Geografisch thema

Kantons Hooglede, Izegem en Lichtervelde

ID: 16236   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16236

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Dit tweede deel van het administratieve arrondissement Roeselare, gelegen in Binnen-West-Vlaanderen omvat het geïnventariseerde gebied van de (kies)kantons Hooglede (spilgemeenten Hooglede en Staden), Izegem (spilgemeenten Ingelmunster en Izegem) en Lichtervelde (gemeente Lichtervelde). Dit niet-aanééngesloten gebied kan opgedeeld worden in een gedeelte ten (noord)westen van het kanton Roeselare (de kantons Hooglede en Lichtervelde) en een gedeelte ten oosten ervan (kanton Izegem).

Het kanton Hooglede grenst aan de arrondissementen Ieper en Diksmuide. Het ten oosten aanpalende kanton Lichtervelde grenst aan de arrondissementen Brugge en Tielt; het kanton Izegem aan de arrondissementen Tielt en Kortrijk.

De drie kantons tellen samen 66.323 inwoners over een oppervlakte van 15.164 hectare. Dit komt neer op een bevolkingsdichtheid van 437 inwoners per vierkante kilometer, wat een stuk hoger ligt dan het gemiddelde voor West-Vlaanderen (357 inwoners per vierkante kilometer). In het kanton Izegem is de bevolkingsdichtheid (895 inwoners per vierkante kilometer) meer dan tweemaal zo hoog als het West-Vlaamse gemiddelde; in de kantons Hooglede en Staden ligt het er een stuk onder (respectievelijk 247 en 320 inwoners per vierkante kilometer).

LANDSCHAPSTYPERING

Het noordelijk deel van het studiegebied bevindt zich in de zandstreek, terwijl Ingelmunster en Izegem gesitueerd kunnen worden in de vallei van de Mandel, vooral op licht- zandleemgronden.

De rug van Westrozebeke (met Staden en Westrozebeke), met een uitloper naar Hooglede en Lichtervelde Heihoek, ligt op een hoogte van ongeveer 50 meter en vormt de waterscheidingskam tussen de IJzervallei en Leievallei.

Hooglede is etymologisch te verklaren als "hoge helling". De naam Heihoek verwijst naar het voormalig veldgebied op de droge zandige bodems.

Naast de rug wordt het noordelijk gebied gekenmerkt door zijn lichtgolvend landschap. Oostnieuwkerke en Lichtervelde zijn gelegen in één der talrijk voorkomende beekvalleitjes, die met alluviale bodems zijn opgevuld. De hoger gelegen kammen zijn niet geërodeerd, dankzij de vrij stenige lagen, die er stelselmatig aanwezig zijn. De ijzerhoudende zandsteen profileert zich als veldsteenbanken die reeds op geringe diepte voorkomen. Dit materiaal is aangewend in de oudste kerkbouw zoals blijkt uit de westgevel van de Sint-Pieterskerk te Emelgem; de geïntegreerde partijen van veldsteen verwijzen er naar de vroeggotische kerk uit de tweede helft van de dertiende eeuw. De rijke kleibodem heeft de baksteenproductie in de hand gewerkt; namen als "Steenovengoed" voor een Ingelmunsterse hoeve en vermelding in archiefstukken van vroegere steenbakkerijen en voornamelijk veldovens wijzen hierop. Momenteel is nog één steenbakkerij actief in Hooglede. Indicatief voor de streek zijn ook de rechte steenwegen die teruggaan tot de 18de eeuw en die een belangrijke aanzet betekenen van de ontsluiting van het gebied. Het agrarisch gebruik staat nu grotendeels onder de invloed van de fruit- en groenteveiling van Roeselare en Omstreken; de densiteit aan groenteteelt en de verwerking ervan in verschillende diepvriesbedrijven, behoort hierdoor tot de hoogste van Vlaanderen.

Het landschap rond Emelgem, Kachtem, Izegem en Ingelmunster wordt sterk gedomineerd door zijn ligging in het valleigebied van de Mandel, en de aanwezigheid van infrastructurele lijnstructuren: het kanaal, de spoorweg en de parallelle steenwegen. Gezien de reeds vroege en nog voortdurende industrialisatie van het gebied werden deze verbindingsassen stelselmatig dichtgebouwd; hierdoor belaadt een aaneengeweven net van bebouwing de vallei met een industrieel karakter.

De streek behoort momenteel tot één van de bosarmste gebieden van Vlaanderen. De historische bossen "Ingelmunsterbos" en de "Huwynsbossen" (Lichtervelde) bleven tot de Tweede Wereldoorlog grotendeels bewaard. Izegem en Westroze-beke ("Vijverbos", eigendom van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) hebben nog een klein bosareaal. De 19de-eeuwse aanplantingen op het Lichterveldse "Veld" (heidegebied) in het noorden van de gemeente, een uitloper van het "Bulskampveld", werden gerooid tijdens de beide wereldoorlogen.

Gelukkig resten er nog enkele groene parkdomeinen, die de kleinstedelijke kern van Izegem en Ingelmunster typeren en een cultureel rustpunt vormen voor de "nijvere stede".

HISTORISCHE SITUERING

In het geïnventariseerde gebied is tot vandaag weinig archeologisch onderzoek verricht. Doorgaans gaat het om toevalsvondsten die weinig wetenschappelijk bestudeerd werden. Een uitzondering hierop vormen Izegem en Emelgem waar baron Charles Gilles de Pélichy reeds einde 19de eeuw opgravingen verricht, en in de jaren 1950 professor S.J. De Laet (Rijksuniversiteit Gent). Verondersteld wordt dat de streek vanaf het neolithicum (4500-1700 vóór Christus) een permanente bewoning kent zoals onder meer blijkt uit de artefacten gevonden op de Gitsberg en de Keiaardheuvel te Staden (laatst genoemde vondst in 1911). Voor Emelgem werd ooit de hypothese van paaldorpen aan de Mandel geformuleerd. Voor de bronstijd (1800-1700 vóór Christus) ontdekte men in de jaren 1980 via luchtfotografische prospecties, in het landbouwgebied te Hooglede, Ingelmunster en Lichtervelde circulaire structuren, die vermoedelijk teruggaan op grafheuvels.

Tijdens de latere Gallo-Romeinse periode, - na de verovering van Gallië door Julius Caesar vanaf 57 vóór Christus -, behoorde het gebied territoriaal tot de civitas Menapiorum met als hoofdplaats Kassei; het werd bewoond door de gelijknamige volksstam die de streek tussen de Schelde en de Noordzee betrok, ten noorden ongeveer tot aan de monding van de grote rivieren en ten zuiden tot aan de alluviale vlakten van Aa, Leie, Deüle en Scarpe. Vanaf de stemming van de "lex provinciae" in 22 vóór Christus wordt het Romeinse wegennet geleidelijk uitgebouwd. Binnen-West-Vlaanderen wordt respectievelijk ten zuiden en ten oosten ingesloten tussen de wegen Boulogne-Kassel-Kortrijk-Tienen-Keulen en Reims-Bavai-Oudenburg, en mogelijk doorsneden door het diverticulum Doornik-Kortrijk-Wijnendale-Oudenburg. Vermoedelijk is het gebied rond Roeselare afhankelijk van de zich daar ontwikkelende prestedelijke kern. Omstreeks 1890 worden te Emelgem de resten van een Gallo-Romeins brandrestgraf ontdekt - bewaard in het Brugse Gruuthusemuseum -, en in de jaren 1950 een houten waterput.

Vanaf circa 406 na Christus hollen Frankische stammen, die van over de Rijn Gallië binnendringen, de Romeinse heerschappij uit. Onze gewesten degraderen in de Merovingische periode (5de tot 8ste eeuw) tot een relatief onontgonnen gebied met uitgestrekte bosgordels. De Romeinse wegen worden niet langer onderhouden en de nederzettingen liggen alleen nog aan rivieren. Zo wijzen inhumatiegraven uit de 7de eeuw te Emelgem (opgegraven in de jaren 1950) op een nederzetting aan de Mandel. Voorts zijn namen als Izegem, Emelgem, Kachtem en Hooglede een Germaanse toponiem en laten patrocinia als Sint-Amandus (Ingelmunster, Hooglede) en Sint-Tilo (Izegem) een kerstening in de 7de eeuw vermoeden. Het Ingelmunsterse zou gekerstend zijn door Engelse monniken die er een klooster oprichtten waarop de mogelijke etymologische verklaring als "anglo-monasterium" zou wijzen.

Het graafschap Vlaanderen ontstaat in de 9de eeuw ten gevolge van het machtsvacuüm gecreëerd door de invallen van de Noormannen. De vermelding van 'Ledda' - het huidige Hooglede - in een charter van 847 vormt de oudste schriftelijke getuigenis voor het geïnventariseerde gebied. In 1071-1093 kiest Graaf Robrecht de Fries Ingelmunster uit om er een versterkt kasteel op te richten, vanwege zijn strategische ligging op de kruising van de Mandel en de krijgsweg Kortrijk-Brugge die mogelijk teruggaat op het diverticulum Doornik-Kortrijk-Wijnendale-Oudenburg; op deze plaats stond mogelijk al een klooster dat omstreeks 882 door de Noormannen tot ruïne werd herleid.

De bevolkingsexplosie van de 11de eeuw valt samen met de eerste vermelding van de huidige parochienamen (soms nog als kapel afhankelijk van een naburige parochie): (West)rozebeke en Izegem (1066), Kachtem (1080, afgescheiden van de moederkerk van Rumbeke in 1119), Gits (1088), (Oost)nieuwkerke (1093), Ingelmunster (1099), Staden (1115) en Lichtervelde (1127). Emelgem en Hooglede worden respectievelijk in 1216 en 1218 voor het eerst vermeld. De nederzettingen van Ingelmunster en Hooglede zijn echter ouder dan deze eerste vermeldingen zoals reeds aangeduid.

De behandelde kantons maakten historisch deel uit van de kasselrijen Ieper (Oost-Ieper-Ambacht), Kortrijk (de roede van Menen) en het Brugse Vrije; bestuurlijke eenheden waarin het graafschap Vlaanderen in de vroege 11de eeuw ingedeeld werd. Door de Franse veroveringen in 1668-1678 zou de grens tussen de kasselrij Ieper en het Brugse Vrije enkele decennia staatsgrens worden.

De voornaamste heerlijkheden zijn de zich over de regio uitstrekkende heerlijkheden Ingelmunster en het "Hof van Izegem" met hogere rechtspraak; dit Hof wordt in 1582 door de Spaanse koning Filips II verheven tot graafschap en in 1678 door Lodewijk XIV tot prinsdom. Vermeldenswaardig zijn ook de baanderheerlijkheid Lichtervelde, de heerlijkheden Mosscherambacht, Wallemote en de Hazelt (Izegem, laatst genoemde ook op Emelgem), het "Hof van Staden" - dat in 1712 wordt verheven tot "graafschap van Carnin en Staden"-, "'t Hof van Rozebeke", het "Laatschap van Oostnieuwkerke", de heerlijkheden van Rhode (Emelgem en Kachtem), Kachtem en Mesegem (Kachtem),'Volmerbeke (Hooglede). De versplinterde heerlijkheden Ogierlande (enclaves te Gits en Oostnieuwkerke), Kringen, "Pauschen en Vij verschen" en Hagebroek (enclaves te Gits en Hooglede) onder het Brugse Vrije hadden hun foncier buiten het bestudeerde gebied. Het foncier was dikwijls een belangrijke hoeve of uitzonderlijk een kasteel. Het Lichterveldse kasteel wordt na de vernieling door de Malcontenten in 1584 wellicht niet meer heropgebouwd, vermits de heren van Lichtervelde in Gent en Brugge gaan resideren. De laatste resten van de kastelen van de heren van Volmerbeke en Staden verdwijnen slechts na de Tweede Wereldoorlog. In 1825 erft de Franse graaf de Montblanc het kasteel van Ingelmunster en het bijhorende grootgrondbezit van de adellijke familie van Plotho die sinds 1583 de heerlijkheid bezit. In het geïnventariseerde gebied is dit het enige bewaarde kasteel van feodale oorsprong; tot de openbare verkoop in 1985 behoudt de familie de Montblanc een groot maatschappelijk aanzien.

In het kerkelijke vlak behoort het gebied gedurende de middeleeuwen tot het bisdom Doornik. Deze bisschoppen schenken het patronaatsrecht van de kerken in de 11de en 12de eeuw aan de abdijen van Sint-Omaars (Lichtervelde, Kachtem), Zonnebeke (Oostnieuwkerke) en Oudenburg (Emelgem), of aan de kapittels van Harelbeke (Ingelmunster), Rijsel (Gits) en Doornik (Staden, Westrozebeke). Een uitzondering hierop vormt de schenking in 899 door de Franse koning Karel de Eenvoudige van het altaar van Hooglede aan de abdij van Elnone (Saint-Amand-les-Eaux nabij Valenciennes). Bij de kerkelijke herindeling in 1559 ontstaat een grensgebied tussen de bisdommen Brugge (de meeste parochies), Gent (Emelgem) en Doornik (Ingelmunster, Izegem). Het concordaat van 1801 baseert zich op de bestuurlijke indelingen: de Leie- en Scheldedepartementen worden verenigd in het bisdom Gent. Vanaf zijn heroprichting in 1834 valt het bisdom Brugge samen met de provinciegrenzen.

De Honderdjarige oorlog (1339-1453) waarbij het graafschap Vlaanderen voor de keuze gesteld wordt tussen de feodale trouw aan Frankrijk en de economische banden met Engeland, genereert een aantal conflicten tussen de graaf en het opstandige Gent. De 'slag bij Rozebeke' (1382) waarbij de Franse koning en graaf Lodewijk van Male de opstandige Gentenaars onder leiding van Philips van Artevelde verslaan, vormt de mythische oorsprong voor de Onze-Lieve-Vrouweverering en de ommegangkapellen te Westrozebeke. Dergelijke machtsconflicten doen zich eens te meer voor in de tweede helft van de 15de eeuw. In 1452 komen de Gentenaren in opstand tegen de Bourgondische hertog Filips de Goede en voeren onder meer raids uit op het kasteel van Ingelmunster en de Izegemse linnenhal. Bij een nieuw conflict met hoogtepunt in 1483-1485, tussen de centralistische Habsburgse vorst en het particularisme van steden en gewesten, bestormen de troepen van Maximiliaan van Oostenrijk onder meer het kasteel van Lichtervelde.

Als gevolg van de Honderdjarige oorlog verschuift de vlasteelt van (Noord-)Frankrijk naar de Zuidelijke Nederlanden. In de 15de en de 16de eeuw ontwikkelt de nog nauwelijks gereglementeerde linnennijverheid zich in kleine entiteiten, dit in tegenstelling tot de lakennijverheid die via privileges voorbehouden is aan oorden met stadsrecht. Izegem, dat reeds eind 14de eeuw een linnenhal heeft, verkrijgt in 1525 een octrooi voor een wekelijkse lijnwaadmarkt.

Ondanks de boycot door de naburige steden Kortrijk en Roeselare vormt Izegem midden 16de eeuw het linnenbevoorradingscentrum voor de Brugse en Antwerpse export naar Spanje en Engeland. De productie wordt aangeleverd door huisnijverheid van spinnen en weven onder meer te Izegem - met ook blekerijen aan de Pastoriebeek -, en Kachtem waar zich een centrum van blauwlinnenfabricatie ontplooit.

