Geografisch thema

Kantons Waarschoot en Zomergem

ID: 16220   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16220

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Het gebied omvat de meest noordwestelijk gelegen kieskantons Waarschoot en Zomergem. Het wordt in het noorden begrensd door het arrondissement Eeklo, in het oosten door het kanton Evergem en Gent, in het zuiden door het kanton Nevele en in het westen door de provincie West-Vlaanderen.

Het kanton Waarschoot beslaat enkel de afzonderlijk gebleven gemeente Waarschoot (2.189 hectare). Het kanton Zomergem (9.556 hectare) omvat naast de kantonhoofdplaats Zomergem met de gefusioneerde gemeenten Oostwinkel en Ronsele ook de gemeente Knesselare, sinds 1977 gefusioneerd met Ursel, en de gemeente Lovendegem, samengevoegd met Vinderhoute.

Stedelijke centra ontbreken in dit gebied met nog een uitgesproken landelijk karakter. Enkel de gemeente Waarschoot kende vanaf de tweede helft van de 19de eeuw een zekere industriële activiteit met verschillende textielbedrijven. De ontsluiting door de aanwezigheid van de spoorlijn Gent-Eeklo in 1859-'61 is hier zeker niet vreemd aan.

De bevolkingsdensiteit is voor dit uitsluitend landelijk gebied vrij hoog (gemiddeld 278 inwoners per vierkante kilometer). Lovendegem is het dichtst bevolkt met 492 inwoners per vierkante kilometer, Oostwinkel met slechts 90 inwoners per vierkante kilometer is de dunstbevolkte gemeente gevolgd door het nog deels beboste Ursel (124 inwoners per vierkante kilometer).

Ronsele met zijn 252 hectare is de kleinste gemeente, Zomergem met 2.793 hectare de grootste. De verschillende dorpskernen ontstonden rond de kruispunten van belangrijke wegen. De dorpskernen van Lovendegem, Zomergem, Ursel en Knesselare bijvoorbeeld liggen langs de oude Gentse steenweg die vanaf Zomergem de hoger gelegen rugzone van de zogenaamde cuesta van Oedelem-Zomergem volgt. Oostwinkel en vooral Waarschoot groeiden uit tot een typisch straatdorp. Lovendegem en Vinderhoute, het dichtst bij de stedelijke agglomeratie aanleunend, kregen door de vroege aanwezigheid van verschillende buitenplaatsen, zoals de thans met Gent gefusioneerde randgemeenten, een zekere "voorstadfunctie".

Tot het midden van de 19de eeuw bleef het basisweefsel van de plattelandsgemeenten haast ongewijzigd. Enkel in de dorpskernen verschenen een aantal nieuwe functies, voornamelijk van commerciële en ambachtelijke aard.

Door de toenemende verkavelingsdruk en uitbreiding van het wegennet evolueerden deze landelijke kernen de jongste decennia tot typische wooncentra voor forenzen afgestemd op Gent of Brugge.

HISTORISCHE GEOGRAFIE

Het hier behandelde gebied valt volledig binnen de geografische streek van Zandig Vlaanderen met hierin twee landschappen namelijk het zogenaamde Vlaamse Valleilandschap met een dik dek van pleistocene afzettingen (zogenaamde dekzanden) en het landschap van de voormalige "Noordvlaamse velden" onder invloed van dagzomende tertiaire formaties (zanden en kleien van het eoceen). De grens tussen beide verloopt vanaf Zomergem in noordwestelijke richting naar Maldegem. Ten oosten van deze lijn maakt het gebied deel uit van de Vlaamse Vallei; het is vlak (met een hoogteligging van 6 à 7 meter) en vertoont een microreliëf met niveauverschillen van de orde van 2 à 4 meter. Een belangrijke zandrug verloopt in een west-oostrichting juist ten noorden van het hier behandelde gebied. Het betreft de rug Maldegem - Stekene die dwars doorheen de Vlaamse Vallei loopt en waarop de Antwerpse heerweg werd aangelegd.

Ten westen van de lijn Zomergem - Maldegem dagzoomt tertiair klei, meer bepaald de klei van Asse deel uitmakend van het Bartoon. Dit gebied behoort geomorfologisch tot de cuesta van Oedelem - Zomergem. Deze asymmetrische reliëfvorm vertoont een steilrand naar het zuiden gekeerd (cuestafront) en een zacht afbellend gedeelte in noordelijke richting. Op de topzone (tot 28 meter) loopt de oude Gentweg van Oedelem tot Zomergem over de dorpskernen van Knesselare en Ursel.

Ten zuiden van het cuestafront te Zomergem bevindt zich een westelijke uitloper van de Vlaamse Vallei die samenvalt met de depressie van de vroegere Hoogkale-Durme en waarin in de 17de eeuw de Brugse Vaart werd aangelegd.

Historisch-geografisch wordt het gebied gekenmerkt door oud ontgonnen gedeelten met een percelering bestaande ofwel uit een geordende mozaïek van blokken en stroken ofwel uit een dominantie van gelijkgerichte stroken. Daarnaast komen er jong ontgonnen gedeelten voor met een planmatige verkaveling in dambordvorm en waarvan de hoofdassen samenvallen met wegen en bosdreven zoals in het Drongengoed.

Tijdens de vroege middeleeuwen was het ontgonnen areaal beperkt. Er deed zich een geleidelijke Germaanse kolonisatie voor van de streek met stichting van een aantal nederzettingen (-gem toponiemen) doch tot circa 1000 bleef het natuurlandschap (bos en "wastines") overheersen. De grote ontginningen vatten aan vanaf de 11de eeuw en kenden hun hoogtepunt hier voornamelijk in de 12de en 13de eeuw. Onder meer door usurpatie van gronden van de Franse koning vanaf de 9de eeuw waren de graven van Vlaanderen de belangrijkste grootgrondbezitters geworden. In het gebied hadden ze zelf twee belangrijke domeinen die in oorsprong vermoedelijk teruggaan tot Frankische nederzettingen, Ursel-"Wessegem met als "foncier" het zogenaamde "Koningsgoed" en de heerlijkheid van het Knesselaarse met het "Prinsengoed" als "foncier". Ook de heerlijkheid Lovendegem was vermoedelijk een grafelijk domein. Door het in-cijns-geven of het schenker; van gronden aan particulieren of de grote abdijen werden reeds vroeg een aantal gebieden in cultuur gebracht. Zo hadden in Zomergem uitgebreide ontginningen plaats door de heren van Gavere, één van de machtigste vazallen van de graven van Vlaanderen, tevens heren van de heerlijkheid Vinderhoute-Merendree. De Gentse Sint-Pietersabdij bezat reeds een groot akkerland in het zuidwestelijk deel van Zomergem, tussen de Gentweg en huidige Brugse Vaart in de 11de eeuw. Vooral onder gravin Johanna van Constantinopel (begin 12de eeuw), de derde fase van de ontginningen, werden belangrijke woeste gronden in cijns gegeven voor ontginning. Zo verwierf de abdij van Drongen bijvoorbeeld in 1242 een deel van het zogenaamde "Maldegemveld" ten noorden in de gemeente Ursel en werd het "Goed te Breebroek" in Waarschoot in 1249 geschonken aan de dochter van Eustaas I van Leerne, heer van Rostine. Verschillende nog bestaande hoeven zoals het "Goed ter Beke" of "Wenemaersgoed", het "Goed te Brakel", het "Goed ten Akker" en "Het Grote Goed te Voorde" te Waarschoot, alle in het bezit van Gentse caritatieve instellingen zoals het Sint-Elisabethbegijnhof of de Heilige Geesttafel van de Sint-Jacobskerk, gaan eveneens terug tot deze 13de-eeuwse ontginningsperiode.

Ook het nabij gelegen "Goed van Rapenburg" te Zomergem, vermoedelijk vóór 1242 reeds bestaande (aangezien dan de toen vastgelegde parochiegrens tussen Zomergem en Waarschoot het straatje naar de hoeve volgt), is een typische ontginningshoeve, eerst in cijns gegeven door de vorst doch zeer vroeg verkocht en in het bezit van Gentse patriciërsfamilies gekomen. Het "Goed te Meerlare" of het "Begijnengoed" in het bezit van de Infirmerie van het Sint-Elisabethbegijnhof en het vroegere "Goed te Schaubrouck" kenden een gelijkaardige ontwikkelingsgeschiedenis. Hetzelfde Sint-Elisabethbegijnhof, voornamelijk begunstigd onder gravin Margaretha, bezat ook uitgestrekte gebieden in het zogenaamde "Broek" in de noordoosthoek van Lovendegem.

De oprichting van deze zogenaamde "Einzelhöfe" of "sites met walgracht" met stedelijk kapitaal (particulieren of instellingen) resulteerde hier in het gebied in een eerder gesloten landschap met verspreide bebouwing. In de nabijheid onstonden gehuchten als Beke, den Berg en Stoktevijver.

Het massale vercijnzen van gronden lag vermoedelijk ook aan de basis van de oprichting van nieuwe parochies in de 13de eeuw. Zo werden door bisschop Walter van Marvis in 1242 de parochiegrenzen van Knesselare en Ursel afgebakend en kort nadien (1244) ontstonden Waarschoot en Oostwinkel als afzonderlijke parochies uit Zomergem. Echte ontginningsdorpen werden hier niet opgericht.

Het gebied wordt vanouds doorkruist door beken en afvoerloze depressies waarvan verschillende in de loop der eeuwen gebruikt werden om Gent een uitweg naar zee te verschaffen. Een eerste belangrijke realisatie is het graven van het Lievekanaal, deels in bestaande beken en als turfvaart uitgegraven tot Aardenburg. Tussen 1251 en 1269 werd met toestemming van Margaretha van Constantinopel het 45 kilometer lange kanaal tussen Gent en Damme gerealiseerd, via Vinderhoute, Lovendegem, Zomergem en Waarschoot in het behandelde gebied. Vooral tijdens de 14de eeuw was dit de slagader van Gent en zijn haven. Door de verzanding van het Zwin en het verschuiven van de economische activiteiten van Brugge naar Antwerpen in de loop van de 16de eeuw, verloor de Lieve haar belang voor de scheepvaart.

