Geografisch thema

Kanton Turnhout

ID: 16229   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16229

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Het kieskanton Turnhout in het gelijknamige arrondissement beslaat het noordoostelijk deel van de provincie Antwerpen; ten noorden grenst het aan Nederland, de kieskantons Arendonk (oosten) en Hoogstraten (westen), ten zuiden aan het kieskanton Herentals.

Turnhout, Beerse met Vlimmeren, Vosselaar en Oud-Turnhout zijn Kempense gemeenten, gelegen in de substreek Noorderkempen.

Turnhout zelf met centrumfunctie voor de omringende regio is een typische provinciestad, de overige gemeenten zijn geëvolueerd tot woondorpen. De aanleg van het kanaal was doorslaggevend voor de industrialisering van Beerse en Turnhout; het spoor met slechts één rechtstreekse lijn over Mechelen naar Poperinge droeg in geringere mate bij tot de ontsluiting van het gebied. Het landelijk karakter bleef voornamelijk bewaard aan de randen van het kanton. De heterogene bebouwing is er zelden ouder dan negentiende-eeuws.

LANDSCHAPSTYPERING

Wat betreft de indeling in traditionele landschappen volgens professor M. Antrop, behoort het kanton Turnhout tot de Noorderkempen en meer bepaald tot het land van Turnhout-Poppel.

De Noorderkempen worden gevormd door een cuestarug van de kleien van de Kempen, gedeeltelijk onder dekzand en met plaatselijke duinen. Het kanton behoort grotendeels tot het Scheldebekken en de gronden wateren af via de Aa naar de Kleine Nete. De waterscheidingskam tussen het Scheldebekken en het Maasbekken ligt op de westrand van het grondgebied van Turnhout en loopt over het vennengebied naar het noordoosten van de gemeente. Het brongebied van de Mark ligt ter hoogte van de Zandvenheide. Het vrij vlakke gebied heeft een eerder beperkt hydrografisch net, met niet echt grote waterlopen en uitgesproken beekdalen.

Het overwegend vlak landschap wordt gekenmerkt door grote blokvormige patronen van vegetatiemassa's en open ruimten. Die open ruimte is grotendeels intensief landbouwgebied met grote rechthoekige percelen en wijdse gezichten (meest typisch ten noorden van Turnhout en ten zuidoosten van Oud-Turnhout). De vegetatiemassa's zijn soms nog uitgestrekte blokken van naald- en loofbossen, heiden, (hoog)venen, (laagveen)moerassen, vennen en schraallanden.

Van de Middeleeuwen tot in de tijd van de historische kaart van Ferraris, tweede helft achttiende eeuw, was het landschap slechts zeer beperkt veranderd. De stad Turnhout had wel een belangrijke regionale functie doch de landschappelijke implicaties waren eerder beperkt. De gebieden rond stad en gemeenten, alsook een talrijke reeks landbouwkernen waren in landbouwexploitatie. Het overgrote deel was echter heide. Ter hoogte van de Liereman kwam een uitgestrekt moeras voor. De vallei van de Aa was in gebruik als hooi- en grasland. Verspreid kwamen kleinere bossen voor; in het besproken kanton maakte enkel het zuiden van Vosselaar deel uit van een groter loofboscomplex, het Grotenhoutbos.

In een aantal ontwikkelingen, die het landschap later ingrijpend hebben gewijzigd, kan veel van die landschapsstructuur worden herkend en bleven relicten voortbestaan.

De oudste landbouwontginningen, die een open field landschap vormden rond de gemeentekernen van Turnhout, Beerse, Vosselaar en ook grotendeels in Oud-Turnhout, zijn door bebouwing en aanleg van allerhande infrastructuur bijna volledig verdwenen. Ook op andere plaatsen, onder meer in de bossen, is er zeer intens verkaveld, zowel voor bewoning als voor recreatie.

Landbouwontginningen uit de volle Middeleeuwen kwamen onder meer voor ten noorden van de Turnhoutse stadskern, waar een kleinschalig heggen- en houtkantengebied was ontstaan; de zone ten noorden van het kanaal Schoten-Dessel, ter hoogte van De Wieltjes en Heizijde, is hiervan een relict.

De systematische landbouwontginning, door de opkomst van kunstmeststoffen eind vorige en begin deze eeuw ingezet, ligt aan de oorsprong van die zo typische, wijdse open gebieden.

De talloze heidetoponiemen herinneren nog aan de immense heide van weleer. Beschermde natuurgebieden als de Liereman en het vennengebied ten noorden van Turnhout hebben, naast een uitzonderlijke natuurwaarde, tevens een grote landschappelijke waarde als vrij intact voorbeeld van een oud-Kempens landschap. De natuurwaarde wordt bepaald door de rijk gevarieerde en op bepaalde plaatsen zeldzame flora en fauna, met de klemtoon op soorten die aan zuiver water en een voedselarm milieu zijn gebonden. Zeldzaam geworden begroeiingen van de heiden, de (hoog)venen, (laagveen)moerassen, vennen en schraallanden komen hier, op soms grote oppervlakten, voor. Een ander deel van de voormalige heide is bebost. De talrijke naaldhoutcomplexen getuigen van deze systematische ingreep, evenals de meerdere loofbossen, onder meer ten noorden van Turnhout. Vele van die bossen zijn inmiddels weer verkaveld voor bewoning en recreatie (onder meer in Vosselaar en Oud-Turnhout), of benut voor de aanleg van twee vliegvelden (te Vosselaar en Beerse).

Van het landduinencomplex zijn momenteel enkel Het Looi en de Konijnenberg, respectievelijk ten noorden en ten westen van de dorpskern van Vosselaar nog vrij intact bewaard. In Oud-Turnhout rest nog een zone ter hoogte van de Korhaan.

Van het Grotenhoutbos in het zuidelijk deel van Vosselaar werden delen ontgonnen voor landbouw. Relicten van alluviale en (deels gemengde) mesofiele bossen zijn nog aanwezig.

Het kanaal evenals de spoorweg en een aantal wegen, aangelegd in de loop van de negentiende eeuw, brachten ingrijpende veranderingen in het landschap. Landbouwuitbreidingen kwamen op gang alsook de vestiging van zeer uiteenlopende industrieën. Ook de kleiontginning, voor de steen- en pannenbakkerijen, nam in die periode grootschalige vormen aan; ze veroorzaakte in deze zone talrijke waterplassen. Een aantal, zoals in de omgeving van het Blak, Oosteneinde, Karpermeer groeien nu uit tot zeer waardevolle natuurgebieden, of zijn dit reeds. Ook de recente zandwinningsput, de Melle-vijver, vertoont een gelijkaardige ontwikkeling.

In het beekdal van de Aa, de Grote Kaliebeek en de Visbeek zijn alluviale bossen en plaatselijk hooi- en moerasland aan te treffen.

In het gebied komen een aantal parken of landgoederen voor zoals Filipkensvijver, Boones Blijk, de Paai, De Doolhof, Heiken, domein De Somer. Zij hebben naast een landschapsarchitecturale waarde tevens een dendrologische en een belangrijke natuurwaarde.

Hoewel de felle uitbreiding van de bewoonde oppervlakte, de nijverheid en de bijhorende infrastructuren het kanton een verstedelijkte indruk hebben gegeven, komen nog grote oppervlakten gave landschappen en waardevolle natuurgebieden voor, herkenbaar als traditioneel Kempens landschap.

HISTORISCHE ACHTERGROND

In Turnhout en Oud-Turnhout zijn schaarse aanwijzingen voor een prehistorische bewoning, in Vosselaar en Beerse verwijzen de vroegste sporen naar de Gallo-Romeinse beschaving. Ook van een Frankische aanwezigheid wordt, met name in Vlimmeren en Vosselaar, gewag gemaakt. De beschikbare gegevens zijn echter (nog) zo beperkt dat de vroegste geschiedenis van het kanton voorlopig vrij duister blijft.

De pagus Taxandriae, een uitgestrekte landstreek die min of meer overeenstemt met de huidige Kempen, behoorde tot het Karolingische kerngebied Lotharingen, dat vanaf 925 bij het Duitse keizerrijk werd ingelijfd. Circa 980 werd, ter verdediging van de westelijke Scheldegrens van dit Heilig Roomse Rijk, het markgraafschap Antwerpen opgericht, met de Antwerpse burcht als centrum en reikend tot de lijn Breda-Turnhout-Mol; het verenigde het Land van Ryen (het Antwerpse) en een deel van Taxandria onder het huis van Ardennen (1008-1100); in 1106 echter verwierven de graven van Leuven én de titel van "hertog van Brabant", én de heerschappij over het markgraafschap. Als een afzonderlijke eenheid binnen het hertogdom, ook hoofdkwartier Antwerpen genoemd, was het markgraafschap op zijn beurt onderverdeeld in aanvankelijk negen en later, na de scheiding der Nederlanden (1585, 1648), zeven kwartieren waaronder de Vrijheid Turnhout; deze omvatte Turnhout met Oud-Turnhout, Arendonk, Poppel, Weelde, Ravels, Wechelderzande, Vlimmeren, Lille, Gierle, Baarle-Hertog, Beerse, Merksplas, Rumst (ten dele), Vosselaar, Wilmarsdonk, Borgvliet en Stabroek. Binnen deze territoriale omschrijving figureerden, in het kader van de feodaliteit, talrijke heerlijkheden, veelal soeverein beheerd door lokale heren of religieuze instellingen.

De centrale ligging in het hertogdom Brabant en de grenspositie ten aanzien van het Maasland waren voor de hertog voldoende redenen om in Turnhout zijn macht te vestigen en het, althans tot 1356, persoonlijk in bezit te houden; in 1347 verpandde hertog Jan III het zogeheten "Land van Turnhout", dit is de toenmalige stad en een aantal omringende dorpen (Arendonk, Poppel, Weelde, Ravels, Wechelderzande, Vlimmeren, Lille, Gierle, Baarle-Hertog, Beerse; Merksplas, Vosselaar), waaronder alle tot het huidige kanton behorende gemeenten, als bruidsschat aan zijn dochter Maria en haar gemaal Reinoud III van Gelre. Het overlijden van Jan III en de onderschrijving van de beroemde Blijde Inkomst in 1356, ontketenden de Brabantse Successieoorlog; Maria van Brabant, die aan haar erfrecht op Brabant verzaakte, ontving bij wijze van compensatie het Land van Turnhout als erfelijk leen. Na haar dood in 1399 werd dit terug bij Brabant gevoegd, doch tot aan het einde van het ancien regime bleef het apart bestuurd en financieel beheerd. Het wel en wee van het Land van Turnhout, de opeenvolgende bewindvoerders, hun invloed en betrokkenheid bij de lokale geschiedenis worden in de gemeente-inleiding van Turnhout uitvoerig beschreven. Gezien de bestuurlijke geschiedenis van Turnhout en de overige gemeenten van het kanton in grote lijnen dezelfde is zou een herhaling hier overbodig zijn. Vooral het verleden van het vroegere gehucht Oud-Turnhout was nauw verbonden met de geschiedenis van de hoofdgemeente, waarvan het pas in 1859 als zelfstandige gemeente werd afgescheiden. Beerse en Vosselaar, één heerlijkheid binnen het Land van Turnhout, werden in 1805 bestuurlijk gescheiden; Vlimmeren dat administratief met Wechelderzande was verbonden, werd in 1768 zelfstandig. Het gehucht Schoonbroek, voorheen deel van Turnhout en later van Oud-Turnhout, werd in 1977 bij Retie gevoegd.

De krachtlijnen van de algemene geschiedenis der Lage Landen gelden uiteraard ook voor het behandelde kanton. Vanaf 1384 kwamen onze gebieden onder de invloedssfeer van de Bourgondische vorsten, die naast een territoriale eenmaking ook een bestuurlijke centralisatie doorvoerden. Opvallend voor Turnhout, tot eind zeventiende eeuw, zijn de geregelde vorstelijke aanwezigheden, die vooral weerklank vonden in de evolutie van het kasteel en zijn onmiddellijke entourage, en bovendien voor stad en omgeving militair en economisch voordeel opleverden. Dat de vergaderingen van de Staten van Brabant onder de Bourgondiërs soms in Turnhout werden gehouden, wijst in ieder geval op een verworven prestige.

In 1482 ging de macht over op Maximiliaan van Oostenrijk, in 1506 op de Spaanse Habsburgers. De overdracht van het Land van Turnhout aan het huis van Nassau, door de Vrede van Munster in 1648 bedongen, bevorderde de verstandhouding met de Noordelijke Provincies maar de Habsburgse soevereiniteit bleef er wel gehandhaafd. Met de Vrede van Utrecht, die in 1713 de Spaanse Successieoorlog afsloot, kwamen de Oostenrijkse Habsburgers op de troon. Evenals hun voorgangers voerden ze een absolutistisch bewind. De relatieve rust onder Maria Theresia (1740-1780) bracht een zekere welvaart en verbetering van infrastructuren, die voorlopig beperkt bleven tot de huidige arrondissementen Antwerpen en Mechelen; de ordonnanties van 1772-1773 betreffende grondonteigeningen, bedoeld om woeste gronden vruchtbaar te maken, werden in het besproken kanton amper toegepast.

Jozef II, die met één pennentrek eeuwenoude instellingen en gebiedsomschrijvingen door nieuwe mechanismen wilde vervangen, stuitte bij de plaatselijke bevolking op hevig verzet. De Brabantse Omwenteling en de overwinning van de patriotten op de Oostenrijkers in de straten van Turnhout, in 1789, gaven het startsein voor de oprichting van de Republiek van de Verenigde Belgische Staten. De geplande indeling, bij keizerlijk edict van 1787 van het huidige Belgische grondgebied in negen kreitsen, was een voorafspiegeling van de tegenwoordige provinciale configuratie; de indeling van de provincie Antwerpen in drie districten stemt overeen met de huidige arrondissementen Antwerpen, Mechelen en Turnhout.

Het Franse tijdvak (1792, 1794-1814) bracht, behalve een kortstondige structurele wijziging en de aanhechting van Klein-Brabant, ook een naamsverandering van provincie Antwerpen in departement der Twee Neten niet zich mee; de indeling in kantons, zoals we die vandaag nog kennen, dateert van 1801. Het nieuwe regime streefde een volledige assimilatie met Frankrijk na doch was niet bij machte het particularisme en de traditionele waarden in onze gewesten te onderdrukken, met de fameuze Boerenkrijg (1798) als gevolg.

De symbolische terugkeer tot de situatie van de Zeventien Provinciën onder het Verenigd Koninkrijk (1815-1830) was slechts van korte duur. De nog steeds geldende provinciale structuren werden binnen het Belgisch bestel in de provinciewet van 1836 vastgelegd.

De stichting van parochies tijdens de vroege Middeleeuwen, gebeurde onder de suprematie van het bisdom Kamerijk en zeer fragmentair, het bisdom Luik. De politiek-religieuze conflicten in de tweede helft van de zestiende eeuw leidden, onder Filips II, tot nieuwe kerkelijke omschrijvingen; door de oprichting van het aartsbisdom Mechelen, met zes afhankelijke bisdommen, vielen de parochies van het behandelde kanton sedert 1559 onder het bisdom Antwerpen; vanaf 1802 ressorteerden ze onder Mechelen en vanaf 1962 terug onder Antwerpen.

