Geografisch thema

Kanton Lier

ID: 16221   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16221

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Het kanton Lier, bestaande uit de stad Lier en de gemeente Berlaar, maakt deel uit van het arrondissement Mechelen, één van de drie arrondissementen van de provincie Antwerpen.

De provincie Antwerpen omvat vier geografische streken, waarvan de Kempen de grootste oppervlakte beslaan: enerzijds hebben we de Noorderkempen die het land van Wuustwezel en Hoogstraten omvatten en anderzijds de Zuiderkempen die bestaan uit het gebied van de Netevlakten met brede alluviale valleien. Vermits Lier gelegen is in het uiterste zuidoosten hiervan, wordt het wel eens de "poort der Kempen" genoemd.

Van nature uit is de zandgrond van de Zuiderkempen, dank zij menselijke verbeteringswerken, uitermate geschikt om akkers en weiland aan te leggen. Dit komt duidelijk tot uiting in het besproken gebied, met uitzondering van de stedelijke kern van Lier. Bovendien staat de landbouw overwegend in dienst van de veeteelt (veevoedergewassen). Groenteteelt komt slechts in beperkte mate voor, behalve in Koningshooikt dat aansluit bij de tuinbouwactiviteit in het Mechelse.

De gunstige ligging van Lier aan de samenvloeiing van de twee Neten, is van fundamenteel belang geweest voor het ontstaan en de ontwikkeling van de stad. Berlaar daarentegen bestaat uit een dorpskom met daarrond verscheidene gehuchten, duidelijk verwijzend naar de geleidelijke verovering en ontginning der Kempen. Door de toenemende woningbouw aan de verbindingswegen, is het echter uitgegroeid tot een grote agglomeratie. Het landelijke Koningshooikt, een relatief jonge gemeente, werd opgericht in 1821 door de samenvoeging van de gemeente Konings en de Berlaarse gehuchten Hoykt en Hazendonck; sedert 1977 is het een deelgemeente van Lier.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Tot op heden zijn er in het besproken gebied slechts geringe sporen van menselijke activiteit uit de Romeinse periode (57 voor Christus- 406/7) bekend. Slechts enkele muntvondsten, onder meer in de Paul Krugerstraat in Lier, staven de theorie van menselijke aanwezigheid in deze periode. Bij het uiteenvallen van het Romeinse Imperium, werden onze gewesten opgenomen in het Frankische Rijk en einde zevende, begin achtste eeuw ingedeeld in gouwen. Het oude Romeinse Toxandrië werd gesplitst in de Pagus Renensium (het Antwerpse en de Antwerpse Kempen) en de Pagus Toxandrorum (het noorden en het oosten van de huidige provincie Antwerpen,en een gedeelte van de Nederlandse provincie Noord-Brabant). .

Na het verdrag van Verdun (843), waarbij het grote Karolingische Rijk van Karel de Grote in drie gedeeld werd, behoorden onze streken tot het zogenaamde "Middenrijk". Het noordelijk deel met name Lotharingen, kwam in 925 bij Oost-Francië. Vermelde gouwen fungeerden hierin als strategische grenspost aan de westelijke grens gevormd door de Schelde en kregen als dusdanig vanaf 980 het speciale statuut van markgraafschap.

In 1106 werd de titel van markgraaf toegewezen aan de graven van Leuven, die vanaf het midden van de twaalfde eeuw de hertogen van Brabant werden; het markgraafschap bleef evenwel een afzonderlijke administratieve eenheid of "hoofdkwartier" binnen het hertogdom Brabant; het omvatte naast de stad Antwerpen en de stad Lier met zijn Bijvang, oorspronkelijk negen, vanaf 1648 zeven kwartieren, waaronder het Land van Mechelen met onder meer Berlaar.

Vanaf 1384 kwamen onze gewesten in handen van de Bourgondische hertogen, die gedurende de vijftiende eeuw een territoriale centralisatiepolitiek voerden, vanaf 1482 verdergezet door de Habsburgers.

Ondanks de onbetwiste machtspositie van Antwerpen in deze periode, kende het hinterland, waaronder de Antwerpse Kempen, een gestadige ontwikkeling. Uitgestrekte gebieden werden geleidelijk ontgonnen. Vooral de abdijen speelden hierin een actieve rol. Voor Lier en omgeving was het de abdij van Nazareth, opgericht in 1235, die baanbrekend werk verrichtte.

De economische macht van Lier, tot stad verheven in 1212, breidde zich meer en meer uit door de internationale lakenhandel. De voorspoed en gunstige economische ontwikkeling weerspiegelden zich in allerhande verwezenlijkingen zoals de bouw van de lakenhal (1367), het belfort (1369) en de aanzet van de Sint-Gummarustoren (1378).

Het verval van de lakennijverheid vanaf 1475 en de godsdiensttroebelen in de tweede helft van de zestiende eeuw waren oorzaak van een dalende economische conjunctuur.

Het Oostenrijkse bewind (1713-1794) creëerde een periode van relatieve rust en bloei. Onder het bestuur van Jozef II (1780 -1790) werden verscheidene feodale gebieden samengevoegd tot wat later de provincie Antwerpen zou worden. Door het keizerlijke edict van 1 januari 1787 werd het huidige Belgische grondgebied immers ingedeeld in negen "kreitsen". De kreits Antwerpen was op klein Brabant na de prefiguratie van de huidige provincie. Parallel met de verdere ontginning van de Kempen, werden de wegen geleidelijk verbeterd of verhard, onder meer de steenweg Antwerpen - Lier.

Onder de Franse overheersing (1792, 1794 - 1814) ontstond een nieuwe administratieve indeling in departementen: het departement der Twee Neten kwam overeen met de huidige provincie Antwerpen, evenals nu verdeeld in drie arrondissementen, die op hun beurt werden opgesplitst in kantons.

Tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) werd het departement der Twee Neten voor 't eerst betiteld als "provincie Antwerpen"; de grenzen van het voormalige departement bleven behouden. De industrie werd geleidelijk gemechaniseerd en het wegennet werd verder uitgebreid. Door de oprichting van vele scholen, werd Willem I een toonaangevende figuur op het gebied van onderwijs: te Lier werd een rijksnormaalschool opgericht.

Na de onafhankelijkheidsverklaring van België zal de ontwikkeling van de provincie parallel verlopen met de opgang van de nieuwe staat. In het kader van de algemene industrialisatie krijgt men onder meer aandacht voor de problematische toestand van water- en landwegen. Door het bevaarbaar maken van de Kleine Nete van Lier tot Kasterlee wordt de eerste stap gezet naar de kanalisatie van de Kempen. In 1837 worden meerdere wegen zoals Lier - Aarschot en Lier - Herentals voltooid. Anderzijds heeft de aanleg van spoorwegen in ruime mate bijgedragen tot de verdere ontsluiting van de Kempen en de algemene ontwikkeling van handel en nijverheid. In 1853 werd de lijn Lier - Turnhout geopend, gevolgd door Kontich - Lier in 1864 en Lier - Aarschot.

Ten gevolge van de afscheiding van Nederland verloor België echter een belangrijke afzetmarkt. De textielfabriek van De Heyder te Lier moest uitwijken naar Nederland, waardoor talrijke arbeidsplaatsen verloren gingen. De bevolkingstoename in de negentiende en twintigste eeuw veroorzaakte een enorme bouwactiviteit, waardoor de stad geleidelijk werd volgebouwd en zich uitbreidde extra muros. Berlaar en de omringende gehuchten groeiden uit tot een groter geheel.

Door de Duitse invasie op 4 augustus 1914 raakte België verwikkeld in de Eerste Wereldoorlog, met drastische gevolgen voor het behandelde gebied: Lier en Koningshooikt waren immers opgenomen in de buitenste verdedigingsgordel rondom de stad Antwerpen; het fort van Lier werd gebouwd in 1877, het fort van Koningshooikt in 1908. Vooral Lier had zwaar te lijden van de bombardementen en plunderingen: meer dan zevenhonderd woningen werden vernield.

Het besproken kanton vertoont heden een relatief heterogeen karakter door het duidelijke contrast tussen de stad Lier en het omringende landelijke gebied met Berlaar en Koningshooikt.

De groei van de stad werd bepaald door twee factoren, met name de middeleeuwse vestingsgordels en de lage ligging van de meeste gronden. De kern binnen de dertiende-eeuwse omwalling vertoont een bewaard stratenpatroon met nauwe straten en een typisch stedelijke architectuur; tussen beide middeleeuwse gordels bevonden zich oorspronkelijk brede open ruimten, doch omwille van de lage ligging was er weinig bebouwing. Door het uitvoeren van een algemeen saneringsplan vanaf 1832, waarbij de meeste vlieten gedempt werden, creëerde men nieuwe bouwgronden; desondanks blijft de woongelegenheid er beperkt en de meeste, eerder grootschalige constructies staan er in functie van sociale programma's (onderwijs, ziekenzorg). Het gebied extra muros wordt getypeerd door lintbebouwing vanaf de negentiende eeuw en meer recente woonwijken vanaf circa 1925. Buiten de "Ring" (voltooid in 1976) ligt een eerder landelijk gebied, waarbij Berlaar en de voormalige gemeente Koningshooikt aansluiten.

ARCHITECTUUR

MILITAIRE ARCHITECTUUR

In het besproken gebied treffen we een aantal verdedigingswerken aan, zoals de omwallingen van de stad Lier uit de dertiende en veertiende eeuw; het fort van Lier van 1878-1883 en het fort van Koningshooikt van circa 1908, de Tallaartschans van circa 1910 en tenslotte een groot aantal bunkers van 1939-1940.

Van de oorspronkelijke aarden stadsomwalling - naderhand vervangen door muren en torens -, aangelegd vanaf de dertiende tot het midden van de veertiende eeuw en gedempt vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw, bleven nog een tweetal gebouwen bewaard namelijk de uit Balegemse zandsteen opgetrokken Eikelpoort van circa 1375, verbouwd in classiciserende barok in 1728 en de in 1930 verbouwde bak- en zandstenen Corneliustoren, nu Zimmertoren.

Op het einde van de veertiende eeuw verscheen een grotere omwalling ter plaatse van de huidige stadswandeling, bestaande uit aarden wallen, met - thans verdwenen - stadspoorten uit het begin van de vijftiende eeuw. Het Groot Spui (Stadswandeling) van 1508-1514 naar ontwerp van Antoon en Rombout Keldermans had een dubbele functie namelijk verdediging en regeling van de waterstand op de Nete. Vandaar dat de vrij gesloten zandstenen noordgevel, voorzien van een aantal werp- en schietgaten, contrasteert met de meer geopende stadszijde, die kenmerken vertoont van de traditionele bak- en zandsteenstijl. In 1782 onder Jozef II werd Lier, evenals de meeste Zuid-Nederlandse steden, ontmanteld en in 1809 nogmaals als vestingstad geschrapt. Bij de Belgische Omwenteling werd de stad opnieuw in staat van verdediging gesteld, doch de toenemende verkeerswegen in de negentiende eeuw verminderden de betekenis van de afzonderlijke vestingsteden.