Een andere belangrijke middeleeuwse rivier aan de zuidgrens van het gebied was de Durme, hier sinds de 15de eeuw "Hoogkale" genoemd. In haar bedding tussen Vinderhoute en Aalter werd in 1613 het kanaal van Gent naar Brugge aangevat. Een eerste poging ondernomen door de Bruggelingen in 1378 om een verbindingskanaal te graven naar de Leie bij Deinze, werd aan de Nieuwendam op de grens van Aalter en Knesselare stilgelegd door de Gentse Witte Kaproenen in 1379. De uitvoering van het ontwerp van de Zuidleie werd hierdoor opgegeven. Pas onder de aartshertogen Albrecht en Isabella werden de Staten van Vlaanderen in 1613 gemachtigd een kanaal te realiseren, thans echter tussen Brugge en Gent. In 1623 was de Brugse Vaart een feit. In 1664-1666 werden reeds verbeteringswerken uitgevoerd. Het scheepvaartverkeer werd toen tijdelijk omgeleid via de Lieve die daartoe een laatste maal bevaarbaar gemaakt werd. De Brugse Vaart, in 1664-'76 verlengd tot Oostende, werd verder herhaaldelijk verbreed en uitgediept, in aansluiting met het overige recentere waterwegennet van het Afleidingskanaal van de Leie en de Ringvaart.

Om de afwateringsproblemen van de Gentse agglomeratie, de Leiestreek tussen Gent en Deinze en het gebied van de Kale tussen Deinze en Nevele, op te lossen werd in de periode 1847-'49 een eerste vak van het Afwateringskanaal der Leie, het zogenaamde "Schipdonkkanaal", uitgevoerd tussen Deinze en de Brugse Vaart op de wijk Schipdonk (Merendree). De verkorte weg tussen Deinze en Brugge bevorderde bovendien de handelsbetrekkingen tussen beide steden. Pas door de verwezenlijking van het tweede vak, namelijk het doortrekken van het kanaal van Schipdonk naar de Noordzee toe werd het overstromingsgevaar voor Gent aanzienlijk verminderd. Tussen 1850-'55 werd vanaf Schipdonk een nieuw kanaal gegraven in een bocht ten oosten omheen de dorpskom van Zomergem tot aan de Lieve bij Stoktevijverbrug. Van hieruit werd de oude bedding van het Lievekanaal gevolgd over Oostwinkel tot Maldegem. Een nieuw tracé, gelijklopend met het Leopoldkanaal, vormt de verbinding met de Noordzee. Tenslotte zou de Ringvaart om Gent, die hier enkel de zuidelijke tip van de gemeente Vinderhoute aandoet waar hij aansluiting geeft met de Brugse Vaart, een definitieve oplossing brengen voor zowel de afwaterings- als scheepvaartproblemen in en om de stad.

Ondanks recente dorpskernuitbreidingen en nieuwe verkavelingen behielden alle gemeenten een vrij agrarisch karakter. Middelgrote en kleine landbouwbedrijven van het gemengde type met akker- en weidebouw overwegen en liggen nog verspreid in het landschap.

Enkele boomkwekerijen en bosbouw komen nog voor aan de noordrand van het gebied in Ursel, Oostwinkel en Waarschoot.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Door luchtfotografische prospectie, gevolgd door archeologisch terreinonderzoek werd de jongste decennia een nieuw licht geworpen op de vroege occupatiegeschiedenis van de regio ten noordwesten van Gent.

De eerste sporen van menselijke aanwezigheid gaan er terug tot het late epipaleolithicum en mesolithicum (circa 8.000 voor Christus). Een grote concentratie bewerkte vuurstenen artefacten (schrabbers, stekers, boortjes) achtergelaten door rondzwervende jagers-verzamelaars, werd teruggevonden bij opgravingen in Ursel, wijk Konijntje, en op de site Vinderhoute-Molenbrug.

Uit de overgangsfase laat neolithicum-vroege bronstijd (circa 2.000 voor Christus) dateert een belangrijk grafveld met onder meer een oorspronkelijk imposante grafheuvel met twee concentrische grachten opgegraven op de site van Ursel-Rozestraat. Door palynologisch onderzoek was het mogelijk het monument in zijn landschappelijke context te plaatsen, een bosrijk milieu met linde, berk en eik, hazelaar en els, ontbost om de grafheuvel op te trekken. Een gelijkaardige circulaire structuur werd gelokaliseerd in het aangrenzende Knesselare, op de site Flabbaert aan de grens met West-Vlaanderen. Beide funeraire monumenten waren gesitueerd in de onmiddellijke omgeving van een natte depressie op de rand van een drogere, hoger gelegen zandrug. Beide sites kenden ook een latere occupatie.

De eveneens door luchtfotografie ontdekte site van Vinderhoute-Molenbrug ligt op de kouterrug aan de rand van de Kalevallei. Naast belangrijk lithisch materiaal uit het mesolithicum en het einde van het neolithicum, is de site voornamelijk rijk door de aanwezigheid van een laat-La Tène-nederzetting met een rechthoekig omgrachte hoeve, een unieke getuige van prehistorische houtbouwarchitectuur.

De late ijzertijd (450-50 voor Christus) is op de site Ursel-Konijntje vertegenwoordigd door verschillende rechthoekige monumenten met grote greppelstructuren, mogelijk met sacrale functie, gevolgd door een laat-La Tène, vroeg-Romeins grafveld met tientallen crematiegraven (circa 100 voor Christus tot 50).

Tijdens de latere Gallo-Romeinse periode werd het grafveld vermoedelijk verplaatst naar de wijk Konijntje, waar reeds een dertiental brandrestgraven uit het midden van de 1ste tot het midden van de 2de eeuw opgegraven werden. Ook te Knesselare werd benevens de prehistorische grafmonumenten een Gallo-Romeinse occupatie aangetroffen in de vorm van een landelijke nederzetting in houtbouw (midden of tweede helft van de 3de eeuw). Mogelijk lag een eerste golf van Germaanse invallen aan de basis van het kortstondig bestaan van deze nederzetting.

Voornamelijk vanaf het tweede kwart van de 7de eeuw was de Germaanse kolonisatie massaler en zijn vermoedelijk de eerste grote domeinen vanuit een grote hoeve geëxploiteerd. De studie van de toponymie (-hem, -gem, -zele , -schoot en -holt -namen) en de patrocinia (Sint-Bavo en Sint-Martinus) wijzen op een belangrijke landname tijdens de merovingische en karolingische periode.

In die periode behoorde de streek tot de Pagus Gandensis, een administratieve indeling van het Frankische Rijk die bij de reorganisatie van het graafschap Vlaanderen door Boudewijn IV, graaf van Vlaanderen tussen 988 en 1035, overgenomen werd onder de naam kasselrij. Alle streken, met uitzondering van een deeltje van het huidige Ursel dat afhing van het aanpalende Brugse Vrije, ressorteerden onder de kasselrij van de Oudburg van Gent, met leenhof in de grafelijke burcht of het Gravensteen. Deze graven van Vlaanderen hadden zich, aan het einde van de 9de eeuw, bij de verbrokkeling van het West-Frankische rijk steeds meer macht en gronden toegeëigend ten koste van hun leenman, de Franse koning. Verschillende gebieden stonden dan ook rechtstreeks onder grafelijk gezag.

Tot het einde van het ancien regime vormden de heerlijkheden de eigenlijke administratieve en juridische entiteiten binnen het rechtsgebied van de kasselrij.

Eén van de belangrijkste territoriale entiteiten in het gebied was het Ambacht Zomergem, voor het eerst vermeld in 1237 en tot 1563 samengesteld uit een deel van het huidige Zomergem, Waarschoot, Ronsele en Oostwinkel. In 1248 werd reeds één derde van het grondgebied van Waarschoot, namelijk de oostelijke wijken Arisdonk en Voorde, onder de Keure van Sleidinge geplaatst, samen met landelijke delen van Sleidinge en Lovendegem. Deze zogenaamde Keure van Sleidinge-Waarschoot-Lovendegem was opgericht door gravin Margaretha om nieuwe kolonisten aan te lokken en de geüsurpeerde noordwestelijke domeinen te legaliseren. Opvallend hierbij is bijvoorbeeld de rechtlijnige parochiegrens tussen Lovendegem en Waarschoot die doorheen de heerlijkheid loopt waaruit blijkt dat deze grens recenter is dan de Keure.

Het Ambacht Zomergem viel in 1563 uiteen door de verkoop van het "heerschap van Zomergem" door Filips II aan Maarten Snouckaert, ridder, eerste pensionaris en griffier van de stad Brugge. Het Ambacht Waarschoot-Oostwinkel-Ronsele verbrokkelde als gevolg van verdere interne jurisdictiegeschillen waarbij Ronsele uiteindelijk in 1788 bij keizerlijk decreet aan baron de Draeck als afzonderlijke heerlijkheid toegekend werd.

Ook de heerlijkheid Lovendegem, het dorpscentrum met kasteel, werd door Filips II verkocht wegens grote schuldenlast, aan ridder Joos Triest. Onder de familie Dons werd deze heerlijkheid in 1716 tot baronie verheven. Een derde, zuidelijk gebied in het huidige Lovendegem ressorteerde onder de heerlijkheid Vinderhoute-Merendree, een zeer oude en aanzienlijke heerlijkheid met foncier te Vinderhoute, in de 13de-14de eeuw in het bezit van de machtige heren van Gavere en belangrijkste leen van het leenhof van Dendermonde.

Het feodale Knesselare bestond uit vier heerlijkheden: de gravelijkheid in Knesselare, het Knesselaarse of grafelijk bezit op Oedelem, de heerlijkheid Wulfsberge en de dorpsheerlijkheid van Knesselare die vanaf 1376 deel uitmaakte van het Land van de Woestijne samen met de heerlijkheid Woestijne en de dorpsheerlijkheid van Aalter. Ursel viel als enige gemeente onder twee kasselrijen: Ursel 't Vrije, namelijk de dorpsheerlijkheid, afhankelijk van het Vrije van Brugge en Ursel 't Gentse of de heerlijkheid Wessegem, afhankelijk van de Oudburg van Gent.