De economische evolutie van het kanton Turnhout wordt enerzijds gefocust op een verstedelijkte nooit omwalde kern, begin dertiende eeuw met vrijheidskeuren en een stadszegel begiftigd, anderzijds wordt ze bepaald door het overwegend agrarisch karakter van het gebied; pas in de negentiende eeuw brengt de ontsluiting van het gebied een manifeste doorbraak van industriële activiteiten met voor Turnhout zelf vooral de papierverwerkende en grafische nijverheid, aan het kanaal baksteen-, cement- en scheikundige bedrijven. In het heden sterk verstedelijkte gewest primeert de tertiaire sector; de regionale centrumpositie van Turnhout verklaart de aanwezigheid van vele openbare diensten, talrijke scholen, een voormalige kazerne.

ARCHITECTUUR

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR
Kerken

De kerken in het kanton Turnhout zijn grosso modo terug te voeren tot drie hoofdcategorieën: de oorspronkelijke dorpskerken in Brabants-gotische stijl, meestal opgetrokken tweede helft vijftiende - eerste helft zestiende eeuw, de kerken in neostijl uit eind negentiende, begin twintigste eeuw, vrijwel alle gebouwd door de provinciale architecten Petrus Jozef en Jules Taeymans en tenslotte de hedendaagse, waarvan het leeuwendeel naar ontwerp van architect R. Van Steenbergen senior. Kenmerkend voor de Kempense kerken is het doorgedreven gebruik van baksteen.

Resten van romaanse of vroeggotische bebouwing zijn alleen terug te vinden in de onderbouw van enkele westertorens, waarvan het gesloten karakter verwijst naar de vroegere versterkingsfunctie. Zowel in de bakstenen torenbasis van de Turnhoutse Sint-Pieterskerk als in de onderbouw van de Sint-Bavokerk te Oud-Turnhout zijn nog sporen van een oudere, dertiende- of veertiende-eeuwse kern aanwezig; onder de voormalige kerk in Beerse werden de grondvesten van een Romaanse kapel teruggevonden.

Van de Brabants-gotische kerken met latere aanpassingen vormt de koorpartij van de Sint-Pieterskerk in Turnhout een interessante laatgotische realisatie uit de vijftiende eeuw. De verhoging van het schip alsook de verbouwing van zijbeuken en transept, werden uitgevoerd in de achttiende eeuw naar de plannen van Jan Pieter Van Baurscheit de Jonge; zowel op de opbouw, afwerking als inrichting van het interieur liet hij zijn stempel na.

De gotische Sint-Bavokerk te Oud-Turnhout uit de veertiende- en vijftiende- eeuw, kreeg in de achttiende eeuw een binnenafwerking en zijbeuken, in 1901 een sacristie. Wellicht na de oprichting van de parochie, in 1678, kreeg de in oorsprong veertiende-eeuwse kapel te Vlimmeren haar huidig laatgotisch uitzicht, vermeerderd met een stoere westertoren omstreeks 1770.

Behalve verbouwingen en vergrotingen aan bestaande kerken hebben de provinciale bouwmeesters P.J. en zijn zoon J. Taeymans de Kempen een aanzienlijke oeuvrelijst aan nieuwbouwkerken in neostijlen nagelaten. In het kanton Turnhout zijn dit onder meer de neoromaanse parochiekerken te Zevendonk (1872-1874, in 1991 gesloopt) en Oosthoven (1889-1893). De meest indrukwekkende is de neogotische Heilig Hartkerk (1903-1907), evenals de vorige naar ontwerp van P.J. Taeymans doch opgetrokken onder leiding van zijn zoon en kaderend in een hele wijkaanleg; haar hoge ranke toren is van heinde en verre te zien. In zijn laatste, postuum gebouwde kerk, geeft P.J. Taeymans duidelijk blijk van een grondige kennis van de neogotiek, gefundeerd op een strenge archeologische vorming.

Nog in 1929-1931 bouwde zijn zoon Jules de neogotisch getinte Onze-Lieve-Vrouw Middelareskerk, manifest beïnvloed door de art deco en ingericht in neo-Byzantijnse stijl; innoverend is hier de toepassing van een gewapende betonconstructie en de samenwerking met schilder-glazenier Lou Asperslagh, die met zijn monumentale muurschilderingen en glasramen een homogeen artistiek interieur creëerde. Uit dezelfde periode dateert de parochiekerk van het Goddelijk Kind Jezus naar ontwerp van G. Van Meel (circa 1934), een eenvoudige pseudo-basiliek opgetrokken volgens de principes van de nieuwe zakelijkheid.

De opkomst van talrijke woonuitbreidingszones in de jaren zestig en zeventig, bracht de bouw van verscheidene hedendaagse parochiekerken met zich mee, passend bij de vernieuwde liturgie na Vaticanum II. De Sint-Franciscuskerk te Schorvoort Turnhout (1965), de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand op den Hout te Beerse (1966-1968) en van Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Carmel te Zevendonk Turnhout (1976), alle naar ontwerp van architect R. Van Steenbergen senior, gaan mits varianten in vormgeving en afwerking, telkens terug op hetzelfde basisconcept: een gesloten hoofdvolume, waarin een intieme gebedsruimte, circulatie en dienstruimten zijn ondergebracht met daarnaast een vrijstaande campanile. Op dezelfde leest is ook het ontwerp van de Pinksterkerk op het Stokt (1960-1961) geschoeid, ontworpen door de Gentse architect A. Bressers en aanvankelijk bedoeld als collegekerk. In de kerk van Sint-Jozef Arbeider te Vosselaar (1966-1967), een ontwerp van M. Dessauvage, wordt de natuur via twee binnentuinen in het streng kubistisch volume geïntegreerd; de wisselwerking tussen ruimte, licht en vorm wordt er vakkundig gehanteerd in functie van het vooropgestelde programma; de sterke uitstraling van het gebouw maakt hier de campanile als baken overbodig.

Kapellen

De grote bedevaartkapellen, toegewijd aan Sint-Theobaldus in Turnhout en Sint-Cornelius in Beerse, hebben talrijke gemeenschappelijke kenmerken. Beide werden ingeplant aan een belangrijke verkeersader, de eerste op de tweesprong naar Tilburg en Breda, de tweede aan de oude heerbaan naar Antwerpen en de verbindingsbaan Diest-Breda; het zijn ruime, vrijstaande kapellen in gotische stijl opklimmend tot de veertiende eeuw, in de zeventiende eeuw aanzienlijk uitgebreid, en zowel in het begin van deze eeuw (ingrijpend) als in de jaren negentig (conserverend) gerestaureerd. Opvallend in beide gevallen is het hoger opgetrokken, wellicht ouder koor; een houten klokkentorentje met naaldspits bevindt zich telkens boven het doksaal. Uitwendig is de Sint-Theobalduskapel authentieker, inwendig zijn vooral de gestucte tongewelven van de Sint-Corneliuskapel interessant. Een kleinere bedevaartkapel met classicistische inslag uit het begin van dg achttiende eeuw, is de Lokerenkapel aan de Steenweg op Gierle, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Troost.

De neoclassicistische Nazarethkapel aan de Steenweg op Merksplas te Turnhout, het enige overblijfsel van het voormalige buitengoed van de Apostolische School (circa 1873-1875), werd opgenomen in het nieuwe kerkhof. In het centrum van Turnhout zijn de neoclassicistische kapel van het Heilig Aanschijn in het begijnhof (1885-1887), en de neogotische kapel van de Franse Congregatie in de Herentalsstraat (1897), beide naar ontwerp van P.J. Taeymans, het vermelden waard.

Veldkapellen zijn van alle tijden en in de devote Kempen alom verspreid; het oudst bewaarde exemplaar in het bestudeerde kanton, de Apolloniakapel aan de Verlorenweg te Zevendonk, klimt op tot de achttiende eeuw, het Kruiskapelleke in de Kwakkelstraat in Turnhout, dateert van 1996.

Van onschatbaar belang voor de kennis van de lokale geschiedenis en de volkskunde, stellen ze in de kunstgeschiedenis meestal weinig voor. Het zijn rechthoekige, bakstenen gebouwtjes onder zadeldak, bij voorkeur aanleunend bij de neogotiek zoals bijvoorbeeld de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes van 1881 in de Vrijwilligersstraat of deze toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw Hulp der Christenen van 1952 aan de Vossenbrugstraat, beide te Beerse, de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuw van circa 1894 aan de Polderstraat te Oud-Turnhout, of het Piskapelleke van 1909 aan de Hertoginstraat te Turnhout. Gelijkaardige kapellen komen ook voor op privé-domeinen, zoals de Paai, de Lint of Boones Blijk.

Religieuze instellingen

De oudste religieuze stichting in het behandelde gebied is het begijnhof van Turnhout, mogelijk opklimmend tot de dertiende eeuw. De eerst gekende vermelding dateert van 1340. Het oudst bewaarde gedeelte van de voormalige priorij van Corsendonk te Oud-Turnhout is laatgotisch en dateert uit de eerste helft van de zestiende eeuw. De vroegere kloosters van de minderbroeders en clarissen en het merendeel van de Heilig Grafpriorij met school, alle op korte afstand van mekaar gelegen in het centrum van Turnhout, zijn eind negentiende- begin twintigste-eeuwse realisaties in een neogotisch kleedje van de provinciale architecten P.J. en J. Taeymans. Het clarissenklooster op de Heizijde te Turnhout, gebouwd in 1967-68 naar ontwerp van het atelier Vanhout-Schellekens, vormt het enige voorbeeld van kloosterarchitectuur met een hedendaagse, vernieuwende vormgeving.

In de bebouwing van het begijnhof, door de semi-religieuze functie niet "gecommercialiseerd" en dus beter bewaard, zijn diverse bouwfasen te onderscheiden. De oudste huisjes vormen een fraaie eenheidsbebouwing uit de zestiende en zeventiende eeuw. In de negentiende eeuw werden zowel bestaande huizen verbouwd (bijkomende bouwlaag, aangepaste muuropeningen) als nieuwe woningen opgetrokken. Het quasi onversierd metselwerk, de houten kozijnramen, het pleister- en schilderwerk aan plinten, speklagen en omlijstingen als de imitatie van de rijkere bak- en zandsteenbouw, typeren de regionale baksteenarchitectuur van de toenmalige doorsnee-woning. De in 1662-1667 tot stand gekomen begijnhofkerk, qua bouwperiode en een aantal vormelementen thuishorend in de barok, is in wezen nog gotisch.

Volkomen in de gewoonte van de middeleeuwse adel is de priorij van Corsendonk een stichting van reguliere kanunniken uit 1393 gedaan door Maria van Brabant-Gelre, Vrouwe van het Land van Turnhout. In vergelijking met andere abdijen, is deze Kempense priorij eerder klein van omvang.

Desalniettemin was zij belangrijk op intellectueel en religieus gebied, onder meer als lid van het Windesheimse kapittel vormde zij een belangrijke schakel tussen de Brabantse en Noord-Nederlandse priorijen. De thans nog rustige, geïsoleerde ligging, het volume en de schikking van de gebouwen was gekozen in overeenstemming met de Windesheimse statuten. De op basis van archeologisch onderzoek gereconstrueerde schikking van het volledige kloosterpand gaat terug op de klassieke kloosterplattegrond: een bij de georiënteerde kerk aansluitend complex, gevormd door een binnentuin omgeven door kloostervleugels. Buiten dit vierkant bevonden zich alle andere dienst- en woongebouwen.

De restauratie (1969-1975) van het bestaande negentiende-eeuws neoclassicistisch buitengoed met typisch 'romantisch' aangelegd park naar het oorspronkelijke kloostercomplex, reveleerde een traditionele bak- en zandsteenarchitectuur met vrij nauwkeurige sporen van de verschillende bouwfasen. Naargelang de materiële welvaart, politieke en religieuze omstandigheden gebeurden er overwegend in de eerste helft van de zestiende eeuw en in de zeventiende eeuw vergrotingen, herstellingen of verfraaiingen respectievelijk in een laatgotische en traditionele bak- en zandsteenstijl. Deze eigentijdse uitdrukking van religieus en humanistisch denkpatroon komt onder andere het beste tot uiting in de raamvormen van de noordelijke kloostervleugel. Thans fungeert het complex als hotel en conferentiecentrum.

Terwijl de priorij van Corsendonk sinds de sluiting door Jozef II en de verkoop door de Franse revolutionairen in de negentiende eeuw privé-eigendom werd en dit tot op vandaag gebleven is, doken in het stadscentrum de oude en nieuwe kloosterordes (terug) op. Nieuwe stichtingen in de volkrijke buurten van de stad werden noodzakelijk geacht en tegen het einde van vorige- begin deze eeuw volgden de bouwprojecten elkaar op: onder leiding van de academisch gevormde provinciale bouwmeesters P.J. en J. Taeymans werden oude klooster- en schoolpanden opgekocht, uitgebreid en verbouwd of nieuwe complexen opgetrokken volgens de vereisten van de tijd en de bouwheren in de hiervoor geschikt geachte neogotische bouwstijl. Deze stijl vormde slechts één uiting van een eclectisch-historiserende kunstopvatting bij de toenmalige bouwmeesters en kunstenaars. De typische baksteenarchitectuur van deze gebouwen vormt geen uitzondering. Qua structuur wordt nog steeds de klassieke kloosterindeling gevolgd: klooster- en schoolvleugels onder leien zadeldaken rondom inpandige binnentuinen met ingevoegde of aanleunende kerk en binnen brede, lange gangen rondom die de verschillende lokalen in verbinding brachten. Dit schema is, ondanks het sterk verbouwde interieur, nog duidelijk terug te vinden in het voormalige clarissenklooster in de Otter-/ Draaiboomstraat, in twee fasen gebouwd in de jaren tachtig naar het ontwerp van P.J. Taeymans. Deze werd acht jaar later belast met een gelijkaardig project op grotere schaal voor de minderbroeders. Nadat hun voormalig klooster sinds 1825 in handen was gekomen van de kanunnikessen van het Heilig Graf, waren zij bij hun terugkeer naar Turnhout in 1896, genoodzaakt een nieuw klooster met kerk op te richten. Dit gebeurde in de periode 1897-1899. Voormelde kloostercomplexen zijn qua vormgeving en uitwerking slechts zeer sobere versies van de neogotische stijlstroming. De opvallende eenvoud in ornament lag wellicht in de lijn van het levensideaal van deze Eerste en Tweede Orde van Sint-Franciscus. De gotisch geïnspireerde reminiscenties zijn eerder bescheiden toegepast en blijven beperkt tot de pittoresk uitgewerkte inkomtraveeën van de kerken, spitsboogvormige muuropeningen, kruisribgewelven, zuilen met knopkapiteel, schalken, één- of tweedelige vensters onder spitsboogvelden en een schaarse verwerking van andere materialen. Desalniettemin zijn deze panden van belang voor het stadsbeeld en bieden tevens mogelijkheden voor een nieuwe bestemming. Nadat de clarissen in 1970 een nieuw kloosterpand op de Heizijde betrokken, is in het oude klooster een jeugdcentrum gevestigd met dientengevolge verbouwingen en aanpassingen van het interieur. Enkel het interieur van het kerkje met gepolychromeerde beelden en schilderingen uit 1910-1911 naar ontwerp van L. Bressers, biedt nog een verrassend, onaangeroerd neogotisch ensemble. Een geslaagder voorbeeld van restauratie naar aanleiding van een bestemmingsverandering gebeurde in het minderbroedersklooster. In 1990-1991 werd het klooster omgevormd tot een functioneel kantoorcomplex. Dit verliep met respect voor het bestaande, maar ook met een gedurfde contrasterende combinatie van de traditionele baksteen met nieuwe en lichte materialen zoals metaal en glas. De bijhorende tuin werd zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijke toestand hersteld.