België opteerde in 1859 voor één grote vesting Antwerpen, die moest dienen als "Nationaal Reduit", waar regering en leger konden standhouden tot er hulp opdaagde van de bondgenoten. Naar het ontwerp van geniekapitein A.H. Brialmont (1812-1903) bouwde men tussen 1859 en 1865 een "Grote omwalling" - nu Ring - en een fortengordel van acht forten.

Het invoeren na 1861 van geschut met getrokken loop - met grotere draagwijdte - noopte de verdediging van de stad meer naar voor te schuiven, tot op de Rupel-Netelijn. Daar ontstonden tussen 1878 en 1892 drie bruggenhoofdforten waaronder het fort van Lier, een bakstenen fort met de artillerie in open opstelling op hoge aarden wallen en een grachtverdediging met caponnières. Tussen 1886 en 1902 werd de verdediging verder aangevuld met de bouw van zeven sperforten op de voornaamste toegangswegen tot de vesting. De invoering van de met springstof gevulde brisantgranaat rond 1886, maakte het gebruik van beton en pantserkoepels noodzakelijk en het fort van Lier werd in die zin aangepast Na 1906 werd de vesting Antwerpen gereorganiseerd en vervolledigd door de bouw van verdere forten en schansen, waaronder het fort van Koningshooikt en Schans Tallaart. Fort van Koningshooikt, betonnen pantserfort van eerste orde met 12 koepels, heeft een grachtenverdediging met samengevoegde caponnières en een traditorebatterij ter verdediging van de tussenruimten met naastliggende werken. Schans Tallaart is een betonnen schans met een koepel, een onbestreken gracht en een traditorebatterij. In 1914 was deze fortengordel niet volledig en waren de werken zelf niet beëindigd Tijdens de belegering werden Lier, Koningshooikt en Tallaart zwaar beschadigd.

In het interbellum werd Antwerpen eerst een bruggenhoofd aan de Schelde later een ankeringspunt van de stellingen Albertkanaal en K.W.-lijn (Koningshooikt-Wavre). Het fort van Lier, het fort van Koningshooikt en Schans Tallaart werden na 1935 aangepast als infanteriesteunpunt onder andere door het gasdicht maken van lokalen en de bouw van betonnen schootsopstellingen voor mitrailleurs. Tussen de Schelde stroomafwaarts en het Albertkanaal bouwde men (1938-1940) een anti-tankgracht. Tussen het Albertkanaal en Lier werd de geïnundeerde Kleine Nete verdedigd door een rij mitrailleurbunkers van gewapend beton. Tussen Lier en Koningshooikt was er een continue antitankhindernis bestaande uit Cointet-elementen namelijk stalen hekken verbonden met kabels en verankerd aan meerpalen (Koningshooikt, Aarschotsebaan), geflankeerd door een dubbele rij mitrailleurbunkers van gewapend beton - met twee of drie schietkamers -, die de ruggengraat van de verdediging vormden, met achteraan gesloten bunkergroepen namelijk de zogenaamde anti-tankcentra. Er Was een ingegraven telefoonnet met centrales en connectiekamers onder beton. De K.W.-lijn die van het fort van Koningshooikt, via Wavre, naar Namur liep, had ten zuiden van het Fort een gelijkaardige configuratie. De betonwerken zijn alle nagenoeg bewaard gebleven Andere getuigen van militaire aanwezigheid te Lier zijn de laat-classicistische Lt.-Kol. Bequevortkazerne, in 1834 opgericht ter plaatse van het voormalige Sionsklooster en de Koninklijke Cadettenschool in eclectische stijl gebouwd in 1884 als onderkomen voor de artillerie.

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Kerken en kapellen

De meeste kerken en kapellen in het besproken gebied werden tijdens eenzelfde bouwcampagne opgetrokken. Slechts een drietal kerken zijn samengesteld uit onderdelen daterend uit verschillende periodes (de Sint-Lambertuskerk te Berlaar-Gestel, de Sint-Pieterskerk te Berlaar en de Kluizekerk te Lier).

Uit de laat-romaanse periode dateren de toren van de Sint-Pieterskerk te Berlaar en de Sint-Pieterskapel te Lier. Beide werden circa 1225 opgericht overwegend uit Doornikse kalksteen en ijzerhoudende zandsteen. Het zijn eenvoudige constructies met voorportalen voorzien van vlakke wimbergen, rondbogige muuropeningen, een aantal waterlijsten op figuratieve consoles. De toren van Berlaar vertoont over twee geledingen lisenen, terwijl het gebruik van gewelfribben bij de halfronde apsis van de Sint-Pieterskapel reeds verwijst naar de vroeg-gotiek. De Sint-Pieterskapel werd na gedeeltelijke verwoesting tijdens de Eerste Wereldoorlog gerestaureerd circa 1920; na archeologisch en architectuurhistorisch onderzoek opteerden R. Lemaire en F. Van Den Daele voor het behoud en herstel van de oorspronkelijke vormen met integratie van resterende latere elementen als bijvoorbeeld de begin achttiende-eeuwse sacristie en toevoeging van gestileerde muur- en plafondschilderingen en mobilair; een demonstratie dus van de toen vooruitstrevende doctrine inzake restauraties. De toren van de Sint-Pieterskerk werd na dynamitering heropgebouwd in 1940-1943, na grondig onderzoek naar oorspronkelijk uitzicht en met zoveel mogelijk recuperatie.

De Brabants hoog-gotische Sint-Gummaruskerk te Lier gelegen aan het Kardinaal Mercierplein is een kruisbasiliek opgetrokken uit steen van Affligem die niettegenstaande de lange bouwperiode van circa 200 jaar (1378-1569 71624-1625) zowel in- als uitwendig - op de toren na - een stijleenheid vertoont, te danken aan het feit dat men zich bij iedere bouwfase baseerde op het plan opgemaakt door de hoofdontwerpers de familie Keldermans. Deze kerk met Brabants gotische stijlkenmerken zoals westtoren, drieledige opstand, zuilen met koolbladkapitelen en vierdelig kruisribgewelf, heeft een volledig ontwikkelde koorplattegrond met kooromgang, zij- en transkapellen. Gotische kenmerken treffen we ook aan bij de zogenaamde Kluizekerk met schip, transept en koor opgetrokken circa 1410, gewijzigd tussen 1605-1615, de Sint-Lambertuskerk te Berlaar met vierkante toren en transept uit de vijftiende eeuw en hoger opgetrokken koor uit de zestiende eeuw, en de eenbeukige Sint-Jacobskapel uit het einde van de vijftiende eeuw, op de voorgevel na vernield tijdens de Eerste Wereldoorlog en naar ontwerp van Kanunnik R. Lemaire hersteld en heropgebouwd in 1923 met sober gehouden interieur voorzien van een spitstongewelf. Voornoemde eenvoudige gotische constructies zijn opgetrokken uit zandsteen en voorzien van spitsbogige muuropeningen. Het koor van de Sint-Lambertuskerk te Berlaar werd in de zestiende eeuw opgetrokken uit bak- en zandsteen.

Religieuze genootschappen gingen in de zeventiende en achttiende eeuw over tot het bouwen van een barokke kerk of kapel zoals bijvoorbeeld de inmiddels verdwenen kerken van het kartuizerklooster, het predikherenklooster en het het Engelse theresianenklooster.

Bewaard bleven de voormalige kapel van het Vredebergklooster van 1611-1616, de Begijnhofkerk toegewijd aan Sint-Margareta van 1664-1667 naar het ontwerp van L. Kest en J. De Winter en de voormalige en laatst gebouwde jezuïetenkerk modo Sint-Jozefskerk in 1749-1752 naar het ontwerp van Albert de Planche (Van der Plancken) en Frans Schoonvliedt uitgevoerd door C. Van Everbroeck. Deze - met uitzondering van de jezuïetenkerk- transeptloze bakstenen constructies met gebruik van hard- en zandsteen voor geveldecoratie en omlijstingen, zijn voorzien van een geaccentueerde voorgevel, in casu halsgevel met schouderstukken, pilasters, lijstwerk en rijk versierde toegangsdeuren. De overige gevels worden geritmeerd door sobere pilastervormige stutten en rondboog- of steekboogvensters in vlakke omlijsting. Bij het interieur ruimen de zuilen plaats voor pilasters en de Begijnhofkerk heeft een horizontale aflijning door het bekronend hoofdgestel waarop het kruisribgewelf steunt.

Nieuwe wijken of zich uitbreidende kernen kregen voornamelijk in de late negentiende en begin twintigste eeuw een neogotische parochiekerk met onder meer kenmerken van de Brabantse gotiek zoals de Sint-Jan Evangelistkerk van 1852 naar ontwerp van F. Berckmans te Koningshooikt, Sint-Jozef en Bernarduskerk van 1873-1874 naar ontwerp van E. Gife te Lier, Sint-Rumolduskerk van 1885-1886 naar ontwerp van L. Blomme te Berlaar, Heilige Familiekerk van 1902-1904 naar ontwerp van E. Careels te Lier.

Een tweetal kerken werden in de negentiende eeuw vergroot namelijk de Sint-Pieterskerk te Berlaar, in 1874-1880 naar ontwerp van L. Blomme in neoromaanse stijl -in harmonie met de romaanse toren-, en de Kluizekerk met de rijzige neogotische toren van 1858-1865. De kerken uit de twintigste eeuw zijn sobere gesloten bakstenen constructies met reminiscenties naar de romaanse en vroeg-gotische architectuur. Het driebeukige schip is geplaatst onder een monumentaal zadeldak en de toren bevindt zich tegen de zijgevel (Lier: Kerk Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt van 1928 naar ontwerp van R. Lemaire; Lier Heilige Kruiskerk van circa 1940 naar ontwerp van G. Careels; Berlaar Kerk Onbevlekt Hart van Maria van 1934 naar ontwerp van F. Van den Daele).

De Heilig Hartkerk te Lier van 1938-1939 naar ontwerp van Flor Van Reeth neemt een aparte plaats in. Hier domineert de kubistische massa en de horizontale werking van de sobere binnenruimte bedoeld ter ondersteuning van de glasramen.

Kloosters

Kloosters bevinden zich binnen de stadsomwalling, terwijl de abdij van Nazareth gelegen is ten noordoosten van de stad tussen de twee Neten. De kloosterorden werden tijdens het Oostenrijks bewind of tijdens de Franse Revolutie afgeschaft en hun bezittingen verkocht. Thans zijn nog slechts fragmenten bewaard, overwegend uit de zeventiende eeuw in traditionele bak- en zandsteenstijl zoals de toegangspoort met jaartal 1616 van de abdij van Nazareth.