De belangrijkste periode in de occupatiegeschiedenis van de streek was ongetwijfeld de eerste helft van de 13de eeuw, namelijk de laatste fase in de grote middeleeuwse ontginningsbeweging. Onder demografische druk verkochten de graven van Vlaanderen talrijke, vooral woeste gronden aan lekenheren of abdijen. Behalve de heren van Gavere te Zomergem en de abdij van Drongen die een deel van het Maldegemveld in het noorden van Ursel en in Waarschoot in cultuur brachten, zij het aanvankelijk weinig succesvol, zijn hier vooral de afzonderlijke "sites met walgracht" of ontginningshoeven belangrijk. Ze werden opgericht door Gentse patriciërs of caritatieve instellingen, waarbij vooral de domeinen van het Gentse Sint-Elisabethbegijnhof opvallen, en speelden in Waarschoot en Zomergem een belangrijke rol. Ze lagen mede aan de basis van bewoningskernen die uitgroeiden tot gehuchten en dorpen. Als gevolg van de toenemende landname ontstonden in 1244 uit de primitieve parochie Zomergem twee nieuwe parochies, Waarschoot en Oostwinkel.

Bij de splitsing van de kerkprovincie Reims aan het einde van de 10de eeuw volgde de kerk de bestuurlijke indeling van het Frankische Rijk. Alle parochies ressorteerden hier onder het bisdom Doornik. Verschillende altaren werden in 1171 reeds door de bisschop van Doornik onder het patronaat van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel geplaatst. Bij de afpaling van de parochies door bisschop Walter van Marvis in 1242 rond het Bulskampveld werden ook de grenzen van de parochies Zomergem, Knesselare en Ursel, en vermoedelijk ook Ronsele vastgelegd. Bij de reorganisatie van de bisdommen onder Filips II in 1559 vallen alle parochies onder het nieuwe bisdom Gent.

Door zijn ligging in het noordwestelijke deel van het arrondissement Gent tussen de twee belangrijkste Vlaamse steden Brugge en Gent werd het gebied doorkruist door verschillende belangrijke middeleeuwse handelswegen. De oudste verbinding is vermoedelijk de weg die in het noorden de grenzen van Knesselare en Ursel volgt, de zogenaamde Brugse heerweg, thans onder meer Oude Brugse weg. Een andere weg, zogenaamd Oude Gentweg, volgt de cuestarug van Oedelem-Zomergem langswaar de dorpskernen van Knesselare, Ursel en Zomergem gegroeid zijn en wordt vooral vanaf de 14de eeuw vermeld. Een derde weg liep ten zuiden van het gebied via Aalter en werd vooral vanaf het einde van de 16de eeuw gebruikt toen opstandelingen tegen Spanje de bossen van Knesselare en Ursel onveilig maakten.

Deze ligging was ook bepalend voor de betrokkenheid van de regio bij het politieke gebeuren van die tijd. Vooral de gemeenten Knesselare en Ursel, halfweg tussen Brugge en Gent, waren tijdens de regering van Lodewijk van Male (1346-1384) vaak het toneel van de machtsstrijd tussen beide grootsteden. De toestemming verleend aan Brugge om een verbindingskanaal te graven naar de Leie stuitte in 1379 op hevig Gents protest en resulteerde in een daadwerkelijke aanval van de Witte Kaproenen op de delvers bij de Nieuwendam, op de grens van Knesselare en Aalter. In 1381 vernielden dezelfde stadsmilities de dorpskern van Ursel, afhankelijk van de kasselrij van het Brugse Vrije, uit wraak na hun nederlaag te Nevele.

In de strijd tussen Filips de Goede (1419-1467) en Gent werd de rust in de streek verstoord door Gentse milities die onder meer in 1452 Waarschootdorp volledig plunderden. De soldaten van Maximiliaan van Oostenrijk (1488-1492) waren verantwoordelijk voor talrijke brandstichtingen. Zo werd de in 1444 opgerichte priorij van Waarschoot in 1491 en 1499 vernield en bleven talrijke gronden in het omliggende onverpacht.

Tijdens de 16de-eeuwse godsdienstoorlogen kende het nieuwe geloof een relatieve aanhang in de streek. Verschillende lokale pastoors kwamen op de brandstapel terecht. In 1566 hadden in de noordelijke bossen van Waarschoot regelmatig 'hagepreken' plaats en onder het Calvinistisch bewind (1577-1584) was Ursel een georganiseerde protestantse gemeente. De kerk bleef hier ook gespaard van de beeldenstormen. De kerk te Lovendegem daarentegen werd onherstelbaar verwoest. Ook de kerken van Zomergem, Ronsele en Oostwinkel ontsnapten niet aan plunderingen en vernielzucht voornamelijk van het meubilair. De minder beschadigde kerkgebouwen werden als kazerne gebruikt. Waarschoot werd zwaar getroffen in 1580. Kerk en priorij werden hier ook het slachtoffer van het Calvinistisch geweld. De prior werd gevangen genomen, het kloosterpand vernield en uiteindelijk in 1581 openbaar verkocht. Na 1584 kwam de priorij onder het beheer van de abdij van Boudelo doch de heropbouw werd nooit volledig gerealiseerd. In 1649 verhuisde ze uiteindelijk naar haar refugehuis in Gent.

Na de inname van Gent in 1584 werd de streek geteisterd door Hollandse vrijbuiters en ontvolkte volledig. Vanaf 1590 verdedigde Waarschoot zijn grenzen door het optrekken van verschillende forten onder meer aan de Eeklose dam, op de grens met de Lembeekse bossen en op Oostmoer.

Ook het graven van het kanaal van Brugge naar Gent, aangevat in 1613 tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) onder de aartshertogen Albrecht en Isabella, werd in de eerste plaats om strategische redenen ondernomen, namelijk als verdedigingslinie tegen de Hollanders. Het gebied ten noorden van de Brugse Vaart tot aan de Sasse Vaart, waartoe de meeste hier behandelde gemeenten behoorden, werd door de Hollanders bezet en onder contributie geplaatst. Verschillende forten werden aan de zuidzijde van het kanaal opgetrokken onder meer te Lovendegem (Bierstal, Laerefort, fort Lemberge) en Knesselare (Grand'mère, Hoekefort). De Vrede van Munster (1648) betekende geen vrede voor de streek vermits Spanje en Frankrijk in oorlog bleven.

Met de veroveringsoorlogen van Lodewijk XIV eind 17de eeuw onderging de regio nieuwe plunderingen en verwoestingen. In 1683 bijvoorbeeld werden zowel de dorpskernen van Knesselare als van Waarschoot volledig platgebrand.

Ook de Spaanse Successieoorlog en het beleg van Gent in 1708 hadden nefaste gevolgen voor het omliggende platteland.

In de Oostenrijkse periode (1713-1794), algemeen erkend als rustig en welvarend, steeg ook hier in het gebied de bevolking aanzienlijk wat resulteerde in een toenemende landname en nieuwe ontginningen. De uitbreiding van het landbouwareaal, gecombineerd met een bloeiende huisnijverheid, voornamelijk linnennijverheid, leidde tot een gevoelige uitbreiding van de bebouwing. Talrijke geïnventariseerde 18de-eeuwse hoevetjes getuigen hier nog van. Gestimuleerd door het Oostenrijks bewind werd het herbebossen van woeste gronden aangevat, onder meer in het Drongengoed te Ursel waar de Norbertijner abt De Stoop circa 1740 dit succesvol toepaste. Naast een nieuwe kloosterhoeve werd het domein herbebost volgens een planmatige aanleg met dreven en draineringsgrachten, aanknopend bij de vooruitgang van de landbouwtechnieken in die periode.

De verbetering en verharding van het wegennet en de aanzet tot bestuurlijke hervormingen worden eveneens toegeschreven aan de Oostenrijkers.

De Franse Revolutie stelde definitief een einde aan de feodale structuren en de administratief-juridische instellingen van het ancien regime.

Onder het Franse bewind (1794-1814) behoorde het gebied tot het Schelde-departement dat het oostelijke deel van het vroegere graafschap Vlaanderen (met inbegrip van Zeeuws-Vlaanderen) omvatte. Hieruit ontstond in 1815 de provincie Oost-Vlaanderen.

De godsdienstvervolgingen en de confiscaties van de kerkelijke goederen betekenden nieuwe verwoestingen en verkaveling van grote domeinen als het Drongengoed te Ursel of de priorij te Waarschoot. De verschillende grote pachthoven van de Gentse caritatieve instellingen in Waarschoot en Zomergem werden onder het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen van Gent geplaatst, het huidige O.C.M.W.

De economische welvaart van Gent tijdens de regering van koning Willem I van het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830), onder meer dankzij de openstelling van het Kanaal Gent-Terneuzen, had haar weerklank op de hele regio. De moeilijke periode van de Belgische onafhankelijkheid had ook zijn weerslag op de economie en leidde tot de grote crisisjaren van het midden van de 19de eeuw. De teloorgang van de linnennijverheid mede als gevolg van de invoer van katoen en de mechanisatie van de weefnijverheid, in combinatie met verschillende aardappelplagen, veroorzaakte grote armoede en een spectaculaire bevolkingsdaling. Alleen in de gemeente Waarschoot kwam de mechanisatie en uitbreiding van de plaatselijke weefnijverheid vanaf de tweede helft van de 19de eeuw voorgoed op gang. Gestimuleerd door een vooruitstrevend gemeentebestuur richtten verschillende Gentse en andere nijveraars mechanische weverijen, spinnerijen of ververijen op zoals de N.V. Lousbergs of de Société Anonyme de Waarschoot, zogenaamd S.A.W., met meer dan l .000 weefgetouwen en honderden tewerkgestelden. De aanleg van de spoorlijn Gent-Eeklo in 1859 met station te Waarschoot was zeker bepalend voor de economische bloei en de ontsluiting van deze oorspronkelijk landelijke gemeente.