Een laat, maar imposanter uitgewerkt voorbeeld van neogotische architectuur vindt men terug in bepaalde klooster- en schoolvleugels van het Heilig Grafinstituut. Daar dit complex vooral bekend is als onderwijsinstelling komt dit uitvoerig ter sprake bij de schoolarchitectuur.

De architecten van het huidige clarissenklooster uit 1967-1968 op de Heizijde behoren tot een groep van sterke individuen die vooral in de jaren vijftig tot zeventig onder invloed van de Scandinavische architectuur, Le Corbusier en andere protagonisten op zoek gingen naar goede functionele oplossingen en een passende vormentaal. Daar ruw materiaalgebruik door de modernisten gepromoot werd als het constructie- én expressiemiddel, kon de traditie van baksteenbouw worden doorgezet, echter in combinatie met nieuwe materialen en in een geheel nieuwe vormgeving. De architecten verlieten het klassieke kloosterplan, meer nog, er bestond nauwelijks nog een onderscheid tussen dit religieuze bouwwerk en hun talrijke privé-woningen uit dezelfde periode (1968-1975). In zijn eenvoud en zuiverheid, eigenschappen conform de geest van de orde, leende deze vernieuwende architectuur zich evengoed tot kloosterbouw.

Een verharde weg leidt naar een goed ingeplant gebouw, als het ware een asymmetrische, kubistische compositie onder platte en hellende daken. Het eigenlijke klooster met kerk, cellen, refter, leefruimtes en noviciaat is duidelijk gescheiden van het achterin gelegen werkgedeelte met de ateliers. De brutalistische vormgeving door voornamelijk de ruwe materiaalexpressie (donkerbruine baksteen, gewapend beton en glas) en het gesloten karakter (massieve muren en kleine openingen) naar de omgeving toe, draagt bij tot het creëren van een "hortus conclusus", een door Geert Bekaert geciteerde term. Eén keer binnen de muren van het afgebakende domein worden de ruimtes door middel van grote glaspartijen naar de diverse (binnentuinen opengewerkt. Juist door deze eigen variant van het brutalisme drukken de architecten hun stempel op de Kempense architectuur in de bloeiperiode van de jaren zestig en zeventig.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR
Openbare gebouwen
Gemeentehuizen

Het verhaal over de gemeentehuizen in het kanton Turnhout is kort. Het beschermde gemeentehuis van Turnhout, een pareltje van vroegclassicistische architectuur met zeer oude kern en rijk interieur, werd in 1962 "om verkeerstechnische redenen" gesloopt. Hetzelfde lot trof het neoclassicistisch gemeentehuis te Beerse, in 1883 door P.J. Taeymans opgericht aan het thans lege "Gemeente"plein. Een monumentaal complex naar ontwerp van de architecten A. Dumont en E. Patoux van 1948, gerealiseerd in 1959-1961, domineert sedertdien de westzijde van de Turnhoutse Grote Markt. In Beerse werden na de fusie de gemeentelijke diensten overgebracht naar de oude kliniek, een niet onaardig modernistisch gebouw van circa 1935 maar niet direct geschikt voor de huidige functie.

Het kleine gemeentehuisje van Vlimmeren (1901-1902), aansluitend bij de vroegere school en de voormalige (gereconstrueerde) onderwijzers woning, en het grote, vrijstaande raadhuis in Oud-Turnhout (1906, vergroot circa 1945 en 1985), zijn illustratief voor hun tijd: opgetrokken in neo-Vlaamse renaissancestijl door de provinciale bouwmeesters P.J. en J. Taeymans, met raadzaal en secretariaat op de bel-etage, gevangenis, brandspuit, plaats voor de veldwacht,... op de begane grond. In de jaren zestig nam de gemeente Vosselaar het lovenswaardig initiatief om het voormalig gemeentehuisje aan de Cingel, een in 1913 door J. Taeymans aangepaste dorpswoning, te verlaten voor een hedendaags gemeentehuis en cultuurcentrum naar ontwerp van P. Neefs (1968); recente uitbreidingen door de architecten Jonckers en Vermeulen hebben de monumentale doch zuivere expressie van het oorspronkelijk concept helaas grondig verstoord.

Scholen

Naast enkele grote instituten met ver strekkende uitstraling zijn er in het Turnhoutse veel plaatselijke onderwijsinstellingen en diverse wijkschooltjes. We beperken ons tot de belangrijkste informatie.

Het Heilig Graf, een school met wijd verbreide reputatie, is, evenals het nabijgelegen minderbroedersklooster, een achter het straatblok ingeplant gebouwencomplex. De stichting van de Heilig Grafpriorij klimt op tot 1662. Nadat in 1798 hun gebouwen aan de Herentalsstraat in beslag waren genomen, vonden de zusters een tijdelijk onderkomen in de Gasthuis- en Begijnenstraat tot ze in 1825 het vervallen minderbroedersklooster in de Patersstraat opkochten. Het vergrote en verbouwde complex werd in 1912-1922 door J. Taeymans omgevormd tot een imposant neogotisch geheel met poortgebouw, school- en kloostervleugels, ingeplant aan verscheidene binnenplaatsen; latere uitbreidingen en aanpassingen resulteerden in het grootschalige, heterogene complex van vandaag. De quasi intact bewaarde, neogotische school- en kloostergebouwen kenmerken de laatste episode van de neogotiek en zijn als een geslaagde toepassing van uiteenlopende stijlontleningen uit de vroeg-, hoog- en laatgotiek te beschouwen. Dat de school in die tijd haar leerlingen vooral uit welstellende middens betrok, mag blijken uit de verzorgde afwerking van het exterieur en de rijkelijke inrichting van het interieur. De nauwe betrokkenheid van J. Taeymans in deze periode bij de restauratie- en inrichtingswerken van het kasteel, heeft wellicht ook zijn eclectisch-historiserende visie op de bouw van het H. Grafinstituut beïnvloed. J. Ritzen en R. Van Steenbergen senior zijn verantwoordelijk voor de verdere voltooiing van het klooster in de jaren veertig en vijftig. Onder de leiding van laatstgenoemde werd de oude minderbroederskerk opklimmend tot midden zeventiende eeuw, mits een bewaarde buitengevel, in 1957-1958 vervangen door een modern, bedehuis met sober en helder interieur.

De voormalige Apostolische School, in 1886-1887 opgericht door P.J. Taeymans en in 1939 aangekocht door het H. Graf, is een overzichtelijk, U-vormig gebouw in neo-Vlaamse renaissance met neogotische kapel en gaaf bewaard interieur, sober doch eenduidig uitgewerkt. De Gemeentelijke Meisjesschool, nu Stedelijke Academie voor Schone Kunsten, met neoclassicistische inslag van 1873-1876 naar ontwerp van P.J. Taeymans en later in dezelfde trant vergroot door L. Van Ravestyn, is met haar symmetrisch uitgewerkt gevelfront met vooruitspringende klassenvleugel enerzijds, woning voor het schoolhoofd anderzijds, representatief in het straatbeeld. In tegenstelling tot de introverte opstelling van de Apostolische School, door een grote ommuurde tuin van de buitenwereld afgesloten - hier werden immers toekomstige missionarissen opgeleid - draagt de gemeenteschool veel duidelijker de stempel van een openbaar gebouw. Bijzonder interessant is het Sint-Jozefcollege, een schoolcomplex in nieuwe zakelijkheid van 1934-1936, gebouwd naar ontwerp van pater Lode Taeymans, in samenwerking met architect J.B. Van den Broeck. Rekening houdend met de moderne eisen inzake gezondheid en onderricht en precies aanvoelend in welke omgeving leerlingen en leerkrachten optimaal functioneren, zet Taeymans te midden van een immens park een uitgebreid rastervormig schoolcomplex neer waarin openheid, lucht, licht en kleur perfect inspelen op de functionele premissen van een hedendaagse onderwijsinstelling: een rationeel grondplan met centrale inkom en administratie, refters en keuken, haaks aansluitende klassenvleugels en klooster, een internaatsvleugel aan de buitenzijde, inpandige tuinen en speelplaatsen, een vlotte horizontale en verticale circulatie, een zakelijke vormgeving met horizontaal belijnde bakstenen volumes, schrijnwerk van glas en staal en een functionele inrichting. De picturaal geïnspireerde aankleding van wanden en vloeren is een blijvende herinnering aan de voortijdig overleden schilder-ontwerper; zijn opvolgers, die het werk voltooiden, bezaten noch de bezieling noch het talent van hun geestelijke vader. Een andere grote instelling is het Sint-Victorinstituut, gebouwd in opdracht van de Broeders van Liefde van Gent, met eclectisch gebouwencomplex van 1899-1911, een vrijstaande neoromaanse kapel van 1910, uitbreidingen in nieuwe zakelijkheid van circa 1937 en recente vleugels van 1970-1980. Het massale complex is in de stedelijke context vooral van belang als noordelijke afsluiting van het Kasteelplein.

De talrijke kleinere scholen van rond de eeuwwisseling, zowel in Turnhout zelf als in de omringende gemeenten, bestaan uit eenvoudige bakstenen vleugels, meestal opgetrokken in eclectische stijl met neotraditionele inslag, al dan niet met een bijhorend klooster, zoals bijvoorbeeld de vrije meisjesscholen in de Heere- en Kerkstraat te Oud-Turnhout. In Vlimmeren is het voormalig klooster van de zusters annonciaden het enige overblijfsel van de oorspronkelijke meisjesschool in de Hoogstraat. De vroegere jongensschool leunt er aan bij het gemeentehuisje, een combinatie die in kleinere gemeenten meermaals voorkwam.

Typisch voor Turnhout zijn de kantscholen: de voorlopige kerk van het H. Hart werd in 1909 door J. Taeymans voor deze bestemming verbouwd en in 1910 werd door J. Crols een modelkantschool opgericht in de Klinkstraat.

Gerechtshof/Kasteel

Aan een arrondissementshoofdplaats worden per definitie meer taken toegekend dan aan een doorsnee-provinciestad van dezelfde omvang. Zo beschikt Turnhout over een rechtbank van eerste aanleg, gelokaliseerd in het oude feodale slot.

De stoere waterburcht, bakermat en machtssymbool van stad en Land van Turnhout, staat middenin het stadscentrum. Het in kern minstens tot in de veertiende eeuw opklimmende kasteel, in wezen bepaald door de restauratie van 1908-1921 door J. Taeymans, is momenteel volop terug in restauratie. Het basisconcept uit de tijd van Maria van Brabant werd begin zestiende eeuw door bouwmeesters uit de geslachten Keldermans en De Waghemaker in de toen gebruikelijke, Brabantse bak- en zandsteenstijl verbouwd; enkele decennia later, onder Maria van Hongarije, kwamen vooral verfraaiing en inrichting aan bod. De grote herstellingswerken, tussen 1649 en 1653 door Pieter Post in opdracht van Amalia van Solms uitgevoerd, dragen duidelijk de stempel van het Hollands classicisme. In 1831 -183 3 werden vooral ingrijpende inwendige herschikkingen doorgevoerd. In 1908 kocht de provincie het zwaar gehavende en zelfs met afbraak bedreigde slot dat in de daaropvolgende jaren door J. Taeymans in eclectisch-historiserende zin werd gerestaureerd; zijn opdracht, een goed functionerend gerechtshof te realiseren, wist hij op een voortreffelijke wijze te combineren met een grondig inzicht in de verschillende voorafgaande bouwfasen. De huidige restauratie-optie respecteert de historisch gegroeide Taeymans-fase, mits een benadering van de gevels als archeologische drager zowel van de veertiende-eeuwse, hertogelijke periode, de Pieter Post-restauratie van circa 1650 als van de Taeymans-ingreep uit het begin van deze eeuw.

Andere openbare gebouwen

Wegens plaatsgebrek in het nabijgelegen hertogelijk kasteel, besliste J. Van Den Heuvel, minister van justitie, tot het optrekken van een "prison cellulaire" op de onteigende grond van de voormalige kasteelwarande. Typologisch sluit het ontwerp van L. Bouckaert uit 1904 aan bij de zogenaamde "Ducpétiaux-gevangenissen" die teruggaan op het Pennsylviaans concept van een strafinstelling (1829). De afwerking van het poortgebouw zorgt voor een mooie, decoratief uitgewerkte straatgevel in neo-Vlaamse renaissancestijl.

In de negentiende eeuw werd de orde in de stad gehandhaafd door een klein garnizoen. Vanaf circa 1849 werd deze taak overgenomen door een rijkswachtbrigade waarvoor architect J. Van Gastel in 1866-1867 een kazerne oprichtte in de Warandestraat. Dit complex bestaat uit een hoofdgebouw met monumentale straatgevel, met naar verluidt aanpalende personeelswoningen en een bijgebouw, destijds de paardenstallen. De enige getuige van militaire aanwezigheid in Turnhout is de "Kazerne Majoor Blairon" overwegend opgetrokken in 1938-1939. De omvang van dit gebouwencomplex, aanleunend bij de nieuwe zakelijkheid, refereert aan de belangrijke rol als opleidingscentrum en dit vooral vanaf 1946. Sinds de afschaffing van de militaire dienstplicht wacht dit complex op een nieuwe bestemming.

Aan het hoofdpostkantoor op de Grote Markt, een neo-Vlaams renaissancistisch gebouw van 1899, werd door de Brusselse bouwmeester F. Tondeur van de regie der posterijen, het nodige prestige verleend. Een bijna identiek postgebouw werd enkele jaren voordien opgetrokken aan het Antwerpse Sint-Jansplein, in samenwerking met J. Gody.

In 1911 werd het "Geschied- en Oudheidkundig Stadsmuseum Taxandria" gebouwd, speciaal voor dit doel ontworpen door provinciaal bouwmeester J. Taeymans.

Oude rust- en gasthuizen zijn in het behandelde gebied niet meer te vinden. Van het oude gasthuis in Beerse bleef echter wel de oorspronkelijke kapel, een charmant neogotisch miniatuurkerkje (1902-1903) naar ontwerp van J. Taeymans, bewaard.

Pastorieën

Door hun functie als ambtswoning en dus als semi-openbaar gebouw te beschouwen - de negentiende- en begin twintigste-eeuwse voorbeelden zijn doorgaans door de dienstdoende provinciale architect ontworpen - is de doorsnee pastorie echter qua voorkomen en stijl vergelijkbaar met het burger- of herenhuis van de notabele stads- of dorpsbewoner. Zowel de rij woning in de stad, als het vrijstaande gebouw in het dorp zijn van het dubbelhuistype en meestal erg ruim; naast privé-ruimte voor pastoor, desgevallend onderpastoor(s) en inwonend personeel, was een discreet afgezonderde spreekkamer/kantoor een absolute vereiste.

Voor recentere, in de negentiende en twintigste eeuw gestichte parochies, verloopt de bouwgeschiedenis van de pastorie meestal parallel met de bouw van de parochiekerk in kwestie. Voor oudere parochies geldt dit niet. De twee oudste pastorieën in het kanton Turnhout, deze van Vosselaar en Beerse, zijn wat hun uitzicht betreft respectievelijk terug te voeren tot het tweede en het vierde kwart van de achttiende eeuw. "'t Hof" te Vosselaar, dat tot 1776 als enige pastorie voor de dubbelparochie dienst deed, heeft wellicht een oudere kern, die circa 1750 in classicistische stijl met rococo-elementen werd verbouwd; de eerder wereldse inrichting van het interieur werd aangebracht toen de pastoor reeds naar het dorpscentrum was verhuisd. De pastorie van Beerse, in 1776 opgericht ter plaatse van het oorspronkelijke rectorshuis, is in haar huidige verschijning overwegend classicistisch. In Turnhout betrekt de pastoor van Sint-Pieter een ruim, doch onopvallend neoclassicistisch burgerhuis, dat vermoedelijk uit de eerste helft van de negentiende eeuw dateert. Een jaar na de oprichting van de parochie in het gehucht Zevendonk, bouwde provinciaal architect J. Van Gastel er de nog bestaande, uiterst sobere dorpspastorie die thans onderdak biedt aan daklozen.

