesculpteerde of uitgesneden versiering dragen, soms vergezeld van een jaartal. Ook het behoud van de grote haard met schouwbalk in de huiskamer is vermeldenswaard. In het onderzochte gebied werden haardwanden soms bezet met vierkante gekleurde zogenaamde "Delftse" tegels. In enkele gevallen werd er tussen de gevarieerde motieven een Calvarietafereel of ander tableau verwerkt. In het kanton Lochristi stelden wij vast dat de bakoven niet altijd een afzonderlijke constructie betrof maar gebeurlijk geïncorporeerd zat tussen de kleine dienstvertrekken aan de achterzijde van de woning of zijdelings ervan werd aangebouwd. De schuur is altijd van het type dwarsschuur soms nog met verhoogde poort voor de dorsvloer. Een gering aantal schuren bewaren resten van een strooien bedaking. Sinds de 19de eeuw werden de stallen, het wagenhuis en ook de aardappelkelder met de schuur samen in één bedrijfsgebouw ondergebracht. Reconversie van het landbouwbedrijf had ongetwijfeld repercussies voor de bedrijfsgebouwen die dan ook dikwijls intern gemoderniseerd werden of recent uitgebreid of vervangen werden.

Industrieel erfgoed

De maalderij, die een van de oudste takken van onze agrarische nijverheid vormt, maakte aanvankelijk voornamelijk gebruik van windkracht. Vrijwel iedere gemeente in Vlaanderen telde in het begin van deze eeuw nog minstens een paar windmolens. Met het molenpatrionium van het hier betreffende inventarisgebied is het thans echter zeer karig gesteld. De gemeente Evergem bezit nog een volledige windmolen, namelijk de Wippelgemmolen. Deze ronde stenen beltmolen van 1864 is van belang als enige intact bewaarde molen van het type binnenkruier in de provincie Oost-Vlaanderen. Van de Doornzelemolen van 1839 aan Doornzele Dries te Evergem, die van het zelfde type is als de Wippelgemmolen, rest enkel nog de molenromp. De ronde bakstenen windmolen uit 1798 van het type bovenkruier aan de Stenenmolenstraat te Ertvelde kan bogen op de bijzonderheid dat hij op het molenerf vergezeld is van een rosmolen die ook opnieuw maalvaardig is gemaakt, een unicum voor de provincie. De overblijvende ronde molenromp aan de Rivierstraat te Beervelde behoorde tot een in 1877 gebouwde oliemolen.

De introductie van de stoommachine als drijfkracht sinds het midden van de 19de eeuw gaf in de agrarische industrie aanleiding tot de oprichting van eenvoudige mechanische maalderijen bij bestaande windmolens wat een constante maalactiviteit garandeerde. Naderhand verving een armgasmotor, dieselmotor of elektrische aandrijving de aanvankelijke stoomkracht. Gewoonlijk omvatte de installatie twee koppels maalstenen en een haverpletter op een stoel en via onderliggende transmissieassen aangesloten op de aandrijfmotor. Bij twee verdwenen windmolens troffen we nog zo'n maalderij aan.

De vroeger even zo courante kleinschalige dorpsbrouwerijen, waarvan de teloorgang al tijdens het interbellum een onstuitbaar feit was, liet weinig markante architecturale sporen na. Een tot woning aangepast bedrijfsgebouw achter een mouttoren aan de de Kerchovestraat te Moerbeke getuigt er nog van de specifieke vorm van dergelijke nijverheidsgebouwen. De in 1908 opgerichte brouwerij Neyt aan de Molenhoek te Evergem en ook de brouwerij Bios aan de Lindenlaan te Ertvelde dienen vermeld als enige bedrijven die na modernisatie tot heden nog functioneren. Te Zeveneken werd een oorspronkelijk brouwerijgebouw in 1922 getransformeerd tot vernisstokerij, op zich al vermeldenswaardig omdat dergelijk bedrijfstype weinig verspreid is. Het in 1946-47 bijgebouwde vernisstokerijgebouw bewaart nog zijn volledige technische installatie uit die periode, een aspect dat voor het industrieel erfgoed belangwekkend is.

De stationsarchitectuur is in de streek vertegenwoordigd door een vijftal veeleer gewone plattelandsstations waarvan slechts één gedeeltelijk teruggaat tot de 19de eeuw, namelijk het station in het gehucht Rieme van 1865 aan de Stationsstraat te Ertvelde. De overige stations (te Beervelde, Evergem-Langerbrugge, Moerbeke en Sleidinge) dateren uit het begin van de 20ste eeuw. Het station van Moerbeke aan de Statiestraat springt in het oog doordat het met zijn enigszins compacte plattegrond afwijkt van de gangbare langgerekte bouwwijze voor stations. De symmetrisch opgevatte voorgevel bezit bovendien een sterk geaccentueerde centrale inkom. Van het gestandaardiseerde type bareelwachtershuisje van drie traveeën en anderhalve bouwlaag met steekboogvormige muuropeningen onder een overstekend zadeldak is er nog een te vinden aan de Stationsstraat nr. 105 te Wachtebeke en aan de Terwestvaart nr. 49 te Moerbeke.


Bron     : Lanclus K. & Verbeeck M. 1993: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Gent, Kantons Evergem - Lochristi, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 12N4, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Lanclus, Kathleen, Verbeeck, Mieke
Datum  : 1993


Relaties