De realisatie van het tweede tracé van het Schipdonkkanaal als verbinding van de Brugse Vaart met de Noordzee, gegraven circa 1855 om de dorpskern van Zomergem heen, langs Ronsele en Oostwinkel, kaderde in de infrastructuurwerken in de Gentse regio ter bestrijding van het overstromingsgevaar en ter bevordering van de scheepvaart.

De oprichting van de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen in 1885 met voor de Gentse regio verschillende uitstralende lijnen haalde de plattelandsgemeenten uit hun isolement. De lijn van Gent tot Zomergem, aangelegd in 1886, werd in 1898 verlengd tot Ursel. Door het aanleggen van de lijn Aalter-Eeklo (1900) en het verlengen van de lijn Brugge-Knesselare (1904) tot Ursel (1908) ontstond hier een belangrijk kruispunt met transportmogelijkheden naar Oost- en West-Vlaanderen.

De 20ste eeuw wordt gedomineerd door beide Wereldoorlogen waarbij de streek van Zomergem en Knesselare, gelegen tussen de Brugse Vaart en het Schipdonkkanaal, het ergste getroffen werden.

Op 14 oktober 1914 vielen de eerste Duitse soldaten Knesselare binnen en werd de gemeente tijdelijk onder de "Kommandantur" van Beernem geplaatst. Op de wijk Kleiten werd een militair vliegveld aangelegd.

Vooral bij het terugtrekken van de vijandige troepen achter het Schipdonkkanaal te Zomergem op 19 oktober 1918 hadden hevige gevechten plaats. Het oude "Goed van Schipdonk", de kerk, de Markt met gemeentehuis en talrijke dorpshuizen werden zwaar beschadigd. Gedurende veertien dagen hield het Duitse leger nog stand op de Hindenburglinie op Zomergem-Motje, achter het Schipdonkkanaal. Alle bruggen werden opgeblazen. Ook Knesselare werd toen beschoten en de draaibrug over de Brugse Vaart aan de Hoekestraat werd vernield.

Tussen 24 en 27 mei 1940 kwam heel het gebied van Ursel tot Zomergem opnieuw in het oorlogsgeweld terecht en hadden opnieuw hevige gevechten plaats aan het Schipdonkkanaal te Ronsele en Oostwinkel. Ze gingen de geschiedenis in als de "slag van Ronsele". Opnieuw werden alle bruggen vernietigd. Twee gedenkstenen op het Dorpsplein van Ronsele herinneren hieraan. Een monument in Knesselare vereeuwigt de succesvolle tegenaanval van de "Zwarte Duivels" op 26 en 27 mei. In de nacht van 27 op 28 mei werd de nieuwe boogbrug over de Brugse Vaart bij de Hoekestraat door de terugtrekkende geallieerden opgeblazen.

In de naoorlogse periode ontgroeiden de meeste dorpen hun traditioneel nederzettingspatroon door de inplanting van nieuwe infrastructuren en commerciële functies en nam de bebouwde omgeving gevoelig toe als gevolg van woonverkavelingen en industrievestigingen aan de periferie van de dorpskernen.

ARCHITECTUUR

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Kerken

Voor de meeste gemeenten van het behandelde gebied hebben wij geen precieze gegevens omtrent de oprichting van de eerste bidplaats en de initiatiefnemer voor de bouw. De oudste vermeldingen van de parochiekerken hier gaan slechts terug tot de 10de eeuw. Vinderhoute, van de besproken gemeenten het dichtst bij Gent gelegen, bezat in 966 een bedehuis met als titelheilige Sint-Bavo, afhangend van de Gentse Sint-Baafsabdij. Dezelfde abdij bezat sinds 1105 het patronaat over de kerk van Ronsele. De kerk van Zomergem en die van Lovendegem werden in de 12de eeuw voor het eerst vermeld, laatstgenoemde als bezit van de Gentse Sint-Pietersabdij. Beide parochies hebben Sint-Maarten als titelheilige, één van oudste kerkpatronen voor onze streken; aangezien beide plaatsnamen ook wijzen op een vroeg-middeleeuwse nederzetting, wordt aangenomen dat de stichting van de parochies zeker vroeger plaats gevonden heeft (9de of 10de eeuw). Samen met het altaar van Zomergem, schonk de bisschop van Doornik in 1171 de altaren van Knesselare en Ursel aan het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw van Doornik. De parochies Oostwinkel en Waarschoot tenslotte ontstonden pas door afscheiding in 1244 van de moederparochie Zomergem.

Ofschoon dus verscheidene gemeenten reeds in de 12de eeuw met zekerheid beschikten over een bedehuis, bleven geen Romaanse kerken bewaard in het gebied. Wel zijn mogelijk nog resten van een Romaans kerkje aanwijsbaar in de parochiekerk Sint-Medardus van Ursel: de zware pijlers die behoren tot de vierkante basis van de kruisingstoren met vroeg-gotische klokkenkamer zijn immers nog samengesteld uit breuk- en veldsteen. Vinderhoute bezat nog tot 1854 een eenbeukige kerk in Romaanse stijl, toentertijd gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe kerk.

De oudste kerken klimmen op tot de gotische bouwperiode. Hun huidige vorm is echter veelal het resultaat van herhaaldelijke aanpassingen en uitbreidingen. Oostwinkel, Waarschoot en Zomergem bezitten een parochiekerk van het type hallenkerk, met drie nagenoeg even brede en hoge beuken onder afzonderlijke zadeldaken. Dergelijke plattegrond is één van de typische vormen toegepast in de Vlaamse gotiek. Doorgaans gaaf het hier om vergrotingen van een vroegere eenbeukige kerk of van een schip met smallere zijbeuken. De aanwezigheid van een transept wijst in enkele gevallen op een oorspronkelijke kruiskerk. De opmerkelijkste en interessantste component van deze hallenkerken is hun toren. De uitzonderlijke vierkante kruisingstoren in vroeg-gotische stijl van de Sint-Martinuskerk te Zomergem, opgetrokken uit Doornikse steen, wordt beschouwd als een 13de-eeuws bouwwerk en vormt het oudste onderdeel van de kerk.

Karakteristiek is de geleding met smalle gekoppelde blinde spitsbogen onder de galmgaten. Inwendig trekt de hoge kruising de aandacht: de gewelfribben rusten er op de slanke hoekzuiltjes van de torenpijlers. Behalve de kruisingspijlers diende de toren na de Eerste Wereldoorlog volledig te worden heropgebouwd. De kleinere latere kruisingstoren (1381) van de Sint-Medarduskerk te Ursel is achthoekig en van Balegemse zandsteen; hij zou echter opgetrokken zijn op een oudere basis.

De rijzige vierkante westtoren van de Sint-Ghislenuskerk van Waarschoot is een opvallende bakstenen constructie uit de late 14de eeuw. Bepalend voor het gotisch karakter zijn de hoog oplopende hoeksteunberen met versnijdingen en de architectonische decoratie zoals lisenen, boogfriezen en blindnissen. De kleinere westtoren van de Sint-Jans-Onthoofdingskerk te Oostwinkel, die uit de 15de eeuw zou dateren, bezit gelijkaardige kenmerken. Dit torentype blijkt aan te sluiten bij gotische kerktorens in het nabije arrondissement Eeklo en in de provincie West-Vlaanderen.

De verwoestingen, die in de meeste kerken werden aangericht tijdens de beeldenstorm in 1566 en later in dezelfde eeuw waren slechts bij uitzondering dusdanig destructief dat zij nadien leidden tot het optrekken van een nieuw kerkgebouw. Te Lovendegem vond in 1616 de heropbouw plaats van de Sint-Martinuskerk door J. en R. Persyns. De driebeukige kerk onderging echter belangrijke transformaties in de tweede helft van de 18de eeuw en nog meer ingrijpende veranderingen met de restauratie op het einde van de 19de eeuw. Thans getuigt in eerste instantie het stijlvolle kerkmeubilair waarmee het interieur sinds de 17de eeuw werd uitgerust, van het historisch karakter van het gebouw. Een biechtstoel in renaissancestijl met jaartal 1659 en de hangende eiken kansel (1767) in rococo-stijl kunnen vanuit artistiek oogpunt als interessante houtsculpturen worden aangewezen.

De eenbeukige bak- en zandstenen Sint-Gangulfuskerk van Ronsele opgericht in 1665, ter vervanging van de oudere kerk, vertoont voor die tijd typische barokke versieringsmotieven in onderdelen van de westelijke voorpuntgevel. Bij de reconstructie (1922-23) na de oorlogsschade van 1918, door architect V. Vaerwyck, verkreeg de dakruiter een nieuwe vorm. De kerk bezit een uniek meubel uit 1669, namelijk een combinatie van een kansel met biechtstoel als voetstuk.

De overige reeds bestaande kerken ondergingen in de loop van de 17de en 18de eeuw partiële veranderingen of uitbreidingen, waaronder dikwijls de bouw van een sacristie. De bekommernis tot verbetering van de kerk bracht ook inwendig een verrijking teweeg, mede door de aanschaf van nieuwe kerkmeubelen, devotiebeelden en schilderijen. Het interieur van de Sint-Jans-Onthoofdingskerk te Oostwinkel wordt voornamelijk bepaald door 18de- en begin 19de-eeuwse ingrepen.

De Heilige-Bavokerk van Vinderhoute, integraal gebouwd in 1855-56 naar een ontwerp van architect A. Van Santen, is een voorbeeld van een eenvoudige, landelijke neoclassicistische zaalkerk met ingebouwde vierkante toren midden achter de voorgevel. Vormgeving en decoratie van het kerkinterieur zijn typerend voor de stijlrichting.