Dé transportweg de Mandel, ook gebruikt voor het vlasroten, verzandt echter geleidelijk in de tweede helft van de 16de eeuw. Een gezamenlijk project van Roeselare en Izegem in 1571-1572 om een Mandelkanaal te graven strandt op de tegenstand van steden als Kortrijk, Ieper, Deinze en Gent. Samen met de godsdiensttroebelen die beginnen met de beeldenstorm van 1566, met als gevolg een erg verzwakte economische toestand (prijsstijging, werkloosheid, graangebrek en streekontvolking), vormt dit de doodsteek voor de linnennijverheid.

Talrijke linnenwevers wijken uit naar Brugge, Engeland en de Noordelijke Nederlanden.

In de eerste fase van de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) wordt het graafschap Vlaanderen - neutraal met uitzondering van de calvinistische republieken te Brugge (1578-1584), Ieper (1578) en Gent (1578-1584) - in de tang genomen tussen de protestantsgezinde unie van Utrecht ten noorden en de Spaansgezinde unie van Atrecht ten zuiden. Plunderende (soldaten)benden brengen zware schade toe aan de meeste kerken, getroffen bij een eerste vernietigingsgolf door beeldenstormers in 1566, dorpen en kastelen. In 1578 lanceren de Artesische en Henegouwse Malcontenten een aanval op Izegem; bij een brandschatting in 1589 door Oostendse vrijbuiters wordt de nieuwe linnenhal van 1577 vernield. Bij de "slag van Ingelmunster" in 1580, een treffen tussen de Malcontenten en de troepen van Willem van Oranje, wordt een gedeelte van het dorp en het kasteel zwaar beschadigd. In 1584 vernielen de Malcontenten het kasteel van Lichtervelde.

De inname van Oostende in 1604 onder de regering van Albrecht en Isabella (1598-1621), waardoor er een einde komt aan de aanvallen van vrijbuiters, luidt een periode van demografisch en relatief economisch herstel in. Overal worden de kerken hersteld. De geleidelijke en gedeeltelijke heropbloei van de Izegemse linnennijverheid - nu gericht op fijnlinnenfabricage - wordt geboycot door Kortrijk.

Pogingen om de vernielde hal te herstellen en de markt opnieuw op te starten, en de Mandel te kanaliseren (1610) mislukken.

De Contrareformatie leidt in de 17de eeuw tot het intensifiëren van het parochiaal leven met onder meer de oprichting van broederschappen. De ommegangkapelletjes van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten te Westrozebeke worden vermoedelijk in deze periode voor het eerst opgericht.

Vanaf 1668 tot de Vrede van Utrecht in 1713 wordt het gebied ontwricht door de Spaans-Franse oorlogen met onder meer een langdurige Franse bezetting. Na de Vrede van Utrecht, waardoor de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bewind komen, volgt een periode van relatieve rust met een economische en demografische bloei. Dit is onder meer te danken aan de verbeterde landbouwtechnieken en de geleidelijke opgang van de aardappelteelt. De inkomsten uit de landbouw worden aangevuld met huisnijverheid, voornamelijk het spinnen en weven.

De nieuwe "Theresiaanse" steenwegen Kortrijk-Brugge over Ingelmunster (1752) en Menen-Roeselare-Torhout-Brugge over Gits en Lichtervelde (1751-1754, aftakking over Lichtervelde naar Tielt in 1775-1777) vormen, nu de Mandel onbevaarbaar is geworden, de belangrijkste handels- en verkeersaders. Het economisch belangrijkere Izegem krijgt slechts in 1811 aansluiting op eerst genoemde steenweg.

De economische bloeiperiode weerspiegelt zich in een intense bouwactiviteit. Te Ingelmunster worden de kerk en het kasteel in de 18de eeuw volledig herbouwd. Een groot deel van het huidige hoevebestand in het niet door de Eerste Wereldoorlog vernietigde gebied gaat in kern terug op de 18de eeuw en is als dusdanig aangeduid op de Ferrariskaart (1770-1778).

Met de Franse Revolutie ruimt het heerlijk stelsel de plaats voor een modern staatsbestel, de basis van de huidige administratieve en gerechtelijke organisatie van het gebied. Deze scharnierperiode heeft ook in het hier behandelde gebied een grote impact: de kloosterorde van de grauwzusters te Izegem - de enige oude kloosterstichting in het gebied - wordt opgeheven; het Ingelmunsterse kasteel ontsnapt in 1794 op het nippertje aan een openbare verkoop als eigendom van een geëmigreerde familie. Ongenoegen met de godsdienstpolitiek en de algemene conscriptie culmineert in 1798 in de Boerenkrijg, in de streek bekend als 'brigandszondag'.

De verruiming van de afzetmarkt tijdens de Franse bezetting drijft de linnenproductie de hoogte in. De bestelling van schoenen door het Franse leger in 1794 stimuleert de ontluikende schoennijverheid te Izegem. In 1817, onder het Hollandse bewind, wordt Izegem tot stad verheven. De hoedennijverheid floreert tot omstreeks 1840.

In de jaren 1840 veroorzaakt de concurrentie van de reeds gemechaniseerde Engelse textielnijverheid een recessie van de op huisspinnen en -weven gerichte linnennijverheid. Samen met de mislukte graan- en aardappeloogsten, en de invoer van goedkoop buitenlands vlas leidt dit in 1845-1847 tot hoge sterftecijfers en het uitwijken van de plattelandsbevolking naar stedelijke centra in Noord-Frankrijk en Wallonië. Als reactie op deze recessie worden te Izegem de huisnijverheden voor de productie van schoenen en borstels - gegroeid uit de nood aan 'reeborstels' bij het weven - gestimuleerd. De kasteelheer van Ingelmunster richt in 1856 een tapijtenmanufactuur op tegenover de kasteelpoort.

De parochiegeestelijkheid en afstammelingen van de vroegere lokale feodale heren komen de armoede - op paternalistische wijze - tegemoet en spannen zich gedurende de 19de eeuw in voor werkverschaffing, en de stichting van armenscholen en congregaties. Als voorloper van dergelijke congregatie geldt de "Assemblee des Filles de Charité", in 1769 gesticht door een Ingelmunsters pastoor.

De mechanisatie, die in de tweede helft van de 19de eeuw wordt ingezet, leidt tot de heropbloei van de linnennijverheid en de oprichting van de eerste fabriekjes te Izegem. De eerste stoommachines worden er in de jaren 1850-1860 geplaatst; voor een Ingelmunsterse weverij komt die er in 1865.

In tegenstelling tot de linnennijverheid blijft de schoennijverheid en ten dele ook de borstelnijverheid gericht op huisnijverheid. De definitieve doorbraak van de machinale schoenproductie gebeurt pas in 1909.

De aanleg van de spoorweg Kortrijk-Brugge in 1847 met stopplaatsen te Ingelmunster en Izegem (eerste goederenstation te Izegem slechts in 1883-1884) en het graven van het kanaal Roeselare-Leie in 1862-1872 dwars door Izegem, Emelgem en Ingelmunster vormen een belangrijke troef voor de industrialisatie. Vooral Izegem ontwikkelt zich tot een kleine industriestad waarbij de familiebedrijven de open ruimten binnen de stad innemen. Het Emelgemse platteland aan de overzijde van het kanaal ontpopt zich vooral na de Eerste Wereldoorlog tot een aansluitend nieuw industriegebied. Te Ingelmunster zet een dergelijke ontwikkeling zich niet door onder meer omdat de baron weigert de gronden aan het kanaal te verkopen.

Uit de toenemende werkgelegenheid te Izegem resulteren een bevolkingsaangroei en ook voornamelijk vanaf circa 1875 een stadsuitbreiding met arbeiders- en burgerwijken. De vestiging van kloostergemeenschappen met een onderwijzende en verzorgende functie gaat hiermee gepaard. Eén ervan ligt aan de oorsprong van de huidige Sint-Jozefskliniek.

In de plattelandsgemeenten blijft het bij meer landbouwgebonden nijverheden. De meeste dorpen hebben/hadden meerdere molens en zeker één brouwerij. Voorts wordt cichorei geteeld en ook vlas met verdere verwerking vanaf de 20ste eeuw.

Dat de bebouwing buiten de eigenlijke dorpskernen toeneemt in de tweede helft van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw blijkt duidelijk uit het historisch kaartenmateriaal. In de wijk "De Geite" (Hooglede) bijvoorbeeld, die als bewoningskern reeds aangeduid is op de Ferrariskaart (1770-1778), wordt in 1862 een kerk gebouwd.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog behoren de behandelde kantons tot het "Etappengebiet", een door de Duitsers bezet gebied met militair bestuur. Het gebied tussen het Westfront en Roeselare wordt van noord naar zuid doorsneden door verdedigingslinies met betonnen schuilplaatsen opgetrokken vanaf 1914. Van belang zijn hier de "Flandern I Stellung" doorheen Hooglede (bewaarde bunker), "De Geite" en Oostnieuwkerke, grosso modo het tracé van de steenweg Menen-Roeselare-Torhout volgend, en de "Flandern II Stellung" doorheen de westelijke uithoek van Staden waar nog een bunker staat achter een hoeve aan de Soetestraat. Te Gits, Ingelmunster en Izegem worden Duitse vliegvelden aangelegd. Van de Duitse begraafplaatsen op diverse plaatsen, is enkel deze te Hooglede bewaard; tijdens het interbellum krijgt het een regionale functie vermits hier de stoffelijke resten van andere militaire kerkhoven worden samengebracht; te Staden wordt een analoge operatie uitgevoerd in 1955 met overbrenging naar het Duits Krijgskerkhof van Menen.

Met de slag om Passendale (31 juli-10 november 1917) schuift de frontlijn ter hoogte van Ieper oostwaarts op in de richting van Roeselare. De meest westelijke dorpen Staden en Westrozebeke worden volledig van de kaart geveegd voornamelijk door Britse beschietingen in 1917-1918. Elders lijden vooral de representatieve gebouwen zware schade. Zo dynamiteren de Duitsers de kerktoren van Lichtervelde en de molens van onder meer Hooglede. Het 16de-eeuwse(?) Mariabeeld van de bedevaartskerk te Westrozebeke wordt in 1915 overgebracht naar de Sint-Michielskerk te Roeselare, vanwaar het in 1917 naar Hamme verhuist. Bij de bevrijding in 1918 sneuvelt de Vlaamsgezinde luitenant en dichter J. Dewinde (Merchtem) te Westrozebeke; een monument van 1938 herinnert daaraan. Bij de meeste kerken worden kort na de Eerste Wereldoorlog oorlogsmonumenten opgericht waarin heroïsch beeldhouwwerk wordt gecombineerd met een lijst van gesneuvelde soldaten en burgers.

Na de wapenstilstand is het meest dringende probleem de huisvesting. Teneinde de woningnood te lenigen bouwt het Koning Albertfonds in 1918-1919 barakken onder meer te Staden, en ook in het minder verwoeste Izegem dat veel vluchtelingen opvangt.

De regering geeft zich spoedig rekenschap van het feit dat de gemeenten de zware taak van de wederopbouw onmogelijk alleen aankunnen. Door de wet van 8 april 1919 krijgen de verwoeste gemeenten de kans om zich te laten adopteren door de Staat. De hier behandelde gemeenten behoren tot de Noorderstreek of - dito gewest, onder het gezag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, met aan het hoofd de Hoog Koninklijk Commissaris H. de Groote. Aansluitend bij deze wet wordt de Dienst der Verwoeste Gewesten opgericht die instaat voor de financiering en coördinatie van de wederopbouw.

Na de goedkeuring van de aanleg- en rooilijnplannen voor Staden, Westrozebeke en Gits naar ontwerp van arrondissementscommissaris R. Cloet (Tielt) kan de definitieve wederopbouw worden aangevat; voornamelijk architecten uit Roeselare en Brugge zijn hierbij betrokken. De wederopbouw herstelt grosso modo het vooroorlogse stratenpatroon. Ingrepen blijven doorgaans beperkt tot het rechttrekken en verbreden van straten. Wel wordt de kerkomgeving te Staden grondig gewijzigd met onteigening van een aantal huizen en de opruiming van het kerkhof. Vanaf de jaren 1920-1930 promoten de "Iseghemse Bouwmaatschappij voor Goedkope Woningen" (1923) en de coöperatieve vennootschap "De Mandelbeek" (Ingelmunster, 1923) sociale huisvesting.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog blijft de schade over het algemeen beperkt. Een uitzondering hierop vormt de Sint-Jan-Baptistkerk te Staden die voor de tweede maal in dertig jaar tijd totaal vernietigd wordt door een luchtbombardement. Vanaf de jaren 1950-1960, dragen sociale woningbouw en private verkavelingen, en de hiermee gepaard gaande stichting van een aantal nieuwe (deel)parochies bij tot de verdere uitbreiding van de plattelandsgemeenten.

De vlascrisis van 1950-1951 en de geleidelijke achteruitgang van de andere nijverheidsteelten zoals cichorei (en tabak) werkten een gedeeltelijke overschakeling naar de intensieve veeteelt en de tuinbouw in de hand. Deze laatste sector is vooral dominant aanwezig te Staden en Westrozebeke waar zich ook frigobedrijven ontwikkelden.

Vanaf de jaren 1970 treft de economische crisis de traditionele sectoren zoals textiel en schoenenproductie. Tegelijkertijd worden echter inspanningen geleverd voor de "ontsluiting" van de streek onder meer door de aanleg van de Rijksweg 308 (1972-1973); ten zuiden van Izegem en de A 17 Brugge-Kortrijk (1973 tot omstreeks 1983) worden nieuwe industrieterreinen aangelegd. Hierdoor sluit de streek, en vooral Izegem, aan bij het economisch erg welvarende en verstedelijkte zuiden van West-Vlaanderen. Nieuwbouwwijken sluiten verder aan bij de meeste dorpskommen; een tweede reeks van sociale woonwijken gaat dikwijls terug tot de jaren 1960-1970 en privé-verkavelingen tot de jaren 1980-2000. De dorpen krijgen hierdoor een eerder residentieel karakter en een nog steeds aangroeiende bevolkingsconcentratie.

ARCHITECTUURHISTORISCH OVERZICHT

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Kerken

In de kantons Hooglede, Izegem en Lichtervelde knopen de meeste dorpskerken doorgaans aan bij de regionale baksteenarchitectuur met een eerder behoudsgezind karakter. Het zijn dan hallenkerken met karakteristieke, zware westtoren. Als bouwmateriaal wordt zowel zandkleurige als rode baksteen gebruikt en leien voor de bedaking.

In de loop van de 7de eeuw wordt het gebied gechristianiseerd; in de landelijke centra worden houten kapellen opgericht, die doorgaans later worden vervangen door steenbouw. Resten van deze oudste kerkbouw zijn hoofdzakelijk bewaard in westgevel de Sint-Pieterskerk te Emelgem, die nog grotendeels uit veldsteen is opgebouwd. Opgravingen in de jaren 1982-1983 hebben de gefaseerde ontwikkeling aangetoond van de kleine romaanse zaalkerk van vóór 1200 tot de driebeukige kruiskerk van de tweede helft van de 13de eeuw, om tenslotte te evolueren tot de driebeukige hallenkerk van de 15de eeuw. Deze kerk geldt ook als typevoorbeeld van het samensmelten van verschillende bouwstijlen: laatgotisch schip en koor, 17de-eeuwse toren, classicistisch aangekleed interieur van 1769 en neogotische aanpassingen, weggerestaureerd in 1981-1983.

Tijdens de 16de-eeuwse godsdiensttroebelen worden de meeste kerken in het bestudeerde gebied zwaar beschadigd. Ze worden vervangen door nieuwbouw of hersteld in laatgotische stijl. Veel van deze kerken zijn nu echter verdwenen of bleven slechts fragmentarisch bewaard ten gevolge van oorlogsgeweld, brand of de bouwlust van de 19de eeuw, zoals bijvoorbeeld de parochiekerk van Kachtem.