Van het predikherenklooster bleven diverse fragmenten bewaard zoals structuur en dakgebint bij nummers 69-71, de aangepaste en verkorte kapel met barokvenster en fragmenten van een bak- en zandstenen muur aan de achterzijde van de nummers 75-77, de nummers 79-81 met nieuwe gevelordonnantie in traditionele bak- en zandsteenstijl, en bewaard volume bij Predikherenpoort 3.

De woningen aan de Kartuizersvest 113-115 met bewaard volume, Christusbeeld en toegang tot de voormalige kloostertuin en kerk zijn stille getuigen van het voormalige kartuizerklooster.

Van het klooster van de Vredeberg , klooster voor reguliere kanunnikessen van Sint-Augustinus, rest nog het barokke kerkje van 1611-1612.

Het klooster van de Engelse theresianen of ongeschoeide karmelietessen bleef na de inbeslagname en verkoop grotendeels bewaard. Het zeventiende-eeuwse gedeelte in traditionele bak- en zandsteenstijl behield speklagen, steigergaten en negblokken van de thans rechthoekige vensters. Het naastliggende gedeelte uit het begin van de achttiende eeuw naar ontwerp van W.(?) De Bruyn in eenvoudige barokstijl vertoont onder meer steekboogvormige muuropeningen in zandstenen omlijsting met oren, de oudere rondboogpoort bevat nog een gotische reminiscentie namelijk de rondstaaf, en in de tuin bevindt zich nog een barok kapelletje uit het midden van de achttiende eeuw.

Een aantal kloosters werden vernieuwd in de negentiende eeuw, namelijk het zwartzusterklooster van 1863-1868 met kapel van 1882, en het predikherenklooster van circa 1865, beide naar ontwerp van J. Van Ockelyen. Het neogotische cellebroedersklooster werd naar ontwerp van L. Slootmaeckers opgetrokken in 1868, 1873 en 1887. Deze complexen bestaan uit eenvoudige bakstenen vleugels opgetrokken op de rooilijn en om centrale binnentuinen. Bij het cellebroedersklooster en het predikherenklooster vallen de tudorboogvormige muuropeningen op met neogotisch houtwerk of ruitvormige roedeverdeling. Het zwartzusterklooster en het cellebroedersklooster hebben een éénbeukige kapel gemarkeerd door beeldnissen; barokke deuromlijsting en polychrome interieurschildering bij het cellebroedersklooster.

Na de Eerste Wereldoorlog werden twee kloosters heropgebouwd naar de plannen van E. Careels namelijk het klooster van de arme claren circa 1920 met binnen een ommuurd domein zeer sobere bakstenen gebouwen en een éénbeukige kapel, en het neogotische jezuïetenklooster van 1923-1924.

Refugiehuizen

Binnen de stedelijke kern dragen nog een drietal gebouwen sporen van hun oorspronkelijke functie als refugiehuis. Deze eertijds complexe woningen die typologisch aansluiten bij de stedelijke architectuur, werden aangeslagen tijdens de Franse Revolutie en in 1798 of 1799 verkocht en sindsdien verkaveld en gewijzigd. Ze hebben een zestiende-zeventiende-eeuwse kern in bak- en zandsteenstijl en zijn voorzien van een polygonale huistoren.

Het refugium van de Sint-Maartensabdij van Leuven vertoont een L-vormig zestiende-eeuws volume. Het refugium van de cisterciënzerabdij van Hemiksem werd vanaf de negentiende eeuw aangepast onder meer in empirestijl, en het refugium van de abdij van Nazareth kreeg een grotendeels negentiende-eeuws uitzicht toen het ingericht werd als kazerne met gedeeltelijk behoud van zestiende-eeuwse vleugels met banden, omlijstingen, rondboogpoort en huistoren.

Kapellen

De processiekapellen gelegen in het landelijke gebied dateren uit de negentiende en twintigste eeuw. Het zijn pretentieloze, meestal rechthoekige bakstenen constructies -met uitzondering van de houten kapel te Lier- onder overkragend zadeldak en overwegend toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. De deur met getralied gedeelte vinden we in de voorpuntgevel (Lier: kapel aan de Heistraat, veldkapel aan de Hondstraat en Sint-Anna-ten-Drieënkapel).

Een aantal vertonen stijlgebonden kenmerken onder meer neoclassicistische zoals aan de Onze-Lieve-Vrouwekapel jaartal 1844, waar het overkragend dak een portiek vormt op gecementeerde zuilen, en de kapel van 1896.

De uitgesproken neogotische kapelletjes vertonen dezelfde basiskenmerken, doch zijn rijker uitgewerkt met spitsbogige muuropeningen, gesculpteerd houtwerk, pinakels enzoverder. Vermelden we hierbij de Onze-Lieve-Vrouw Troost der Bedruktenkapel te Berlaar; de Onze-Lieve-Vrouw Gedurige Bijstandkapel te Lier van 1884 en 1890; de Onze-Lieve-Vrouwekapel te Koningshooikt en de Heilige Familiekapel te Lier, beide uit het begin van de twintigste eeuw.

Het Lierse stadsbeeld wordt verlevendigd door de aanwezigheid van straatkapelletjes. Houten kastjes of hardstenen baldakijntjes vastgemaakt aan de huisgevels vormen een waardig onderkomen voor een Onze-Lieve-Vrouwe-, Sint-Anna-ten-Drieën- of Sint-Gummarusbeeldje. Het oudste exemplaar met barokke kenmerken aanleunend bij de vormentaal van de meubelkunst dateert uit de achttiende eeuw (geboortehuis van Meester Louis Zimmer). Uit de negentiende eeuw kennen we een aantal neoclassicistische exemplaren (stadswoning aan de Antwerpsestraat, burgerhuis aan de Kolveniersvest, stadswoning aan de Volmolenstraat van beeldhouwer J. Van der Wee) en een aantal met eclectische stijlkenmerken eveneens meer aanleunend bij de vormentaal van de meubelkunst (Huis Het Wolfken met bouwaanvraag van 1859 door L. Slootmaeckers, waterpomp in barokstijl met bouwaanvraag van 1878 door F.H. Cox, neoclassicistische woning).

Pastorieën

De pastorieën dateren grotendeels uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Het zijn vrijstaande dubbelhuizen van twee bouwlagen met gemarkeerde deur. De oudste nebben een zeventiende-eeuwse kern, doch de voorgevels kregen in de negentiende eeuw een bepleisterd neoclassicistisch uitzicht zoals de pastorie van het Begijnhof en de dekenij van Sint-Gummarus die in 1885 naar ontwerp van F.H. Cox onder meer een nieuwe voorgevel kreeg, terwijl de neoclassicistische poort dateert van circa 1839. Ook de oorspronkelijk omgrachte pastorie van de Sint-Pieterskerk te Berlaar had een zeventiende-eeuwse kern en kreeg in begin van de negentiende eeuw een bepleisterd classicistisch uitzicht, maar werd in 1967 geheel herbouwd.

Eenvoudige neoclassicistische pastorieën zoals de pastorie van de Sint-Jan Evangelistkerk te Koningshooikt van 1838-1839 naar ontwerp van F. Berckmans en de ontpleisterde pastorie van de Kluizekerk daterend van circa 1890.

De overige pastorieën werden in harmonie en samen met het aanpalende nieuwe kerkgebouw opgetrokken zoals de neotraditionele pastorie horend bij de Heilige Familiekerk van 1906 naar ontwerp van E. Careels, en bij de pastorie van de Sint-Rumolduskerk te Berlaar van 1878 naar ontwerp van L. Blomme, heropgebouwd in 1922-1923 naar het oorspronkelijke plan door E. Careels.

Liefdadigheidsinstellingen

Tot de categorie van de stedelijke liefdadigheidsinstellingen behoren het voormalige Heilige Geesthuis, zetel van de Lierse Heilige Geesttafel of instelling voor armenzorg, een aantal godshuizen (Sancte Joachim et Anna Godtshuys en Sint-Barbara en Beatrix-Godshuis en een rij stadswoningen) en het rusthof Van Acker-Peeters. Het Heilige Geesthuis omvat een vleugel in traditionele bak- en zandsteenstijl van 1616, een huistoren van 1440 en een in 1851 aangebrachte neoclassicistische gevel naar ontwerp van J. Van Ockelyen.

De stad bezat meerdere godshuizen zoals het Sint-Goriksgodshuis voor arme oude wolwevers gelegen naast de Sint-Pieterskapel (van begin vijftiende tot eind achttiende eeuw), en het Sint-Jacobsgodshuis voor oude mannen naast de Sint-Jacobskapel (van de veertiende eeuw tot 1848).

De twee bewaarde wooncomplexen voor behoeftigen bevinden zich thans aan de Begijnhofstraat. Het oudste omvat vijf huizen in 1763-1778 gebouwd door het bestuur van het Sint-Antoniusgodshuis. Deze woningen vertonen typische kenmerken van de late achttiende eeuw zoals de kwarthol geprofileerde kroonlijst en de geloogde muuropeningen met tussendorpels en waterlijsten. De Sancte Joachim et Anna Godtshuys en Sint-Barbara en Beatrix-Godshuizen bestaan uit vier vleugels met bakstenen éénkamerhuisjes uit het midden van de negentiende eeuw gelegen rondom een met gras begroeid binnenplein. Aan de straatzijde wordt de toegang gevormd door een oorspronkelijk bepleisterd neoclassicistisch gebouw. Tenslotte vermelden we het rusthof van 1903, een privé-initiatief van Van Acker-Peeters. Dit U-vormige complex bestaat uit verscheidene huisjes in eclectische stijl.

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw werden door religieuze orden een aantal nieuwe verzorgingsinstellingen opgericht zoals het Sint-Elisabethgasthuis te Lier in 1868-1873 naar ontwerp van Ch. Drossaert. Dit symmetrisch opgebouwde complex met centrale kapel werd echter volledig afgebroken in 1987. De huidige Heilig Hartkliniek, eertijds, het zogenaamde "Rust gesticht van het Heilig Hart", naar ontwerp van E. Careels van 1907 sluit volledig aan bij de neogotiek. Dezelfde stijlkenmerken, doch iets eenvoudiger vinden we terug in het Sint-Augustinusrusthuis van 1896 door J. Vinck te Berlaar.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Openbare gebouwen

Het stadhuis van Lier vindt zijn oorsprong in 1367, toen ten gevolge van de bloeiende lakennijverheid, een lakenhal met onder meer kantoren voor de magistraat werd opgericht, in 1369 gevolgd door de bouw van het belfort. In 1418 werd de hal volledig ingericht als stadhuis, maar in 1740 werd omwille van bouwvalligheid een overwegend nieuw gebouw opgetrokken door de grootmeester van de Brabantse rococo J.P. Van Baurscheit de Jonge. Het is één van de zeldzame voorbeelden van een openbaar gebouw in rococostijl; het werd echter wel opgevat als een groot herenhuis met souterrain, centrale hal en trap, de representatieve ruimten aan de Marktzijde en de dienstruimten achteraan. De eerder sobere uitvoering wordt benadrukt door de dominerende rol van de licht vooruitspringende middenpartij onder driehoekig fronton. De gotische belforttoren met de buitenwaarts hellende arkeltorens als bekroning werd geïntegreerd in de nieuwe bouw.