Rond de eeuwwisseling zien we op verschillende plaatsen in het kanton zeer herkenbare pastorieën, ontworpen door de provinciale architecten P J. en J. Taeymans verschijnen: in 1895 aan de Kerkstraat te Oud-Turnhout; in 1906-1908 op de Heidijk te Vlimmeren, pal in de as van de oude kerk; in 1908 aan het Kerkplein te Turnhout, vlak naast de Heilig Hartkerk. Neotraditionele, neo-Vlaamse renaissance en neogotische componenten kleuren deze gebouwen die bij de betere neo-architectuur horen. Enigszins eigenzinnig is de pastorie van het gehucht Oosthoven te Oud-Turnhout; opgetrokken in 1919 door J. Taeymans lijkt hier een achttiende-eeuws dorpshuis van Hollandse makelij de inspiratiebron.

De pastorieën uit het interbellum stellen, met uitzondering van de art-deco-getinte pastoorswoning naast de Onze-Lieve-Vrouw Middelareskerk te Turnhout, weinig voor. De hedendaagse pastorieën onderscheiden zich, evenals hun bewoners, nog zelden door uitwendige kenmerken van hun omgeving.

Privé-Architectuur
Volkshuisvesting

De volkshuisvesting, gaande van kleine werkmanswoningen opklimmend tot de zeventiende of achttiende eeuw tot de sociale woonwijken van vandaag, is in het bestudeerde gebied, in het bijzonder in het stadsgedeelte binnen de ring en de nabije omgeving rondom, kwantitatief zo sterk vertegenwoordigd dat ze een belangrijke en vermeldenswaardige component vormt binnen het bebouwde patrimonium van Turnhout. Algemeen kenmerkend is dat de volkswoningbouw tijdens de hele periode beïnvloed blijft door de sobere, traditionele baksteenarchitectuur en niet of weinig onderhevig was aan de evolutie van smaak en stijl.

Van ongeveer het midden van de zeventiende tot het begin van de negentiende eeuw vormde de tijknijverheid, mits een aantal dieptepunten en heropflakkeringen, één van de belangrijkste economische activiteiten. De toenmalige tijkbazen zorgden voor de huisvesting van hun thuiswerkende arbeiders. De oudste resterende wevershuisjes in de stad bevinden zich in de Molenstraat. Deze arbeiderswoningen, opgetrokken in de lokale baksteenarchitectuur met zware houten deur- en vensterkozijnen, doch eerder Noord-Brabants van inspiratie, klimmen op tot de zeventiende of achttiende eeuw. Quasi de helft van het volume werd ingenomen door het groot weefgetouw, meestal geplaatst in de warmste kamer onder het laag afhellend dak achteraan.

In de negentiende eeuw nam de papierverwerkende nijverheid geleidelijk de overhand. Door het optrekken van fabrieken kreeg de werkgever, in tegenstelling tot de thuisarbeid, een volledige controle over arbeid en productiemiddelen en was de stap naar loonarbeid gezet. De bevolkingsaangroei in de stad werd aanvankelijk opgevangen door het volbouwen van zijstraten en paden, later door de "poorten": voornamelijk in de eerste helft van de negentiende eeuw zagen vele burgers brood in de bouw van arbeidershuizen in hun koetsdoorgang of achterhof, met gemeenschappelijke nutsvoorzieningen en toegankelijk via de oude inrijpoort aan de straat. Op die manier bleef het straatbeeld gevrijwaard. Van deze eertijds talrijke poorten vinden we op de Grote Markt her en der nog duidelijke aanwijzingen onder meer de Luizenpoort die een verbinding maakte met het Zegeplein. Goed bewaarde voorbeelden zijn de "Muylenbergse poort", thans de Fabriekstraat, ter hoogte van nummer 47 in de Herentalsstraat, de "Poort van de Witte Wever", ter hoogte van de nummers 19-41 in de Graatakker en de "Merckxpoort" in de Zandstraal, nummers 21-61. Nummer 8 in de Sint-Jozefstraat is één van de laatste arbeiderswoningen van de voormalige papier- en speelkaartenfabriek Mesmaekers, "1859" gedateerd, maar vermoedelijk ouder.

Later en tot ongeveer de jaren twintig van deze eeuw werden door burgers of fabrieksbazen in en aan de rand van de stad arbeidershuizen ingeplant, dicht op elkaar in zones tussen de grote straten en in de nabijheid van de fabrieken.

Mits enkele varianten zijn de bestaande woningen grosso modo terug te voeren tot eenzelfde type: een baksteenbouw van ongeveer vijf op negen meter, in rijen van twee tot meer dan tien en in spiegelbeeldschema opgetrokken, met een voorgevel van één of anderhalve en later twee bouwlagen, uitgewerkt met diverse baksteenlijsten onder een kroonlijst, een achtergevel van twee bouwlagen en getoogde vensters met draailuiken. Een verschil tegenover oudere werkmanswoningen is dat geen kamer meer ingenomen werd voor thuisarbeid, maar dat "alle" vertrekken een woonfunctie hadden. Buiten een in de achtertuin gelegen bijgebouw met "gemak" en berging, bleven de meeste nutsvoorzieningen (waterput, bakhuis, moestuin) gemeenschappelijk. Dit schema is duidelijk herkenbaar op de bouwaanvraag voor arbeiderswoningen in de Schoolstraat te Beerse.

Onder meer in de omgeving van de voormalige Brepolsfabriek (Baron Frans du Fourstraat) bevinden zich nog verschillende typische "arbeidersstraten" namelijk de Vrede-, Lindekens- en Schoolstraat en het Akkerpad. Terwijl de meeste gevels op een weinig smaakvolle manier aangepast en/of verbouwd zijn, hebben nog enkele homogene ensembles zoals in de Kongostraat de tand des tijds overleefd. Opmerkelijk zijn de twee in eclectische stijl opgevatte werkmanswoningen in de E. Verreesstraat, gebouwd circa 1911 naar ontwerp van J. Faes. Ook rondom semi-industriële kernfuncties zoals bijvoorbeeld het voormalig grensstation Weelde-Merksplas aan de Steenweg op Zondereigen, vallen concentraties van personeelswoningen op. In de gemeenten Beerse en Oud-Turnhout gaven de steen- en cementnijverheid aan het kanaal aanleiding tot de eerste vormen van arbeidershuisvesting. De wijken in de Lange en Korte Kwikstraat te Beerse en het latere tuinwijkje van de Werkendam te Oud-Turnhout zijn hiervan nog treffende voorbeelden.

In Turnhout en omstreken was er pas sprake van een georganiseerde, sociale woningbouw met de stichting van de Turnhoutse Maatschappij voor Goedkope Woningen in 1921, een plaatselijke dochtermaatschappij van de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen, sinds 1956 de Turnhoutse Maatschappij voor Huisvesting (T.M.H.) genoemd. Naast enkele andere initiatieven door particulieren, plaatselijke bouwmaatschappijen of de stad, beheert de T.M.H, sinds de jaren twintig tot op vandaag de volkshuisvesting.

Om gedeeltelijk en tijdelijk te voorzien in het nijpend woningtekort na de Eerste Wereldoorlog, werden in de stad door het Koning Albertfonds talrijke houten noodwoningen opgericht, de "barakken", waarvan de laatste pas in 1955 werden gesloopt. In samenwerking met het stadsbestuur en met steun van de overheid, provincie en andere instellingen ging de in 1921 opgerichte T.M.H, een strijd aan tegen de bestaande ongezonde huisvesting van zwakke bevolkingsgroepen zoals arbeiders- en bediendengezinnen en bejaarden. Daar de grote woningnood en de beschikbare budgetten de maatschappij beperkten tot een voorziening in de basisbehoeften, bleef men meestal gebonden aan een banale, gestandaardiseerde architectuur waarbij comfort en hygiëne primeerden. Desalniettemin is er door de jaren heen kwalitatief wel een evolutie merkbaar: de groeiende rationalisatie in de aanleg van zowel het exterieur als het interieur, samen met de technische innovaties leidden tot verwezenlijkingen die zelfs voor openbare besturen uit het buitenland tot voorbeeld strekten.

Een vermeldenswaardig en tegelijkertijd eerste project is de tuinwijk rond het Volksplein (1922-1927), toen gelegen aan de westelijke rand van de stad. Ondanks de redelijk kleine schaal, getuigt deze volkswijk nog steeds van een goede, stedenbouwkundige aanleg: in navolging van de Engelse tuinwijkgedachte werden er voor de eerste keer rondom degelijke, verharde straten gegroepeerde woningen opgericht, omgeven met groene zones. Terwijl gelijktijdige projecten in het land reeds zeer progressief waren qua architectuur, bleef men hier uiterlijk sterk gebonden aan een landelijke vormgeving met elementen ontleend aan zowel de lokale, volkse traditie als aan Engelse voorbeelden. Op het gebied van indeling en infrastructuur daarentegen werd er veel vooruitgang geboekt: onder het dak bevonden zich de slaapkamers en men beschikte over water- en gasvoorziening. Men was er in geslaagd een aangenaam leefmilieu te creëren door nadruk te leggen op het leven in wijkverband met tegelijkertijd ook respect voor het intieme gezinsleven. Daar de meeste woningen verkocht werden, is het oorspronkelijk homogeen straatbeeld door diverse verbouwingen en aanpassingen jammer genoeg verloren gegaan. In 1931 bouwde de T.M.H voor het eerst buiten de stadsgrenzen, in Hoogstraten. Een laatste grote onderneming vóór de Tweede Wereldoorlog werd voltrokken in de Wouwer- en Sint-Pietersstraat. Minder geïnspireerd door de Engelse voorlopers vormde deze wijk een quasi aaneengesloten bebouwing, tevens verlevendigd door een afwisselend spel van lijsten puntgevels en door geaccentueerde hoekhuizen. Hier telden de huizen twee volwaardige bouwlagen. Ook in bepaalde vormelijke details (metselwerk, doorlopende luifels,...) herkent men reeds enkele vernieuwende ideeën van de jaren dertig. Nog meer in de bouwtrant van het zogenaamde "kubistisch expressionisme" uit de jaren twintig-dertig zijn (waren) de woningen in de P. Benoitstraat (nummers 39-43) en de voor de middenklasse bestemde huizenrij in de Prinsenstraat (nummers 29-83/Kongoplein nummer 1) van S. Leurs, laatstgenoemde niet gebouwd in opdracht van de T.M.H, en door aanpassingen en verbouwingen inmiddels onherkenbaar geworden.

Nadat de oorlog gedurende vijf jaar de activiteit had lamgelegd, werd er opnieuw een noodzakelijk huisvestingsbeleid opgestart, gericht op een verdere vervanging van de toen nog bestaande en bewoonde krotwoningen. Projecten uit deze periode getuigen van een bijzondere aandacht voor de huisvesting van grote gezinnen en bejaarden. Stilistisch bleef men trouw aan sobere volumes in de Kempense machinesteen onder pannen zadeldaken met eenvoudige, rechthoekige muuropeningen en eventueel een beperkt gebruik van arduin voor dorpels, lateien of omlijstingen. Qua uitrusting traden stilaan verbeteringen op. Zo werd in de omgeving van de Begijnendreef in 1950 een wijk opgericht die in haar rationele aanleg (gegroepeerde blokken rondom verzorgde straten), inplanting (groene zones), comfort (kleine keuken, ruime woonkamer, vier slaapkamers, betere materialen, isolatie,...) en voorzieningen (elektriciteit, gas, wijkverlichting, riolering, winkels,...) een modern verantwoorde agglomeratie voor kroostrijke gezinnen vormde. Het hierbij aansluitende tuinwijkje rondom het Sint-Beggaplein met de eerste bejaarden woningen namelijk gegroepeerde huisjes van één bouwlaag, maakte het voor deze bevolkingsgroep mogelijk om op een aangename, zelfstandige en toch niet geïsoleerde manier hun oude dag door te brengen. In 1953 doken in de Broekstraat de eerste woningen op met badkamers voorzien van warm en koud water en gasverwarming.

Naar de jaren zestig toe week men geleidelijk meer af van de traditionele baksteenbouw. De gevel kreeg meer kleur en levendigheid door de verwerking van andere materialen (gekleurde baksteen, breuksteen, glastegels,...) en door gevarieerde muuropeningen (invoegen van verticale en horizontale vensterbanden). Ook in het interieur doken vernuftige systemen op zoals ingemaakte kasten tussen keuken en eethoek en tussen de slaapkamers. Door de prijsstijging van bouwgronden en de duurder wordende nieuwbouw bestonden in 1961 in Turnhout nog altijd een 22 procent overbevolkte woningen. Uit de dringende vraag naar goedkope, nieuwe woningen volgden in deze periode van hoogconjunctuur ten zuiden-zuidoosten van de stadsring een aantal grootschalige projecten zoals Schorvoort (1964), de Parkwijk (1965-1979) en den Brand (1974). De Parkwijk groeide uit tot het paradepaardje van de volkshuisvesting: een "groen" dorp met volledige uitrusting, gaande van kerk tot supermarkt, verschafte aan de diverse leeftijdsgroepen een aangepaste woning in een moderne vormgeving. De kubistisch aandoende bejaardenwoningen (1969) van het Haagbeemdenplantsoen illustreren dit duidelijk.

Sinds 1956 breidde het werkterrein van de T.M.H, sterk uit door de aansluiting van verschillende gemeenten uit het arrondissement. Ook in Vlimmeren (Kerkenhoek), Oud-Turnhout (Oude Arendonkse Baan/Veldbloem- en Goudbloemstraat) en Vosselaar (Rerum Novarumlaan/Bolk) rezen in de jaren zestig en zeventig diverse woonwijken uit de grond. Dat de gemeente zelf, los van de T.M.H., de initiatiefnemer was van bepaalde huisvestingsprojecten bewijzen de wijken van de Beekakkers (1964) en de Veldstraat (1971), te Beerse. Afkeuring, verbouwingen en aanpassingen hebben het modern uitgangsconcept van de architect hier jammer genoeg tenietgedaan.

Buiten enkele nieuwbouwprojecten (onder meer de Beuk in Zevendonk) wijdt de T.M.H, zich gedurende de laatste decennia vooral aan inbreidingsprojecten binnen de stad (onder meer de wijk Belgica in de Oude Vaartstraat/Wouwerstraat, het Fabriekstraatje, Korte Veldstraat) en uitbreidingen of renovatiewerken van reeds bestaande wijken (onder meer den Brand).

Burgerhuizen

Dat Turnhout tot in de negentiende eeuw zowel in het historische, politieke als economische vlak een niet onbelangrijke, maar toch weinig toonaangevende en eerder lokale positie innam, resulteerde in een traag opkomende verstedelijking. Dit heeft uiteraard zijn sporen nagelaten in de burgerlijke architectuur van het stedelijk centrum. Oorlogsgeweld, branden, de tot op vandaag aanhoudende kaalslag en ongebreidelde vernieuwingsdrang droegen bij tot het mager en eerder arm aanbod van panden uit de zestiende, zeventiende, en zelfs achttiende eeuw. Op enkele oude woningen of kernen na, ontbreken deze periodes nagenoeg volledig in de burgerlijke architectuur van de omringende gemeenten. De straatbeelden van Beerse, Vlimmeren, Oud-Turnhout en Vosselaar worden gedomineerd door de negentiende- en twintigste-eeuwse dorpswoning met als overheersende bouwtrant het eenvoudige rijhuis van meestal twee bouwlagen met bakstenen, bepleisterde of beraapte lijstgevel, eventueel met vage reminiscenties aan traditionele of neoclassicistische bouwvormen. Vandaar heeft het volgende chronologisch-stilistisch overzicht tot de "golden sixties" overwegend betrekking op het stedelijk centrum. Van de voormelde gemeenten zullen slechts de noemenswaardige voorbeelden worden aangehaald.