Als voorbeeld van de 18de-eeuwse kerkbouw, bleef enkel de parochiekerk Sint-Amandus te Ingelmunster behouden. Deze pseudo-basilicale kerk is opgetrokken in twee bouwfasen: tot de eerste behoort de vierkante, laatbarokke toren gebouwd in 1739, tot de tweede het schip en het koor opgericht tussen 1780 en 1783. Vermeldenswaardig is de integratie van het laatgotische westportaal dat vermoedelijk teruggaat op de oude hallenkerk. In de Sint-Jacob de Meerdere kerk te Gits herinnert enkel de oostelijke buitenmuur met metselaarstekens en het jaartal 1765 aan de 18de-eeuwse uitbreiding.

Het behouden mobilair van de kerken die teruggaan tot het ancien regime is uiteenlopend qua stijl en kwaliteit. Uitzonderlijk is de Romaanse doopvont uit de 12de eeuw, bewaard in de parochiekerk van Sint-Jacob de Meerdere in Lichtervelde.

Altaren, communiebanken, preekstoel enzovoort dateren meestal uit de 17de en 18de eeuw. In de kerk van Ingelmunster behoren de voornaamste elementen en ook de lambrisering tot de 18de eeuw evenwel met integratie van onder meer de 17de-eeuwse kerkmeesterbank.

Bewaard zijn ook grafstenen die soms teruggaan op de 16de eeuw maar voornamelijk dateren uit de 17de-18de eeuw. Ze belichten vaak aspecten van de lokale geschiedenis. In Oostnieuwkerke herinneren de vier 18de-eeuwse grafstenen van monniken-pastoors aan de rol die de abdij van Zonnebeke hier speelde vanaf 1614; te Ingelmunster getuigt de grafsteen van Marie Louise, barones de Plotho bewaard in de "Baronie" of heerlijke kapel, van de band tussen kerk en plaatselijke kasteelheren.

Ommuurde "kerkhoven" zijn in het geïnventariseerde gebied vanaf de 19de eeuw vervangen door officiële begraafplaatsen, aangelegd aan de rand van de bewoonde kern: in Izegem gebeurde dit reeds in 1806, in Ingelmunster in 1859, in Gits pas in 1940. Ze hebben veelal de plaats geruimd voor pleinen, later ingenomen door parkings. Westrozebeke behoudt nog zijn oud kerkhof met Calvarie uit het interbellum en een opvallend grafmonument voor de zusters van Onze-Lieve-Vrouw, alhier overleden sinds 1840.

De bevolkingstoename in de 19de eeuw leidt tot het oprichten van nieuwe parochies en kerken in gehuchten en afgelegen wijken. Daarnaast worden bestaande bedehuizen vergroot. Anderzijds worden sommige oude, vaak gotische kerken, vervangen door meer monumentale bedehuizen, aansluitend bij de gangbare neostijlen; de voorkeur gaat uit naar de neogotische vormentaal en in mindere mate naar de neoromaanse. Belangrijk is de Izegemse Sint-Tillokerk van 1861, ontworpen door de Kortrijkse architect P.N. Croquison: ze behoort tot de vroegste voorbeelden van de neogotische kerkarchitectuur in West-Vlaanderen. Van dezelfde architect is de neogotische bedevaartskerk te Lichtervelde met basilicale opstand van 1878-1880; ze vervangt de 17de-eeuwse kerk met Romaanse toren. De ten dele bewaarde muurschilderingen wijzen op de toen gehanteerde iconografie en kleurenrijkdom.

De parochiekerk van Sint-Jozef te Hooglede van 1862 sluit, als kopie van de Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk te Zevekote, aan bij de neoromaanse stijl. In Oostnieuwkerke daarentegen wordt in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van 1892 de regionale laatgotische baksteengotiek in zekere mate gesublimeerd door architect J. Soete; in de rode baksteenbouw wordt onder meer contrasterende gele baksteen ingebracht voor de traditiegebonden metselaarstekens, jaartallen en andere decoratieve motieven. Deze ontwikkelingslijn zal in de latere wederopbouwarchitectuur verder worden uitgesponnen.

In deze nieuwe kerken dateert het mobilair hoofdzakelijk uit de bouwperiode, en dit met een voorliefde voor neogotische onderdelen, passend in een totaalconcept zoals onder meer in Izegem waar het meubilair voornamelijk wordt geschonken door de plaatselijke adellijke familie Gilles de Pélichy. In aangepaste kerken vervoegen neogotische elementen het bestaande meubilair. In de meeste bedehuizen gaan de figuratieve glasramen terug tot de 19de en begin 20ste eeuw; ze zijn onder meer vervaardigd door J. Dobbelaere (Brugge), zoals in Ingelmunster en in Izegem.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog worden de kerken van Staden en Westrozebeke totaal verwoest; ze worden later herbouwd naar het patroon van de driebeukige hallenkerken met zware westtoren dat zo typisch is voor de regionale baksteengotiek. Het interieur van deze hallenkerken neemt ook de traditionele ruimtewerking over die grotendeels wordt bepaald door houten spitstongewelven voorzien van trekankers.

De kerken van Hooglede en Lichtervelde worden tijdens het bevrijdingsoffensief van 1918 beschadigd en hun torens vernietigd. De toren van de Hoogleedse parochiekerk is naar ontwerp van A. Van Coillie herbouwd in neogotische stijl. De architect kiest bewust voor de gele, Veurnse baksteen in plaats van de oorspronkelijke rode baksteen, om het regionale karakter te benadrukken. Ook de toren van de kerk van Lichtervelde wordt herbouwd naar vooroorlogs model, evenwel met meer uitgelengde verhoudingen. In de andere gemeenten worden de kerken in mindere mate getroffen door oorlogsschade; de latere herstellingswerken respecteren het vooroorlogse uitzicht.

In de talrijke woonuitbreidingen van de jaren 1960 worden hedendaagse parochiekerken opgericht die aansluiten bij de toenmalige strekkingen. Naast eclectische gebouwen, die nog in zekere mate aanleunen bij de oudere stijlarchitectuur, komen meer progressieve vormen voor die de toenmalige poging tot het actualiseren van de liturgie en de religieuze kunst illustreren. De parochiekerk Christus-Koning met bijhorend klooster van de paters van het Heilig Sacrament te Hooglede, opgetrokken in 1962, naar ontwerp van publicist A. De Smedt en uitgewerkt door de architecten J. Van Coillie en D. Deleu, knoopt met haar centrale aanleg aan bij de eerder expressieve, ietwat triomfalistische stroming: plattegrond, opstand, ruimtewerking en uitbundig gebruik van nieuwe materialen als staal en beton breken met de traditie en willen bewust vernieuwend werken.

De sobere Sint-Raphaëlkerk te Izegem, in oorsprong opgevat als tijdelijke parochiekerk, behoort tot de vereenvoudigde strekking met rechthoekige eenheidsruimte en vrijstaande klokkentoren.

Als vroeg voorbeeld van hergebruik van een industrieel complex geldt de parochiekerk Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ingelmunster. In 1958-1959 krijgt architect C. Vastesaeger (Assebroek) de opdracht de voddenfabriek Coppin van 1923 te verbouwen tot bedehuis met parochiezaal op de bovenverdieping. In 1999 wordt de noordgevel bekleed met een witte snelbouwsteen door architect G. Debruyne (Brugge). Het bakstenen fabriekspand wordt als dusdanig behouden, alleen de betonnen toren met kruis en het beglaasde portaal wijzen op het nieuwe gebruik. In de sobere driebeukige ruimte is de betonnen structuur volledig bewaard. Bij het hoofdaltaar brengt het glasraam van M. Marlens (Brugge) enig licht en kleur in het sobere interieur dat volledig past in de toenmalige kerkbouw.

Kapellen

In het bestudeerde gebied zijn talrijke kapellen opgetekend en dit zowel in de landelijke als stedelijke omgeving. Vooral op het platteland zijn de wegkapellen prominent aanwezig en nog vaak beschaduwd door linden of andere loofbomen. Hun huidig uitzicht dateert voornamelijk uit de 19de eeuw en zelfs 20ste eeuw, wat niet wegneemt dat ze kunnen teruggaan op oudere stichtingen. In hoofdzaak zijn het alleenstaande gebouwtjes van soms gemengde baksteensoorten onder zadeldak. Wanneer ze bij een hoeve horen zijn ze soms ingewerkt in één van de aanhorigheden zoals bijvoorbeeld aan de Noordabeelstraat nr. 11 te Gits: hier is de neogotische Kapel Lievens van 1926 opgenomen in de noordoosthoek van de stal. Elders markeren ze een omheiningsmuur van de hoeve zoals aan de Sleihagenstraat te Oostnieuwkerke.

In de aloude vorm van ommegang rond het dorp, zoals te Westrozebeke, of rond de kerk zoals te Gits, tonen de vaak recentere en gelijksoortige kapellen elk een tafereel uit het leven van de vereerde heilige.

Qua vormgeving vertonen alle kapellen een variatie gaande van een extreme eenvoud en soms moeilijk te dateren soberheid naar een meer versierde en stijlgebonden ornamentatie.

Een zekere neoclassicistische inslag is te bespeuren in de vereenvoudigde portiektraveeën die de deur omschrijven zoals onder meer in Hooglede met een driehoekig fronton, of in Lichtervelde waar gesinterde baksteen wordt aangewend om het decoratief effect van de vlakke rechthoekige omlijsting met tandlijst te verhogen. De "Lannoy's" of "Goddynskapel", bewaart er een analoge rondboogdeuromlijsting onder bovenlicht uitgewerkt als radvenster. De merkwaardige "Trassens Kapel" te Izegem is een meer uitgewerkt neoclassicistisch voorbeeld met verzorgde ornamentatie en typerende ijzeren roedeverdeling in de beglaasde deur met bovenlicht.

De gewitte interieurs, al dan niet onder verankerd tongewelf zijn doorgaans net zoals het sporadische meubilair zeer eenvoudig. De altaren met hun veelal plaasteren heiligenbeelden, zijn soms afgeschermd door een ijzeren hek zoals in de Izegemse Mariakapel van 1863.

Neogotiek beïnvloedt de vormgeving vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw. De "Kasteelkapel" te Lichtervelde met haar puntgevel en Brugse travee, banderolversiering en drielob met wapenschild van de plaatselijke heren vertegenwoordigt het meer uitgewerkte type. In zekere zin sluiten de bakstenen kapellen van de Ommegang in Westrozebeke van 1890 en 1923 hierbij aan. Tot de lokale varianten behoort onder meer de 19de-eeuwse "Hazekapel" te Ingelmunster met haar beraapte wanden en spitsbogige muuropeningen. De grotere Kruiskapel van Kachtem vormt met haar gecementeerde puntgevel tussen op elkaar gestelde steunberen een uitzondering in de doorsneereeks. Interessante neogotische exemplaren zijn de Izegemse "Wyffelskapel" en de ruime "Kruiskapel" van 1900. Dit laatste bedehuis waarvoor architect J. Vercoutere instond, is duidelijk meer stijlgebonden wat de opbouw en afwerking betreft. Het verzorgde interieur onder houten spitstongewelf herbergt een ouder Kruisbeeld, de later toegevoegde tegelbekleding en wapenschilden van de stad Izegem en de van Arenbergfamilie.

In tegenstelling tot de bedehuisjes op rechthoekig grondplan al dan niet met absis, heeft de Lichterveldse "Heihoekkapel" een vijfzijdige vorm met vlakke sluiting. Het eclectisch, neogotisch getint gebouwtje van gele baksteen vertoont een eigenzinnige opstand en leien bedaking gemarkeerd door een kleine centrale dakruiter.

De "traditionele" kapelvorm blijft anderzijds doorleven. Vanaf het interbellum krijgt hij soms een kleurrijke uitvoering, zoals bijvoorbeeld de met granito bekleedde "Maria-Francisca-kapel" van Ingelmunster van 1938. Ook is er in deze periode enige stijlgebonden vernieuwing zichtbaar in de vormgeving zoals bij de "Vandewallens kapel" te Emelgem van 1940.

Kapellen voor Onze-Lieve-Vrouw van Banneux worden, na de verschijningen van 1933 en samen met de aangroeiende verering van de "Maagd der armen" populair vanaf het einde van het interbellum en in de naoorlogse periode; typisch is hun open aanleg gemarkeerd door een zuilenrij.

Merkwaardig zijn een paar elektriciteitscabines uit de jaren 1950-1960 die in Kachtem de vorm van een kapelletje overnemen met heiligennis in de voorgevel. Aan de Hogestraat vervangt deze cabine effectief een kapel van 1862 waarvan de gedenkplaat is opgenomen in de nieuwe constructie.

Op de begraafplaatsen die vanaf de 19de eeuw worden aangelegd, staan naast grafstenen en -monumenten in diverse stijlen ook grafkapellen. De meest opmerkelijke is de monumentale grafkapel van familie de Montblanc van 1865 te Ingelmunster. Ze werd naar verluidt ontworpen door P.N. Croquison als een neoromaans bedehuis met vierlobbige centrale aanleg. De grafkapel van baron G. de Pélichy of zogeheten "Baroniekapel" van 1889, die aan het einde van de centrale weg van de Izegemse begraafplaats prijkt, vertoont een kruisvormig grondplan en een typisch neogotische opstand.

Openluchtkapellen met grot van Lourdes worden op diverse plaatsen aangelegd na 1858. Onder meer te Emelgem is de Lourdesgrot opgevat als een openluchtheiligdom met banken.

De volksdevotie komt ook tot uiting in voornamelijk gietijzeren kruisbeelden uit de 19de - begin 20ste eeuw. Kleine nissen met heiligenbeelden in de huisgevels of schuurgevels zijn eveneens in talrijke straatbeelden aanwezig.

Religieuze instellingen

De religieuze instellingen bestaan vaak uit gebouwen uit verschillende perioden. Dit komt zowel tot uiting in het exterieur als in de stoffering van het interieur. Het klooster van Avé Maria, teruggaand tot 1806, is deels in laatclassicistische stijl opgericht. Het interieur omvat evenwel onder meer een art-deco-ontvangstzaal en de zogeheten "Gouden Kapel" met neobarokke stoffering. Talrijke 19de-eeuwse vrouwenkloosters kregen in het begin van de 20ste eeuw een neogotisch gevelparement; ook het klooster van de minderbroeders kapucijnen te Izegem werd in deze stijl opgericht in 1899-1901. Ze worden alle getypeerd door Brugse traveeën, trapgevels of dakvensters in topgevels. Het klooster van de zusters maricolen te Staden is herbouwd in historiserende trant met trapgevels. De 19de-eeuwse kloosters van de zusters van Sint-Vincentius a Paulo te Emelgem en te Gits worden in de jaren 1930 vernieuwd in late art deco-stijl. De kern van het klooster met school van de zusters van Maria te Ingelmunster gaat terug tot het derde kwart van de 19de eeuw. Het omvat echter ook gebouwen van onder meer 1911 en 1920; de kapel van 1957 vertoont hierbij een uiterst steil uitzwenkend zadeldak waaronder een opmerkelijk spitstongewelf. In de jaren 1960 dringt zich een strakkere lijn op. Het voormalige klooster der paters van het Heilig Sacrament te Hooglede naar ontwerp van publicist A. De Smedt (Kortrijk), (1962), krijgt een balkvormige vormgeving die oorspronkelijk benadrukt was door een abstracte mozaïek. Het geheel contrasteert dan ook met de bijbehorende exuberante Christus-Koningkerk.