In het midden van de 19de eeuw werden twee gotische kerken bij hun verlenging in westelijke richting voorzien van een nieuwe neogotische voorgevel samengesteld uit drie bakstenen puntgevels. De westgevel van de Sint-Martinuskerk van Zomergem, uitgevoerd naar een ontwerp (1850) van architect L. Roelandt, onderging echter wijzigingen bij de restauratie van de oorlogsschade door architect V. Vaerwyck in 1921-23. De Sint-Medarduskerk van Ursel daarentegen behield haar voorgevel van 1865.

De eind-19de-eeuwse nieuwe Sint-Willibrorduskerk (1891-'93) van Knesselare werd volledig in neogotische stijl geconstrueerd volgens plannen van architect J. Soete. De kerk is interessant omdat het neogotisch interieur (decoratie, polychromie en bijpassend meubilair) nog gaaf aanwezig is, in tegenstelling tot vele andere neogotische kerken in Vlaanderen. De eerder aangehaalde reeds bestaande Sint-Martinuskerk van Lovendegem oogt thans, als gevolg van de laatste adaptaties van 1896 door architect J. Goethals, als een neogotische kerk.

De eenvoudige moderne bakstenen Sint-Mauruskerk (1932-33) van de nieuwe parochie Beke te Zomergem behoort tot het typische oeuvre inzake kerkbouw van architect H. Vaerwyck-Suys. De hulpkerk Sint-Jozef van Waarschoot, een realisatie uit 1958 door de architecten R. Langaskens en R. Dryhoel, valt met haar aparte vormgeving op als moderne naoorlogse kerk.

Kloosters en kapellen

Voor het bestudeerde gebied dient te worden gewezen op een oude kloosterstichting in 1444 te Waarschoot. Initiatiefnemer was een Gentse patriciër, Simoen Utenhove. Het cisterciënzerklooster, dat vooral bekend stond als de Priorij Onze-Lieve-Vrouw ten Hove, kende een opmerkelijke bloei doch verhuisde in het midden van de 17de eeuw naar Gent. Wat de gebouwen van deze kloostersite betreft is bekend dat een deel van de grondvesten zich sinds de 18de eeuw bevinden onder de pachthoeve van de priorij. Het priorshuis ernaast, waaraan nog tot aan het eind van de 18de eeuw werd verbouwd, bleef als enige architecturale getuige van het klooster bewaard. Van dit imposante bakstenen gebouw, dat zich thans in ruïneuze toestand bevindt, hield het oudste gedeelte, dat opklimt tot de 15de eeuw, het best stand.

In 1803 richtte P. J. Triest te Lovendegem een nieuwe congregatie op, namelijk van de Zusters van Liefde. Deze kloosterorde verspreidde zich in geheel België en stichtte daarbij vooral caritatieve instellingen. Later in de 19de eeuw vestigde zich ook in de meeste andere gemeenten van het besproken gebied een kloostergemeenschap belast met de zorg voor onderwijs en/of voor hulpbehoevenden zoals wezen, zieken en bejaarden. Het betrof in de regel vrouwencongregaties, hier behorend tot de orde van de Heilige Vincentius a Paulo, de Zusters van Liefde en ook de Franciscanessen van Gent. De kloostergebouwen ondergingen gewoonlijk na verloop van tijd veelvuldige uitbreidingen, aanpassingen en gedeeltelijke of volledige moderniseringswerken. De kloosterkapel, die bouwkundig en artistiek gezien de interessantste component vormt van dergelijke complexen, onderging veelal ook ingrepen waardoor het oorspronkelijk ensemble-karakter werd verminkt. Bij uitzondering bezitten de kloosters van Knesselare en Ursel, opgericht in de tweede helft van de jaren 1850 door dezelfde stichter, een goed herkenbare en dezelfde eenvoudige oorspronkelijke aanleg, namelijk met vleugels rond een rechthoekige binnentuin en kloosterkapel in de as van de inkom met voorgevel als middendeel van de achterste vleugel. De kloosterkapel van Ursel (Onderdale nr. 1) bewaart de voor die periode typerende neoclassicistische wanddecoratie. Bij het grote klooster met schoolgebouwencomplex van de Zusters van Liefde te Lovendegem werd in 1865, palend aan de straat, een imponerende kloosterkerk gebouwd volgens de plannen van architect J. Bruyenne. Het betreft een hoog bakstenen gebouw in neoromaanse stijl met afgerond koor. De gevels tellen drie geledingen geritmeerd door lisenen. De onderste geleding werd gewijzigd en inwendig kreeg dit gedeelte van de kloosterkerk een nieuwe functie. De achthoekige klokkentoren valt nog op door de fijne detailafwerking. In de neogotische kloosterkapel (1866-68) van Waarschoot, van belang als werk van J. Bethune, bleef slechts een deel van de originele polychromie en het bijbehorend mobilair gerespecteerd.

In het gerepertorieerde gebied konden we nog vele wegkapellen noteren. De meeste blijken gebouwd te zijn in de tweede helft van de 19de eeuw en het eerste kwart van de 20ste eeuw. Zoals elders in Vlaanderen staan zij gewoonlijk op een straathoek of kruispunt van wegen, dikwijls bij één of meer linden. Het merendeel zijn Onze-Lieve-Vrouwekapelletjes, getuigend van een wijd verspreide Mariadevotie. Van enkele is bekend dat zij een 17de- of 18de-eeuwse Mariakapel vervangen. Eén van de weinige kapellen waarvan de constructie nog dateert van vóór 1800 is de beschermde bedevaartkapel Onze-Lieve-Vrouw-Voorspraak uit 1735 te Knesselare. Zij bezit een voorgevel met in- en uitgezwenkte top, aansluitend bij de barokke vormentaal. De kleinere "Vrekkemkapel" te Ursel heeft een soortgelijke geveltop. Dergelijke oude kapellen bewaren soms ook een interessante binneninrichting. Zo is er in de Sint-Annakapel van Vinderhoute en in een Onze-Lieve-Vrouwekapel te Lovendegem waardevol meubilair aanwezig. De 19de-eeuwse en latere wegkapellen vertonen dikwijls stijlinvloeden ontleend aan het neoclassicisme of de neogotiek, zoals de toepassing van pilasters en de spitsboogvorm. Traditioneel bezitten deze kleine gebouwen een rechthoekig grondplan, vaak met verdiepte deur in de voorpuntgevel. Een kleine klokkenstoel of dakruitertje siert soms het zadeldak.

Als uiting van volksdevotie verdienen de zogenaamde veldkruisen ook onze aandacht. In het behandelde gebied telden we er nog elf, waarvan zeven alleen al in Zomergem. Het Hoetselkruis van Zomergem en het kruis aan de Veldkruisstraat te Ursel zouden in oorsprong teruggaan op oude grenskruisen. Gewoonlijk gaat het echter om devotie- of memoriekruisen, waarvan sommige pas werden opgericht in de 20ste eeuw. De beschermende afdakjes van deze kruisen zijn heel typisch. Het houten windbord is soms beschilderd met vrome opschriften of christelijke symbolen.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Openbare gebouwen

De nieuwe Belgische staatsstructuur in de 19de eeuw creëerde de behoefte aan een nieuw gebouwentype waar het gemeentebestuur kon zetelen: het gemeentehuis. Nog tot ver in de 19de eeuw en zelfs in de 20ste eeuw hield het bestuur van de hier behandelde gemeenten zijn vergaderingen in een centraal gelegen dorpsherberg, waar voorheen ook vaak het "wethuis" gevestigd was. De grootste gemeente, Zomergem, was in 1870 de eerste om voor het gemeentebestuur een gemeentehuis op te trekken. In navolging van de stedelijke architectuur uit die periode waar het neoclassicisme hoogtij vierde, werd ook hier geopteerd voor een stijlvol bepleisterd gebouw met neoclassicistische aspecten. Dit gebouw werd echter vernietigd bij de beschietingen in 1918. Na de oorlog ontwierp V. Vaerwyck, Provinciaal Architect sedert 1922, een totaal nieuw gemeentehuis. Dit gemeentehuis en het gemeentehuis van Lovendegem zijn de oudste bewaard gebleven constructies met openbaar karakter, alle andere gemeentelijke diensten in deze en andere gemeenten zijn ondergebracht in een moderne huisvesting of in voormalige woningen. Beide gemeentehuizen grijpen terug naar het klassieke bouwtype van het stedelijke raadhuis waarbij de raadzaal gelegen is op de bovenverdieping en bereikbaar langs een trap met bordes. Het gemeentehuis van Lovendegem, ingeplant op de scheiding tussen Kerkstraat en Kasteeldreef iets buiten de dorpskern, is een realisatie in eclectische stijl van architect E. De Marès van 1911. De ontwerper zocht zijn inspiratie in het traditionele stadhuis met belfort door het toepassen van een dominante voor de gevel opgetrokken vierkante traptoren met portiek en bordestrap. In de benedenbouw is een conciërgewoning ondergebracht. De geprononceerde gevelarchitectuur van het tegenover de kerk ingeplante Zomergemse gemeentehuis is, aansluitend bij het regionalisme van de heropbouw, geïnspireerd op de 17de-eeuwse bak- en zandsteenarchitectuur met een benadrukte deuromlijsting in barokke stijl. Blijkens de jaartalankers was het gebouw voltooid in 1923. Het dak wordt bekroond door een sierlijk houten klokkentorentje.

In het voorgaande hoofdstuk betreffende de religieuze architectuur is reeds aandacht besteed aan de onderwijsgebouwen, meestal vrije lagere scholen, met bijgaand kloostercomplex. Naast deze kloosterscholen richtten de gemeenten eind van de 19de eeuw ook gemeentescholen op, die echter alle verbouwd of verdwenen zijn, uitgezonderd de voormalige directeurswoningen bij de gemeentescholen van Vinderhoute en Zomergem, laatstgenoemde naar een ontwerp van architect E. de Perre.

Kastelen en buitenplaatsen

Het onderzochte gebied bezit een waardevolle landelijke bebouwing die verrijkt is met een aanzienlijk aantal landhuizen en buitenplaatsen. Nagenoeg al deze vroegere buitenverblijven van de Gentse burgerij en aristocratie zijn gelegen op het grondgebied van Lovendegem en zijn deelgemeente Vinderhoute.