Als getuige van de middeleeuwse handelsactiviteiten rest het Lierse Vleeshuis, in feite een overdekte markt opklimmend tot de vijftiende eeuw en opgetrokken op de oudere, slechts half ingegraven kelders van zijn voorganger. Het behield zijn functie tot de Franse Revolutie en kende naderhand een aantal functieverschuivingen binnen de openbare sector: tekenschool vanaf 1811, later Vredegerecht met politiekantoor in de kelders en nu stedelijke tentoonstellingsruimte. In 1834 werd de voorgevel aangepast tot een sobere, bepleisterde neoclassicistische lijstgevel. Na de beschadiging tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij op basis van bewaarde sporen en iconografische bronnen heropgebouwd naar het oorspronkelijke uitzicht. De gebruikte natuursteen en de strakke profielen voor onder meer stijlen, traceringen en balustrades verlenen de huidige trapgevel evenwel een "schools" neogotisch uitzicht. De zijgevel aan de Koning Albertstraat bleef mits enige "restauratie" bewaard; zo verging het blijkbaar eveneens de kelders en de verhoogde begane grond met zijn grote overwelfde ruimte verwijzend naar de overdekte markt. In de geschiedenis van de monumentenzorg vormt het Lierse Vleeshuis een interessant voorbeeld van vermenging van conservatie, restauratie en reconstructie.

De eerste echte gemeentehuizen in ons land werden opgericht in de tweede helft van de negentiende eeuw. De landelijke gemeenten in het behandelde kanton beschikken echter over een gemeentehuis dat niet ouder is dan het laatste kwart van de negentiende eeuw: het oudste gemeentehuis (1880) bevindt zich te Berlaar. Ze werden gewoonlijk opgericht naar ontwerp van de toenmalige provinciale bouwmeester L. Blomme in een eclectische bouwtrant met neo-Vlaamserenaissance-kenmerken. Deze aan het dorpsplein ingeplante constructies hadden een eenvoudige rechthoekige plattegrond en een benadrukte middentravee. Het rechter gedeelte van het huidige gemeentehuis van Berlaar was oorspronkelijk ingericht als onderwijzerswoning. Het gemeentehuis in Koningshooikt had ook de brandweer er zijn onderkomen (zie opschrift brandspuit).

De bouw van typische gemeentescholen en bijhorende onderwijzerswoning is meestal te situeren in de tweede helft van de negentiende eeuw. Voorheen was er geen sprake van echte schoolgebouwen, omdat er onderwijs verstrekt werd in elke beschikbare ruimte. De wet van 23 september 1842 bepaalde echter dat elke gemeente een lagere school moest hebben, die qua ligging, grootte, uitzicht, inrichting en meubilair aan bepaalde voorwaarden moest voldoen. Vanaf 1873 werd hiervoor een speciaal krediet voorzien; de meestal sobere bakstenen constructies van één bouwlaag bevatten klassen geschikt aan een speelplaats. Ze werden opgetrokken naar ontwerp van de provinciale bouwmeester en sluiten qua stijl aan bij de toenmalige neostijlen. De voormalige jongensschool van Berlaar-Heikant werd opgetrokken naar ontwerp van J. Schadde in 1869-1871; de stadsmeisjesschool van Lier in 1878 naar ontwerp van F.H. Cox. Sommige scholen, zoals gemeenteschool van Lisp van 1871-1873 naar ontwerp van L. Slootmaeckers werden gebouwd als dubbele school, zowel voor jongens als voor meisjes.

De vrije scholen waren meestal verbonden aan een klooster en/of parochie: het neoromaanse Sint-Ursula-instituut van 1919-1921 met latere uitbreidingen; de neogotische parochieschool van de Heilige Familie van 1909; het Heilig Hart van Mariainstituut met neoromaanse kapel te Berlaar.

Een aparte vermelding verdient de rijksnormaalschool van Lier die in 1817 werd opgericht door koning Willem I. De gebouwen werden echter totaal vernield tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het huidige imposante complex in neo-Lodewijk XV-stijl, uit de periode 1921-1926, is naar ontwerp van J. Keyaert.

Reeds in 1891 verkreeg Lier een eigen stedelijk museum door de bouw van een neogotisch complex naar ontwerp van F.H. Cox, als onderkomen voor het legaat van J.J. Wuyts-Van Campen.

Stedelijke privé-architectuur

Ondanks het fragmentarisch bewaard patrimonium, vooral door de grootschalige verwoestingen tijdens de Eerste Wereldoorlog, kan algemeen gesteld worden dat de stedelijke architectuur van Lier volledig aansluit bij de algemene stijlontwikkeling en typologie.

Parallel met de bevolkingstoename ten gevolge van de economische expansie vanaf de dertiende eeuw en vooral in de loop van de veertiende ontstond een intense bouwactiviteit. Tot de langzame verstening in de zestiende en zeventiende eeuw werd het eenvoudige woonhuis opgetrokken uit hout- en vakwerk, waarvan te Lier evenwel geen sporen bewaard bleven. Na enkele grote stadsbranden tussen 1485 en 1552, werden van stadswege maatregelen getroffen om het brandgevaar te beperken: premies werden uitgeloofd voor het bekleden van huizen met schalies of tichelen. Omwille van de stijgende grondprijzen werd het diephuis met smalle voorgevel (trap- of puntgevel) en dwarse daknok het overheersende bouwtype. In het centrum en aan de belangrijkste invalswegen wordt dit type nog steeds teruggevonden. De oudst bewaarde gevel met gotische inslag en tevens voorbeeld van een rijkere zandstenen woning is het zogenaamde "Hof van Colibrant" (circa 1400). Het belang ervan wordt weerspiegeld in de poging om dit pand een nieuwe functie te geven als postgebouw, gevolgd door een algemene restauratie met neogotische uitbreiding in 1903 naar ontwerp van A. Van Houcke. Het complex werd grotendeels vernield tijdens de Eerste Wereldoorlog, doch de puntgevel van het voormalige hof bleef overeind: typisch zijn de spitsboognissen met drielobmotief in de boogvelden.

"Het Schaeckberd" werd vermoedelijk in de zestiende eeuw omgevormd tot brouwerij en kan als voorbeeld staan voor de traditionele bak- en zandsteenstijl. Baksteen werd er gebruikt voor het opgaande metselwerk, zandsteen voor decoratieve en constructieve bouwonderdelen. Markant is het vensterregister met gekoppelde kruiskozijnen op de begane grond. De muuropeningen van het aangrenzende "Klein Schaakberd" dat door muurankers 1616 gedateerd is, werden bij de restauratie van de jaren 1930 aangepast. De trapgevel van het zogenaamde "Hof van Brussel" bewaart nog het overhoekse topstuk en de oorspronkelijke topordonnantie: een lager geplaatst middenluik onder accoladevormige ontlastingsboog tussen twee zijluiken. "De Roskam" is een voorbeeld van een breedhuis met bak- en zandstenen lijstgevel en dateert van 1697.

In deze traditionele stijl past eveneens de eerder sobere bebouwing van het begijnhof, een typisch straatbegijnhof op grosso modo rechthoekige plattegrond, dat bij de vijftiende-eeuwse stadsuitbreiding geïntegreerd werd binnen de omwalling en tot op heden getuigt van de historische bebouwing. Verschillende geveltypes worden er vertegenwoordigd: bescheiden breedhuizen van één tot twee bouwlagen naast diephuizen met tuit- of puntgevel. De eenvoud uit zich vooral door het zeldzame voorkomen van zandsteen en het nagenoeg volledig ontbreken van zuiver decoratieve elementen. Door herhaaldelijke verbouwingen en aanpassingen - onder meer wegbreken van kruiskozijnen en verlagen van vensters - is de oorspronkelijke toestand evenwel nauwelijks te achterhalen. De karakteristieke rondboogdeurtjes in zandstenen of gewoon bakstenen omlijsting werden meestal aangepast en voorzien van nieuwe diamantkopimposten en -sluitsteen. Huizen met typisch ommuurde voortuintjes zijn nog te vinden in de begijnenwoningen in de Wezenstraat. Vrij gaaf bewaard is de huizenrij op de Grachtkant. Deze huisjes werden opgetrokken in de periode 1721-1726 en zijn een uitstekende illustratie van de in de achttiende eeuw doorlopende traditionele bak- en zandsteenstijl.

Voorbeelden in renaissancestijl zijn er te Lier niet gekend, in tegenstelling tot barokconstructies: representatief voorbeeld voor de toepassing van deze stijl is de "Eycken Boom". Hoewel de gevel pas in 1709 werd aangepast, sluit hij volledig aan bij de barok van de zeventiende eeuw. De tweeledige in- en uitgezwenkte top wordt gemarkeerd door voluutvormige vleugelstukken en een bekronend driehoekig fronton. De barokke vormentaal komt bovendien tot uiting in de cartouches en rijk uitgewerkte, doch vernieuwde voluutconsoles. Andere voorbeelden zijn het "Blauw Schaep" en Berlarij 66-68. De toegangspoort van het begijnhof van circa 1690 en de waterpomp in de Koning Albertstraat en de waterpomp in de Heilige Geeststraat, beide van 1720 naar ontwerp van C. Van Everbroeck, sluiten met hun zwierige vormgeving aan bij dezelfde stijl. Classicerende barokelementen vinden we in het Brouwershuis van 1717 dat na 1914 volgens het oorspronkelijke uitzicht werd heropgebouwd met de typische superpositie van geblokte, Korinthische en Ionische pilasters.

Het arduinen parement van het "Elzenhof" sluit aan bij het frequente monochrome materiaalgebruik van het rococo; het eigentijdse mansardedak refereert aan de Franse invloed. Kenmerkend zijn ook de steekboogvensters en schouderboogdeuren in een geprofileerde omlijsting met tussendorpel en ijzerwerk in de bovenlichten. Andere goed bewaarde voorbeelden zijn het Kanunnikenhuis van circa 1760 en de herberg "Sint-Christoffel" van 1778, beide met het accent op de centrale deurtravee. De bouw van een rococo-stadhuis in 1740 heeft ongetwijfeld invloed uitgeoefend op de plaatselijke bouwmeesters en aannemers zoals C. Van Everbroeck, die tot dan toe voornamelijk in barokstijl werkte; in zijn eigen woonhuis, huis "Den Anker", vinden we duidelijk elementen die refereren aan het stadhuis.