Qua aanleg sluiten de meeste kloosters aan bij de klassieke indeling: vleugels onder zadeldaken -vanaf de jaren 1930 ook platte daken- zijn aangelegd rondom binnentuinen met ingevoegde of aanleunende kapel. Binnenin verbinden brede, lange gangen, de verschillende lokalen. Talrijke kloostergemeenschappen zijn verbonden met het onderwijs, zeldzamer in deze regio met ziekenhuizen, zoals de Sint-Jozefskliniek te Izegem, of met bejaardentehuizen. Naast de gebruikelijke gebouwen behoren tot het klooster van Ave Maria te Izegem ook een directeurswoning en een molen met hostiebakkerij.

Sommige kloostergemeenschappen namen hun intrek in reeds bestaande herenhuizen, bijvoorbeeld de zusters van de altijddurende aanbidding te Izegem. Zo ook de paters lazaristen te Ingelmunster die het huis uitbreidden met onder meer een neoromaanse kapel (1913), laatstgenoemde werd in 1948 afgebroken maar is nog afleesbaar aan de hand van de zuilenresten en de kapitelen aan de achtergevel. Bij kleine, lokale scholen werd vaak een eenvoudige kloosterwoning gebouwd, veelal opgevat als dubbelhuis van twee bouwlagen in aansluitende architectuur, zoals onder meer bij de neogotische Izegemse Sint-Antoniusschool van 1902.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Openbare gebouwen

Het gemeentehuis, als gebouwentype ontwikkelt zich in deze streek in de loop van de tweede helft van 19de eeuw. Voorheen was het zogeheten schepenhuis ondergebracht in de plaatselijke herberg: sommige café-opschriften getuigen hier nog van. Later worden ze soms overgebracht naar een daartoe ingericht herenhuis; onder meer te Ingelmunster betrokken de gemeentelijke diensten tussen 1919 en 1985 het fraaie laat-18de/begin 19de-eeuws "Huis Van Ooteghem-Catulle aan de Bruggestraat nr. 11. Het oudste behouden gemeentehuis dateert van 1866 en bevindt zich te Hooglede. Dit neoclassicistisch gemeentehuis huisvestte tot 1969 ook het vredegerecht. Het wordt getypeerd door de sterke horizontale gevelgeleding, de verticaliserende pilasters die hoek- en en middenrisaliet benadrukken en de markante zijgevel met dubbele bordestrap, geordonneerd door gekoppelde Toscaanse en Korinthische driekwartzuilen.

De gemeente Staden en Westrozebeke en krijgen pas na de Eerste Wereldoorlog een "echt" gemeentehuis; in laatstgenoemde wordt het in 1921 gebouwd naar ontwerp van A. Dugardyn (Brugge). Materiaalgebruik en vormgeving met onder meer toepassing van Brugse traveeën en houten kruiskozijnen sluiten aan bij de toenmalige wederopbouwarchitectuur met regionalistische inslag. Binnenin knopen een aantal elementen als schouwmantels aan bij laatgotische patronen. Het complex, dat nu gebruikt wordt als Cultureel Centrum, omvat eveneens een conciërgerie en een brandweerkazerne.

De stad Izegem heeft pas sinds 1923 een stadhuis. Voorheen was het zogenaamde schepenhuis, gevestigd in een herberg aan de Korenmarkt en later aan de Marktstraat. Het huidige stadhuis is een voormalig herenhuis van 1883, opgetrokken in neo-Vlaamse-renaissancestijl; het was eigendom van de familie C. Ameye-Dobbelaere die het in 1922 aan de stad schonk. Het rijkelijke burgerlijke interieur werd in hoge mate geschikt bevonden voor dit nieuwe gebruik. Het historiserende, neobarokgetinte gemeentehuis van Lichtervelde heeft een lange voorgeschiedenis en is in zijn huidige vorm het resultaat van opeenvolgende aanpassingen en verbouwingen; de meest ingrijpende naar ontwerp van architect A. Degeyter gaan terug tot 1949 en op 1952 met toevoeging van de toren. Het jongste gemeentehuis is dat van Ingelmunster van 1982-1984 waarvoor de historische "Kasteelhoeve" een paar jaar voordien werd afgebroken.

In het geïnventariseerde gebied is een zeker verschil merkbaar tussen de onderwijsinstellingen van Izegem en deze van de andere gemeenten. Izegem ontpopt zich in de loop van de 19de eeuw tot belangrijk centrum voor onderwijs. Bij het begin van de 20ste eeuw beschikt de stad over een uitgebreid scholennet gaande van bewaarscholen en lagere scholen tot middelbaar onderwijs en technische scholen.

De 19de-eeuwse schoolgebouwen zijn echter op enkele sporen na verdwenen, met uitzondering van de school verbonden aan het klooster van de zusters van Maria, beter gekend als het klooster van Avé Maria of Pélichyklooster. Dit klooster neemt in 1806 de onderwijzende taak over van de grauwzusters, die hiervoor instonden tot de Franse Revolutie. In 1811 worden het laatclassicistische schoolgebouw en het klooster ingehuldigd. Het huidige uitzicht wordt hoofdzakelijk bepaald door de aanzienlijke midden 19de-eeuwse uitbreidingen die tot stand kwamen onder impuls van priester Joseph de Pélichy.

Vermeldenswaardig is de in 1900 opgerichte nijverheidsschool, naar een ontwerp van de Izegemse architect Jules Vercoutere. Heden huisvest dit neogotische schoolgebouw het Nationaal Borstelmuseum. Opvallend is de inscriptie "CARRIÈRES DU CENTRE DES ÉCAUSSINNES" die verwijst naar de herkomst van de blauwe hardsteen die samen met rode baksteen wordt verwerkt.

In 1876 wordt als tegenhanger van de tot dan gemengde Ave Mariaschool aan de Meensestraat een jongensschool opgericht, het huidige Sint-Jozefscollege. De school brandt volledig afin 1936 en wordt herbouwd naar een ontwerp van C. Beyaert, met hoofdingang aan de nieuw aangelegde Burgemeester Vanden Bogaerdelaan. Dit functioneel art-decoschoolgebouw wordt getypeerd door zijn L-vormige plattegrond en de eenvoudige gevelbehandeling, met een sober decoratief aspect. In het interieur wordt de toen gebruikelijke aandacht besteed aan "hygiënische", makkelijk te onderhouden materialen, aan lichtinval en ruimtewerking.

In diezelfde periode wordt ook de voormalige vrije vakschool uitgebreid naar een ontwerp van de plaatselijke architect E. Allewaert. Het nieuwe schoolgebouw, met zijn twee aparte volumes, sluit aan bij de nieuwe zakelijkheid door het harmonieuze volumespel van de horizontaal gelede baksteenbouw onder typische platte daken.

De oudste gemeenteschool opgericht als stadsschool, dateert van 1830, en werd na de schoolwet van 1842 omgevormd tot gemeentelijke lagere school. In de jaren 1920 wordt dit schooltje grondig verbouwd. De voormalige klassenvleugel, heden omgevormd tot appartementen, wordt getypeerd door grote vensters.

Buiten Izegem is het heropbouwde gemeentesohooltje met bijhorende onderwijzerswoning van Oostnieuwkerke nog typerend, ondanks de renovatie van de jaren 1970. Oorspronkelijk had dit complex van 1921 naar een ontwerp van A. Dugardyn (Brugge) een gesloten karakter met ommuurd speelplein en poort aan de straat. In Staden is het nieuwe complex van de gemeenteschool, opgericht in 1921, op de gerenoveerde directeurswoning na, afgebroken om in 1971 de plaats te ruimen voor een laag zakelijk en functioneel gebouw van baksteen en beton. De goed verlichte klassen zien uit op de speelplaats die voorts wordt afgezet door nutsgebouwen.

Vermeldenswaard is dat de katholieke plattelands- en wijkschooltjes in het Izegemse allemaal beheerd worden door de zusters van Maria. De huidige basisschool van de Heilige Familie, gelegen in de wijk Bosmolens, is opgericht 1898. Dit typisch parochieschooltje omvatte oorspronkelijk vier klaslokalen, een zusterswoning en een kapel. Daarnaast beheren de zusters ook de wijkscholen "'t Kotje" en "Sint-Rafaëlsschool". In 1902 wordt ook in de nieuwe wijk, de zogeheten "Paterswijk", een schooltje opgericht. De gebouwen met regionale neogotische inslag zijn ontworpen door de Roeselaarse architect J. Soete die handig gebruik maakte van het hoekpand om het woonhuis en de achterin gelegen klassen met speelplaats te verbinden in een ommuurd geheel.

In de andere gemeenten worden de parochiescholen bestuurd door verschillende zusterordes. In Kachtem zijn het de zusters van de Heilige Vincentius a Paulo die instaan voor onderwijs, wezen- en bejaardenzorg. De oudste klassenlokalen van 1899, palend aan een driezijdige speelplaats worden nog gebruikt in de huidige basisschool; ze zijn evenwel licht aangepast sinds 1989.

Al dan niet doorgedreven neogotiek is typisch voor katholieke schooltjes opgericht bij kloosters zoals dit van de zusters van Maria van Ingelmunster van 1872 en de lagere school van de zusters maricolen te Hooglede die teruggaat tot 1901; in dit laatste geval wijst het klokkentorentje tegen de zuidgevel nog op de vroegere congregatiekapel die nu wordt ingenomen door klassenlokalen. Na de verwoestingen tijdens de Eerste Wereldoorlog sluiten herbouwde klassenlokalen met grote, typische vensterpartijen eerder aan bij de nieuwe zakelijkheid zoals omstreeks 1925 in de Ingelmunsterse school.

Tot andere opvallende openbare gebouwen behoren de Izegemse "posterijen" van 1898, ontworpen door architect J. Verstraete. Dit eclectisch hoekpand, dat tot 1981 zijn oorspronkelijke bestemming behield, sluit qua vormgeving aan bij het gangbare eind 19de-eeuws postgebouwtype met licht overkragende hoektoren. De structuur sluit aan bij de meer geavanceerde ijzerbouw met balklagen op een centrale gietijzeren zuil zoals die onder meer voorkomt in de voormalige lokettenzaal.

De nieuwe Izegemse brandweerkazerne uit 1929 van een ontwerp van C. Beyaert markeert eveneens een hoekperceel. Dit imposant L-vormig art-decogebouw met beeldbepalende droogtoren in de oksel neemt in de straat en in het stadsbeeld een belangrijke plaats in.

Tot de semi-openbare gebouwen horen de feestzalen en bioscopen die vaak deel uitmaken van een ruimer complex met vroegere afspanning of café. In sommige gevallen worden ze beheerd door een groepering van socio-culturele en eventueel semi-politieke strekking. Een voor het gebied vroeg voorbeeld hiervan is de zogeheten neogotische "Gilde" van 1896-1898 aan de Izegemse Kruisstraat; ze is in opdracht van de familie Gillès de Pelichy gebouwd door E. de Béthune voor de in 1872 gestichte werkmanskring Sint Franciscus Xaverius.

Elders, zoals onder meer in "De Zwaan" aan de Marktplaats te Lichtervelde wordt bij een bestaande brouwerij met herberg een feestzaal gevoegd vanaf 1911 en heringericht in 1935. Vermeldenswaardig is de feestzaal met betonnen spanten van het voormalig lokaal "De Burgergilde" in hetzelfde Lichtervelde, gebouwd in 1936-1937 in opdracht van een plaatselijke brouwer door de Brugse architect T. Raison, die meestal gekend is omwille van zijn werken in regionalistische of in neo-Brugse stijl.

De plaatselijke bioscoop "De Keizer", die nog steeds meedraait, is dan een voorbeeld van gerecycleerde afspanning en brouwerijgebouw dat eerst als toneelzaal en later als bioscoopzaal is ingericht en blijkbaar voor het laatst aangepast is in 1946.

Naast een mogelijke architecturale waarde ligt het belang van dergelijke gebouwen eerder in hun lokale socio-culturele rol en betekenis.

Privé-architectuur

Van de oudste bebouwing in de dorps- en stadskernen zijn weinig afleesbare voorbeelden bewaard. Lichtervelde behoudt ten noordwesten van de Marktplaats, een rij van drie lage traditionele boerenarbeidershuisjes met achtergevel aan de Burgemeester Callewaertlaan. Ze zouden naar verluidt teruggaan tot de 18de eeuw en behouden grotendeels hun opstand, inrichting en typisch houtwerk. Ruimere privé-gebouwen uit de 18de-19de eeuw zijn hoofdzakelijk vertegenwoordigd door voormalige herbergen en afspanningen. Een cartouche met huisnaam en jaartal 1715 identificeert nog de inmiddels verbouwde "De Keyser" te Lichtervelde. "De dubbele Arend" aan de Marktplaats te Hooglede behoudt zijn opstand en volume en een 1773 gedateerde deur. Andere voorbeelden zijn het sinds 1713 vermelde Kapelhof aan de Kortrijksestraat te Ingelmunster en het 1787 gedateerde "Damberd" te Izegem, dat grotendeels zijn ordonnantie heeft bewaard. Te Ingelmunster wordt de Bruggestraat, een straat van het centrum, die in feite een gedeelte is van de Theresiaanse steenweg Kortrijk-Brugge, gedomineerd door de 19de/20ste-eeuwse bebouwing. De oudere doch aangepaste herberg nr. 8, "In den Dobbelen Arendt", valt op door haar steile bedaking en het herenhuis nr. 11 door zijn (laat)classicistische gevelordonnantie. Balklagen, brede schouw en haardgewelf zijn nog bewaard in de vroegere herberg. Op enkele oudere 18de-eeuwse kernen na, zoals het hoekpand nr. 36 aan de Grote Markt met onder meer behouden kelder, zijn nagenoeg geen zichtbare getuigen bewaard van de oudste Izegemse bebouwing.

In de gemeentekernen gaat de doorsneebebouwing veelal terug tot de periode van economische heropbloei van de streek tijdens de tweede helft van de 19de/begin 20ste eeuw. Naast een paar uiterst sobere rijhuizen te Ingelmunster gedateerd 1840 komen te Gits en Oostnieuwkerke nog dubbelhuizen voor die, in het verlengde van het laat- en ontluikende neoclassicisme, gemarkeerd zijn door een centraal fronton met oculus boven een al dan niet door pilasters geordonneerde gevel. Resterende kleine woningen van één bouwlaag hebben vaak een 19de-eeuwse kern maar blijven moeilijk precies te dateren omwille van de latere aanpassingen van het gevelparement en eventueel van de muuropeningen.

Na de Eerste Wereldoorlog leunt de wederopbouwarchitectuur in de bezette en geteisterde gebieden grotendeels aan bij het regionalisme en in mindere mate bij de zogeheten "jonge bouwkunst" uit het interbellum die hoofdzakelijk te Izegem zegeviert. De hoofd- en (station)straten van de meeste gemeenten vertonen nu een heterogene, verstedelijkte scenografie. Samen met een groeiend aantal verbouwde en hedendaagse constructies, wisselen gewone rijhuizen af met al dan niet bepleisterde 19de- en begin 20ste-eeuwse gevels; bakstenen parementen met een meer uitgewerkte vormgeving, eventuele topgevels en dakvensters leunen aan bij neostijlen, eclecticisme, art deco en afgezwakt modernisme.