De oudst bewaarde en veruit de interessantste burgerlijke woning van Turnhout is het "Huis metten moren", thans het Taxandriamuseum, opklimmend tot de zestiende eeuw, doch veelvuldig gewijzigd. De zestiende-eeuwse constructie, vermoedelijk opgetrokken op de funderingen van een drietal bestaande kleinere woningen waarvan de kelders met tongewelven bewaard bleven, omvat het T-vormig hoofdvolume. Dit bestaat uit de westvleugel en de haakse zuidoostvleugel met ingebouwde zeshoekige traptoren, opgetrokken in de traditionele bak- en zandsteenarchitectuur. Door verscheidene verbouwingen en aanpassingen onder meer de toevoeging van een noordoostelijke achterbouw in de late achttiende-, begin negentiende eeuw en een in 1889 nieuw gebouwde halfsteense voorgevel met neoclassicistisch uitzicht, is de bak- en zandsteenbouw slechts zichtbaar in de zij- en achtergevels en de traptoren. Naast diverse fragmentarische resten verwijzen de moerbalken met bewerkte sloffen op de bovenverdieping van de voorbouw, de moer- en kinderbalkenconstructie in de zuidoostelijke uitbouw, evenals de dakspanten naar de vroegste periodes. In vergelijking met de toenmalige doorsnee-woningen weerspiegelen het materiaalgebruik en de afwerking van deze prominente patriciërswoning de sociale klasse van de opdrachtgever en bewoner die veelal een band hadden met het nabijgelegen kasteel.

Gaaf bewaarde versies van de sobere, lokale baksteenarchitectuur uit de zeventiende-, achttiende eeuw zijn terug te vinden in de begijnhofhuizen (zie religieuze instellingen) en oude werkmanswoningen (zie volkshuisvesting). Verder zal duidelijk worden dat de invloed van deze eenvoudige baksteenbouw niet te onderschatten is: tot in de jaren zestig-, zeventig van onze eeuw zal de baksteen de boventoon blijven voeren in de woningbouw.

Ofschoon het exterieur van de overige gebouwen grotendeels dateert uit de negentiende en twintigste eeuw, zijn er nog bouwkundige sporen aanwezig uit de zes-tiende-zeventiende eeuw en zelfs vroeger. Vooral in panden op de Grote Markt en in de oudste straten rondom vormen elementen zoals oude funderingen, overwelfde kelders, (verdoken) balkwerk, spantconstructies, zijmuren of puntgevels met vlechtingen, dakvormen, muuropeningen, getrapte brandgevels, bouwnaden, achtergevels, binnendeuren... de enige sporen van oudere kernen, thans gevat in een achttiende-, negentiende-eeuws of later volume met aangepaste structuur en voorgevel. Dergelijk samenspel van bouwonderdelen vinden we onder meer terug bij de nummers 12, 49, 61, 75 op de Grote Markt, de nummers 16, 19, 70 in de Patersstraat, nummer 5 in de Warandestraat, de nummers 2, 4 in de Herentalsstraat,... Eén van de oudste bouwkundige relicten is de middeleeuwse kelder met kruisgewelven onder woning nummer 52 op de Grote Markt. Duidelijk is dat oude huizentypes vanaf de achttiende, maar vooral in de negentiende eeuw systematisch werden geüniformeerd en opgenomen in min of meer homogene gevelrijen van bepleisterde, lichtgeschilderde lijstgevels met rechthoekige muuropeningen. Het volume van het diephuis met topgeveltje in de Otterstraat nummer 99 is nog een bewaard voorbeeld van de oude burgerwoning zonder bovenverdieping. Het door Dr. A.H.M. Ruhe gedefinieerde "Kempens verdiepingshuis", een breedhuis met enkel een twee bouwlagen hoge voorgevel, wordt geïllustreerd door het volume van het hoekpand nummer 20 in de Warandestraat, maar is in de meeste gevallen slechts afleesbaar uit resterende bouwnaden in zijgevels zoals bij Begijnhof nummer 78.

In het onderzochte gebied heeft de achttiende eeuw inzake burgerlijke architectuur een geringe erfenis nagelaten. De basistypen, het enkel- en dubbelhuis, komen voor; alleen biedt Turnhout heden slechts weinig gaaf behouden voorbeelden waardoor het moeilijk is na te gaan of er lokale varianten bestonden qua typologie of chronologie. Een bewaard exemplaar van het classicistisch tweeverdiepingshuis met dubbelhuisopstand is de woning Graatakker nummer 1, opklimmend tot circa 1740, wel gedecapeerd en met vroeg negentiende-eeuws deurentablement, maar met (een) nog goed bewaard(e) achttiende-eeuwse indeling en interieurelementen. Het "Maelslot", Patersstraat nummer 26, is gezien de aard van het volume (ongeacht de latere uitbreidingen) en de gelijkaardige, goed geproportioneerde gevelordonnantie, te situeren in dezelfde periode, doch wellicht ouder in kern. De in het centrum sporadisch voorkomende laatclassicistische gevels uit het einde van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw onderscheiden zich meestal door een sobere, bepleisterde straatgevel met een bescheiden horizontale geleding, overwegend brede muurdammen, in geval van een derde bouwlaag een verkleinende vensterordonnantie en mogelijk een arduinen deurentablement. De in 1838 aangebrachte "verbeteringen en embellissementen" aan de voorgevel van het "Huis Maurice", Grote Markt nummer 61, transformeerden de vroegere trapgevel in een laatclassicistische, empire-getinte klokgevel. Een rijker en gaver bewaard voorbeeld uit dezelfde periode is het laatclassicistisch herenhuis "huis Dokter Vogels", Begijnenstraat nummer 9, met monumentale gevel, gedomineerd door een spel van horizontalen en verticalen, respectievelijk door lijstwerk, schijnvoegen en een uitgesproken kroonlijst gecombineerd met een kolossale pilasterorde. Van het hoekpand Herentalsstraat nummer 18/Driezenstraat vormen de zes traveeën onder zadeldak tevens een laatclassicistisch volume met gelijkaardige stijlkenmerken waaronder een decoratief uitgewerkte inkom in Lodewijk XVI-stijl.

Door de vestiging van bloeiende nijverheden en een op gang komende ontsluiting in vooral de tweede helft van de negentiende eeuw verwierf Turnhout als industriestad een grensoverschrijdende uitstraling niet de demografische gevolgen vandien. Zo ontstond er een klasse van welgestelden, handelaars en middenstanders die statige huizen liet optrekken zowel aan de oude hoofdassen als aan de pas aangelegde straten van het centrum.

Deze negentiende-eeuwse woning sloot aan bij het traditiegebonden enkel- en dubbelhuistype. Tegen het einde van de negentiende eeuw evolueerden de iets verhoogde begane grond naar het souterrain en de mezzanino naar een volwaardige bouwlaag. Enkel de bel-etage was soms in hoogte nog te onderscheiden.

De indeling vertoonde een berekende schikking van de functies met aandacht voor de nodige verbindingen en scheidingen tussen de hoofdbouw (privé) en de aanpalende achterbouw (personeel). De gang, traphal en de typische enfilade bleven constanten in het grondplan. Voortgaande op de bouwaanvragen dook geleidelijk de "veranda" op tussen de woonvertrekken en de aanbouw met dienstruimtes, diensttrap en eventueel op een bovenverdieping de personeelskamers. Tevens opmerkelijk in deze plannen is de blijvende toepassing van de traditionele terminologie onder meer de bijkeuken wordt evenals in de hoevebouw vaak nog aangeduid als "moos". De bredere herenhuizen beschikten over een koetspoort in midden- of zijtravee en een koetshuis met bijgebouwen achteraan. In de poortdoorgang bevond zich meestal de inkom naar het woonhuis of, in geval van een woon-winkelhuis, naar de winkel. In plaats van het invoeren van winkelpuien in oudere kernen werden dergelijke woon-winkelhuizen meer en meer als dusdanig ontworpen, bijvoorbeeld Patersstraat nummer 55.

De vormgeving kenmerkt zich enerzijds door een provinciale en eerder oppervlakkige interpretatie van de neostijlen en anderzijds door een eclectisme dat teruggrijpt naar alle mogelijke bouwstijlen uit het verleden. De enige nieuwe en tegelijkertijd laatste stijl van deze rijke bourgeoisie in de nabloei van het fin-de-siècle was de art nouveau.

De meest succesvolle stroming toegepast in het burger- en herenhuis was het neoclassicisme. Vanaf ongeveer het midden van de negentiende eeuw verwerkte de architect elementen ontleend aan de "klassieke" architectuur en het classicisme in een verschillend systeem van verhoudingen met pompeuze neigingen onderstreept door versiering. Afgezien van de banaal verbouwde benedenverdieping, worden onder meer de Gasthuisstraat, de Gemeentestraat, de Leopoldstraat, de Sint-Antoniusstraat, een gedeelte van de Warandestraat en de Patersstraat heden nog gedomineerd door neoclassicistische gevels, her en der met een vleugje neorococo, neo-empire of neo-Lodewijk XVI. De architecten P.J. Taeymans en H. Vandeplas waren de bedrijvigste ontwerpers van dergelijke straatbeelden. De hoekpanden nummers 40, 49 en 57 in de Warandestraat, nummers 26 en 50 in de de Merodelei, de monumentale gevels van nummer 5, nummer 41, en de nummers 60-62 in de Gasthuisstraat, nummer 33 in de Herentalsstraat, nummer 13 op de Grote Markt, nummer 16 in de Otterstraat, de nummers 16 en 19-21 in de Sint-Antoniusstraat, de nummer 24 in de Patersstraat en nummer 27 op de Steenweg op Oosthoven zijn slechts enkele voorbeelden van dit brede gamma. Duidelijk is dat dit neoclassicisme op diverse manieren geïnterpreteerd werd en toegepast bleef tot in het begin van de twintigste eeuw.

Typisch voor deze periode is dat voormelde architecten tezelfdertijd alle in zwang zijnde neostijlen hanteerden. Het propageren van stijlen uit het glorierijke verleden van Vlaanderen leidde tot een wedergeboorte van gotiek en zogenaamde "Vlaamse renaissance". Deze neo-Vlaamse renaissance leende zich goed voor de burgerwoning die rijkdom, kunstzin, maar vooral behaaglijkheid en gezelligheid moest uitstralen. Afhankelijk van de vereisten van tijd en bouwheren waren de gebroeders P.J. en J. Taeymans tevens bedreven toepassers van deze "hergeboortestijl". Een mooie gevelwand in deze trant wordt onder meer gevormd door drie burgerhuizen in het begin van de Patersstraat, nummers 5, 7 en 9. Andere voorbeelden zoals nummer 83 aan de de Merodelei, nummer 66 in de Herentalsstraat en nummer 14 aan het Zegeplein tonen aan dat de stijl zich evengoed leende voor het smalle als het imposante rijhuis.

Het gros van de opgenomen woningen uit het einde van de negentiende en begin van de twintigste eeuw is echter moeilijk onder te brengen in één van voormelde neostijlen. De meeste gevallen getuigen eerder van een eclectische ingesteldheid van de bouwers: allerhande componenten uit diverse stijlen werden met nieuwe materialen zoals ijzeren lateien, geglazuurde bakstenen,... samengebracht tot een originele compositie. Naargelang van de ontleende siermotieven voerde één of andere stijl soms wel de boventoon. Dit eclectisme varieerde van gevels met een overdaad aan uiterlijke versiering en pittoreske toevoegingen tot minder bonte creaties: nummer 85 in de Herentalsstraat, nummer 55 in de Begijnenstraat, de nummers 39-41, 141, 216-218, 257, 275 aan de de Merodelei, de nummers 1, 6, 52 in de Gasthuisstraat, de gevelwand nummers 7-21 in de Molenstraat/Kerkstraat, het voorste gedeelte van de noordzijde van de Mermansstraat, het hoekpand nummers 18-22 in de Sint-Antoniusstraat/Leopoldstraat nummer 7 in de Leopoldstraat , de nummers 12-14-16 in de Oude Vaartstraat, de nummers 17-23 in de Begijnenstraat, nummer 34 in de Otterstraat,...

Ook de art nouveau was zoals meestal niet meer dan een nieuwe decoratieve gevelarchitectuur voor traditiegebonden huizentypes. In plan, gevelopstand en interieurinrichting vinden we de stijl nauwelijks terug. Desalniettemin ontstonden toch enkele fraaie gevels, meestal van de hand van architect J. Verschoren onder meer in de Renier Sniedersstraat nummer 11, in de Patersstraat nummer 55 en de Mermansstraat nummer 23, de Oude Vaartstraat nummer 138, Herentalsstraat nummer 12 en de winkelpui aan de Graatakker nummer 20.

In de omringende gemeenten bleven de rijkere burger- en herenhuizen, gaande van rijhuis tot vrijstaande villa, tot in de jaren twintig-dertig stilistisch sterk aansluiten bij dit eclectisme, dan wel met een duidelijke voorkeur voor art deco of cottage, soms met een vleugje art nouveau, of een combinatie ervan. Opvallend in Beerse zijn de art-decovilla's van R. van Steenbergen senior, herkenbaar door hun scherpe, dominerende puntgevels en geconcentreerd in de Gasthuisstraat. Meestal was de architect ook ontwerper van interieur en tuin onder meer voor nummer 59 dat met zijn gaaf bewaard interieur een enig voorbeeld van totaalkunst vormt. Van een heel andere aard en eerder merkwaardig in de landelijke dorpskern van Vlimmeren is nummer 6 in de Hoogstraat, een burgerwoning waar de rechte lijnvoering van de art deco tot uiting komt in de ijzeren afsluiting, het metselwerk en vooral de mooi uitgewerkte vleugeldeur. De Engelse cottagestijl leende zich goed voor imposante villa's met mooie, omringende tuin zoals onder meer de directeurswoningen van de scheikundige, cement- en steennijverheid in Beerse en Oud-Turnhout.

Karakteristiek voor de architectuur van het interbellum in het stedelijk centrum is het gelijktijdig optreden van verschillende nieuwe tendensen zodat het moeilijk wordt de woningen in één of andere categorie te plaatsen. Nog goed te onderscheiden is de art deco, in het bestudeerde gebied slechts een kortstondig en sober verschijnsel gekenmerkt door twee- of driezijdige erkers en een geometrisering in de gekleurde glas-in-loodvensters, het metselwerk en het schrijnwerk. Tegelijkertijd raakten de meer progressieve architecten in hun zoeken naar een nieuwe vormgeving geïnspireerd door Nederlandse voorbeelden (architect W.M. Dudok) en ontwikkelden een stijl, door Y. De Bont omschreven als een "kubistisch expressionisme". Deze overgangsfase tussen de expressieve art deco en het functionalistische modernisme (nieuwe zakelijkheid) onderscheidt zich ten eerste door een kubistische vormgeving van het volume namelijk de vlakke gevel wordt vervangen door een compositie van verspringende bouwlichamen meestal onder een plat dak, ten tweede door een levendige gevelbekleding namelijk het gebruik van verschillende materialen zoals baksteen in decoratieve metselverbanden, al dan niet gecombineerd met pleister, arduin, geglazuurde tegels of glas in lood en ten derde door een vrijer grondplan namelijk een functionele schikking van de ruimtes, gericht op licht en lucht. Enkele duidelijke voorbeelden hiervan zijn: Begijnenstraat nummer 34, de Merodelei nummer 114 en nummer 136, Steenweg op Antwerpen nummer 45, Gasstraat nummer 29. Enkel de vormgeving van de ramen zou een doorslaggevend criterium kunnen zijn om deze woningen op te splitsen in de "expressionistisch-getinte" (nog houten ramen met dikke profielen) en diegene met "modernistische inslag" (stalen ramen met dunne profielen).