Met het classicisme treedt er in het laatste kwart van de achttiende eeuw een algemene versobering in; tevens vermeerdert, eveneens onder Franse invloed, het aantal bepleisterde lijstgevels. Een burgerhuis aan de Vredebergstraat, het huis "Het Leerken" en een burgerhuis aan de Kapucijnenvest illustreren duidelijk de strakke opbouw met sobere rechthoekige vensters in vlakke omlijsting - soms met oren en neuten - en de karakteristieke driehoekige frontonbekroning met oculus onder guirlande. Van het type pilastergevel getuigt een classicistisch burgerhuis. De meeste van deze gevels zijn heden verkeerdelijk gedecapeerd. Het strenge geometrische en symmetrische gevelschema blijft behouden in het laat-classicisme: verdiepte traveeën tussen lisenen of pilasters (brouwerij "De Hazewind") of een evenwichtige vlakke gevelindeling met rechthoekige muuropeningen in verkleinende ordonnantie (De pastorie, herenhuis "Dry Swaentiens"). Dit laatste type komt reeds voor op het einde van de achttiende eeuw, maar valt moeilijk te onderscheiden van voorbeelden uit het begin van de negentiende eeuw. Het poortgebouw van het voormalige "Hof van Denemarken", heden pastorie (circa 1839) vertoont een uitspringende portiektravee met Toscaanse zuilen onder driehoekig fronton.

Omtrent het midden van de negentiende eeuw ontwikkelen zich diverse neostijlen met elementen ontleend aan historische bouwstijlen, aanvankelijk geïllustreerd door grotere openbare gebouwen en naderhand overgenomen door de privé-architectuur, waar het neoclassicisme voorrang krijgt: sobere witbepleisterde gevels met een strakke toepassing van klassieke elementen. De in 1877-1878 aangelegde Sint-Gummarusstraat kreeg een vrij homogeen uitzicht met witbepleisterde gevelwanden, bestaande uit enkelhuizen, veelal naar ontwerp van H. Cox; de lijstgevels van drie tot vier traveeën en drie bouwlagen onder zadeldaken, hebben meestal rechthoekige muuropeningen in een geriemde of vlakke omlijsting, soms met uitgewerkte sluitsteen; de rijkere gevels hebben een benadrukte deurtravee, vaak afgelijnd door geblokte penanten en een zwaarder uitgewerkt hoofdgestel; balkons met balusters of fraaie ijzeren leuningen verlevendigen het straatbeeld. De oprichting van grote herenhuizen in de tweede helft van de negentiende eeuw, soms oudere constructies waar een derde bouwlaag werd aan toegevoegd (Herenhuis aan de Vredebergstraat, Breedhuis aan de Lisperstraat 83-85), veroorzaakten een lichte schaalvergroting in het stadsbeeld.

Daarnaast werd ook teruggegrepen naar de eigen Vlaamse renaissancestijl: bakstenen topgevels met natuurstenen ornamenten en sierankers zoals het burgerhuis aan de Antwerpsesteenweg naar ontwerp van E. Careels van 1893; Huis "In de Lier"(1892), van dezelfde architect.

Een mooi voorbeeld van de neogotische stijl vinden we terug op de Grote Markt: het huis zogenaamd "Rome" werd gebouwd in 1908 door de Lierse drukkersfamilie Van In naar ontwerp van de Mechelse bouwmeester Ph. Van Boxmeer: typisch zijn de uitgewerkte Brugse traveeën gevat in een omlijsting van geprofileerde tudorbogen; de balkonconsoles zijn opgevat als sculpturen van personages verband houdend met de drukkerij.

Als neotradioneel woonhuis vermelden we het Huis "Wit Peert"(1892) van 1911, terwijl het Colveniershuys van 1913 duidelijk aansluit bij het neorococo. De hele waaier van neostijlen was dus reeds aanwezig vóór de Eerste Wereldoorlog; in de wederopbouw zullen ze eveneens verschijnen, doch met een meer uitdrukkelijke en monumentale vormgeving.

Het eclectisme brengt elementen uit diverse historische stijlen samen tot een homogeen geheel, vaak in combinatie met nieuwe bouwmaterialen: burgerhuizen met eclectische kenmerken vinden we terug in het c van 1888 en de eenheidsbebouwing In Den Bosch Uil van 1892, beide naar ontwerp van E. Careels.

Meerdere voorbeelden van collectieve woningbouw, al dan niet met sociale voorzieningen, in deze stijl - vaak gebouwd in opdracht van vooraanstaande personen als politici en industriëlen - bleven bewaard: eclectische burgerhuizen aan de Baron Opsomerlaan naar ontwerp van E. Careels van 1903 en 1917; eenheidsbebouwing aan de Spoorweglei van 1902, met winkeltje in het hoekpand.

De enorme bevolkingstoename in de loop van de negentiende eeuw verliep parallel met de ontwikkeling van de arbeidershuisvesting. Nieuwe straten werden aangelegd voornamelijk in het zuidoostelijke stadsgedeelte. Zo dateert de aanvraag tot de aanleg van de Woudstraat van 1902. Het ontwerp is van de hand van H. Cox, terwijl J.B. Van Bouchout het ontwerp tekende voor de volledige bebouwing. De huizen werden in serie opgetrokken met gelijkvormig uitzicht: bakstenen constructies van meestal twee traveeën en twee bouwlagen, opgesteld in spiegelbeeld (arbeiderswoningen aan de Bareelstraat uit 1900; arbeiderswoningen aan de Maasfortbaan uit 1930) of repeterend schema (arbeiderswoningen aan Van Brandtpoort, uit het derde kwart van de 19de eeuw). De muuropeningen zijn rechthoekig of getoogd. Karakteristiek voor deze periode zijn de zogenaamde "beluiken", een vorm van binnenblokbebouwing die erop gericht was alle beschikbare terreinen voor huisvesting in te palmen (steegbeluik aan de Berlaarsesteenweg, steegbeluik aan de Broeksteeg en steegbeluik aan Hof van Ranst).

Als reactie tegen de neostijlen ontstond vanaf circa 1900 de art nouveau met een nieuwe vormentaal en een nieuwe gevelindeling, toegepast op burgerhuizen met klassieke enkelhuisopstand en vaak verhoogde begane grond. Meer en meer wordt gebruik gemaakt van een plat dak, vaak nog gebouwd volgens het gewone patroon en sterk afgeschuind achteraan: burgerhuis aan de Tramweglei uit 1921, B. De Meyer. In Lier bleven een aantal mooie, doch vereenvoudigde versies van deze stijl bewaard, vaak naar ontwerp van hoger vermelde architect: hoekhuis aan de Berlaarsestraat van 1906 en het burgerhuis aan de Kolveniersvest van 1909. De gevel is opgebouwd uit een smalle deurtravee en een brede uitspringende venstertravee met dienstingang. Golvende lijnen in vensters, deuren, lijsten en plastisch ijzerwerk illustreren duidelijk de nieuwe decoratievormen. Deze werden ook teruggevonden in een aantal bouwaanvragen voor winkelpuien uit deze periode; geen enkele bleef evenwel bewaard. Tegeltableaus, mozaïeken en graffitopanelen verlevendigen de bak- en natuurstenen gevels, die bovendien opvallen door het contrasterend gebruik van anders gekleurd materiaal: burgerhuis aan de Maasfortbaan naar ontwerp van L. Van Rijmenant van 1909. Mozarabische invloeden vinden we in de collectieve woningbouw in de Mechelsestraat, daterend van 1905 en ontworpen door E. Careels. Art-nouveaugetint is ook de architectenwoning van architect C. Sol.

De meer traditionele gevels vertonen een eenvoudige gevelopstand met steekbogige of rechthoekige muuropeningen onder ijzeren I-balk en een typische decoratieve verwerking van gekleurde baksteen: eenheidsbebouwing aan de Lispersteenweg, naar ontwerp van J.B. Van Bouchout van 1900; lintbebouwing aan de Hofstraat; eenheidsbebouwing aan de Kanaalstraat. De binnenindeling omvat doorgaans een smalle gang met ernaast twee in elkaar lopende kamers (eetkamer en salon); de keuken bevindt zich achteraan, samen met het pomphuis en terras of overdekte koer. De bovenverdieping omvat meerdere slaapkamers, aan de voorzijde soms gevelbreed.

Door haar strategische ligging als toegang tot Antwerpen, werd de stad na Duitse en Engelse bombardementen, in oktober 1914 door de Duitse troepen geplunderd en in brand gestoken, vooral langs de route naar Antwerpen (Berlaarsestraat - Grote Markt - Antwerpsestraat). De Duitse bezetter beval zo snel mogelijk alles herop te bouwen. Door de tegenwerking van het stadsbestuur werden in oorlogstijd echter slechts een 120-tal huizen herbouwd. Daarnaast werden houten noodwoningen gebruikt. De grootste heropbouwactiviteiten gebeurden na de oorlog. "Adoptie" voor financiële overheidssteun door de centrale regering werd aangevraagd: de voorwaarden hieraan verbonden waren het opstellen van een politiereglement en een algemeen plan van aanleg. Aan de eerste voorwaarde was reeds voldaan in 1915, het algemeen plan van aanleg werd evenwel nooit uitgevoerd. Uit bezorgdheid voor het "pittoreske" karakter van de stad, werd in het nieuwe bouwreglement vereist dat de gevels een "kunstzinnige" aanblik moesten bieden: met de vooroorlogse toestand werd op enkele uitzonderingen na geen rekening gehouden, dit in tegenstelling tot de openbare gebouwen, waar meestal een grondig iconografisch, archeologisch en materiaalonderzoek de "restauratie" voorafging. Voor de bouw van woningen daarentegen werd inspiratie geput uit de historische bouwstijlen, die op perfectionistische en ostentatieve wijze werden verwerkt tot een bewuste, ietwat theatrale, scenografie. "Moderne" ontwerpen maakten aanvankelijk minder kans, zeker voor het centrum. Interessant zijn in dit verband twee door C. Sol ontworpen huizen, daterend van 1915, het begin van de wederopbouw. Het burgerhuis aan de Antwerpsestraat beantwoordt aan de gestelde eisen; het burgerhuis aan het Leopoldplein knoopt daarentegen duidelijk aan bij de art nouveau, zij het op gestileerde wijze, en komt bovendien over als manifest met zijn Marsfiguur onder de erker, gemarkeerd door een gekroonde A, verwijzend naar koning Albert.