De plattegrond van deze rijwoningen blijft meestal traditioneel en knoopt aan bij het enkelhuistype met zij-ingang, enfilade van vertrekken en soms aansluitende veranda en dienstruimten. Het ruimere dubbelhuistype heeft een centrale inkomhal waarop de verschillende vertrekken aansluiten. In beide gevallen kunnen de plaats en het type van de trap variëren; in rijkelijke interieurs kan die monumentale vormen aannemen. Herenhuizen van enige omvang beschikken meestal in de midden- of zij travee over een koetspoort die toegang verleent tot de achteringelegen nutsgebouwen en/of werkhuizen. In de doorgang leidt een korte steektrap naar de hal van het woonhuis met licht verhoogde begane grond. Ligging, omvang, gevelcompositie en ornamentatie weerspiegelen de sociale klasse van de bouwheer. De fabrikanten en industriëlen spelen in dit opzicht een belangrijke en soms toonaangevende rol, die hoofdzakelijk in het Izegemse merkbaar is maar ook tot uiting komt in andere gemeenten als Ingelmunster en Lichtervelde. Naast rijhuizen laten ze bij van hun bedrijf grote alleenstaande woningen met landhuisallure of zogeheten "kasteeltjes" bouwen, soms omgeven door een grote tuin of zelfs een park, die ze graag laten opnemen in de vaak ietwat vergrote en vermooide perspectieftekeningen bestemd voor de briefhoofden van hun firma. Als voorbeeld van dit laatste type kan dit van de "Juteweverij J. De Ven" aan de Lysbrugstraat nr. 37 te Ingelmunster worden aangehaald: de eclectische woning, gebouwd naar ontwerp van architect G. Moerman uit Halluin dagtekent hier uit 1901.

De bloeiende industrie en de geleidelijke ontsluiting door de aanleg van steenwegen, de spoorweg en het kanaal in de tweede helft van de 19de eeuw verlenen Izegem een economische uitstraling die een logische bevolkingsaangroei tot gevolg heeft. De Izegemse stadskern wordt dan ook in zuidelijke en westelijke richting uitgebreid en onder meer het "nieuw kwartier" is hierbij niet alleen bestemd voor de gegoede burgerij maar ook voor arbeidershuisvesting.

De burger- en herenhuizen vertonen vaak een bepleisterde gevel met een neoclassicistische vormgeving en ornamentatie. Een zekere soberheid - zoals de gevel door P.N. Croquison van 1841 - evolueert naar een meer uitgesproken en zwaardere uitvoering in de jaren 1870-1880. Reminiscenties aan de 18de-eeuwse Franse stijlen verlenen aan de gevelordonnantie een meer verfijnde allure. Nagenoeg gelijktijdig worden bakstenen gevels geordonneerd met lisenen en omlijstingen van gesinterde baksteen en al dan niet versierd met geglazuurde of cementtegels met bloemmotieven.

Tijdens het laatste kwart van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw viert het eclecticisme hoogtij in de interieurs. Prominent is de neoclassicistische invloed, vermengd met neorococomotieven voor specifieke elementen als marmeren schouwmantels bijvoorbeeld. Aan de inkomhal en trap met trappenhuis wordt in de rijkere uitvoeringen bijzondere aandacht besteed. Muurschilderingen met decoratieve of idyllische taferelen kunnen deze ruimten verlevendigen; lokale schilders zoals A. Goddyn leggen zich hierop toe. Zijn "Lichterveldse landschappen" van 1892 zijn nog de trots van het voormalige brouwershuis aan de Statiestraat nr. 105 van deze gemeente; zijn waterpartijen en tuinen van 1911 zijn behouden in de hal van het neoclassicistische burgerhuis aan dezelfde straat nr. 165. Elders blijft het veelal bij gemarmerde wanden, pilasters en lijsten en een bordes- of slingertrap met min of meer uitgewerkte trappaal. Beste kamers worden nog met vereenvoudigd stucwerk en kooflijsten versierd en de plafonds gemarkeerd door geprefabriceerde rozetten voor de ophanging van de luchter.

Naar het einde van de 19de eeuw toe komen als getuigen van het verleden de neo-Vlaamse-renaissance en de neogotiek in zwang. Als overtuigend voorbeeld van neo-Vlaamse-renaissance-architectuur te Izegem geldt het huidige gemeentehuis aan de Korenmarkt nr. 10, dat in 1883 gebouwd wordt in opdracht van de likeur- en wijnhandelaar Camiel Ameye-Dobbelaer. In deze rijkelijk uitgewerkte burgerwoning wordt de detaillering zorgvuldig doorgedreven en gestreefd naar behaaglijkheid en gezelligheid. Minder uitgesproken voorbeelden leunen aan bij deze stijl door het vermengen van bak- en natuursteen en het invoegen van ornamenten als cartouches met rolwerkmotief, kruiskozijnen, ontlastingsbogen met versierde sluitstenen en diverse nisvormen.

De neogotiek wordt op grotere schaal en vaak in vereenvoudigde vorm toegepast. Een belangrijk, zij het ietwat eclectisch voorbeeld van deze stroming, is de eigen woning van architect W. Vercoutere aan de Izegemse Baron de Pélichystraat nr. 2 die dateert van 1898. Het uiterst verzorgde binnenhuis, waarin een staalkaart van (neo)stijlen aan bod komt, weerspiegelt uitdrukkelijk de veelzijdigheid van de architect. Doorsneevoorbeelden vallen in het straatbeeld op door hun bakstenen parement, topgevels en al dan niet uitgewerkte Brugse traveeën. Bordestrappen en de volledige inrichting van vertrekken als eetkamers bijvoorbeeld krijgen een neogotisch tintje door het invoeren van knoppenkapitelen, perkamentpanelen" of stenen schouwmantels naar middeleeuws patroon zoals onder meer het van 1889 gedateerde exemplaar van arduin in een dokterswoning te Gits.

De eclectische behandeling van gevels blijft populair in het begin van de 20ste eeuw. Geornamenteerde bepleistering en ook cementering met voornamelijk neoclassicistische inslag worden in het hele studiegebied op grote schaal en soms vereenvoudigde wijze toegepast in nieuwbouw en aanpassingen. Bewaarde doch in onbruik geraakte winkelpuien passen in deze context. Hun houten omlijstingen bestaan uit eclectische pilasters onder een al dan niet versierd hoofdgestel.

De vermenging van elementen van de streekeigen en stijlarchitectuur levert sporadisch opvallende composities op die picturaal zijn uitgewerkt in parementen van baken natuur- of similisteen. Ook de zogeheten Franse stijl wordt doorgetrokken. Voorts komen meer kleurrijke, betegelde of geglazuurde gevelbekledingen in zwang waarin soms art-nouveaugetinte tegeltableaus zijn verwerkt.

Art nouveau wordt ook elders gereduceerd tot een nieuwe ornamentatie ter verrijking van traditionele constructies en opstanden. Venstervormen neigen soms naar de hoefijzerboog, houtwerk wordt beïnvloed door zweepslag- en bloemmotieven. De uitzonderlijke pui van het winkelhuis uit 1922, aan de Izegemse Roeselaarsestraat nr. 267, verenigt nog deze kenmerken met elementen van de ijzerbouw als colonnetten aan weerszij van de centrale deur en de overspannende I-balk met rozetten. In het binnenhuis blijft de art-nouveau-invloed veelal beperkt tot een paar onderdelen als de veranda en in het bijzonder van haar eventuele tegelbekleding en zenitale verlichting, of sommige deuren met typisch glas in lood. Vaak gaat het om aanpassingen en interne moderniseringen van oudere, neoclassicisistische of eclectische woningen.

Tijdens het interbellum komen grosso modo een drietal "stijlen" tot uiting in de nieuwbouw en in de massale gevelvernieuwingen die de naoorlogse welvaart in de streek veruiterlijken.

Onafhankelijk hiervan knopen de plattegronden en opstanden van de perceelsgebonden doorsneerijhuizen doorgaans verder aan bij het enkel- en dubbelhuistype met de gebruikelijke aanbouwsels. Eerst sporadisch, maar hoe langer hoe meer, worden garages voorzien in het souterrain of op de begane grond.

Hoekpanden en alleenstaande huizen en villa 's bieden meer mogelijkheden voor een inrichting afgestemd op de oriëntatie van het pand en de wensen van bouwheren als industriëlen of dokters en notarissen die ook afgescheide beroepsruimten nodig hebben. De Izegemse Burgemeester Vanden Bogaerdelaan, aangelegd in 1910 doch deels in de na-oorlogse periode verder bebouwd, ontvouwt in dit opzicht een echte stijlenwaaier. Onafhankelijk van de "stijl" wordt belang gehecht aan de inkomhal en de trap die haast monumentale proporties kunnen aannemen. Tot de gedifferentieerde ruimten die erop aansluiten horen naast eetkamer en salon ook vaak een "rookkamer" of "fumoir". Goed georiënteerde bow windows, loggia's, terrassen... zorgen voor een goede relatie met de omgevende tuin; in uitzonderlijke gevallen zoals in de villa " 't Eiland" te Lichtervelde wordt die aangelegd door een tuinarchitect - in casu A. Rousseau - in samenwerking met architect J. De Bruycker.

Sommige lokale en regionale architecten als onder meer C. Beyaert, J. De Bruycker, E. Allewaert halen met hun werk de toenmalige architectuurtijdschriften. Merkwaardig is dat velen zich niet echt aan één bepaalde "stijl" houden: wellicht schakelen ze, naar wens van de klant, over de van de ene naar de andere en vermengen ze die ook in zekere mate waardoor de strikte "stijlvakjes" worden gerelativeerd. Hetzelfde geldt voor de "Kunstwerkstede De Coene" uit Kortrijk en Izegemse meubelmaker als O. Vandewalle en de firma Clarysse die vaak instaan voor de inrichting of binnenhuisaanpassingen van notabelenwoningen. Momenteel bestaat er soms geen zekerheid omtrent een aantal toeschrijvingen aan de ene of de andere en het ligt voor de hand dat het reeds verzamelde en nu aangereikte materiaal vraagt om verdere uitdieping.

Een eerste strekking, die voornamelijk populair is in de jaren 1920, sluit aan bij de regionale baksteenarchitectuur en romantiserende neostijlen. Lichtere, geglazuurde of gekleurde baksteen verlevendigt de doorsneeparementen van rode baksteen terwijl de combinatie met natuursteen en/of simili-natuursteen samen met de locatie en omvang van het huis de hogere klasse van de opdrachtgever weergeeft. Een treffend voorbeeld is het eigen eclectische dubbelhuis met neobarokelementen van architect L. Verstraete van 1925. Deze strekking wordt op de spits gedreven in de uiterst plastisch behandelde ietwat pompeuze gevel van 1931 die door dezelfde architect is gesigneerd.

In de interieurs heerst een zeker eclecticisme waarbij, naargelang van het vertrek, een verschillende stijl wordt toegepast. Typisch zijn onder meer de neobarokschouwmantel en de "Vlaamsche woonkamer" zoals die bijvoorbeeld door de Izegemse meubelmaker O. Vande Walle wordt uitgewerkt. In de geteisterde gebieden knoopt de wederopbouwarchitectuur op sobere wijze aan bij deze eerste strekking. Elders accentueert het gehanteerde vormenarsenaal van de historische streekeigen bouwwijze enigszins een geüniformeerd regionaal karakter dat kan afwijken van het vooroorlogse beeld, bijvoorbeeld in Westrozebeke.

De voorname burgerlijke Franse stijl is onder meer geliefd door sommige schoenen borstelfabrikanten; hun representatieve woningen, met verzorgde en gedetailleerde afwerking van exterieur en interieur, worden nu eerder los van hun bedrijf gebouwd.

Minder verspreid is de cottagestijl waarin het rustieke karakter wordt benadrukt door Normandisch of eventueel pseudo-vakwerk. Rijhuizen met cottage-allure blijven eerder uitzonderlijk. In villa's geven bow windows en andere uitbouwsels onder de verspringende bedaking met markante schoorstenen de ruimtelijke geleding weer. De monumentale Izegemse villa van 1927 door de Brugse architecten J. en L. Viérin - specialisten ter zake - kan hier model staan voor deze bouwwijze. Ook het interieur met neorenaissancehal en bovengalerij door de Kunstwerkstede De Coene werd destijds samen met het gebouw gepubliceerd. De minder opvallende opstand van de half vrijstaande notariswoning van 1923 door de Izegemse architect J. Vercoutere past bij haar doordachte plattegrond.

Een tweede meer "eigentijdse" stijl leunt aan bij de art deco. In het bestudeerde gebied wordt een eerder sobere, geometriserende gevelbehandeling gecombineerd met schaarse gestileerde bloemmotieven. Volume- en dakenspel kunnen ook hier worden geaccentueerd in hoekpanden of villa's. Opvallend zijn de mogelijke kleurschakeringen van de beraapte of ten dele betegelde parementen en omlijstingen en van het glas in lood in voordeuren, bovenlichten, voorzetramen,... Strakker zijn een aantal ijzeren deuren met gehamerd glas en floraal of geometriserend hek.

In het binnenhuis verhoogt kleurrijk glas in-lood met al dan niet gestileerde bloemen diermotieven elementen als vleugeldeuren en trappenhuizen. De gebruikelijke bordestrap krijgt een art-decotrappaal en verzorgde dito lambriseringen en leuningen; ook hier komen de decoratieve en meer geometrische interpretatie gelijktijdig voor. De inrichting van hal, vestibule of sommige vertrekken gebeurt soms door de architect of door "specialisten" als De Kunstwerkstede De Coene die ook instaat voor de modernisering van interieurs van oudere panden zoals onder meer het huis met 18de-eeuwse kern aan de Izegemse Grote Markt nr. 36. Dat O. Vandewalle ook in art-decomeubels maakt bewijst onder meer een typische slaapkameruitrustring die naar verluidt uit 193 8 dagtekent. In andere, meer eclectische interieuraanpassing komen onder meer naast art-decogetinte klinken neorenaissancegetint glas in lood voor gesigneerd "De Coene Frs Courtrai".

De derde, "modernistische" stroming sluit aan bij de opgang zijnde nieuwe zakelijkheid. Geometrische volumes met een strakke gevelbelijning worden doorbroken door afgeronde hoeken, vensterregisters al dan niet gemarkeerd door erkertjes. Een vrijstaande woning onder plat dak als deze van C. Beyaert van 1931 of een hoekpand van 1935 door E. Allewaert zijn hier prominente voorbeelden van. Het geliefde bouwmateriaal blijft baksteen al dan niet in combinatie met simili-natuursteen of beton; opvallend is wel de voorkeur voor gele gevelsteen of voor een beraping met monolithisch uitzicht die het uitzicht van de betonbouw nabootst. De plattegrond en kubistische opstand van een haast vierkante villa van 1932 door Ch. Laloo sluit met een dergelijke bekleding en gewaagde kleurstelling in zekere mate aan bij de toenmalige internationale tendensen. In rij- of halflosstaande huizen situeert een verticaal doorlopend raam of zogeheten laddervenster meestal de trappartij. In het enkelhuis met aanpalende garage van 1930 door J. De Bruycker wordt die opgenomen in de ruim opgevatte inkomhal.

Het interieur wordt in dezelfde geest als totaalconcept behandeld. Goede voorbeelden hiervan zijn deels bewaard in andere woningen van J. De Bruycker in Izegem. De sobere, lichte en ruimteverlenende inrichting is er onder meer getypeerd door granito- en cementvloeren met uitgetekend patroon, geometrisch opgebouwde schouwen en al dan niet ingebouwde kasten waarvan de vroegere felle kleuren nu vaak overschilderd zijn.

Vooruitstrevende architecten hanteren vanaf de jaren 1935-1940 ook - of opnieuw -traditionele patronen en bouwvormen. Boven minder gearticuleerde ruimten vervangt een complexe bedaking het modernistische platte dak zoals onder meer in een villa van 1934 door de Gentse architect J. Lippens. Ook J. De Bruycker stapt in 1935 over naar een eerder "klassieke" dokterswoning met kabinet te Lichtervelde en voorziet een strodak met gebogen dakkapellen voor de Villa 't Eiland van 1940 in dezelfde gemeente.