Dat de overgang tussen expressionisme en modernisme in Turnhout zich zeer geleidelijk voltrok wordt onder meer duidelijk geïllustreerd door het oeuvre van architect Ern. Wauters. Dit beantwoordt aan de voormelde definitie van het "kubistisch expressionisme", doch soms met een heel andere nuance. Zijn twee "rijwoningen Verreet" van 1932, de Merodelei nummers 187-189, sluiten eerder aan bij het "decoratief expressionisme" terwijl zijn "rijwoning Peeters" van circa 1935, Oude Vaartstraat nummer 41, reeds getuigt van modernistische principes.

In deze periode verschenen ook de eerste flatgebouwen. De nummers 181-183 van 1925 en 186-190/Onze-Lieve-Vrouwstraat nummer 2 van 1939 op de de Merodelei, de nummers 5-6 op de Grote Markt/Zegeplein nummer 16 van 1935 en de nummers 21-23 in de Herentalsstraat van 1936 bewijzen dat het ontwerp meestal voorzag in een functionele combinatie met een winkelhuis. Een indrukwekkend en vrijwel intact bewaard voorbeeld van het woon-winkelhuis is "De Rode Hoed" in de Herentalsstraat, nummer 15, gebouwd in de periode 1930-1946 door E. Van Steenbergen. Zoals in de meeste van zijn opdrachten, stond de architect ook in voor het ontwerpen van het meubilair en de binnenaankleding.

Het zuivere, planmatig doordacht modernisme breekt door met architecten als E. Van Steenbergen, J. Eelens en R. Vander Aa. Onder invloed van de internationale ontwikkeling naar het modernisme, streefden zij in hun ontwerpen naar een doelmatige planning, een sober(e) vormgeving en materiaalgebruik. Deze progressieve architectuur werd door "intellectuelen" en vrije beroepen in de jaren dertig - begin van de jaren veertig in Turnhout ingevoerd.

Bij E. Van Steenbergen springt de "woning Bluekens", Antwerpsesteenweg nummer 164 te Vosselaar, het meest in het oog als modernistisch concept. Zijn rijwoningen voor vrije beroepen in het stedelijk centrum wijken eveneens af van de doorsnee-plattegrond en vertonen een uitgedokterde ruimte-indeling met nadruk op de scheiding tussen woon- en werkgedeelte. Het wonen raakt - al naargelang van de oriëntatie - meer betrokken op de tuin waardoor de achtergevel op een compleet andere manier wordt uitgewerkt dan de straatgevel. Deze decoratieve voorgevels samen met de art-decogetinte binnenaankleding, sluiten echter nauwer aan bij de expressionistische tendens. Een topvoorbeeld van het kubistisch modernisme, doch eerder een unicum in het oeuvre van J. Schellekens, is de dubbelwoning op de Steenweg op Mol nummers 64-66 te Turnhout. Hier krijgt de compositie, uiting van een vernieuwende, ruimtelijke indeling, door de kracht van de kubistische bouwvolumes en de sobere verwerking van de materialen een puristisch effect. Karakteristiek is de roedeverdeling van de glaspartijen, een variatie op de vensters van Le Corbusier. Van eenzelfde geest getuigt de nabijgelegen "woning Simons", nummer 54, van J. Eelens: de overkragende balkons met stalen buisleuningen, de ronde patrijspoorten, kenmerken die we tevens terugvinden bij de werken van R. Vander Aa en enkele van Ern. Wauters, leunen aan bij de "pakketbootstijl". Wegens de sterke traditie van zichtbaar metselwerk, bleef het "witte modernisme", een gewapende betonconstructie met witbepleisterde gevels, uit. In vergelijking met de talrijke voorbeelden van het "baksteen-modernisme" vormen de vrijstaande "woning Bluekens" te Vosselaar en de "rijwoning Bisaerts" te Oud-Turnhout, Steenweg op Turnhout nummer 122, eerder uitzonderingen op de regel. In constructie echter bewijzen deze woningen dat gewapend beton het nooit gehaald heeft van het traditionele metselwerk. Bekijken we in het studiegebied, inclusief de kleinere gemeenten, de woningbouw van de laatste decennia, dan vallen er binnen het brede gamma van een banale, bloedloze, traditionele "architectuur" toch verscheidene woningen op door hun vernieuwende vormgeving en planvoering.

De trendsetters hiervan zijn de architecten E. Wauters en C. Vanhout die, na het vacuüm van vijf oorlogsjaren, voor een zekere continuïteit zorgden in de ontwikkeling van de modernistische tendensen uit het interbellum. Op die manier werden zij onmisbare overgangsfiguren tussen het modernisme van de jaren dertig-veertig en de bloeiperiode van de jaren zestig-zeventig. Onder invloed van de protagonisten als een M. van der Rohe, W. Gropius en M. Breuer, de Scandinavische architectuur van A. Jacobsen en A. Aalto, en de aparte visie van Le Corbusier gingen zij op zoek naar goede functionele oplossingen en een passende vormentaal. Zij hielden zich hoofdzakelijk bezig met woningbouw, gaande van sociale en privé-woningen tot appartementen. De eigen woning met atelier van E. Wauters, Steenweg op Antwerpen nummer 46, verdient een plaats in de Belgische architectuur van de jaren vijftig: een goed ingeplante, analytische compositie van bakstenen muren, gecombineerd met natuurlijke materialen zoals breuksteen en hout en onderbroken door raamkozijnen, aaneengeschakeld tot grote glaspartijen. Zijn later oeuvre kreeg, door het verwerken van nieuwe, lichte materialen zoals stalen I-profielen, glazen platen en aluminium, een fijnere, modernistische taal. Zo doet onder meer zijn appartementsgebouw Mijs, Steenweg op Antwerpen nummer 102, zeer licht aan door de fijne tekening van de "vliesgevel". Geïnspireerd door de Deense modernisten, geraakte C. Vanhout gepassioneerd door de integratie van de woning in de natuur, een architectuur opgebouwd uit grote vlakken, als een losse schikking van autonome, rechthoekige volumes, een sober materiaalgebruik met overheersing van de baksteen en een losse planvoering gericht op functionele verbindingen. Uit onder meer de "woning Verboven" en de "woning Klaver", respectievelijk Staatsbaan nummer 20 en Goordijk nummer 27 te Oud-Turnhout, de "woning Hoppenbrouwers", Bergeneindsepad nummer 8 te Vosselaar, de "woning Maïs", Oude Dijk nummer 2 te Turnhout, en de eigen patiowoning met atelier, Parklaan nummer 146 te Turnhout, blijkt duidelijk dat deze kenmerken zijn verwezenlijkingen van de jaren zestig-zeventig in samenwerking met architect P. Schellekens, gaande van zeer eenvoudige tot hybridische composities, zullen blijven karakteriseren.

Deze nieuwe impulsen naar een streekeigen moderne architectuur werden door een volgende generatie van sterke individuen verder ontwikkeld zodat de Kempense woningbouw in de jaren zestig-zeventig een hoogtepunt kende.

De belangrijkste bijdrage van het atelier Vanhout-Schellekens in deze periode is hun eigen variant van het "brutalisme". In de ban van Le Corbusier's late werken, werden ruw bekist beton en een donkere, korrelige baksteen zowel binnen als buiten niet enkel gehanteerd vanuit constructieve doeleinden, maar evenzeer als expressiemiddel van vorm en materie. Dit ruwe materiaalgebruik gecombineerd met een massieve opbouw van autonome volumes verleende de gebouwen een specifiek expressief karakter. De geslotenheid van de straatgevel, tevens een constante in het werk van P. Neefs, draagt bij tot deze brutalistische vormgeving.

Bij architect L. Jansen komt een zuivere architectuur eerder voort uit creativiteit dan uit expressie. Achter de duidelijk uitgedrukte volumes van onder meer zijn "rijwoning Leysen", Rubensstraat nummer 36, of zijn vrijstaande "woning Mol", Parklaan nummer 90, te Turnhout schuilt heel wat constructief denkwerk. Het principe van de module en de as zijn tot op vandaag als ankers in zijn werk. Inwendig maken zijn woningen een erg ruimtelijke indruk.

Zeer persoonlijk en nooit onderhevig geweest aan een welbepaalde trend is het werk van P. Neefs. Zijn woningen, meestal originele, krachtige volumes, getuigen van een perfect vormgevoel. Binnen de geometrische vorm van een woning experimenteerde hij met zowel kristallijne, strakke vormen als met plastische composities van gebogen en schuine vlakken. Tegelijkertijd werd ook het functionele op een even creatieve en intuïtieve manier opgelost. De "rijwoning Criekemans", Rubensstraat nummer 38 te Turnhout, "woning Tilman", . Herfstdreef nummer 5 te Oud-Turnhout, "woning Thomas", Karel Duaytslaan nummer 4 te Vosselaar en de "woning Proost", Kapellekuilstraat nummer 42 te Beerse, zijn slechts enkele voorbeelden van deze aparte, unieke creaties. Nog enkele uitschieters uit deze periode en tegelijkertijd losstaande verwezenlijkingen binnen hun oeuvre zijn de eigen woning van P. Schellekens, Hertenstraat nummer 19 te Turnhout, een villa van architect E. Van Steenbergen junior, Dennenlaan nummer 100 te Turnhout, en de woning van en ontworpen door J. Maes, Dageraadlaan nummer 18 te Beerse.

In het oog vallende realisaties uit de jaren tachtig-negentig zijn eerder schaars: hierin onderscheiden we enerzijds een neiging tot het navolgen van actuele modes en anderzijds een streven naar een originele, vernieuwende uitwerking. De nawerking van de oliecrisis, de uit de pan vliegende grond- en kostprijs van het bouwen veroorzaken algemene trends zoals het verkleinen en het compacter indelen van de woonoppervlakte en de terugkeer naar een meer traditionele bedaking.

Hoevebouw

De landelijke activiteiten, die in het kanton Turnhout tot de Tweede Wereldoorlog een belangrijke bron van inkomsten vormden, hebben duidelijk hun stempel gedrukt op de bebouwing in de streek. Concentraties van kleine kernen kenmerken er de verspreide hoevebouw van de van oudsher gemengde bedrijven. Niettegenstaande de verregaande verstedelijking beschikken we, voor een typologische benadering, over voldoende voorbeelden.

In wezen afgeleid van de grote familie der dak- en vakwerkbouwsels met meerbeukig karakter, zijn de bewaarde hoeven bijna alle opgetrokken in de negentiende en twintigste eeuw, doch oudere kernen zijn in vele gevallen nog duidelijk aanwezig; het zijn meerledige boerderijen met losstaande, verankerde bakstenen bestanddelen onder pannen zadeldak, niet een ruimtegeleding die teruggaat op zeer oude tradities. De gaafst bewaarde hoeve in de streek is de Gasthuishoeve, Heizijde nr. 36 te Turnhout, die in haar huidige vorm grotendeels uit de achttiende eeuw stamt. Hoeven met woonhuis, stal en schuur onder één dak zijn eerder zeldzaam; kleinschalige bedrijven waren na de Eerste Wereldoorlog immers niet langer rendabel, werden verlaten en raakten in verval. Wellicht om dezelfde reden hebben we ook nergens nog zichtbaar stijl- en regelwerk aangetroffen. De baksteen, die omstreeks 1850 voorgoed zijn intrede deed, heeft de oude, lemen wandvullingen vervangen of verstopt.

De samenstellende bestanddelen van het courante hoevetype zijn het woonstalhuis, de afzonderlijke schuur, het wagenhuis, het bakhuis en eventueel andere bijgebouwen; een waterput, beukenhagen, linden en notelaren zijn nog vaak aanwezig. De eiken structuur die het dak draagt en de wanden schraagt, oorspronkelijk zowel toegepast voor de bouw van het woonstalhuis als van de schuur, is voornamelijk in deze laatste nog duidelijk waarneembaar. In vele, ogenschijnlijk bakstenen schuren is de eiken huisstoel nog aanwezig en is de baksteenwand vooral een omhulsel. Ook in een aantal woonstalhuizen is deze structuur allicht nog bewaard maar door latere verbouwingen en inrichtingswerken moeilijker vast te stellen; verder onderzoek in situ is hier zeker aangewezen. Een voorbeeld is Steenweg op Zevendonk nummer 28 in Oud-Turnhout: de ligging op de oude rooilijn, het laag reikende dak met wolfseind, de stroomlaag in de zijgevel, en de zichtbare gebinten in het huis wijzen op een oude, vermoedelijk tot in de achttiende eeuw opklimmende vakwerkbouw. Ook het sterk verbouwde woonstalhuis, gedateerd 1778, in De Breem nummer 1 te Vosselaar, wijst in die richting.

Het doorsnee-woonstalhuis is geënt op het tweebeukig boerenhuis met zuidwaarts georiënteerde voorgevel. Het oostelijk gelegen woongedeelte is voorzien van rechthoekige of getoogde muuropeningen met luiken voor de vensters; alleen de Gasthuishoeve in Turnhout, heeft nog houten kruisvensters. De vierledige gevelopstand van deze boerenhuizen verwijst naar de oude indeling in "kamer" en "huis". De kamer heeft in de regel twee vensters in de voorgevel; achter de kamer ligt de opkamer met daaronder de lage kelder, duidelijk herkenbaar aan de kleine, hoog geplaatste ramen in zij- en/of achtergevel en de getraliede keldergaten iets boven de grond. Als de kamer over een afzonderlijke stookplaats beschikt blijkt dit uit de tweede schouwpijp op het uiteinde van de daknok. De deur, ofwel direct naast de kamer (dubbelhuisopstand), ofwel naast de stal (enkelhuis-opstand), komt uit in het "huis"; een kleine inkomhal voorkomt dat men "met de deur in huis valt"; de keuken tegen de achtergevel bevindt zich nog steeds op de plaats van de vroegere moos. De stookplaats bevond zich traditioneel op de scheiding tussen kamer en huis, zoals in Oud-Turnhout Steenweg op Zevendonk nummer 28 of te Vosselaar Vogelzanglaan nummer 4, doch in de meeste door ons bezochte (recentere) hoeven vonden we ze tussen woongedeelte en stal, dwars op de voorgevel, met de schouwpijp ongeveer in het midden van het dak. De haard is op vele plaatsen nog aanwezig; hij behoort tot het type wandhaard met brede rookvang, eenvoudige onversierde haardbalk en zware gemetselde schoren; de open haarden zijn vervangen door kachels. In Turnhout, op de Kleine Reesdijk, is een hoeve waar naar verluidt nog op de vloer wordt gestookt. Draaipalen om de koeketel naar de stal te verplaatsen werden niet meer aangetroffen, wel overblijfsels van ketelsporen die omstreeks het einde van de vorige eeuw de zware draaipalen vervingen; de ketelhaak werd nu met een klein rad verbonden dat over richels, bevestigd tegen de zoldering, rolde en zo de ketel van het vuur naar de stal bracht. Aan de achtergevel kwamen soms uitbouwsels onder lessenaarsdak voor, gebruikt als melkkamer; in Broekzijde nummer 34 in Turnhout werd hier later de keuken ingericht.