Het Gildehuis Sint-Arnoldus, herberg "De Roose" en de "Eyseren Hoed" werden grotendeels volgens hun oorspronkelijk uitzicht heropgebouwd. De meeste huizen vertonen echter een eclectische gevelarchitectuur, vaak met integratie van eigentijdse of gefantaseerde elementen. Naargelang het overnemen van schema's of elementen uit historische bouwstijlen onderscheiden we neobarokke (burgerhuis met neobarokke topgevels naar ontwerp van F. Flerackers van 1917) of neotraditionele (gasthof "De Valk") gevels, soms in vereenvoudigde versie; de meeste vertonen echter duidelijk de invloed van de achttiende-eeuwse Franse stijlen: neorococo voor het huis "Mechelen" naar ontwerp van J. van Peborgh van 1920; neo-Lodewijk XVI voor de eenheidsbebouwing aan de Berlaarsesteenweg, naar ontwerp van J.B. Van Bouchout van 1917.

Enkele architecten zoals C. Sol vertoonden, zoals hoger vermeld, duidelijk voorkeur voor eigentijdse interpretaties zoals het pand burgerhuis aan de Lisperstraat van 1925: een diephuis opgevat als breedhuis met behoud van de puntgevel tussen gestileerde vleugelstukken. Geometrische baksteenmotieven en gestileerde florale elementen komen frequent voor in zijn decoratief repertorium. Daarmee sluiten ze aan bij de art deco met een eigen ornamentiek, geënt op vrij eenvoudige gevelschema's met vaak mijterboogvormige muuropeningen of gevelaflijning, zoals in de garage met woning naar ontwerp van C. Sol of de winkelhuizen Het Sonneken en De Melckstoop naar ontwerp van G. Brion, beide van 1924.

Het behoud van de vooroorlogse percelen en functies - burgerhuizen en talrijke combinaties van winkel- en woonhuizen impliceerde praktisch het overnemen van de "klassieke" plattegronden en types. De trappartij wordt met zorg ingepast - voornamelijk in de hoekpanden - aanbouwsels, "werkhuizen" en dergelijke worden van meet af gepland en vaak met de leefruimten verbonden door de geliefde "veranda". Bouwmaterialen en -wijze liggen in de lijn van de vooroorlogse traditie. In de ruwbouw komt ijzer blijkbaar zelden voor: de volledige ijzeren structuur met trap en bovengalerij in overstek, verscholen achter een doorsnee- "wederopbouw"-gevel van 1922, architect J.B. Van Bouchout, Huidevetterij Het Rood Schoentje, vormt dan ook een opvallende uitzondering, maar het gold dan ook een ijzerwinkel.

Wat de wederopbouw van de volkshuisvesting betreft bleef het initiatief van de stad beperkt tot de bouw in 1924-1926 van 19 arbeidersrijhuizen met de vereiste aansluitende elektriciteitscabine. Stadsarchitect J. Meulepas werkte hiervoor een verzorgde eigentijdse baksteenarchitectuur uit.

Daarnaast legde de in 1920 opgerichte Lierse Maatschappij voor Goedkope Woningen zich op ruime schaal toe op de dringende problemen van de heersende woningnood onder de minder bemiddelden, hierbij terugvallend op het patroon van de tuinwijken. Typisch zijn hier hun voorstedelijke inplanting, aan of in de buurt van belangrijke invalswegen en de relatief kleine omvang van de tot woningbouw beperkte projecten. De maatschappij-hervormende basisprinciepen van het Engelse model komen hier niet tot uiting in ruim bedachte collectieve voorzieningen; wat overgenomen wordt zijn louter formele aspecten als groepering van de woningen met voor- en achtertuinen en een vormgeving waarin het hele vocabularium van de regionalistische strekking in alle toonaarden wordt bespeeld.

Een eerste wijk, zogenaamd "Zuid-Australië", werd voor 73 gezinnen gebouwd in 1920 aan de Antwerpsesteenweg met de steun van een Australisch hulpcomité. Architect F. Van Reeth, gesteund door zijn vriend F. Timmermans, zocht zijn inspiratie in onze begijnhoven en werkte dan ook een algemene plattegrond uit waarin beide types - plein- en straatbegijnhof - op functionele en aangename wijze werden gecombineerd. Deze tuinwijk werd echter totaal vernield tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1953 werden er door de Maatschappij 98 nieuwe woningen opgetrokken; de verdere uitbreiding dateert van 1963.

De wijk "Pallieter" voor 87 gezinnen en gelegen aan de Mechelsesteenweg, werd opgetrokken vanaf 1922 naar ontwerp van vier architecten C. Sol, F. Flerackers, J.B. Van Bouchout en J. Van Peborgh. De gediversifieerde bebouwing - elke architect werkte één huistype en varianten uit - past in een weinig innoverend aanlegplan. In 1925 start de Maatschappij met de verkaveling "Bogaertvelden" in het ten noordoosten van de Antwerpsesteenweg gelegen gebied; in de loop van de volgende elf jaar zal het aantal goedkope woningen hier opklimmen tot 151. Met de bouw van 19 woningen - waaronder één met winkel -, ontworpen door de architecten C. Sol en J. Van Peborgh wordt de "regionalistische" wijk aangezet aan de kant Zon- en Maanstraat; alleen de huizen aan de Zonstraat genieten nog van een tuintje. Het tuinwijkideaal zwakt verder af en het geheel wordt een blok met vrij eenvoudige bebouwing waarin mettertijd ook de regionalistische elementen tot een decoratief minimum worden herleid.

Het bijzondere stadsreglement van 1925 getuigt van een initiële zorg om de homogeniteit binnen de tuinwijken: veranderingen in oppervlakten en groeperingen waren uitgesloten, herverkavelingen en nieuwe bouw evenzeer. De basiselementen bleven aldus doorgaans bewaard, maar het typische houtwerk en een aantal, voor deze architectuur zo bepalende details verdwenen reeds in menig geval. Tot dezelfde regionalistische strekking horen een aantal villa's, ingeplant aan de invalswegen zoals onder meer Antwerpsesteenweg 84 naar ontwerp van J. Van Peborgh of de vrijstaande villa's aan de Mechelsesteenweg, van 1923 en volgende die bovendien op charmante wijze elementen aan het cottage-type ontlenen.

De "Villa Van Boeckel" naar ontwerp van C. Sol, 1926, vormt in dit opzicht een soort scharnierpunt. Enerzijds leunen de baksteenconstructie en -motieven aan bij de regionale bouwwijze, anderzijds werken ruimte- en volumewerking innoverend door hun duidelijke aansluiting bij de internationale strekkingen, halverwege de "organische" en- "functionalistische" richtingen. IJzerwerk en interieurdecoratie knopen dan weer aan bij een zekere gestileerde art deco.

Tot de sobere, enigszins door Nederland beïnvloede baksteenarchitectuur van de jaren 1925-1930 horen onder meer de, enkelhuizenrij aan de Zagerijstraat, met deels bewaard houtwerk en het bedrijfsgebouw huis "De Wildeman" (circa 1928) met zijn strakke opbouw en verticaliserende baksteenlijsten. Naast het strengere, meer monumentale verlengde van de art deco met geometriserende ornamenten - het "Casino" van 1934 door architect B. De Meyer of het "herenhuis (Leopoldplein 1)" van 1925 door F. Flerackers - tekenen zich in de jaren 1930 duidelijk twee strekkingen af. De strakke tendensen van de nieuwe zakelijkheid en het modernisme, worden plaatselijk met een zekere mildheid en zin voor realisme omgezet in goedkoop uitgebalanceerde woningen, die weliswaar aanknopen bij het "klassieke" type doch anderzijds getuigen van een uiterste zin voor functionele en aangename "ruimtelijke" inrichting. Bouwmaterialen blijven vrij traditioneel, met een voorliefde voor gladde gevelsteen, zwarte, witte of goudkleurige tegels; ijzer doet zijn intrede voor ramen, doch vaak gecombineerd met het vertrouwde houtwerk. Met platte daken wordt verder geëxperimenteerd: vaak zijn ze nog naar het gewone patroon gebouwd en afgeschuind aan de achterkant. In deze context lijkt het werk van C. Sol voor Lier wel baanbrekend met woningen als het herenhuis aan het Leopoldplein, het "Huis Van Rompaey", burgerhuis aan de Boomlaarstraat, rijhuis aan de Predikherenlaan. Tot dezelfde richting horen de eigen woning van stadsbouwmeester J. Meulepas,burgerhuis aan de Baron Opsomerlaan, werken van M. Flerackers als het rijhuis aan de Boomlaarstraat.

Het burgerhuis in Nieuwe Zakelijkheid vormt zowat een overgang naar de meer "populaire" richting met zwierige art-deco-inslag. Gladde gevelsteen, afgeronde hoekpartijen, erkers, vensterregisters en patrijspoortjes, kleurrijke tegels en glas in lood worden de ingrediënten voor talrijke gevelcomposities die vaak bijzonder "klassieke" huistypes afschermen en typisch worden voor de rijhuisarchitectuur van nieuwe buurten als bijvoorbeeld de woningen aan de Zagerijstraat nummers 18-20,62-64. Het hoekpand in nieuwe zakelijkheid van circa 1940, door architect E. Brioen verenigt blijkbaar alle karakteristieken.

De "latere" architectuur wordt op verrassende wijze ingeluid door het heropgebouwde hoekpand Werf/Rechtestraat van C. Sol, 1940. In de jaren 1950-1960 werd vaak volgens afgezwakte modernistische princiepen gebouwd of, wellicht noodgedwongen "in de stijl". Het pand Grote Markt/Eikelstraat zal uiteindelijk met zijn voetgangersgalerij de wederopbouwadviezen materialiseren; aan de Markt wordt de scenografie doorgetrokken, de afwerking van de bedakingen biedt echter problematisch volumespel vanuit de Eikelstraat. Voorts volgen tendenzen elkaar op aan een versneld tempo, hun sporen her en der nalatend in het stadsweefsel: bovenmaatse "neo-wederopbouw" en invularchitectuur, "collagebouw" en postmodernisme bieden alleszins reeds de nodige referentiepunten voor de toekomstige geschiedenis van de stedelijke architectuur.

Landelijke architectuur

Landelijke woningen

Deze woningen zijn geconcentreerd in de dorps- en gehuchtkernen, daarbuiten treffen we een aantal voormalige afspanningen aan. De eenvoudige woningen leunen qua indeling en stijl aan bij de hoevebouw, terwijl de meer stijlgebonden woningen - voornamelijk woningen van notabelen - aanleunen bij de stedelijke architectuur.

Zeventiende-eeuwse woningen bevinden zich te Berlaar: herberg In den Hert met jaartal 1671 doch met laat negentiende-eeuws uitzicht; het brouwershuis in traditionele bak- en zandsteenstijl is vermoedelijk uit het einde van de zeventiende eeuw met een circa 1750 toegevoegde deuromlijsting.