Hiermee manifesteert zich misschien een zekere zin voor het rustieke die in de jaren 1940-50, naast de vereenvoudigde voortzetting van de populaire interbellum-architectuur, zal uitgroeien in de zogeheten Anglo-Normandische stijl. Symptomatisch is allicht dat het modernistische interieur van een huis van J. De Bruycker uit 1930 op enkele vaste elementen na in de jaren 1950 wordt verbouwd in "burgerlijke Vlaamse stijl" door de meubelmaker Clarysse. Tegen de doorsneepatronen en "stijlclichés" zal pas gereageerd worden vanaf de jaren 1960-1970. Voorbeelden van 1968-1972 zijn hiervan de gegroepeerde eengezinswoningen te Gits door I. Deboutte van de Groep Planning en een woning van 1972 door dezelfde architect die ingevoegd wordt in een historische hoeve. In beide gevallen wordt gezocht naar integratie van de variërende bakstenen volumes in hun onmiddellijke en ruimere, landschappelijke omgeving.

De pastorieën en onderpastorieën, zijn doorgaans alleenstaande dubbelhuizen van twee bouwlagen die meestal nog opvallen in het straatbeeld. De oudste, maar slechts deels bewaarde pastorieën, gaan terug tot de 18de eeuw. De pastorie van Oostnieuwkerke is, in opdracht van de abdij van Zonnebeke, gebouwd in 1767; ze is echter grondig verbouwd in 1908 en na beschadigingen tijdens de Eerste Wereldoorlog hersteld door A. Van Coillie. De eveneens tot de 18de eeuw opklimmende pastorie van Ingelmunster, is circa 1885 hersteld en naar de straat toe vergroot met een voorhuis; het nieuwe parement van baksteen dateert uit de jaren 1950. De oudste kern behoudt nog oorspronkelijke rococo-elementen in de salon.

In de 19de eeuw worden tal van nieuwe pastorieën gebouwd die qua stijl aansluiten bij de gangbare vormentaal. Soms vervangen ze een oudere vestiging op een omwalde site. In Lichtervelde dateert de huidige pastorie met fraaie hal van 1848, het nieuwe parement is aangebracht in 1948 wanneer ook het dempen van de wal wordt aangevat. De pastorie van Emelgem van 1875 en die van Izegem uit 1876 zijn op een analoge locatie gebouwd. De eerste, naar ontwerp van de Kortrijkse architect P.N. Croquison, knoopt aan bij de eclectische opvattingen: de gevel wordt gemarkeerd door Brugse traveeën terwijl het interieur van het dubbelhuistype eerder neoclassicistisch getint is. In geteisterde gemeenten als Hooglede, Staden, Oostnieuwkerke en Westrozebeke worden de pastorieën herbouwd in de jaren 1920. In Staden vervangt de huidige pastorie de verwoeste die ook achterin op een omwalde site lag. Ze leunen alle aan bij de regionalistische strekking en zijn naargelang van het geval meer neogotisch getint, zoals in Staden of meer gemarkeerd door elementen van de streekeigen baksteenarchitectuur als decoratieve metselverbanden, kruiskozijnen.

Arbeiderswoningen en collectieve huisvesting

Arbeidershuizen zijn naar de toenmalige paternalistische opvattingen door meerdere industriëlen opgericht. Eerder uitzonderlij k liggen ze naast de bedrijfsgebouwen, zoals bij de Izegemse "Brasserie Industriëlle" aan de Camiel Ameyestraat. Door het grote aandeel van huisarbeid in de plaatselijke" economie ontstaan echter geen echte arbeiderswijken. Meestal gaat het om geïntegreerde eenheidsbebouwing aan bestaande, verlengde of nieuw aangelegde straten van onder meer nieuwe wijken. Een voorbeeld hiervan zijn de zogeheten "Tien Geboden" aan de Emelgemse Reperstraat: hier hoort de aaneenschakeling van tien enkelhuizen uit het laatste kwart van de 19de eeuw bij de een firma van machineconstructie aan de Prinsessenstraat. Steegbeluiken zoals aan de Droge Janstraat te Izegem komen zelden voor. De bouwaanvraag van 1878 voor acht woningen aldaar illustreert een doorsneerij van smalle enkelhuizen van anderhalve bouwlaag met afwisselend een venster en een deur en typisch houtwerk. Omstreeks de eeuwwisseling krijgen sommige arbeiderswoningen die reeds drie traveeën telden een volwaardige bovenverdieping zoals aangegeven in een aanvraag tot verbouwing van 1906. Ook in de nieuwbouw wordt blijkbaar stilaan overgeschakeld op ruimere en hogere afmetingen. Wanneer hiervoor beroep wordt gedaan op een architect wordt enige aandacht besteed aan gevelversiering en afwisseling in de muuropeningen zoals in de vijf arbeidershuizen van 1906 naar ontwerp van architect L. Verstraete in opdracht van de Izegemse duivenringenfabriek Vercamert. Stijlinvloeden blijven uitzonderlijk; in de negen enkelhuizen die de firma Van Wtberghe naar verluidt bouwt voor gepensioneerde werknemers aan de Izegemse Vredestraat komen muuropeningen en afwisselende kleurrijke parementen voor die in de loop van het eerste kwart van de 20ste eeuw aansluiten bij de doorlevende art nouveau.

Tijdens het interbellum worden sociale woonwijken opgetrokken door diverse bouwmaatschappijen. Meestal gaat het om sobere rij woningen gebouwd op de rooilijn en mogelijk af en toe achteruitspringend om de gevelrij te onderbreken. Lijst- en topgevels wisselen er soms af en mogelijke decoratieve banden, bogen en lateien van lichtere sierbaksteen verlevendigen enigszins de doorsneeparementen. Tot één van de talrijke voorbeelden hoort de eenheidsbebouwing van 1926 opgetrokken in opdracht van de Samenwerkende Bouwmaatschappij voor goedkope woningen aan de Izegemse Wantje Pietersstraat; architect L. Verstraete probeert in de zeventien werkmanswoningen en één winkelpand enige variatie te brengen in de aanleg en de aaneenschakeling van de enkelhuizen. De Izegemse wijk "Nieuwe wereld", die vanaf 1928 wordt aangelegd als zuidelijke stadsuitbreiding tussen bestaande invalswegen, omvat een aantal straten met overwegend eenheidsbebouwing opgetrokken door verschillende architecten als onder meer C. Beyaert, L. Verstraete en E. Allewaert in opdracht van verschillende lokale sociale maatschappijen. Van de enkelhuizen en zeldzame winkelpanden leunen er een aantal gevallen aan bij de strakke, modernistisch getinte vormgeving die sporadisch wordt verhoogd met art-deco-accenten in de beglaasde deuren of bovenlichten.

Tijdens het interbellum is te Ingelmunster de Coöperatieve Vennootschap "De Mandelbeek" actief in diverse landelijke straten die in deze periode worden geürbaniseerd, als onder meer de Bollewerp- en Meulebekestraat. Aan de Oostrozebekestraat leunt dezelfde bouwmaatschappij, voor de vijf woonblokken die opgetrokken worden tussen 1925 en 1929, aan bij het tuinwijkconcept dat hier wordt herleid tot de aanleg van voortuintjes, wisselende rooilijnen en enigszins variërende gevels met gestileerde art-deco-inslag.

De sociale woningbouw van de jaren 1950-1960 vervalt ook in het studiegebied in meer stereotiepe, algemeen verspreide woonvormen.

Specifiek qua bestemming maar atypisch qua vormgeving zijn de woningen bestemd voor de militairen bij de kazerne van Houthulst te Westrozebeke. De zogeheten "Tien Geboden" aan de Kampstraat te Staden en de onderofficierenwoningen aan de Langemarkstraat te Westrozebeke zijn gebouwd in de jaren 1920; sinds de laatste eind van de jaren 1980 geprivatiseerd geraakten, is hun regionalistisch karakter grotendeels teloorgegaan.

Ook elders wordt deze kwetsbare eenheidsbebouwing blootgesteld aan weinig oordeelkundige aanpassingen van parementen, muuropeningen en houtwerk die het globale beeld verstoren.

Hoevebouw

Hoeven zijn ongetwijfeld de belangrijkste componenten van de plattelandsbebouwing. Hoeven en (gegroepeerde) boerenarbeidershuizen vormen echter een bedreigd erfgoed: door het extensiveren van de moderne landbouw worden (kleinere) hoeven verlaten of krijgen ze een loutere woon- en eventueel recreatieve functie met beeldtransformatie tot gevolg. Boeren(arbeiders)huizen worden grondig gerenoveerd of vervangen door nieuwbouw waarbij het oude huis soms herleid wordt tot berghok. Voorgeplaatste loodsen wijzigen het uitzicht van schuren en stallen. Bakhuizen en asten zijn in onbruik geraakt. Enkele items, zoals " 't Goed nieuw pachthof' te Ingelmunster werden opgenomen tijdens het veldwerk en ruimden inmiddels de plaats voor een nieuwe verkaveling.

Over het hele gebied - dat tot vóór enkele decennia zijn landelijk karakter in hogere mate bewaarde - bestaat nog een hoge concentratie van kleine en grote hoeven van verschillende oorsprong en omvang, en uit onderscheiden bouwperiodes. Hoewel historische hoeven soms vermeld worden vanaf de 17de eeuw gaan de zichtbare materiële resten maar terug tot de 18de eeuw.

Van deze 18de-eeuwse en vroeg-19de-eeuwse hoevebouw zijn interessante constructies en overblijfsels behouden in de noordoosthoek van Staden, en in de spilgemeenten Hooglede, Lichtervelde, Ingelmunster en Izegem. In de tijdens de Eerste Wereldoorlog bezette gebieden weerspiegelt het hoevebestand de graad van vernieling. Het minder getroffen Oostnieuwkerke behoudt dan ook hoeven uit de tweede helft van de 19de eeuw en middelgrote wederopbouwhoeven. Door hun quasi totale vernieling bij het einde van de oorlog staan er te Staden een aantal middelgrote en relatief veel kleine wederopbouwhoeven met documentaire waarde. In het eveneens fel geteisterde Westrozebeke resten geen voldoende gaaf bewaarde (wederopbouw)hoeven die nog het repertoriëren waard zijn.

De wisselende wijzen van bedrijfsvoering, nieuwe functionele behoeften en de opvattingen inzake wooncomfort hebben binnen de hoevebouw uiteraard steeds tot wijzigingen en vernieuwing van de gebouwen geleid. Een 18de- of 19de-eeuws hoevecomplex, dat in al zijn onderdelen teruggaat tot eenzelfde bouwperiode, komt dan ook zelden voor. Een jaartal op een (huis)gevel kan dus niet vanzelfsprekend als bouwjaar voor het hele hoevecomplex gelden, vooral niet als het om een 18de-eeuws jaartal gaat. Bedrijfsgebouwen zijn namelijk dikwijls in de loop van de 19de eeuw vervangen of toegevoegd.

De aanduiding van een jaartal door lichtere baksteenkoppen, - eventueel met bijgaand metselaarsteken - in één van de (zij)gevels is gebruikelijk in de tweede helft van de 18de eeuw en de 19de eeuw; deze techniek wordt nog sporadisch aangetroffen tot het begin van de 20ste eeuw en zelfs later. Cijferankers en arduinen jaarstenen zijn eerder typisch voor 19de-eeuwse bestanddelen.

De gebouwen zijn doorgaans opgetrokken uit baksteen die soms wordt witgekalkt of gecementeerd. Resten van houtbouw komen nog sporadisch voor in de langsgevels van dwarsschuren en uitzonderlijk in alleenstaande wagenhuizen; het vakwerk bestaat voornamelijk uit stijlen op een bakstenen voeling; het is ofwel voorzien van een gepotdekselde horizontale plankenbeschieting ofwel reeds deels versteend. Op uitzonderingen na was dit de doorsnee-bouwwijze. Het daaropvolgende versteningsproces valt blijkbaar samen met de relatieve bloeiperiode van de 18de eeuw. Pannen zijn het voornaamste materiaal voor de dakbekleding; de nu aangetroffen golfplaten bij schuren en stallen vervangen soms een vroeger strodak. Vermeldenswaardig is allicht dat de vanaf 1653 vermelde hoeve "De Blauwpanne", aan de Wolvenhofstraat te Izegem, een eerste hoeve zou zijn met een pannendak boven het boerenhuis.

Het meest voorkomende hoevetype is dit met losstaande bestanddelen van één bouwlaag onder zadeldaken met overstekende dakrand op daklijstbalken; meestal zijn ze grosso modo in U-vorm gegroepeerd op het erf met het boerenhuis nagenoeg ten noorden, een aloude opstelling die samen met de omwalling opvalt op historische kaarten als onder meer deze van de Ferraris (1770-1778) of de Atlas der Buurtwegen (omstreeks 1843). De erftoegang is veelal afgesloten met een gietijzeren hek, soms gevat tussen bakstenen pijlers en geflankeerd door één of meerdere (gekandelaarde) linden. Een grasperk op het tijdens de laatste decennia verharde erf duidt de plaats aan van de vroegere mestvaalt. Typische elementen als bakstenen stoepen en bakstenen of betonnen hondenhokken zijn zeldzaam geworden. Ook een moestuin, hagen en resten van boomgaarden behoren soms nog tot de onmiddellijke omgeving van hoeven. De omgrachtingen van belangrijke hoeven - aangeduid op historisch kaartenmateriaal - zijn in een aantal gevallen slechts deels bewaard zoals onder meer bij de Izegemse hoeve "De Hoge Schuur".

De oudst bewaarde hoevegebouwen uit de 18de eeuw en de eerste helft van de 19de eeuw onderscheiden zich door zijpuntgevels met vlechtingen, een afwerking die sporadisch blijft doorleven tot de tweede helft van de 19de eeuw. Vaak gaat het om het boerenhuis dat al dan niet als dubbelhuis is opgevat. Het zadeldak van de mogelijke opkamer boven de half ingegraven kelder sluit al dan niet aan bij de bedaking van de rest van de woningen.

Hetzelfde geldt voor de soms links of rechts aansluitende paardenstal die het boerenhuis doet overhellen naar het langgestrekte hoevetype.

De sobere boerenhuizen bewaren soms houten kruis- en bolkozijnen en rechthoekige kozijndeuren. In rijkere uitvoeringen worden, in de loop van de 18de eeuw, de getoogde muuropeningen opgenomen in omlijstingen van gele baksteen. Rechthoekige deuromlijstingen in een ietwat uitstekende omlijsting komen voor in de eerste helft van de 19de eeuw; uitzonderlijk zijn ze van gesinterde baksteen met enige neoclassicistische inslag. Kleinere boerenwoningen worden soms in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw of het begin van de 20ste eeuw verbreed en verhoogd; de deels resterende vlechtingen getuigen hiervan.

Het boerenhuis aan de Renaat Desmedtstraat nr. 8 te Staden vormt een goed 18de-eeuws voorbeeld; zijn erfgevel wordt geritmeerd door kruiskozijnen met diefijzers en beluikte benedenlichten en een kozijndeur met gebogen middenkalf en bovenlicht. Kozijnvensters zijp ook bewaard in de boerenarbeidershuizen met 18de-eeuwse kern die achterin gelegen zijn aan de Marktplaats van Lichtervelde; ze komen onder meer ook nog voor in een hoevetje met aandak aan de August Vermeylenstraat nrs. 11-13 in Emelgem en in een verlaten tweewoonst aan de Lenteakkerstraat nr. 16 te Ingelmunster.