Het is genoegzaam bekend dat de oudste bouwvorm van de middeleeuwse burcht de meestal op een omwalde motte gelegen woontoren of de donjon is. Een kaart bij het renteboek van de heerlijkheid Ter Straeten van 1659 biedt een uitzonderlijke illustratie van dergelijke bouw in Lovendegem. Het betreft het leen van jonker Philips d'Hertoghe, in de 18de eeuw vermeld als het vervallen kasteel van het "Vossensgoedt", gesitueerd naast het latere "Kasteel Ten Velde".

Op het einde van de middeleeuwen evolueerde de bouwvorm van deze versterkte en gesloten woonverblijven tot een minder gesloten vorm met ruimere residenties van twee bouwlagen op een rechthoekige plattegrond en met de aanhorigheden geschikt rondom een binnenhof.

Twee voorbeelden daarvan, het "Kasteel van Lovendegem" en het "Kasteel van Vinderhoute", zijn afgebeeld in het historisch waardevolle boekwerk van A. Sanderus, Flandria Illustrata van 1641-'44. Het ontstaan van deze kastelen wortelt in een ver verleden dat zeker opklimt tot de middeleeuwen. De fraaie afbeeldingen tonen ons telkens een kasteel met een door walgrachten, gebouwen en muren omsloten binnenhof, met het omringende landgoed en de verbindingsdreef met het nabijgelegen dorpscentrum. Architectonische elementen zoals hoge rechthoekige ramen, zijtrapgevels en een voor de gevel opgetrokken traptoren, verwijzen naar de 16de-17de eeuw als bouwperiode. Beide kastelen zijn heden nog altijd omsloten met grachten. Zelfs de bebouwing is in grote trekken herkenbaar. Van het "Kasteel van Vinderhoute" bleef een eenvoudig bouwwerk uit bak- en zandsteen op een rechthoekige plattegrond met een 16de-eeuwse traptoren bewaard. Ook het langgerekte dienstgebouw vertoont in grote lijnen nog hetzelfde volume van het gebouw op de 17de-eeuwse gravure. Het imponerende totaalbeeld van het huidige "Kasteel van Lovendegem" is echter veeleer het resultaat van romantische verbouwingen die plaats grepen onder leiding van architect Pieter Van Kerkhove in 1888.

Het landhuis met zijn toebehoren ligt in de 18de eeuw volledig open en wordt omgeven door een omgracht park. Een evenwichtige symmetrische ordonnantie en gevelbepleistering kenmerken dit kasteeltype. Van deze periode zijn, in het onderzochte gebied, weinig zichtbare sporen bewaard gebleven. Het zogenaamde "Wit Kasteel" in Vinderhoute werd ontpleisterd en verloor daarmee een karakteristiek element van de 18de-eeuwse bouwstijl waaraan het kasteel trouwens zijn naam ontleende. Het aantrekkelijke buitenplaatsje is opgetrokken in een uiterst eenvoudige en evenwichtige stijl en ligt nog geheel in zijn brede wallen.

Een typisch eind 17de- en 18de-eeuws verschijnsel is het "huys van plaisance", een herenhuis of buitenverblijf van een minder aanzienlijk heer, meestal ingeplant in een omgrachte tuin, in de 19de eeuw aangeduid als "campagne" of zelfs "kasteel". De oorsprong gaat vaak terug op een laat-middeleeuwse site met walgrachten, bijvoorbeeld "Ter Walle" in Zomergem. Dergelijk buitengoed had meestal een eenvoudige woning van twee bouwlagen met een in de 18de eeuw bepleisterde lijstgevel, bijvoorbeeld de zogenaamde "Rode Poort" in Lovendegem, maar kon ook voorzien zijn van stijlornamenten of een classicistische gevelordonnantie, bijvoorbeeld de riante woning met een ritmische pilastergevel in de Schoolstraat nr. 5 in Waarschoot.

Het enige voorbeeld van empirebouwkunst in de behandelde kantons is het "Kasteel Diepenbroeck" in Lovendegem. Het oude gebouw werd op de kelders na geheel vernieuwd omstreeks 1804. Het bepleisterde kasteeltje vertoont de hoofdvormen van de empirestijl zowel in de ruimte-indeling met een U-vormige plattegrond als in de gevelopbouw en in de decoratie met serliana, frontons, balkons op typische consoles en de mooie terracottafriezen die de borstwering van de middenpartij verlevendigen. Ook het bijzondere inrijhek en de bescheiden "Egyptische" motieven in de binneninrichting zijn eigen aan deze bouwstijl. De oranjerie met haar opvallend kleurrijk geschilderde bakstenen gevel is één der oudste voorbeelden van dergelijke bouwwerken in het Gentse.

Andere buitens uit dezelfde periode behoren tot de doorsneebebouwing van die tijd en kenmerken zich door eenvoud en elegantie, bijvoorbeeld het bepleisterde "Beukenhof" in de Vredesdreef in Vinderhoute.

De 19de-eeuwse kasteelbouwers zochten vooral inspiratie in de classicistische bouwkunst van de 18de eeuw. De omringende parken en tuinen zijn vrijwel uitsluitend in landschapsstijl aangelegd met een slingervormige overbrugde vijver en kronkelende wandelpaden. Een variëteit aan bijgebouwen zoals dienstwoningen of neerhof, koetshuis, oranjerie, tuinpaviljoen en ijskelder vormen daarin onontbeerlijke elementen.

De 18de-eeuwse buitenplaats "Appensvoorde" of "Brughuis", mooi gelegen aan de Brugse Vaart in Lovendegem, werd in opdracht van graaf d'Alcantara-Schamp en naar ontwerp van de succesvolle Gentse architect L. Minard in 1844 grondig vernieuwd. De symmetrisch opgebouwde bepleisterde lijstgevel in neoclassicistische stijl is het resultaat van deze verbouwingswerken. De mooi versierde venster- en deuromlijstingen van de middentravee gaan vermoedelijk nog terug tot het oorspronkelijke 18de-eeuwse buitenhuis. Niet onbelangrijk in het interieur is de sierlijke wenteltrap, een typerende creatie van L. Minard. De vermoedelijk eveneens door Minard ontworpen oranjerie, vlak naast het kasteel, getuigt van een bevallige vormgeving met een verticaliserende opbouw.

Ook het nabijgelegen kasteel "Oude Wal" is de moeite waard. Een eerste woning is gebouwd in de 18de eeuw. Wellicht in het derde kwart van de 19de eeuw is een verdieping toegevoegd en werd de gevel stijlvol gewijzigd waardoor het gebouw de voorname allures van een kasteel verkreeg. De fraai geproportioneerde, bepleisterde façade is een treffend voorbeeld van de 19de-eeuwse neoclassicistische architectuur. De gevelopbouw met gebruik van de kolossale orde met Korinthische zuilen, die het driehoekige fronton van het middenrisaliet dragen, en de toegepaste stijlornamenten wijzen op het derde kwart van de 19de eeuw.

Tenslotte vragen we ook aandacht voor de kasteeltjes in eclectische stijl. De bronnen voor de aangewende vormentaal en het kenmerkende materiaalgebruik liggen zowel in de traditionele bak- en zandsteenarchitectuur als in de barok en de renaissance. Een schitterend voorbeeld biedt het "Kasteel Schpuwbroek" in Vinderhoute, gebouwd in 1894 volgens de plannen van de Gentse architect A. Marchand. Het extravagante van de architectuur en de decoraties maken dit kasteel tot een dominant element in de omgeving. De bouwheer Firmin De Smet, ere-voorzitter van de "Maatschapij der Vereenigde Hoveniers van het Noorden van Gent", besteedde ook veel aandacht aan de heraanleg van het oude park in landschapsstijl. Het bijzondere van de tuinarchitectuur in dit park zijn de grote waterpartijen en bochtige paden, de romantische bouwwerkjes in imitatiehout of -rots van beton zoals brugjes, een ijskelder met een paviljoen erbovenop, een boothuis en tenslotte de eveneens door Marchand ontworpen aanhorigheden in een landelijke baksteenstijl.

Het van rond 1851 daterende "Laresteen" in Lovendegem en het "Kasteel op de Dam" in Waarschoot van 1900 zijn minder overdadig gedecoreerde varianten van deze bouwwijze.

Een ander opvallend voorbeeld van eclectische architectuur is het reeds genoemde "Kasteel van Lovendegem". Baron Dons de Lovendeghem vertrouwde het ontwerp tot verbouwing (1880-88) van zijn historisch kasteel toe aan architect P. Van Kerkhove. Het woongedeelte van het kasteel had toen nog een overheersend classicistisch voorkomen, daterend uit de eerste helft van de 18de eeuw. De architect gaf aan het gebouwencomplex een historiserend middeleeuws karakter en de grandeur van een feodaal waterkasteel met inbegrip van ommuring, poortgebouw en dienstgebouw.

Heren- en burgerhuizen

De woningen van de gegoede burgerij nemen in het dorpsbeeld een aparte plaats in. Zo bepalen van oudsher de ruime en statige pastorieën met hun omringende tuin mee de sfeer van het dorp. Hoewel nooit identiek zijn de 18de-eeuwse pastorieën in de provincie met hun oogstrelende vormgeving gemakkelijk herkenbaar. In het symmetrische dubbelhuistype ligt het hoofdaccent op het mooi uitgewerkte middenrisaliet met benadrukte deuromlijsting en een bekronend fronton. Met name het zorgvuldig onderhouden decanaat van Zomergem, gebouwd in opdracht van de pastoor in 1773, is een prachtig voorbeeld van dergelijk pastorietype met bewaard interieur waarin vooral de decoratief uitgewerkte schouwen in Lodewijk XVI-stijl en de trap met fraaie trappaal van belang zijn. De ommuurde pastorietuin met zijn typische bijgebouwen en tuinarchitectuur wordt afgesloten door een sierlijk inrijhek. In de van 1779 daterende pastorie van Knesselare is het rijk bewerkte gevelfronton het belangrijkste decoratief element, terwijl in de pastorie van Waarschoot (Kerkstraat nr. 7) het accent ligt op de ingangsdeuren met fraaie omlijstingen van arduin.