Het achttiende-eeuwse aanbod is iets groter en omvat een tweetal voormalige afspanningen te Lier, "In den Draaiboom", verbouwd in de negentiende eeuw, en "'t Plezant" met classicistisch fronton; een tweetal verbouwde woningen in de dorpskern van Berlaar, dorpswoning met jaartal 1788 en dorpswoning met jaartal 1(7)89 en te Koningshooikt "herberg De Wijngaard". Slechts twee woningen behielden hun oorspronkelijk uitzicht namelijk het pastoorshuisje te Lier en de ontpleisterde classicistische herenwoning te Berlaar. Het negentiende-eeuwse aanbod is uiteraard omvangrijk. Uit deze periode kennen we een groot aantal in reeksen gebouwde kleinschalige woningen. De meeste zijn zoals de hoevewoningen uiterst eenvoudige bakstenen constructies onder pannen zadeldaken met rechthoekige -soms met afgeronde hoeken- beluikte vensters en deur voorzien van houten lateien en arduinen lekdrempels (Berlaar, dorpswoning van 1857; Koningshooikt, dorpswoning van 1866; Berlaar, dorpswoning van 1871). Ook qua indeling vertonen sommige woningen gemeenschappelijke kenmerken met de hoevewoning zoals de onderkeldering met opkamer (Koningshooikt, dorpswoningen aan de Bernard Van Hoolstraat nummers 33-35), andere hebben een kleine berging of stalling (Berlaar, woning aan de Aarschotsebaan van 1841 vergroot in 1881; Koningshooikt, dorpswoningen aan de Bernard Van Hoolstraat 41 van circa 1872; Berlaar, woonstalhuisje van 1887). Vanaf circa 1870 komen ook steekboogvormige muuropeningen voor (Berlaar, dorpswoning van 1879; Berlaar, herberg "Huis ten Halve" van 1883; Berlaar, dorpswoning van 1898). Op de stedelijke architectuur geïnspireerde neoclassicistische kenmerken beperken zich tot bepleistering en accentuering van de deur met vlakke omlijsting en waterlijst (Berlaar, dorpswoning van 1847; Koningshooikt, neoclassicistisch burgerhuis van circa 1869 en dorpswoning van circa 1864). De woningen van de notabelen van twee bouwlagen, eertijds met omgevende tuinen vertonen eveneens neoclassicistische kenmerken (Koningshooikt, herenhuis van circa 1857 en herenhuis van circa 1878; Berlaar, brouwerij "Het Hoefijzer" van circa 1881), of zijn eenvoudige bakstenen constructies met steekboogvormige muuropeningen (Berlaar, dorpswoning en burgerwoning aan de Pastorijstraat van 1896).

In het begin van de twintigste eeuw komen eenvoudige kleinschalige woningen van het negentiende-eeuwse type voor (Berlaar, dorpwoningen Itegembaan nummers 70-74, arbeidershuisjes van 1904, woonstalhuisje van 1907, woonstalhuisje van circa 1910; Koningshooikt, dorpswoningen van circa 1911), in enkele gevallen versierd met banden en omlijstingen van gekleurde of geglazuurde baksteen (Berlaar, dorpswoning van 1935, dorpswoning van 1904; Koningshooikt, dorpswoningen van circa 1910, dorpswoningen van circa 1909).

De grotere burgerhuizen en woningen van notabelen vertonen ook, maar dan rijker uitgewerkt, versieringen van gekleurde of geglazuurde baksteen (Berlaar,herberg "De Schoolvilla" van 1908, burgerwoning van circa 1908, burgerhuis van 1923; Koningshooikt, burgerhuis van 1926; Berlaar,dorpswoningen van 1926); aangevuld met art-nouveaukenmerken (Berlaar, burgerhuis van 1907, en burgerhuis van 1912/a>; Koningshooikt, dorpswoning van circa 1907); of cottage-elementen (Berlaar, burgerhuis van circa 1907; Koningshooikt, villa in cottagestijl van circa 1913; Berlaar, landhuis van 1913; Koningshooikt, burgerhuis in cottagestijl van circa 1924). Eén woning vertoont licht neogotische kenmerken (Koningshooikt, neogotisch burgerhuis van circa 1908). Een groot aantal woningen zijn vrijstaand, maar opgevat als rij huizen met een tot de voorgevel beperkte versiering. Dit in tegenstelling tot de woningen in nieuwe zakelijkheid waarbij de volumewerking primeert (Berlaar, twee burgerhuizen in nieuwe zakelijkheidstijl van 1935 naar ontwerp S. Strauven).

Hoevegebouwen

Het meest voorkomende type is de bakstenen langgestrekte hoeve, met woning, stalling en schuurtje onder hetzelfde dak, daterend uit de negentiende en twintigste eeuw (Berlaar, langgestrekte hoeve). De rijkere middelgrote hoeve met losstaande bestanddelen, voornamelijk daterend uit de achttiende eeuw, omvat een woonstalhuis, een tweebeukige zogenaamde Brabantse langsschuur, een wagenberging en een overwegend tweeledig bakhuis. Dit hoevetype is veelal voorzien van een omgrachting en het domein is toegankelijk via een vrijstaande bakstenen poort (Berlaar, Hoeve "Ancien Château de Lab(l)istrata").

Tot ver in de twintigste eeuw vertonen de hoeven eenzelfde functionele opbouw en indeling. De voorgevel van de woning wordt overwegend naar het zuiden gericht en bevat meestal twee kamers en een moos, half ondergrondse kelders met daarboven opkamers, meestal gesitueerd in de noordoostelijke hoek.

Dateringen door middel van gesinterde baksteen (Berlaar, hoeve aan de Bosstraat), of muurankers (Lier, hoeve met boerenhuis van 1718), of ook nog in smeedijzer (Berlaar, hoeve aan de Itegembaan) komen voornamelijk voor in de achttiende eeuw. Een moestuin en boomgaard ontbreken niet, en het hoevedomein van de niet omgrachte hoeven is afgepaald of omhaagd (Lier, hoeve aan de Bremstraat).

Hoeven waarvan het woonhuis kan behoren tot de zestiende(?) of zeventiende eeuw, moeten eerder bestempeld worden als voormalige buitenplaatsen of kasteeltjes (Berlaar, hoeve Hooghuys; Lier, Jezuïetenhoeve; Berlaar, hoeve Elink Schrans; Berlaar, "grote Hamerhoeve; Berlaar, Hoeve "Ancien Château de Lab(l)istrata"). De hoeve aan de Bosstraat te Berlaar werd meermaals verbouwd en enkel het jaartal 1687 verwijst nog naar een zeventiende-eeuwse kern.

Voornoemde gebouwen werden zoals de stedelijke gebouwen opgetrokken in bak- en zandsteenstijl met twee bouwlagen, zijpuntgevels met schouderstukken en enkel het Hooghuys te Berlaar heeft zandstenen banden. Zandstenen kruiskozijnen komen voor en de rondboogdeurtjes zijn gevat in een zandstenen geprofileerde omlijsting (Berlaar, hoeve Elink Schrans, de Jezuïetenhoeve heeft een barokdeurtje.

Het aanbod van middelgrote gedateerde hoeven uit de achttiende eeuw is bijzonder groot en is voornamelijk te danken aan de toenmalige intensieve grondontginning.

Deze hoeven zijn vrij breed en voorzien van een monumentale bedaking en soms van zijpuntgevels met schouderstukken (Koningshooikt, Sander De Vosstraat 138, en Mijlhoeve; Lier, hoeve aan de Paaiestraat) en bij de woonstalhuizen is het stallinggedeelte breder uitgebouwd.

Tot in het begin van de achttiende eeuw komen nog gekalkte banden voor, terwijl de traditionele bak- en zandsteenstijl stand houdt tot circa 1780. De zandstenen kruiskozijnen vertonen in de eerste helft van de achttiende eeuw tweeledige ontlastingsbogen met hoek- en sluitstenen (Lier, hoeve met boerenhuis van 1718; Lier, hoeve aan de Paaiestraat met jaartal 1742; Berlaar, hoeve "'t Slootje" mogelijk van circa 1744), of eenvoudige tweeledige ontlastingsbogen (Berlaar, hoeve met jaartal 1765; Hooghuys). Geprofileerde tussendorpels voor de luikaanslag vinden we bij een tweetal hoeven uit het begin van de eeuw (Koningshooikt, Sander De Vosstraat 138; Lier, hoeve met boerenhuis van 1718).

Vanaf de tweede helft van de eeuw verschijnt een ander venstertype namelijk steekboogvensters met arduinen dorpels en tussendorpel, met getralied en beluikt benedengedeelte (Lier, hoeve met jaartal 1771; Lier, kartuizerhoeve; Berlaar,hoeve met jaartal 1792), of getraliede steekboogvensters met arduinen dorpels of geprofileerde en bepleisterde bakstenen waterlijst (Berlaar, Gasthof den Engel; Koningshooikt, Gasthoeve mogelijk van circa 1773), en zelfs eenvoudige rechthoekige vensters (Lier, Hoevecomplex Molendonckschranshoeve; Koningshooikt, langgestrekte hoeve).

De rondboogdeuren zijn gevat in een geprofileerde omlijsting met diamantkopvormige imposten en sluitsteen, soms voorzien van een waterlijst (Koningshooikt, boerenwoning; Berlaar, "Boterhoeve"; Berlaar, Gasthof den Engel). Daarnaast treffen we steekboog- of rechthoekige deuren aan met gestrekte tussendorpel op consoles en getralied bovenlicht (Koningshooikt, langgestrekte hoeve ; Berlaar, hoeve met jaartal 1765). Hoeve aan de Itegembaan te Berlaar bezit een fraaie deur met geprofileerde en bepleisterde bakstenen omlijsting, bovenlicht met inzwenkende hoeken en rechte kroonlijst. Naast een evolutie bij vensters en deuren zien we in de tweede helft van de achttiende eeuw ook eenvoudige rococo-elementen opduiken, zoals de kwarthol geprofileerde en bepleisterde kroonlijst (Berlaar, hoeve aan de Itegembaan; Lier, hoeve aan het Maaikeneveld).

Bij de bedrijfsgebouwen nemen de vrij monumentale tweebeukige schuren een aparte plaats in. De bakstenen langsschuren onder zadeldaken (Berlaar, hoeve "'t Slootje") zijn soms in de zijpuntgevels voorzien van verluchtingsgaten (Lier, kartuizerhoeve; Lier, hoeve aan de Wolfslei). Een aantal schuren heeft een wolfs- of schilddak met in de uitgespaarde hoeken de toegangspoort. Deze uitgespaarde hoek is beplankt (Berlaar, kasteelhoeve; Berlaar, hoeve aan de Gangelberg) of voorzien van een laadluik en afgeschuind gedeelte (Berlaar, Hooghuys, en "Kleine Hamerhoeve"). Merkwaardig is de schuur van de hoeve aan de Huttestraat te Berlaar met nog bewaard vakwerk. Vermelden we tenslotte dat de omgrachte hoeven toegankelijk waren via een vrijstaande bakstenen toegangspoort onder zadeldakje met korfboogvormige doorgang (Lier, Jezuïetenhoeve; Berlaar, Hoeve "Ancien Château de Lab(l)istrata"), of voorzien van zijpuntgevels met duivegaten (Lier, kartuizerhoeve).