Sporadisch interieuronderzoek tijdens het veldwerk geeft toch een idee van de structuur met eenvoudige samengestelde balklagen. In 18de-eeuwse of vroeg-19de-eeuwse huizen zijn de moerbalksloffen soms geprofileerd en met snijwerk versierd; sporadisch zijn jaartallen of letters ingekerfd die soms ook de naam van de bouwheer vermelden; in een Izegems boerenhuis aan de Oude Ieperstraat nr. 112 is een dergelijke balk bewaard met ingegrift jaartal 1762. Van de oorspronkelijke inrichting blijven maar schaarse resten over. Het imposante twee bouwlagen hoge boerenhuis aan de Grote Noordstraat nr. 46 A-48 te Hooglede bewaarde nog een vertrek met houten rococoschouwmantel en stucwerk voor de boezem en de omlopende kooflijst. Elders komen nog zeldzame brede "Vlaamse" haarden voor met hoge wangen - en mogelijk later ingewerkte kleine schouwmantel- die soms geflankeerd zijn door muurkasten. De opkamer boven de half-ingegraven overwelfde kelder - doorgaans aan de achterzijde - herbergde veelal de slaapkamer.

Het heersende schuurtype is de dwarsschuur waarin soms een aardappelkelder en/ of een wagenhuis zijn opgenomen. Bijzonder interessant is de schuur van de voormalige hoeve "Schuddebeurze" aan de Lichterveldse, Kortemarkstraat: ze omvat een wagenhuis met twee korfboogpoorten terwijl het schuurgedeelte nog een plankenbeschieting vertoont. Dergelijke afwerking van de lange gevels vindt men ook te Gits, Izegem en Ingelmunster. Lichtgleuven komen wel eens voor in de topgevels van bakstenen schuren die ook kunnen gestut worden door steunberen. Soms zijn nog opgeklampte poorten bewaard met klinket; sporadisch ingegrifte tekeningen, opschriften en jaartallen, aangebracht door boeren en knechten hebben een anekdotische en documentaire waarde. De kapconstructie blijft doorgaans vrij eenvoudig en doet zich voor als stapelgebint of driehoekspant.

Alleenstaande wagenhuizen zijn zeldzaam. In sommige gevallen worden ze net als een voederkeuken in de stalvleugel geïncorporeerd. " 't Verbrand Goed" aan de Izegemstraat nr. 102 te Ingelmunster bewaart een deels 18de-eeuwse stal overkluisd door middel van brede troggewelven op zware overhoekse balken en ook de typische arduinen slieten. De 19de- en vroeg-20ste-eeuwse stallen zijn meestal overwelfd door middel van smalle troggewelven op gietijzeren I-profielen die ook elders, onder meer in stedelijke koetshuizen, worden gebruikt.

Overdekte mestvaalten zijn zeldzaam maar vallen in het algemeen volumespel van de grotere hoeven op door hun bedaking.

Bakhuizen zijn nu ook uitzonderlijk en in slechte staat nu ze in onbruik zijn geraakt. Omwille van het brandgevaar zijn het meestal alleenstaande gebouwtjes. Ze behoren doorgaans tot het tweedelige type. Aan de Soetestraat te Staden is het ovengedeelte van het 19de-eeuwse bakhuisje, dat tegenover het boerenhuis ligt, opgenomen in een bewaarde bunker van de Eerste Wereldoorlog. Het eendelige bakhuis van de hoeve aan de Hoogwielkestraat nr. 55 te Lichtervelde leunt aan tegen het huis en vormt hierdoor een uitzondering; onder meer de bewaarde bolkozijnen met kleine roedeverdeling zouden kunnen wijzen op een 18de-eeuwse kern.

Typisch teeltgebonden bestanddelen zoals cichorei- (en tabaks)asten zijn, op één na, buiten werking gesteld. In een overgangsperiode zijn sommige asten, naar de bouwnaden te oordelen, een verhoogd onderdeel van een bestaand dienstgebouw. De oudste "echte" cichoreiasten dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw en tellen twee bouwlagen onder zadeldak. De asten gebouwd tussen 1920 en 1945 zijn hoger opgetrokken en voorzien van een plat dak; hierdoor domineren ze soms het algemene beeld van de hoeve.

De jongste hoeven zijn de wederopgebouwde, voornamelijk te Staden en Oostnieuwkerke; " 't Neerhof", oorspronkelijk behorend bij "Kasteel Blauwhuis", vormt het enige voorbeeld op Izegemse bodem (Kasteelwijk nr. 5). Deze tijdens de Eerste Wereldoorlog vernietigde hoeven worden meestal op dezelfde plaats wederopgebouwd met demping van de eventuele omwallingen. Bij de grotere hoeven gaan bestanddelen, opstelling, indelingen en volumes grosso modo terug op de 19de eeuw. Zo volgt de hoeve van 1921 aan de Processieweg nr. 9 te Staden ontworpen door de Brugse architect T. Raison de opstelling opgetekend in de Atlas der Buurtwegen van omstreeks 1843; ook de wederopbouwhoeve aan de Provinciebaan nr. 59 van dezelfde gemeente neemt het doorsneetype met losstaande bestanddelen over. Het voor deze streek relatief nieuwe "echte" langgestrekte hoevetype vervangt meestal een kleine hoeve met losse bestanddelen, of vormt, zoals de hoeve aan de Hogestraat nr. 1/ Diksmuidestraat te Staden, een nieuwe uitbating. Dezelfde beplantingen en bouwmaterialen worden gebruikt, echter met (over)accentuering van streekeigen bouwelementen zoals aandaken, vlechtingen, topstukken, uilengaten en overstekende dakranden op daklijstbalken.

Uit onderzoek van het archief van de Dienst der Verwoeste Gewesten blijkt dat bij de wederopbouw van hoeven deels dezelfde architecten betrokken waren als bij de overige wederopbouwprojecten.

Het kanton telt een aantal dikwijls nog deels omwalde herenhoeven die uitzonderlijk bijzondere architecturale getuigen zoals een poortgebouw of een duiventoren, zoals het zogeheten "Wolvenhof' met 19de-eeuwse duiventoren te Izegem, bewaren, als verwijzing naar hun aanvankelijk karakter van foncier van een heerlijkheid. De indrukwekkende "Kasteelhoeve" met herenwoning te Ingelmunster is tot de jaren 1980 behouden en moest toen de plaats ruimen voor het nieuwe gemeentehuis; haar duiventoren werd overgebracht naar het openluchtmuseum van Bokrijk. Te Izegem en Lichtervelde hebben de herenhoeven, in aansluiting bij de hoevebouw van Zuid-West-Vlaanderen, een meer gesloten opstelling met een poortgebouw. Bij de historische hoeve "De Hoge Schuur" - met 18de- en vroeg-19de-eeuwse bestanddelen aan de Izegemse Gapaardstraat nr. 46, zijn vooral het vrijstaand poortgebouw met korfboogpoort onder tentdak en de langsschuur met gevelsteen van 1802 onder hoog zadeldak opmerkelijk.

Kastelen en buitenplaatsen

Het behandelde gebied telt twee beschermde kastelen, respectievelijk dat van Ingelmunster en het "Kasteel Blauwhuis" te Izegem. Het kasteel van Ingelmunster gaat terug op een middeleeuwse waterburcht opgericht door Robrecht de Fries aan het einde van de 11de eeuw. Nadat dit kasteel veel te lijden had gehad onder de oorlogen in de 16de en de 17de eeuw, wordt het vanaf de eerste helft van de 18de eeuw grondig verbouwd tot een U-vormig lustkasteel met staatsieplein. Het centrale opschrift "a(nn)o 1736" en breed fronton met schild van de familie de Plotho wijzen op de tweede bouwfase die tijdens de eerste helft van de 19de eeuw wordt gevolgd door een derde met de uitbreiding van de hoekpaviljoenen. Het eerder verfijnde interieur omvat oudere kelders en nog interessante rococogetinte salons, opgesmukt met verfijnd stucwerk, grisailles en deurstukken. De vestibule in empirestijl wijst op 19de-eeuwse aanpassingen die later worden voortgezet met het invoegen van een neogotische kapel. Van de 19de-eeuwse parkaanleg getuigen nog de beukendreef, een rest van een ijzeren boogbrug over de Mandel, en een arduinen paal waarnaar het parkgedeelte over de Mandel convergeerde. Sinds 1988 heeft het kasteel, aangekocht door een brouwerij een soort van museale bestemming gekregen die eerst alleen de kelders innam maar sinds een paar jaar ook de meer gevoelige eerste bouwlaag in beslag neemt.

Totaal verschillend zijn de oorsprong en het verdere verhaal van het latere "Kasteel Blauwhuis". De oudste vermelding van dit goed als pachthoeve van de heerlijkheid van Schiervelde (Roeselare) gaat terug tot 1544. Vanaf het einde van de 17de eeuw wordt deze hoeve verbouwd tot buitenplaats. Het huidige neoclassicistische uitzicht resulteert uit aanpassingen uit het begin de 19de eeuw en voornamelijk van de jaren 1880 en volgende nadat het kasteel eigendom werd van de invloedrijke familie Gilles de Pelichy. Ook de modernisering van het interieur was toen aan de orde. Naast de merkwaardige rotonde die toen een nieuwe koepel kreeg, behoudt het eclectische binnenhuis zijn neogotische kapel, een eetkamer in neo-Vlaamse-renaissancestijl, een biljartzaal en salons; het illustreert hiermee de toenmalige adellijke wooncultuur. Een eind-19de-eeuwse oranjerie nu verbouwd tot feestzaal, een neogotisch getint speelhuisje en een voormalig tuinhuis en ijskelder behoren tot de aanhorigheden. Voor de aanleg van het Engels landschapspark, dat de aangelegde Franse tuin van het ancien regime vervangt, werd in 1804 beroep gedaan op de Gentse tuinarchitect Pynaert. Park en kasteel vormen nog een fraai ensemble van een gegroeide historische site en gehumaniseerde natuur. Het kasteel is thans ingericht als restaurant en behoudt hiermee gedeeltelijk zijn ietwat aparte, feestelijke functie.

Het "Kasteel Mariasteen" met omgevend landschapspark te Gits, gebouwd in opdracht van K. Gilles de Pelichy in 1906-1909 was een staaltje van neogotische architectuur waarin elementen van de regionale baksteengotiek zowel in de volumewerking als in de ornamentatie stijlvol werden uitgespeeld. Na de vernieling door de Duitsers in 1918 werd het heropgericht met iets gewijzigde verhoudingen en het achterwege laten van de markante toren. Opstand, profileringen en algemene afwerking zijn evenwel bijzonder verzorgd. De stoffering van het interieur is opgenomen in het totaalconcept en vormt een vrij kleurrijk voorbeeld van gedifferentieerde neogotische inrichting. Heden dient het als administratief centrum voor het Dominiek Savio Instituut. De voormalige neogotische stallingen met deels bewaard troggewelfjes zijn nu opgenomen in recente uitbreidingen.

Vanaf de 19de eeuw bouwen ook de rijke burgerij en gefortuneerde industriëlen landhuizen en buitenplaatsen (in de volksmond "kasteeltjes"). Soms liggen ze in de buurt van of nemen ze de plaats in van een historische hoeve of site waarnaar hun naam letterlijk verwijst of erop alludeert. Zo vervangt te Izegem het begin-20ste-eeuwse domein "Ter Wallen", met eclectische conciërgerie van 1908 en fraai "kasteeltje" in neo-Vlaamse-renaissancestijl midden in een park met vijver, de historische hoeve "Roode poort". Andere voorbeelden te Izegem zijn het "Kasteel Wolvenhof' - bij de gelijknamige hoeve - en het "Kasteel Wallemotte", beide gebouwd in 1913 voor de vooraanstaande familie Vande Bogaerde door architect J. Vercoutere. Hun eclectische architectuur is in het eerste geval sterk gemarkeerd door het neoclassicisme en in het tweede door de neobarok en de Franse stijlen. In het eveneens eclectische interieur wordt een ietwat pompeuze neo-Vlaamse-renaissancestijl toegepast in de ontvangstruimten.

Het "Lusthuis Semiramis" van de rijke vrijzinnige familie Tant aan de Diksmuidestraat te Staden werd vernield tijdens de Eerste én de Tweede Wereldoorlog. Heden rest alleen de sierlijke tuin die vermoedelijk is aangelegd in de jaren 1920 en nog een waterpartij met gietijzeren boogbrug behoudt. Ook het koetshuis en conciërgerie dateren uit deze periode. Deze domeinen, met variërende hedendaagse bestemming zijn naast hun bouwkundige of documentaire waarde bijzonder belangrijk als groenreserves in de dicht bebouwde gemeenten.

PRE-INDUSTRIEEL EN INDUSTRIEEL ERFGOED.

Het pre-industriële erfgoed in de regio was vooral landbouwgebonden.

In het studiegebied stonden voorheen talrijke windmolens, voornamelijk graan- en oliemolens. Van de windmolens resten nog twee stenen rompen te Ingelmunster, met name de afgeknotte en als woonhuis herbestemde "Zandbergmolen" en de hoge "Doornmolen", een stellingmolen met zes zolders. Te Gits werd de houten "Grijspeerdmolen", een standaardmolen van 1771, in 1920 vanuit Westkapelle naar de Grijspeerdstraat overgebracht en in 1980-82 overgeplaatst naar de huidige locatie. Ook aan het klooster van Ave Maria te Izegem, werd een lage weinig functionele molen gebouwd, waarvan de kuip bewaard is gebleven.

Vóór 1900 treedt reeds een vorm van industrialisatie in en vervangen mechanische maalderijen en olieslagerijen aangedreven door stoommachines de vroegere molens. Deze evolutie komt in een stroomversnelling na de verwoesting van talrijke molens tijdens de Eerste Wereldoorlog. De zogeheten "Ondankmolen" van Oostnieuwkerke had al omstreeks 1902 de plaats geruimd voor een maalderij die aanvankelijk aangedreven was door een armgasmotor. De "oude maalderij" behoudt naast haar structuur van houten balklagen op ijzeren I-profielen en kolommen een deel van de uitrusting als aandrijvingsassen, haverpletter,... Te Lichtervelde ontwikkelde zich op de plaats van de vroegere "Molen Devos" een nu beschermde industrieel-archeologische site waar houtzagerij-maalderij-olieslagerij worden gecombineerd. Het behouden interbellum-machine-arsenaal is van uiterst belang terwijl de gebouwen zelf geen noemenswaardigheden bevatten.

Verzorgde industriebouw komt wel voor in de nieuwe oliefabriek van de Izegemse stoomoliefabriek Vandemoortele, gesticht in 1899. Wanneer die vanaf 1919 aan vernieuwing en uitbreiding toe is wordt beroep gedaan op de Izegemse architecten W. Vercoutere en A. Spriet. De ruimten onder ijzeren Polonceauspanten worden opgenomen in een verzorgde baksteenarchitectuur met typerende gevelbehandeling. De hydrogenatiegebouwen van 1942 in uiterst zakelijke stijl zijn ontworpen door J. De Bruycker (Roeselare). Dezelfde architect zal plannen voor betonnen silo's leveren als onder meer die van 1935 van het veevoederbedrijf Vanden A-venne dat eveneens aan de Izegemse kanaalzone is gelegen; de silo voor de Maurice Allegaert Veevoeders te Lichtervelde dagtekenen uit 1937.

De schaalvergroting die verband houdt met de mechanisatie is ook merkbaar in andere takken van de landbouwgebonden nijverheden.