De hier aangetroffen 19de-eeuwse pastorieën kenmerken zich door een eenvoudiger opzet: architecturaal gezien zijn zij van minder belang.

Voornamelijk in de vanuit de dorpskom radiaal gespreide straten van de gemeenten Zomergem, Knesselare en Ursel en van de gemeente Waarschoot, zijn nog heel wat alleenstaande of aaneengesloten burger- en herenhuizen uit de 18de, 19de en het begin van de 20ste eeuw terug te vinden.

Stijlvolle 18de-eeuwse herenhuizen komen slechts incidenteel voor. Deze huizen sluiten nauw aan bij het gangbare stedelijke bouwtype dat gekenmerkt wordt door bepleisterde lijstgevels met classicistische ornamenten. Bijvoorbeeld Hoekestraat nr. 77 en het "Witte Huys" in de Veldstraat in Knesselare. Het ontpleisterde herenhuis in de Rozestraat in Ursel, met classicistische zandstenen deuromlijsting en jaarsteen van 1768 bewaart in de inrichting van het salon ook nog de rijke stucdecoratie in late Lodewijk XV-stijl.

De overheersende bouwtrant voor de dorpshuizen in de loop van de 19de en 20ste eeuw is het eenvoudige rijhuis van één of twee bouwlagen met een bakstenen, bepleisterde of beraapte lijstgevel, eventueel verfraaid met vage reminiscenties aan neoclassicistische of traditionele bouwvormen, bijvoorbeeld in Urseldorp of in Lovendegem.

In de tweede helft van de 19de eeuw heerste er een ware bouwwoede op het platteland. De dorpskern van Zomergem geeft daarvan een goed beeld. De bijzondere ruimtelijke opbouw van de eigenlijke dorpskern bestaat uit een ovaal plein op een 22 meter hoge heuveltop met centraal de parochiekerk; van daaruit vertrekken straalsgewijze vijf straten met woon- en handelsfunctie. De bebouwingswijze van de historische dorpskern en de aangrenzende straten is vrij gevarieerd en illustreert zowel de economische als ruimtelijke expansie van de gemeente in de 19de eeuw. De Dreef als oude verbindingsweg tussen het verdwenen kasteel en de parochiekerk bevat enkele van de belangrijkste voorbeelden.

De eclectische bouwvorm in al zijn variaties werd rond de eeuwwisseling gemeengoed in de landelijke woonhuisarchitectuur en bepaalt ook in grote mate het aanzien van het Zomergemse dorpscentrum. Het decoratieve karakter van deze bouwtrant komt het best tot uiting in de kleurrijke gevelrij die het pleintje achter de openbare waterpomp en de gedenknaald van Maarten Steyaert op een markante manier visueel afsluit.

Een aantal villa's en voorname huizen in een afwisselende vormentaal zijn gelegen in de periferie. Bijvoorbeeld de villa's in de Alfons Sifferstraat en de Guido Gezellestraat, respectievelijk eind van de 19de eeuw en rond 1905 in eclectische stijl aangepast en gebouwd, of villa "Rozenberg" in de Luitenant Dobbelaerestraat, in een aan de Art Deco verwante stijl van omstreeks 1936. Zomergem werd evenals andere gemeenten aan het Schipdonkkanaal het slachtoffer van oorlogsgeweld en vernielingen in 1918. In de daaropvolgende j aren werden de getroffen woningen heropgebouwd in een vrij behoudsgezinde stijl met regionalistische en moderne componenten.

Door de komst van de spoorlijn Gent-Eeklo met een station in Waarschoot ondergingen het dorpsgezicht en het ruimtelijk karakter van deze gemeente een belangrijke wijziging. De aanleg van de dichtbebouwde Stationsstraat met voornamelijk handelsfunctie werd het hoofdelement in de nieuwe dorpsstructuur. Door storende ingrepen in de bebouwing en door sloop zijn hier slechts uiterst sporadisch oudere dorpshuizen terug te vinden. In de historische woonkern zijn wel nog enkele voorbeelden behouden van voorname burgerhuizen van uiteenlopende schaal die zelfs opklimmen tot de 18de eeuw.

Eigen aan Waarschoot is ook de weerslag van de industriële bedrijvigheid op de landelijke wooncultuur van de gegoede burgerij en op de arbeidershuisvesting. De welgestelde industriëlen zagen in hun woning een bevestiging van hun maatschappelijk aanzien. De prestigieuze woningen Kerkstraat nr. 2 en 4 vertonen alle kenmerkende elementen van het 19de-eeuwse neoclassicisme met bijzondere aandacht voor het rijk gestoffeerde interieur. Verschillende kleine ondernemers lieten een woning bouwen naast hun bedrijf. Zo bouwde eind vorige eeuw een katoenfabrikant naast het fabrieksterrein een woning met een markant volume in een sobere baksteenstijl, terwijl de brouwersfamilie De Schepper in 1904 een villa in art nouveau getinte stijl liet optrekken met nadruk op het esthetische aspect.

Hoevebouw

Voor de hoevebouw van de twee hier behandelde kantons kunnen wij nagenoeg dezelfde algemene conclusies formuleren als voor die van de reeds eerder gepubliceerde kantons Evergem en Nevele, die respectievelijk ten oosten en ten zuiden aansluiten bij het gebied. Zowel wat de specifieke bouwkenmerken betreft als voor aspecten zoals schaal, inplanting, evolutie, springen de overeenkomsten in het oog. Op schaarse langgestrekte hoevetjes na komt hier enkel het hoevetype met losse bestanddelen voor. De opstelling ervan varieert maar, afhankelijk van het aantal hoofdgebouwen, herkennen we regelmatig een oprichting in L- en U-vorm. Zelden is afgeweken van de oude gewoonte om de voorgevel van de woning te richten naar het zuiden of zuidoosten.

De meeste boerenhuizen klimmen ook hier op tot de 18de eeuw en zijn aldus een afspiegeling van het gunstig economisch klimaat onder het toenmalige Oostenrijkse bewind en de daarmee gepaard gaande bevolkingsaangroei en het intensiever gebruik van het landbouwareaal.

Verspreid in het gebied ligt een beperkt aantal van oorsprong veel oudere en grotere hoeven die aanvankelijk gebonden waren aan een machtige heer of een invloedrijke religieuze instelling. Sommige zouden al in de 13de eeuw ontstaan zijn en als ontginningskern van betekenis geweest zijn voor de ontwikkeling van de streek. De omringende walgrachten, die tot het origineel kader van dergelijke aanzienlijke hoeven behoorden, zijn slechts incidenteel intact aanwezig. Historisch kaartmateriaal biedt echter een voorname hulpbron voor het visualiseren van de diverse omgrachtingsvormen. Zowel enkelvoudige als samengestelde types komen voor. Illustraties zijn voorhanden in Waarschoot, in Knesselare en in Lovendegem.

Verscheidene van de omgrachte historische hoeven bezaten vroeger met zekerheid een poort bij de ingang van het erf. De Zomergemse Rapenburghoeve is thans de enige die nog een monumentale gevelpoort als toegang bewaart. Op het nog herkenbare onbebouwde opperhof bij de Rapenburghoeve stond vroeger een heerlijk kasteel. Dit was ook het geval voor het "Goed te Breebroek" te Waarschoot (Stuiver nr. 10) en het "Goed te Lembeke" te Knesselare (Aardenburgse Heerweg nr. 5). Op de motte bij het neerhof van het "Prinsenhof' in de Prinsengoeddreef te Knesselare stond tot in de 15de eeuw het heerlijk verblijf met kapel van de graaf van Vlaanderen.

In tegenstelling tot de doorsnee 17de- en 18de-eeuwse boerenhuizen die slechts één bouwlaag tellen, bezitten enkele hoeven met historische benaming, een bovenverdieping. Op de in 1746 vernieuwde abdijhoeve "Drongengoed" te Ursel telt het woongedeelte anderhalve bouwlaag. De woning van het "Blauwgoed" te Ursel bestaat deels uit een "hooghuis" dat het jaartal 1722 draagt. Het "Spaans Hof" te Lovendegem, waarop het jaar 1638 voorkomt, is met zijn trapgevels en toren nog indrukwekkender als boerenhuis. Beide laatste vertonen hoge zandstenen kruiskozijnen als raamopeningen waardoor zij enigszins aansluiten bij de traditionele bak- en zandsteenbouw uit die periode. Voorts komt een soortgelijke verrijking van de boerenhuisgevel met zandsteen slechts sporadisch voor. Lovendegem kent zo'n hoeve waar ook nog zandstenen speklagen toegepast zijn. Een merkwaardig, begin 18de-eeuws boerenhuis te Knesselare bezat oorspronkelijk imitatiespeklagen.

Het gebruik van de duurzame baksteen raakte voor de hoevebouw stilaan in zwang vanaf het einde van de 16de eeuw doch werd slechts in de 18de eeuw veralgemeend. Overblijfselen van de vroeger gangbare houtbouw zijn op verschillende plaatsen nog te vinden als resten van stijl- en regelwerk in voorts versteende gevels, zoals te Waarschoot, te Ursel (Vrekkemstraat nr. 56), te Zomergem met jaartal 1656. Nog in Zomergem is een houten verankering van een moerbalk met vensterstijl te zien.

De veelal lage rechthoekige vensters met houten kruiskozijnen en kleine roeden-verdeling die tijdens de 18de eeuw in gebruik bleven, zijn thans een sterk bepalend element voor het authentiek uitzicht van oude boerenhuizen. In de meeste gemeenten zijn nog een paar goed geconserveerde voorbeelden met originele vensters te vinden: te Waarschoot, Knesselare, Ursel, Lovendegem, Zomergem. Soms zijn de geschilderde houten buitenluiken om de onderhelft van deze vensters af te sluiten met een spiegelprofiel versierd. Kleine houten bolkozijnen zoals te Lovendegem en Zomergem worden elders enkel nog opzij of in de achtergevel aangetroffen: die was immers minder dan de voorgevel aan vernieuwingen onderhevig.