Uit de negentiende eeuw kennen we zowel langgestrekte hoeven als hoeven met losstaande bestanddelen. Ten opzichte van de achttiende eeuw zijn deze rechthoekige hoevegebouwen smaller en voorzien van pannen zadeldaken met een minder steile dakhelling. De vensters - beluikt en met diefijzers - en de deuren van de woning zijn rechthoekig, met arduinen of houten lateien. Op het einde van deze eeuw verschijnen ook getoogde muuropeningen. De overige gebouwen zijn meestal voorzien van rechthoekige muuropeningen met houten lateien (Lier, hoeve aan de Paaiestraat, hoeve aan de Mijl, "Hagenbroekse Hoeve", hoeve aan de Bremstraat, hoeve aan de Mechelsesteenweg , hoeve aan de Hagenbroeksesteenweg).

De woning wordt soms versierd met een smalle geprofileerde en bepleisterde daklijst, die we op basis van kadastergegevens - kadaster opgericht in 1835 - kunnen situeren in de periode van circa 1835 tot 1875 (Berlaar, hoeve aan de Hertstraat van circa 1857, hoeve van circa 1861 en hoeve van circa 1869; Koningshooikt, hoeve aan de Beekstraat). Vanaf circa 1867 zien we getande bakstenen daklijsten (Koningshooikt, hoeve aan de Liersebaan; Berlaar, hoeve aan de Liersesteenweg van 1867).

De hoeve aan de Smidstraat te Berlaar van 1842 leunt door het gebruik van een brede geprofileerde en bepleisterde daklijst en afgewolfde bedaking nog aan bij het achttiende-eeuwse type, en hoeve aan de Ezenhoek te Berlaar van 1876 vertoont ruitvormige casementen onder de daklijst.

Er werden nog hoeven opgetrokken in vakwerk, zoals de langgestrekte hoeve te Koningshooikt, hoeve aan de Sander De Vosstraat van circa 1845 waar bij de verstening nog houten daklijsten en een standvink bewaard bleven. Voornamelijk bedrijfsgebouwen werden nog opgetrokken in vakwerk, doch later voorzien van bakstenen muren, inwendig behielden deze constructies hun stijl- en regelwerk (Koningshooikt, hoeve met wagenhuis uit circa 1842; hoeve aan de Beekstraat schuur opgetrokken circa 1837).

Tot ver in de twintigste eeuw worden eenvoudige, overwegend langgestrekte hoevetjes gebouwd met traditionele indeling (Berlaar, hoeve aan de Molenveld van 1904; Koningshooikt, hoeve aan de Aarschotsesteenweg van circa 1909 en "Rijpermanshoeve" van circa 1913; Berlaar, hoeve aan de Liersesteenweg van circa 1924 vergroot circa 1938).

De middelgrote hoeven worden opgetrokken, of na verwoesting tijdens de Eerste Wereldoorlog heropgebouwd, met behoud van de traditionele indeling en met elementen verwijzend naar de traditionele bak- en zandsteenstijl zoals banden, kruiskozijnen, rondboogdeuren, dakvensters voorzien van trapgeveltjes (Berlaar, Hoeve Karthuyzerhoef verbouwd circa 1903; Berlaar, Witte Hoeve van 1906; Lier, Suikerhoeve van 1916-1918; Koningshooikt, hoeve aan de Beekstraat van circa 1920 en hoeve aan de Kruisstraatvan circa 1923). Sommige vertonen kenmerken van de cottagestijl door gebruik van pseudo-vakwerk (Lier, "Schranshoeve" naar ontwerp van J. Meulepas; Koningshooikt, hoeve in cottagestijl en hoeve van circa 1920), of referenties naar de barokstijl (Koningshooikt, hoeve aan Tallaart; Lier, hoeve van 1904), of ook naar de achttiende eeuw (Lier, Hertog Jansstraat 216 van 1921).

Naast hoevegebouwen met traditionele opstelling, treffen we hoeven aan die aan de straatzijde bestaan uit een vrijstaand boerenburgerhuis met aanpalende en uit het zicht geplaatste bedrijfsgebouwen, zodat de hoevefunctie niet meer onmiddellijk opvalt (Koningshooikt, herenhoeve met stallingen van circa 1911, en een hoeve in cottagestijl; Lier, villa Nieuwendijk waarvoor bouwaanvraag van 1920).

Kastelen en buitenplaatsen

De aanwezigheid van twee prachtige kastelen weerspiegelt het belang van de vroegere heerlijkheid Gestel. Rekening houdend met de strategische ligging aan de Nete is het Rameyenhof vermoedelijk gegroeid uit een versterkte plaats of Romeins castrum. Als oudst gekende eigenaar wordt Jan II Berthout aangehaald in een vredesbestand van 1303. De tot in de dertiende eeuw opklimmende donjon werd geïntegreerd in deze waterburcht, waarvan de U-vormig geschikte vleugels met ronde hoektorens waarschijnlijk dateren uit de zestiende eeuw.

Het Gestelhof werd opgericht circa 1562 door Pieter Van Dale, heer van Gestel. Het rechthoekige kasteel in traditionele stijl werd grotendeels herbouwd in 1878-1881 in neo-Vlaamse renaissance- en neobarokstijl naar ontwerp van A. Cuypers; het zestiende-eeuwse poortgebouw met houten ophaalbrug bleef bewaard, terwijl de neerhofgebouwen in de tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste werden uitgebreid en aangepast met neorenaissance-uitzicht.

Volgens de smaak van de tijd werden in de loop van de negentiende eeuw rondom de stadskern van Lier een aantal landhuizen opgetrokken, vaak ter plaatse van een ouder "hof". Het laat-classicistische Ringenhof vertoont een typische Palladiaanse inslag, door het gebruik van kolossale Dorische zuilen voor de centrale portiek. Het sober opgevatte Hagenbroekshof hoort eveneens thuis in de laat-classicistische richting, terwijl het Ravensteenhof met zijn symmetrische en strakke gevelordonnantie een mooi voorbeeld is van de neoclassicistische richting. Hierbij aansluitend vermelden we het zogenaamde Berlaarhof, een typisch dorpskasteeltje in het centrum van Berlaar, met neo-Lodewijk XV en -XVI elementen. Verspreid in het onderzochte gebied vinden we nog een aantal mogelijke resten van vroegere buitenplaatsen zoals de Jezuïetenhoeve en het Hooghuys. Van het achttiende-eeuwse Hof van Lachenen bleef enkel de aanleg bewaard.

INDUSTRIEEL ERFGOED

Om aan de steeds weerkerende wateroverlast in de stad tegemoet te komen werd in 1426 de vestingsgracht gegraven, die de Grote met de Kleine Nete verbond. Aansluitend hierop werden twee sluizen gebouwd, het Groot Spui en het Klein Spui, zodat het water rond de stad kon geleid worden. Enkel het Groot Spui, opgetrokken uit baksteen met speklagen van witte steen, bleef bewaard; het werd gebouwd tussen 1508 en 1516 onder leiding van de architectenfamilie Keldermans.

Van de water- en windmolens, die het Lierse stadsbeeld bepaalden tot het begin van de twintigste eeuw en die gelegen waren op de stadswallen en aan de Nete, bleven geen materiële sporen bewaard.

Parallel met de uitbouw van het spoorwegnet in de loop van de negentiende eeuw, werden de eerste stations gebouwd: het neoclassicistische station van Lier naar ontwerp van A. Payen dateert van 1861 en sluit nauw aan bij de typisch bepleisterde stationsarchitectuur. Het station van Berlaar, dat afbrandde in 1912, werd heropgebouwd in een landelijke stijl met neoclassicistische kenmerken. Het bewaarde spoorwachtershuisjeaan de lijn Lier -Turnhout dateert van circa 1855 en is mogelijk het oudst bewaarde in België.

Door de specifieke situatie van Lier, dat ondanks de industriële revolutie nagenoeg verstoken bleef van nijverheid en vooral gekenmerkt werd door kleine familiale bedrijven, zijn er slechts een zeer beperkt aantal industriële complexen bewaaid. Enkele van deze laat achttiende-eeuwse constructies werden gerenoveerd tot woonresidenties: "De Tiber", een pakhuis met droogzolder van de gelijknamige brouwerij, gebouwd circa 1797 en de voormalige brouwerij "De Papegaai"; de vroegere graanopslagplaats "De Fortuin" werd omgevormd tot restaurant, grotendeels met behoud van de houten binnenstructuur. Om te voorzien in de gasverlichting werd in 1856 een gasfabriek opgericht. Deze constructie sluit nog volledig aan bij het neoclassicisme, terwijl de latere fabrieksarchitectuur louter functioneel zal opgevat worden.

De imposante bakstenen bedrijfsgebouwen van de voormalige Stoombloemmolens Hellemans, met hun karakteristieke inplanting nabij de Grote Nete, zijn heden buiten gebruik, evenals de gebouwen van de voormalige margarinefabriek van J. Albers in de Rivierstraat met bijhorend huizenblok uit de jaren 1930.

Resten van negentiende-eeuwse dorpsbrouwerijen komen voor in de achtergebouwen van de brouwerij "Het Hoefijzer" te Berlaar en aan het neoclassicistisch burgerhuis en brouwerij te Koningshooikt. Brouwerij "De Kroon", te Berlaar zou opklimmen tot de achttiende eeuw. De resterende constructies van deze bedrijven zijn heden buiten gebruik of omgevormd tot opslagruimten.

De watertoren te Lier is van het type van zuilvormige torens met hangbodemkuip, gebouwd in 1940 met een capaciteit van 1000 kubieke meter.

Het huidige uitzicht van Koningshooikt wordt mede bepaald door de uitgestrekte inplanting van bedrijfshallen van het carrosseriebedrijf Van Hool, opgericht in 1947 en sedertdien sterk uitgebreid.

Ook in deze streek weerspiegelt dus het hier doorgelichte bouwkundig erfgoed de diverse facetten van de socio-economische en culturele evolutie. Naast befaamde "grote" monumenten die reeds lang werden opgenomen en beschreven in de architectuurgeschiedenis van onze gewesten krijgt de "architectura minor" de rol toebedeeld die haar in feite toekomt. Als streekgebonden uiting van het leven, wonen en werken door de eeuwen heen brengt ze ons dichter bij de "echte", "nieuwe" geschiedenis van een stad en haar landelijke omgeving.


Bron     : Kennes H. & Wylleman L. 1990: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Mechelen, Kanton Lier, Bouwen door de eeuwen heen in in Vlaanderen 13N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Kennes, Hilde, Wylleman, Linda
Datum  : 1990


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Kanton Lier [online] https://id.erfgoed.net/themas/16221 (Geraadpleegd op 29-09-2020)