Het westelijk deel van het woonstalhuis wordt ingenomen door de stal, traditioneel voorzien van een dubbele poort in voor- en zijgevel, of in de achtergevel; vele poorten in de voorgevel werden gedicht en de typische getoogde of halvemaanvenstertjes veelal vervangen door rechthoekige betonnen ramen. In de schrale Kempen waar de behoefte aan stalmest groot was, waren potstallen gebruikelijk. Houten stalrepels of koestaken en arduinen voederbakken zijn nog sporadisch bewaard. In de zijpuntgevel van de stal zijn dikwijls nog houten luiken te zien ter hoogte van de hooizolder; aan het woonhuis zijn deze vervangen door beglaasde ramen.

Een variante op dit type is het L-vormige woonstalhuis met stallingen die haaks tegen het woonhuis zijn aangebouwd, met afgewolfde dakschilden waar beide volumes samenkomen; zowel voor- als achtergevel van de stal hebben dan een dubbele poort. Mooie exemplaren uit het begin van deze eeuw vinden we aan de Kleine Reesdijk, op het gehucht Zevendonk in Turnhout; een woonstalhuis aan de Kapelweg nummer 133 in hetzelfde gehucht is gedateerd 1870; de Begijnenstee, Veldstraat nummer 133 te Beerse, is een ouder voorbeeld, waarvan het woonhuis in kern zelfs opklimt tot het midden van de zeventiende eeuw.

Uitzonderlijk komen in het kanton Turnhout ook boerderijen voor met vooraanzicht en hoofdinkom in de smalle kopgevel, zoals gebruikelijk in het noordoosten van Nederland; ook in Noord-Brabant is deze opstelling redelijk verspreid. Het woongedeelte telt dan slechts drie traveeën en ook de indeling is verschillend. De Kapellehoeve, Kapelstraat nummer 61 in Beerse, opklimmend tot de achttiende eeuw en circa 1910 aangepast is hiervan een voorbeeld; het is één van de weinige hoeven met nis voor een heiligenbeeld; de hoeve Den Aerd, Steenweg op Merksplas nummer 78 te Turnhout, van 1917, en de Sinte-Balbinahoeve, Heiende nummer 30 te Vlimmeren, van circa 1945, behoren ook tot dit type.

In het bestudeerde gebied vonden we meestal driebeukige langsschuren, met duidelijk zichtbare gebinten, type ankerbalkconstructie; een door spanten onderschraagde sparrenkap is de meest voorkomende dakconstructie. Pen- en gatverbindingen met houten spieën en pennen zijn schering en inslag, de telmerken op de verschillende onderdelen van het gebinte duidelijk afleesbaar. De opeenvolgende tasruimten, in de streek "schaleien" genoemd, worden aan de buitenzijde gemarkeerd door lisenen die de constructie verstevigen; de dorsvloer ligt naast de tasruimte, ter hoogte van de doorrij. Kruisvormige verluchtings- en uilengaten zijn de enig opgemerkte afweertekens. Een mooie achttiende-eeuwse schuur bleef bewaard Broekzijde nummer 34 te Turnhout, met uitgespaarde hoek voorzien van twee poorten, een hoge voor de toegang tot de dorsvloer, een lagere naar een zijruimte met stal of bergplaats. Ook bij Winkel nummer 93 te Turnhout, en bij de Hoeven nummer 10 te Vosselaar is dit het geval. Bij het sterk verbouwde woonstalhuis Rijdtstraat nummer 29 te Vosselaar staat nog een gave driebeukige langsschuur met beplankte puntgevels. De heropgebouwde schuur in De Liereman te Oud-Turnhout gaat terug op een voorbeeld in Lichtaart.

Het wagenhuis, in de streek aangeduid als "het schob" is een eenvoudig, aan drie zijden afgesloten bouwsel met open voorzijde; ook hier was een gebintenconstructie gebruikelijk. Een indrukwekkende schob is nog te zien aan de Steenweg op Merksplas nummer 47, in Turnhout; een goed voorbeeld is Kleiputstraat nummer 3 te Beerse.

Schaapskooien zijn zelden bewaard; varkensstallen daarentegen komen frequent voor, hetzij als afzonderlijke gebouwtjes, hetzij tegen koestal, schuur of bakhuis aangebouwd.

Ook het bakhuis staat meestal nog overeind; Winkel nummer 93 te Turnhout behield zelfs het oude bakgerei.

Ofschoon het kanton Turnhout nog over een aantal interessante boerderijen beschikt is het zeer de vraag hoe het landelijke patrimonium in de nabije toekomst zal evolueren. Gaaf bewaarde achttiende-eeuwse hoeven zoals te Oud-Turnhout, Corsendonk nummer 7 of te Vosselaar, Vogelzanglaan nummer 4 werden met respect voor bouwhistorisch en volkskundig erfgoed gerestaureerd, doch in functie van het hedendaagse wooncomfort in mindere of meerdere mate aangepast; hetzelfde lot wacht de Turnhoutse Gasthuishoeve, de enige beschermde boerderij in de regio. De weinige, nog authentieke boerderijen, zijn meestal door bejaarde mensen bewoond of recent verlaten, zodat de toekomst van bedrijf, gebouwen en omgeving op zijn minst precair is, een nijpend probleem voor hoevecomplexen als Heizijde nummer 14 of Winkel nummer 93 in Turnhout, Houtseweg nummer 174 in Beerse, Steenweg op Zevendonk nummer 28 in Oud-Turnhout, Berkenmei nummer 32 of De Breem nummer 9 in Vosselaar, en zovele andere.

Buitenplaatsen

De ontstaansgeschiedenis van de buitenplaatsen in het studiegebied blijft beperkt tot een typisch negentiende-eeuws verschijnsel: parallel met de opkomst van een zeer gegoede burgerij onder meer dankzij de vestiging van de papierindustrie, werden buiten de stad naar eigen vermogen verblijven opgetrokken, gaande van een klein lusthuis tot een riante zomerresidentie, ingeplant in mooie tuinen of parken.

Geen enkele van deze buitenplaatsen gaat terug op een ouder, bestaand volume dat aan de wisselende noden en mode van de tijd werd aangepast. De omringende parken of tuinen zijn vrijwel uitsluitend in een romantische landschapsstijl aangelegd met onder meer overbrugde "natuurlijke" vijvers, kronkelende paden, boommassieven, standbeelden, onregelmatige bloem- of grasperken,... Bijgebouwen zoals het koetshuis, tuinpaviljoentjes en een kapel vormen hierin onontbeerlijke elementen. Een der mooiste parken rond Turnhout is dat van de "de Paai" (Kastelein nummer 86), een waar arboretum, circa 1887 aangelegd door landschapsschilder J. Rosseels. De residentie zelf, vermoedelijk circa 1886 naar ontwerp van P.J. Taeymans opgetrokken in neo-Vlaamse renaissancestijl, werd vernield in de Tweede Wereldoorlog, gesloopt en vervangen door een witte "klassieke" villa.

Het "Heyken" (Turnhout, Parklaan nummer 100) is een zeldzaam voorbeeld dat getuigt van een heldere en symmetrische schikking, eigen aan de laatclassicistische vormentaal. Het oorspronkelijke volume, opklimmend tot het tweede kwart van de negentiende eeuw, omvat enkel het centrale gedeelte onder het schilddak: de bepleisterde voorgevel straalt met de horizontale en verticale geleding, met de in arduin omlijste voordeur onder een fries van rankwerk en met de omlijste rondboogvensters, een vleugje empire uit. De heldere proporties en het evenwicht van het bouwvolume zijn echter grondig verstoord door latere uitbreidingen in dezelfde trant aan weerskanten.

Op zoek naar steeds nieuwe vormen om rijkdom en kunstzin uit te drukken en vanuit een streven naar behaaglijkheid en gezelligheid zochten de eind negentiende-eeuwse bouwers hun inspiratie in de vormelementen van de vroegere "grote" stijlen of de "cosy" Engelse cottagestijl en versmolten deze veelal tot een eclectisch geheel. Zo ontstonden pittoreske composities uitgewerkt met verschillende materialen, met diverse geveltypes gaande van lijstgevels tot topgevels met zowel renaissancistische, barokke als cottage-achtige allures, met een complex dakenspel van meestal zadeldaken op verschillende hoogtes en in verschillende richtingen, met torens, dakkapellen, dakvensters, meerdere erkers, terrassen en balkons,... in tegenstelling tot deze ogenschijnlijk willekeurige opzet van het exterieur, bleef de schikking van de vertrekken binnenin gedomineerd door symmetrie-assen. De hoofdtoon van de inrichting was meestal neorenaissance. Representatief hiervoor is de aankleding van het bibliotheekje met schilderserker in de toren van het "Schildershof" (Oud-Turnhout, Albert Sohiestraat nummer 1), gebouwd als atelier van landschapsschilder Albert Sohie en opklimmend tot 1904. Terwijl de schilder destijds vanuit zijn uitkijktoren een panoramisch zicht had op het natuurgebied De Liereman, is het door de uitdeinende woonzones, een kleine oase geworden te midden van een bebouwd gebied. De concentratie van vier resterende buitengoederen aan de Steenweg naar Antwerpen op het grensgebied Turnhout/Vosselaar, gebouwd door onder meer papierfabrikanten, zorgt voor een divers toonbeeld van dergelijke eclectisch opgevatte buitenplaatsen. Met hun uitgestrekte domeinen vormen zij aan de westelijke rand van de stad als het ware een groene bufferzone tegen de groeiende verstedelijking. Het park van domein de Somer (Turnhout, Steenweg op Antwerpen nummers 119-127) is tevens een creatie van J. Rosseels. Buiten "de Witte Brem", een eclectisch landhuis met cottage-inslag uit 1899 en "het Zwaneven", in kern en inplanting opklimmend tot midden negentiende eeuw, aan de Steenweg op Mol, vormen in verkavelingen "verdwaalde" paviljoentjes (zie Staatsbaan) of kapellen (zie Lintbekelaan) in Oud-Turnhout de enige sporen van destijds uitgestrekte domeinen. Hoewel op de oude (prent)kaarten soms vermeld als "Chateau", blijven het in omvang vrij bescheiden volumes waarvan de kleinschaligste versies zelfs eerder aansluiten bij de toenmalige villa's of herenhuizen. Zo zijn het cottage-getinte landhuis "de Wieltjes" uit 1891 (Turnhout, Steenweg op Merksplas nummer 42), en het eclectische "Tempelhof" (Beerse, Bisschopslaan nummer 1), beide met omringend park en voorzien van vijver of bijgebouwen, opmerkelijk sober in grootte en decoratie.

In navolging van de rijke elite trok ook de iets minder gegoede burgerij zich 's zomers terug in een optrekje aan de rand van de stad, gelegen te midden van een mooi aangelegde tuin met boomgaard en moestuin. Deze buitenverblijfjes, meestal daterend uit de tweede helft van de negentiende eeuw en opgetrokken in de destijds heersende stijlen, waren niet groter dan een paviljoen: de begane grond bevatte meestal een bergruimte en enkele nutsvoorzieningen, de verdieping, uitgewerkt als een bel-etage, één gevelbrede hoofdruimte met deurvensters die uitgaven op een balkon. Dit type wordt slechts nog vertegenwoordigd door twee bewaarde buitenhuisjes in de omgeving van de Graatakker waaronder het zogenaamde "Hofke van Dooren" (Graatakker nummers 104-106-108) een gaaf miniatuurvoorbeeld vormt van neoclassicistische architectuur.

ECONOMIE, PRE-INDUSTRIEEL EN INDUSTRIEEL ERFGOED

Binnen het industrieel erfgoed onderscheiden we gebouwen waar de eigenlijke industriële productie plaatsvindt, transportinfrastructuren en dienstensector.

De oudste industriegebouwen, meestal kleinschalige ateliers, nestelden zich tussen de bestaande bebouwing van een bewoonde plaats, zoals bijvoorbeeld in de Luizenpoort of de Bloemekensgang aan de Grote Markt te Turnhout, tenzij speciale voorwaarden zoals de nabijheid van water, een ongehinderde windvang of bepaalde transportfaciliteiten, voor de goede gang van het bedrijf waren vereist. Later werden de bedrijven eerder aan de rand van de stad ingeplant, vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw aan het kanaal en sedert de jaren vijftig in nieuw aangelegde industrieterreinen.

Een bepalend bedrijfsgebouw in de pre-industriële voedingssector of grondstofproductie is de molen. Eertijds vielen in de skyline van de stad Turnhout, naast de kerken, tevens talrijke windmolens op. Ook in het Kempens landschap rondom vormde de molen een vast onderdeel. Desondanks is de nalatenschap van dit interessante molenbestand in het bestudeerde gebied eerder bedroevend.

De vier gerepertorieerde molens, daterend van eind achttiende tot begin twintigste eeuw, behoren alle tot het type van de ronde bakstenen bovenkruier en zijn, afhankelijk van de manier van verkruien en opzeilen, te onderscheiden in de berg- of beltmolen en de stellingmolen. De houten standaardmolens, onder meer voorgangers van de in het centrum gelegen "Goormolen" (Steenweg op Oosthoven nummer 239) en "Oranjemolen" (voorheen dichter tegen de Otterstraat), waren tot de Franse tijd in gebruik als banmolens: de onderhorigen waren verplicht op deze molens, eigendom van de domeinheer, hun granen, mits een kleine vergoeding, te malen. Van de huidige "Oranjemolen" (Oranjemolenstraat nummer 19), een beltmolen uit circa 1848 en grondig hersteld in 1912, is zowel het staande werk als het gaande werk vrijwel intact bewaard. De "Goormolen" daarentegen, een stellingmolen opklimmend tot circa 1787, staat er, ondanks zijn status als beschermd monument, zonder galerij, gevlucht en (quasi ook) kap, naakt en verwaarloosd bij. Het eiken houtwerk binnenin (moerbalken, gebogen trappen,...) evenals het merendeel van het roerend werk hebben de tand des tijds echter goed doorstaan. Later werd hier de natuurlijke energie vervangen of versterkt door de mechanische drijfkracht van een bij geplaatste motor. Samen met het recentere molenhuis vormt de Goormolen nog een mooi geheel. Met zijn monumentale afmetingen zou deze molen echter kunnen fungeren als een treffende blikvanger bij het binnenkomen van het stedelijk centrum. Wat betreft het kruiwerk vertegenwoordigen voormelde molens twee frequent in de Kempen voorkomende types: de Goormolen vertegenwoordigt een Hollandse techniek namelijk de kap wordt verkruid op een paternosterring; de Oranjemolen beschikt over Engels kruiwerk, de laatste fase in de ontwikkeling. De molenbiotoop wordt grondig verstoord door bebouwing en aanplantingen zodat van voldoende windvang geen sprake meer is. In Beerse en Oud-Turnhout bleven slechts de molenrompen bewaard.

Na de Eerste Wereldoorlog werd de activiteit geleidelijk overgenomen door gemechaniseerde bedrijven. Deze maalderijen, tegelijkertijd veevoederfabriek en bloemmolen, vormen zowat de enige traditionele nijverheid die haar oorspronkelijke ligging, aan het Kempens kanaal in het noordelijk stadsdeel, heeft kunnen behouden. De oudste onderdelen van deze complexen, slechts daterend uit het tweede kwart van deze eeuw, zijn veelal ronde graansilo's en/of sobere, uit baksteen opgetrokken bedrijfsgebouwen onder plat dak met rechthoekige betonnen of metalen muuropeningen, eventueel met een inwendig dragende betonnen structuur.