Karakteristiek is de vaak geaccentueerde voordeuropening door een uitspringende omlijsting van grijze of grijze en rode baksteentjes. De meest opvallende types zijn: de zeer verspreide lage steekboogdeur met oortjes zoals te Waarschoot, Knesselare, Lovendegem, Vinderhoute; de lage steekboogdeur tussen pilasters zoals te Knesselare en Lovendegem; de veeleer exceptionele hoge en recht afgedekte deur met rondboog tussen pilasters zoals te Waarschoot en Lovendegem.

Een andere factor die de 18de-eeuwse of oudere oorsprong van het boerenhuis aanwijst is het aandak met vlechtingen van de puntgevels aan weerszij van het traditionele pannen zadeldak, zoals bijvoorbeeld te Zomergem en Oostwinkel. Van de 18de-eeuwse bouwwijze bleef slechts hier en daar nog een geprofileerde houten consolenrij onder het overstek van het voorste dakschild over.

Binnenshuis geven de moerbalken van de typische houten zoldering ook een interessante indicatie over de ouderdom van de woning. De veelal sculpturaal bewerkte uiteinden bieden gevarieerde traditionele en andere originele versieringsmotieven, soms vergezeld van een jaartal. Componenten bij uitstek eigen aan het boerenhuisinterieur, zoals de brede vroegere open haard in de centrale huiskamerkeuken en het opkamertje boven de overwelfde kelder, zijn in vele van de bezochte woningen nog aanwezig. De typische deurenrij in een wand of hoek van de huiskamer naar de aanpalende vertrekken, waaronder kelder, opkamer en zolder, vormen een apart geheel, vooral als het de originele deuren betreft.

Tijdens de 19de eeuw bleef de vroeger verworven langgestrekte vorm van het boerenhuis gehandhaafd, maar het volume nam toe en de binnenindeling werd complexer. In tegenstelling tot de vroegere kleurrijke opsmuk van de voorgevel door het kalken en schilderwerk van gevelelementen, liet men in de 19de eeuw de baksteen veel meer onbehandeld en biedt de aanblik minder afwisseling. Toch bracht die periode een paar knap opgebouwde gevels voort die ook getuigen van zin voor detailafwerking, zoals de in 1872 nieuw gebouwde woning op het "Goed te Zoetendale" in Waarschoot en het grote boerenhuis van 1865 in de Rostraat te Zomergem.

Bij opvallend veel boerenerven in het onderzochte gebied werd in de 19de eeuw aan de ingang een decoratief uitgewerkt twee- of driedelig ijzeren toegangshek aan slanke ijzeren pijlers geplaatst. Meer solide bakstenen hekstijlen vormen er een minoriteit. Vertrouwde aanplantingen bij de hoeve, namelijk de boomgaard en de haag die het erf volledig of deels omsluit, zijn nog occasioneel bewaard.

Enkel aanzienlijke hoeven bezaten eeuwen geleden het voorrecht op het houden van duiven. Duiventorens zijn dan ook zeldzame constructies die doorgaans vóór de 18de eeuw gebouwd werden. We vinden nog een vierkante bakstenen duiventoren bij de kasteelhoeve van het kasteel van Ronsele en op een boerenerf te Zomergem. De recent verdwenen duiventoren van het historisch "Goed Ten Velde" te Lovendegem, zou worden gereconstrueerd.

Van de eigenlijke bedrijfsgebouwen gaan de oudst bewaarde zeker niet veel verder terug dan de 18de eeuw. Zij waren evenzeer als het boerenhuis onderhevig aan veranderingswerken. Op hedendaagse landbouwbedrijven werd veel geopteerd voor nieuwbouw aangepast aan de moderne noden. Als schuurtype is hier enkel de dwarsschuur bekend. Een enig houten exemplaar van bescheiden afmetingen is te vinden in Zomergem. Ook duidelijk oude constructies zijn de dwarsschuren met hoog zadeldak op lage bakstenen langsgevels en in het dak verhoogde schuurpoort (bijvoorbeeld op het "Hof ter Meers" van Zomergem). Op het "Goed te Meerlare" te Zomergem, rest een andere indrukwekkende bakstenen dwarsschuur waarvan het bouwjaar bekend is (1806). In de tweede helft van de 19de eeuw werd het grote lange bedrijfsgebouw zeer courant waarin naast de dwarsschuur de verschillende stallen, aangepast volgens veesoort, evenals het wagenhuis geïncorporeerd werden. In de naar de straat gerichte zijpuntgevel komt geregeld een omlijste nis met heiligenbeeld voor en ook wel eens het bouwjaar. Naast de integratie van de bakoven in het achterdeel van de boerenwoning werd deze functie ook voorzien in een typisch afzonderlijk ingeplant klein bijgebouw. Een gaaf bakhuis van het samengestelde type, een constructie van 1750, bevindt zich achter de boerenwoning van het "Goed te Meerlare" te Meirlare nr. 19 in Zomergem. Andere bakhuisjes werden opgericht aan de straatkant.

Industriële architectuur

Van de traditionele agrarische nijverheden liet enkel de maalderij hier vermeldenswaardige sporen na. Het huidig windmolenbestand vormt slechts een fractie meer van de voorheen talrijke maalinrichtingen: aangedreven door windkracht, werkten ze hier nog volop in de loop van de 19de eeuw.

Te Knesselare is de gemeente thans eigenaar van de enige overgebleven houten korenwindmolen in het geïnventariseerde gebied, de "Pietendriesmolen". Deze staakmolen op molenberg draagt binnenin het jaartal 1563, wijzend op zijn oude oorsprong, doch zou na stormschade in 1804 heropgebouwd zijn. Voor Oost-Vlaanderen is deze molen van belang als laatst overblijvend exemplaar van een staakmolen op ingebouwde teerlingen en met gesloten molenvoet.

De "Van Vlaenderensmolen" te Vinderhoute is een laat voorbeeld (1905) van een jonger type van korenwindmolen, namelijk de ronde bakstenen bovenkruier op molenberg. Van de hoge ronde bakstenen koren- en oliewindmolen uit 1866 aan de Molenstraat te Knesselare, de zogenaamde "Devreesesmolen", bleef na verwijdering van de houten galerij, de kap en het gevlucht in 1936 enkel nog de konische romp over. Bij een oudere soortgelijke romp van de "Steyaertmolen" staand aan de IJzeren Hand te Ursel hoorde een elektrisch aangedreven maalderij die pas recent verdween. Elders in het gebied zijn nog een paar lokale mechanische maalderijen aan te wijzen waar de drijfkracht aanvankelijk verzekerd werd door stoomenergie of een armgasmotor. Van de voormalige maalderij en olieslagerij Bauwens te Waarschoot bleef enkel het gebouw uit 1883 over; de typische ramen getuigen van zijn industriële functie. De maalderij De Wilde in dezelfde gemeente is in een minder significant gebouw gehuisvest; de maalstenen en de haverpletter bleven er bewaard.

Alleen Waarschoot kende een industrialisatie van enige betekenis vanaf de tweede helft van de 19de eeuw door de oprichting van verscheidene grote textielbedrijven. De aanwezigheid van de spoorlijn Gent-Eeklo sinds 1859-61 was een factor die deze evolutie begunstigde. In de 20ste eeuw breidden de fabrieken zich verder uit tot werkelijk omvangrijke industriecomplexen met een hoge tewerkstellingscapaciteit. De crisis van de jaren 1930 en de moeilijkheden in de textielsector als zodanig in de jaren 1960, maakten een einde aan de bloei van deze nijverheid te Waarschoot. Door sloop verdwenen al veel fabrieksdelen uit het dorpsbeeld. Van de architecturaal interessante katoenspinnerij gebouwd in 1906-07 door de textielfabriek S.A.W. ging een gedeelte met de typische "Manchesteriaanse" toren verloren. Een schoorsteen met de initialen van het bedrijf markeert voorlopig ook nog de vestigingsplaats van S.A.W.

Stationsarchitectuur kwam enkel tot stand te Waarschoot, de enige gemeente van het behandelde gebied die gelegen is aan een spoorwegverbinding. Het station, dat zijn oorspronkelijke bestemming verloor, dateert van 1903 en vertegenwoordigt het typische eenvoudige plattelandsstation van rond de eeuwwisseling.

Het Schipdonkkanaal, dat in eerste instantie werd gegraven om de wateroverlast in het Gentse te bestrijden, bracht als transportader niet de verwachte opkomst van nieuwe nijverheden met zich mee in het behandelde gebied. Zomergem kende wel na 1860 een toename van het aantal suikerijdrogerijen door nieuwe vestigingen aan het Schipdonkkanaal. Deze fabriekjes stopten echter veelal hun activiteiten in het begin van de 20ste eeuw. Bij de bombardementen in 1918 werden niet alleen alle houten bruggen over het Schipdonkkanaal te Zomergem opgeblazen, ook nog bestaande bedrijven aan deze waterweg werden vernield. De nabijheid van het nijverheidscentrum Waarschoot en van de industriesteden Gent en Eeklo, met grote moderne bedrijven waarmee het moeilijk viel te concurreren, was echter de sterkst afremmende factor voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven in de landelijke gemeenten van het besproken gebied. Bovendien maakte de uitbouw Van het buurtspoorwegnet sinds het einde van de 19de eeuw de bevolking mobieler. Het opkomend forensisme kwam hierdoor, zoals elders in Vlaanderen, in een stroomversnelling terecht en vormt tot op heden een belangrijk aspect in de organisatie van het economische leven in de regio.


Bron     : Bogaert C., Lanclus K. & Verbeeck M. 1994: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Gent, Kantons Waarschoot - Zomergem, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 12N5, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Bogaert, Chris, Lanclus, Kathleen, Verbeeck, Mieke
Datum  : 1994


Relaties