In de textielsector, een voor Turnhout van oudsher belangrijke industrietak, vinden we nog overblijfselen uit de pre-industriële tijd. De garenblekerij "Boones Blijk" op de Heizijde, opgericht circa 1650, werd omstreeks het midden van de achttiende eeuw door Domenicus Vermanden met een groot, nog bestaand nijverheidsgebouw uitgerust; het eenvoudige, rechthoekige gebouw was oorspronkelijk verdeeld in twee ruime werkplaatsen aan weerszijden van een centrale circulatiezone en geopend met hoge segmentboogvensters; het werd later verbouwd tot woonhuis doch de vroegere bestemming is nog duidelijk herkenbaar; ook het spoel-reservoir en een deel van de sloten bestaan nog. Aan de Aa, zowel in Turnhout als Oud-Turnhout, bevond zich een hele reeks garen- en linnenblekerijen, waarvan alleen de voormalige blekerij Hendrickx, Broekzijde nummer 34 te Turnhout, bewaard bleef, met groot achttiende-eeuws woonstalhuis, palend aan een indrukwekkende manufactuur met brandkamer voor het stockeren, behandelen en verhandelen van het kostbare materiaal; het sluisje op de Aa dat het debiet in de spoelsloten moest regelen dateert ook uit die tijd. De aparte paardenstal met smidse en het bijzonder groot karrenhuis wijzen op een drukke aan- en afvoer, de monumentale achttiende-eeuwse schuur en de ruime stallen op het gemengde karakter van het bedrijf. Van de uitgebreide negentiende-eeuwse blekerij-inrichting resten nog de eenvoudige bakstenen loodsen van de vroegere mangel- en bereidingsplaats.

Een zeer merkwaardig relict van de oude tijkweverij is de "Engelandhoeve" nabij het vennengebied ten noorden van de stad; dit eclectisch, neogotisch getint complex, opgetrokken omstreeks het midden van de negentiende eeuw, verenigde woon- en werkplaatsen samen met huisvesting voor seizoenarbeiders van een nabijgelegen blekerij. In tegenstelling tot de meeste industriegebouwen uit die tijd werd aan de architecturale vormgeving van dit geheel uitzonderlijk veel aandacht besteed.

De teloorgang van de eens zo bloeiende textielsector was na de Tweede Wereldoorlog definitief. De confectie-industrie daarentegen haalde tot circa 1975 nog zeer goede cijfers. De voormalige hemdenmakerij Vita in de Otterstraat, met bedrijfsgebouwen die opklimmen tot circa 1900, is hiervan een voorbeeld.

De papierverwerkende en grafische nijverheid, die vanaf de negentiende eeuw het Turnhoutse bedrijfsleven beheerste, bestrijkt een heel gamma aan activiteiten, gaande van alle soorten drukwerk, boekbinderij, uitgeverij, tot het aanmaken van speelkaarten, de bewerking van diverse papiersoorten, de cartonnage,... die met hun grootschalige inplantingen tot voor kort het gezicht van de Turnhoutse binnenstad bepaalden. Het fabrieksterrein van de oude Brepolsfabrieken beslaat nog steeds 1,5 hectare in het hart van de stad; de bewaarde bakstenen gebouwen illustreren de evolutie van de fabrieksbouw: de oudste, opklimmend tot 1885-1893, hebben nog een inwendige houten structuur op gietijzeren zuilen; in de periode 1908-1913 worden reeds dragende betonconstructies aangewend en het houten schrijnwerk vervangen door ijzeren ramen; de uitbreidingen van circa 1930 worden gekenmerkt door grote betonnen overspanningen op dito pijlers, platte daken, betonnen ramen. Het opmerkelijkste gebouw is het kantoorcomplex van 1937, uitgevoerd in nieuwe zakelijkheid, met een evenwichtige gevelopbouw, kenmerkende verticale traceringen en grote glaspartijen met ijzeren ramen; vooral in het interieur zijn de principes van de nieuwe zakelijkheid zeer zuiver tot uiting gebracht. De voormalige herenwoning aan de Grote Markt werd gesloopt maar de paardenstallen en koetshuis in neo-Vlaamse renaissancestijl aan het huidige Tweetorentjesplein, gedateerd anno 1889, geven wel een idee van de levensstijl van de toenmalige zaakvoerders Dessauer en Dufour.

Een oude fabrieksvleugel van gewapend beton en baksteen, in 1926 opgetrokken aan de Druivenstraat als uitbreiding van de papier- en speelkaartenfabriek der Gebroeders Mesmaekers, huisvest het Nationaal Museum van de Speelkaart; van de oudere, tot 1859 opklimmende fabrieksgebouwen op het nabijgelegen Kazuifelplein, bleef niets bewaard.

De pas in 1918 opgerichte firma, Van Mierlo-Proost, liet in 1932 het nog bestaande fabriekscomplex aan de Steenweg op Mol bouwen; de voorhal met conciërgewoning, de aansluitende fabrieksvleugels, de magazijnen, garage, smidse en tweede conciërgerie, een onwerp van J. Luyts in nieuwe zakelijkheid met art-deco-inslag, zijn goed geconserveerd.

Van de eertijds niet onbelangrijke tabaksindustrie, is aan de Kadasterstraat nog een indrukwekkend, eclectisch fabrieksgebouw van circa 1890 te zien; na de Eerste Wereldoorlog werd het bedrijf stopgezet en het gebouw omgevormd tot privé-woningen.

Industrieën die vooral na het graven van het kanaal opgang maakten waren de steenbakkerijen, pannen- en cementfabrieken. Walmende fabrieksschoorstenen en ringovens typeerden tot in de jaren zeventig de oevers van Brecht tot Oud-Turnhout.

Op het grondgebied van het kanton Turnhout bleef geen enkele ringoven bewaard; alleen enkele ruïneuze schoorstenen en vervallen fabriekshallen herinneren er aan de vestigingen van weleer. Op één na, de pannenfabriek T.T.R. te Oud-Turnhout waar nog een aantal pittoreske gebouwen teruggaan tot de jaren twintig, werden alle nog werkende bedrijven volledig gerenoveerd.

Ook de scheikundige bedrijven, zogenaamd "oud" en "nieuw Chimical" te Beerse, respectievelijk opgericht in 1899 en 1919 hebben op industrieel-archeologisch vlak nog weinig te bieden: alleen een eclectisch getint administratiegebouw, een aantal bakstenen fabriekshallen en loodsen met onder meer metalen skeletstructuren en ventilatiekappen en enkele gemetselde schoorstenen dateren nog uit de beginperiode van beide vestigingen.

Transportinfrastructuur: spoor- en waterwegen

De aanleg van een eerste spoorweg (1855) opende perspectieven voor de ontsluiting van het gebied maar de verdere exploitatie van het net bleef eerder beperkt.

Stationsarchitectuur kwam enkel tot stand in het stedelijk centrum van Turnhout met de oprichting van het huidige station (Stationstraat nummer 5), in 1896 opgetrokken door architect De Ruddere ter vervanging van een eerste station uit het midden van de negentiende eeuw. Het soliede volume met sterk geaccentueerde centrale inkom onder imposant tentdak met uurwerktoren springt reeds van ver in het oog. Tevens bevatte het gebouw een ruime woning voor de stationschef en een telegraafbureau. De algemene tendens van opkomende neostijlen die een nauwere band vertoonden met het nationaal verleden dan het neoclassicisme, had ook haar weerslag op de openbare gebouwen van rond de eeuwwisseling. De toren, de kleinere torentjes, de leien zadeldaken met dakkapelletjes, de kleurige gevelbekleding door het gebruik van verschillende soorten natuursteen, de uitwerking van de vensters,... gaven het exterieur een typisch neo-Vlaams renaissancistisch kleedje zonder dat structuur en grondplan enige verandering ondergingen. De aankleding van de inkomhal daarentegen bleef classicistisch geïnspireerd. De verrassende combinatie van deze traditionele vormentaal met een inmiddels (1950) gesloopte spoorhal van glas en ijzer, overgekomen van het station Antwerpen-Oost (het huidige Antwerpen-Centraal), duidt op het toenmalig eclectisch bouwen.

Buiten dit imposante gebouw beperkt het spoorwegerfgoed zich enkel tot het voormalige grens- en douanestation "Weelde-Merksplas" (Steenweg op Zondereigen nummer 19) aan de spoorlijn Turnhout-Tilburg, geopend in 1867. Samen met de tot fietspad getransformeerde spoorweg en enkele personeelswoningen in de nabije omgeving vormt dit inmiddels aangepast station thans de enige herinnering aan het sinds 1973 afgeschafte, in de volksmond bekende "Bels lijntje". Het eenvoudig, langgestrekt bakstenen gebouw onder overkragend zadeldak met rondboogvormige muuropeningen vertoont een sterke gelijkenis met het verderop aan deze spoorlijn gelegen station van Baarle-Nassau-dorp.

Ook de buurtspoorwegen bezaten een eigen infrastructuur waarvan echter bitter weinig bewaard is gebleven. Enkel van de buurtspoorlijn Antwerpen-Hoogstraten-Turnhout (1885-1886) bestaan nog enkele materiële getuigenissen. De voormalige stelplaats op de de Merodelei (nummer 144), bestaat uit een geheel van sober en functioneel gehouden gebouwen uit eind vorige eeuw - begin deze eeuw (stationsgebouw, werkplaats, locomotieven- en rijtuigenloods,...), thans echter grondig aangepast aan de nieuwe exploitatievorm, de autobus. De voormalige afspanning hiertegenover (de Merodelei nummer 153), opklimmend tot voor de opening van de tramlijn, fungeerde vermoedelijk als tramhalte.

De twee woonhuizen op de hoek van de Steenweg op Antwerpen/Lokerenstraat vormen de enige sporen van het voormalige NMVB-werkhuis (1887-1954). Dit goed uitgeruste complex, één van de drie werkhuizen van de provincie waar de reparatie van het rollend materieel gebeurde, was vermaard in de buurtspoorwegwereld.

In de jaren na de Belgische Onafhankelijkheid kregen plannen voor een kanalisatie van de arme, geïsoleerde Noorderkempen vaste vorm. Uit nood aan een betere ontginnings- en irrigatiepolitiek en een verkeersinfrastructuur over grote afstand besliste men in 1845 tot het graven van een aftakking van het Kempens Kanaal (verbindingskanaal Maas-Schelde) naar Turnhout. Het eerste gedeelte Dessel-Turnhout, eindigend aan de oude kanaalkom, was, onder de leiding van hoofdingenieur Kümmer, voltooid in 1846. Door de verlenging tot Schoten (1863-1874) kwam Turnhout in het midden te liggen van het 63 kilometer lange kanaal Dessel-Turnhout-Schoten. Met de "Nieuwe Kaai" had de stad er een tweede binnenhaven bij. Verbredings- en verdiepingswerken in 1902 maakten grotere scheepvaart mogelijk.

Van eind vorige eeuw tot begin deze eeuw heeft dit kanaal een grote betekenis gehad voor de industriële en agrarische ontwikkeling van het gebied en de gehele Noorderkempen. Als goedkope transportader voorzag het in de uitvoer van afgewerkte producten, maar vooral in de aanvoer van niet voorhanden zijnde landbouw- en nijverheidsproducten (kalk, zand, mest, steenkool,...). Ondanks een door betere bemesting stijgende landbouwproductie, bleef de ontginnings- en irrigatiebeweging, wegens gebrek aan kapitaalkrachtige ondernemers, eerder kleinschalig. Tevens voor de Kempense industrie daalde in de loop van deze eeuw het belang van deze transportader. Ongunstige omstandigheden zoals kleinschaligheid, een verouderd productieproces, de wereldoorlogen,... deden verschillende industrietakken verdwijnen. De meeste, thans nog bestaande ondernemingen transporteren hun producten langs de weg. Recreatie langs en op het kanaal wint aan belang.

Van de oorspronkelijke kanaalinfrastructuur is niet veel bewaard. De twee brugwachtershuizen aan brug 3 (Stoktsestraat nummer 98, Turnhout) en brug 4 (Dijkstraat nummer 1, Beerse), opklimmend tot circa 1865, zijn van het gebruikelijke type en dus makkelijk herkenbaar: bepleisterde of gecementeerde dubbelhuisjes van drie traveeën met één bouwlaag op souterrain onder overkragend zadeldak. Anders van uitwerking is het in 1898 heropgebouwde brugwachtershuis bij brug 1 (Koningin Elisabethlei nummer 125, Turnhout): de twee bouwlagen, de combinatie van lijst- en tuitgevels en de verwerking van gesinterde baksteen en arduin geven het geheel een monumentale en decoratieve indruk.

De oude, in de Tweede Wereldoorlog gedynamiteerde draaibruggen, werden vervangen door ophaalbruggen.

De dienstensector, verantwoordelijk voor energie- en nutsvoorzieningen, handel, financies en recreatie, liet in de Turnhoutse architectuur enkele interessante sporen na.

De enige, vermeldenswaardige watertoren, gelegen op de hoek Warandestraat/Renier Sniedersstraat, werd, kaderend in een grootschalig saneringsproject, in 1902-1904 naar ontwerp van H. Vandenpias opgetrokken. Na de eeuwwisseling werd een beperkt aantal torens opgericht met een hangbodemkuip, bekleed met metselwerk in plaats van met hout (zie ook in het Terkamerenbos te Brussel, 1890-1908). Samen met de meer functionele, meestal onbeklede Intzekuip, is de hangbodemkuip het meest voorkomende type in de watertorenbouw vanaf 1880-1890. Een bakstenen ronde voet draagt een bijna even brede kuip met een metalen skelet, opgevuld met baksteen. De afwerking met arduin en breuksteen in zowel decoratieve als constructieve elementen duidt op de aandacht voor de uiterlijke vormgeving van dit stukje industriële architectuur.

De Nationale Bank van België beschikte sedert het begin van deze eeuw over een filiaal aan de de Merodelei, een eclectisch complex met directeurswoning en kantoorvleugel ontworpen door de Brusselse architect L. De Rycker.

In de wereld van ontspanning en vermaak, is Turnhout twee markante feestgelegenheden rijk. De beschermde feestzaal Amicitia, van 1913, naar ontwerp van ingenieur-architect A. Vander Heyden, is in wezen een ranke gietijzeren skeletbouw met bakstenen muren rondom. Een boeiende hedendaagse aanwinst is het Cultuur- en Ontmoetingscentrum de Warande, in brutalistische stijl van 1967-1977 naar ontwerp van P. Schoeters, C. Vanhout en E. Wauters. Opmerkenswaardig is het Kursaal, waarbij een badinrichting (1937-) gecombineerd werd met een filmtheater (1947-).

De commercialisering die vanaf de jaren zestig vooral op Turnhout een zware impact had, bracht de bouwkundige evolutie in een stroomversnelling die nieuwe ideeën lanceerde maar ook heel wat kwaliteiten liet teloor gaan.

De uitspraak van Jozef Schellekens anno 1949: "De kleine stad Turnhout heeft geen monumenten die vernoemd worden in de architectuurgeschiedenis" gaat zeker op als we het geïnventariseerde patrimonium toetsen aan de grote voorbeelden in de kunstgeschiedenis. Toch konden we, op een meer bescheiden niveau, een waaier aan interessante gegevens verzamelen, die naar we verhopen, een betere kennis en diepere waardering voor het lokale erfgoed zullen bijbrengen.


Bron     : De Sadeleer S. & Plomteux G. 1997: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Turnhout, Kanton Turnhout, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 16N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  De Sadeleer, Sibylle, Plomteux, Greet
Datum  : 1997


Relaties