De meeste cichoreiasten, verbonden aan een hoeve, zijn nu buiten gebruik. De ast van de jaren 1930 horend bij een verbouwde hoeve te Lichtervelde, bleef naar verluidt in werking tot 1976; de ast zelf bewaart evenwel een deel van zijn uitrusting en de nodige aanbouwsels. In dezelfde gemeente hoort bij een hoeve aan de Weststraat nr. 58 nog een cichoreiast van 1947 die nog steeds in werking is en dus zijn volledige uitrusting bewaart met onder meer de weegbrug, was- en snijmachine.

Tijdens het interbellum worden ze soms opgenomen in een ruimer industrieel bedrijf. Zo vormt te Oostnieuwkerke de wederopgebouwde cichoreifabriek van de jaren 1920, die in werking was tot 1973, nog steeds samen met de interbellumvilla van de eigenaar een beeldbepalend complex. De opvallende bedrijfsgebouwen van baksteen zijn zorgvuldig uitgewerkt met ingediepte muurvakken, baksteenfriezen en andere tijdsgebonden motieven. Voor het platdak van de asten is beton aangewend.

De voormalige "traditionele" brouwerijen met brouwershuis, mogelijk opklimmend tot de 18de eeuw, waren soms ook verbonden met een al dan niet nog bestaande herberg. Ze zijn nog steeds beeldbepalend maar wachten nog vaak, nu ze in onbruik zijn geraakt, op een gepaste herbestemming. Elke gemeente telde één of meerdere brouwerijen waarvan doorgaans de brouwerswoning bewaard is. De talrijke beken te Lichtervelde verklaren een overvloed aan kleinschalige brouwerijen die op uiteenlopend wijze zijn behouden of hergebruikt. Van het bedrijf is soms alleen de brouwerswoning bewaard zoals deze met 18de-eeuwse kern van de voormalige brouwerij Sint-Jacob die aansloot bij de nog bestaande herberg "De Zwaan" aan de Marktplaats nr. 11; de brouwerij zelfwas in werking van 1826 tot 1914. Van de voormalige brouwerij Sint-Michiel waarvan het brouwershuis, aan dezelfde Markplaats nr. 12, in 1993 werd vervangen door een appartementsgebouw, resten nog aan de binnenplaats de eenvoudige bakstenen brouwerij en mouterij met deels bewaarde uitrusting. Elders in dezelfde gemeente bewaart de voormalige Sint-Antoniusbrouwerij, die sinds 1875 overgebracht werd naar de huidige locatie, zowel de brouwerswoning als de brouwerij met lagerkelders en de eest en ronde schoorsteen. Na de sluiting in 1935 werd ze tot 1973 gebruikt als bierdepot, een herbestemming die ook elders gebruikelijk is.

Wanneer de bierproductie afneemt wordt soms een deel van de brouwerij gebouwen herbestemd. Voor de Izegemse brouwerij Carpentier, die teruggaat tot 1839-1840, was dit reeds het geval vanaf 1929, toen een deel ingericht werd als zijdeweverij en later als meubelfabriek. Hoewel de brouwerij niet heropgestart werd na de Tweede Wereldoorlog resten er nog van het eens merkwaardige hoekpand, de 19de-eeuwse brouwerswoning, de uitbreiding in neo-Vlaamse-renaissancestijl van 1905 en aan de gekasseide binnenplaats bedrijfsgebouwen als de mouterij van 1905 en de machinekamer met stoommachine van 1906. Het geheel wordt momenteel ontmanteld en opgeruimd onder meer omwille van een straatverbreding. Een originele vorm van de reconversie is deze van brouwerij tot bioscoopzaal zoals dit gebeurde voor de cinema De Keizer aan de Lichterveldse Neerstraat. Vindingrijk is het reeds in 1936 inbrengen van appartementen in de oudste brouwerij gebouwen van Sint-Margaretha aan de Statiestraat nr. 115: het bijzondere hierbij is dat de rondboogvensters met typische tracering zouden behoren tot een 19de-eeuws kasteel. De "nieuwe" achterin gelegen en nog bestaande interbellumbrouwerij en limonadefabriek van 1936 sluiten goed aan bij de toenmalige bouwwijze met onder meer afgeronde hoekpartijen, patrijspoorten en kenmerkende belettering.

Uit dezelfde periode dateren de witgeschilderde bedrijfsgebouwen van de Brouwerij Van Honsebrouck te Ingelmunster. Typerend zijn het betonnen skelet niet bakstenen vullingen en de muuropeningen met afgeschuinde bovenhoeken; mouteest en ronde schoorsteen zijn nog beeldbepalend in dit industriële complex dat werd uitgebreid in 1980 en nog steeds in werking is. De voormalige "Centrale Brouwerij" van Staden is een ander voorbeeld van een "functionele" interbellumbrouwerij van beton- en baksteen; ze bleef in gebruik tot de jaren 1960 en kreeg na aankoop door de gemeente in 1968 een openbare functie als onder meer brandweerkazerne.

Volgens archiefstukken waren er eind 19de eeuw nog talrijke steenbakkerijen en voornamelijk veldovens in de streek zoals soms aangegeven door toponiemen en straatnamen als de "Steenovenstraat" te Ingelmunster. Te Hooglede kan nog de voormalige wederopgebouwde steenbakkerij "Ampe met directeurswoning "Ter Hille" van 1921 worden vermeld. In dezelfde gemeente is de steenbakkerij De Vossenberg/ De Simpel, aan de Hogestraat nr. 92, als enige in het gebied nog volledig in werking.

De opkomst van de mechanisatie in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw heeft ook de ontwikkeling van andere pre-industriële nijverheden gestimuleerd en het socio-economische leven grondig gewijzigd. De talrijke fabrieken en de ermee gepaard gaande, veelal verspreide arbeidershuisvesting hebben voornamelijk het uitzicht van het Izegemse bepaald. In 1901 wordt er het nog bewaarde gebouw van de "Stadselectriciteit" in gebruik genomen; in de eerste plaats voorzag het in de stadsverlichting, maar de productie steeg aanzienlijk wanneer een tiental jaar later ook de borstel- en schoennijverheid werden gemechaniseerd.

Van groot belang voor de industriële evolutie in het gebied, is de textielindustrie die ontstond uit de handenarbeid en huisnijverheid. Een eerste stap was het vlasroten eerst in de nabijheid van de Mandel, en vanaf 1920 in de warmwaterroterijen die niet meer zozeer plaatsgebonden waren. Naast de inmiddels in onbruik geraakte warmwaterroterijen is er in Ingelmunster nog één in werking; deze betonnen rootputten met ijzeren deuren en schoorsteen, worden nog tot de jaren 1950 gebouwd. In Emelgem zijn ze niet meer in werking hoewel ze deel uit de vlasfabriek Stragier van 1929 die ook nog een vlasschuur en actieve zwingelarij omvat. In dezelfde gemeente verwijst een katrol voor het ophalen van het vlas op de zolder van een woonhuis met betonnen vloer en bedaking naar de oorspronkelijke eigenaar/vlashandelaar. Op verschillende plaatsen in het studiegebied zijn ook nog meerbeukige vlasschuren bewaard.

Vanaf 1839 werd geleidelijk aan overgeschakeld op de gemechaniseerde textielindustrie. Briefhoofden van Izegemse bedrijven zoals de voormalige "Mechanische weverij Jules Van Wtberghe" van 1860 of de voormalige jutespinnerij J. De Ven te Ingelmunster van 1901 geven een zeker beeld van deze industriële nederzettingen en hun impact op de omgeving. Opvallend zijn, zoals reeds vermeld, de woning of "kasteeltje" van de eigenaar of directeur en de achterin gelegen werkplaatsen onder gekoppelde sheddaken zoals gebruikelijk bij weverijen; een hoge schoorsteen markeert dan het geheel. Aanverwante bedrijven als de stoomkorsettenfabriek "De Zwaluw" nemen nagenoeg dezelfde aanleg en vormgeving aan. De doorsneebaksteenbouw wordt er vaak verlevendigd door lisenen met verbindende gestrekte of klimmende friezen. Na het stopzetten of reconverteren van de bedrijven zijn deze nutsgebouwen gedeeltelijk of volledig verdwenen. In sommige gevallen zijn ze herbestemd sinds het einde van de jaren 1950 zoals in de voormalige weverij Schotte te Ingelmunster waarvan de meeste gebouwen van 1920 nu als opslagplaats dienen. De vroegere voddenfabriek Coppin te Ingelmunster van 1923 is zoals reeds vermeld omgebouwd tot parochiekerk. In dit laatste geval gaat het wel om een ander type van "zakelijk" fabriekspand met betonnen skelet, bakstenen wanden en platte daken boven de zij- en hoger opgetrokken middentraveeën.

De machinebouw deelde mee in de bloei van de linnenindustrie. Uit de textielindustrie ontstond de borstelindustie, wegens de noodzaak aan specifieke borstels om de machines te onderhouden. Samen met de schoenindustrie is de borstelfabricage van essentieel belang in de sociaal-economische geschiedenis van Izegem. Ook deze industrietakken vonden hun oorsprong in de huisnijverheid en handenarbeid. Naast de grote fabrieken en kleine bedrijfsgebouwen bleef ook de huisnijverheid in de 20ste eeuw nog een belangrijke rol spelen.

De schoennijverheid wordt pas vanaf 1887 in fabrieken georganiseerd. Tal van lijnwaadfabrieken uit 1865 worden in de tweede helft van de 19de eeuw omgevormd tot schoenfabrieken. Naast de eigenlijke schoenfabrieken komen ook onderscheiden leestenfabrieken tot stand. De meer kleinschalige fabrieken zijn toegankelijk via een poort naast het woonhuis. Later zijn de woonhuizen niet meer aan de fabriek gelinkt, en worden er op aparte locaties villa's opgericht, onder meer aan de Vanden Bogaerdenlaan. Het fabrieksinterieur omvat burelen afgescheiden van de eigenlijke werkplaatsen onder meer door beglaasde houten wanden. Vanaf de jaren 1930 vallen de schoenfabrieken op door hun sterk uitgewerkt kantoorgebouw; zo prijst de fabriek "Eperon d'or" zichzelf aan met een imposant art-decokantoorgebouw. Meestal ligt onder het kantoorgebouw de lederkelder. De grondvorm van de werkplaatsen valt doorgaans te herleiden tot een constructiesysteem met ijzeren structuur onder deels beglaasde sheddaken. Later wordt dan overgeschakeld op betonskeletten. De Izegemse schoenindustrie wijkt op twee momenten uit naar het naburige Emelgem, met name na de Eerste en na de Tweede Wereldoorlog. Van het gebouwenbestand is te Izegem weinig bewaard gebleven; de fabrieken verdwenen voornamelijk tijdens de laatste decennia. Te Emelgem zijn er tot op heden meer fabrieken bewaard gebleven zoals onder meer de "Mercator" aan de Guido Gezellestraat nr. 30 en twee voormalige schoenfabrieken aan de Prinsessenstraat nr. 162 en nr. 192-194. Van de voormalige fabriekspanden zijn er heden herbestemd; zo werd in de fabriek "Werbrouck" aan de Stationsstraat een winkel geïntegreerd; aan de Vanden Bogaerdenlaan is een "Kringloopcentum" ondergebracht in een voormalige schoenfabriek.

De borstelnijverheid is minder winstgevend dan de schoennijverheid; dit komt dan ook tot uiting in de doorgaans minder rijkelijke en minder indrukwekkende architectuur, zowel in het woonhuis als in het kantoorgebouw. Een uitzondering hierop vormt wel de voormalige "Brasserie l'Hirondelle" aan de Izegemse Stationsstraat nr. 30 met eclectische gebouwen van 1890 en volgende, een doorgang aan de straat en achterin gelegen haakse bedrijfsgebouwen. De borstelfabricage is gespreid over borstelhouten-, borstelsteel- en de eigenlijke borstelfabrieken waar de borstelhouten van haren voorzien worden. De houtverwerkende industrie is steeds voorzien van droogloodsen en een boomplein om het hout op te slaan; dit gedeelte van het productieproces schakelt ook het eerst over naar de mechanisatie. De meeste borstelfabrieken zijn toegankelijk via een poort naast de eigenaars- of directeurswoning. In de jaren 1930 opteert men ook hier voor een scheiding tussen fabriek en woonst, vaak worden dan villa's opgericht in duurdere wijken ver verwijderd van het fabriekspand. Een goed bewaard voorbeeld is de nog actieve "Brasserie Industriëlle" die naar verluidt gesticht is in 1930 en overgebracht naar de huidige locatie in 1937; de achterin gelegen fabriek onder drie sheddaken bewaart haar interbellummachinepark en onder meer een wand behangen met borstelmodellen. De kelders bevatten nog steeds kostbare borstelharen. De hoger gelegen houten werkvloer boven de kelder werd voorheen benut door de arbeidsters. Op de lager gelegen werkvloer staan de machines opgesteld.

Ook in de borstelnijverheid wordt doorgaans teruggevallen op een combinatie van baksteenmetselwerk en ijzerbouw voor de structuur; in oudere voorbeelden komt soms een combinatie van gietijzeren zuilen en houten balken voor en in recentere gebouwen een betonskelet onder sheddaken. Enkele van deze fabrieken zijn nog voorzien van de bakstenen schoorsteen, die in verbinding stond met de stoommachine. Onder meer aan de Izegemse Krekelstraat nrs. 129-131 rest hiervan een voorbeeld in een voormalige borstelfabriek; in haar oudste gedeelte van 1931 behoudt ze ook nog sheddaken die opgevangen worden door pilasters ingewerkt in de zijgevels van baksteen. Net als de schoenindustrie wijkt ook de Izegemse borstelindustrie in twee perioden uit naar het naburige Emelgem, met name na de Eerste en na de Tweede Wereldoorlog; tot op heden is hier een uitgebreider bestand van fabrieksgebouwen bewaard gebleven als onder meer aan de Reperstraat nr. 59 en 69. Een aantal fabriekspanden worden door andere bedrijfstakken hergebruikt, zo is de borstelfabriek "Wybo" heden een chocolaterie. De reeds vermelde "Brasserie l'Hirondelle" is in 1987 aangekocht door het Vlaams Woningfonds en onder leiding van architect G. Soenen herbestemd voor sociale woningen; het uitgevoerde project vermengt aangepast behoud van de meest representatieve en de nog bruikbare, "gezonde" gebouwen met nieuwbouw ter vervanging van sommige aangetaste bestanddelen.

Naast deze bepalende bedrijven kwamen ook kleine lokale nijverheden die typerend waren voor bepaalde gemeenten, zoals onder meer de fabrieken voor duivenringen of duivensportartikelen en een accordeonfabriek te Lichtervelde en een achterin gelegen pijlenfabriek aan de Izegemstraat nrs. 22-24 te Ingelmunster. Doorgaans gaat het om gebouwen die alleen opvallen door een mogelijk opschrift of die iets groter uitvallen dan de doorsneewoningen waarvan ze de eclectische of iets meer vooruitstrevende vormgeving overnemen. Meer bepalend zijn sommige grote handelszaken met aansluitende magazijnen en andere aanhorigheden zoals het hoekcomplex met handel in steenkolen en bouwmaterialen aan de Statiestraat nr. 126-128 te Lichtervelde dat teruggaat tot de tweede helft van de 19de eeuw.

Het kanaal Roeselare-Leie speelt een belangrijke rol in de economie van de as Izegem-Ingelmunster; het watertransport wordt hier gecombineerd met het spoorverkeer. Te Izegem speelt het station vanaf 1847 een belangrijke rol in het personenvervoer en vanaf 1883-1884 in het goederenverkeer. Het huidige art-decostation van 1930-1031 is echter grondig verminkt bij de aanleg van de viaduct in 1974-1976. Ook het na de Eerste Wereldoorlog heropgebouwde station van Lichtervelde heeft een belangrijke rol gespeeld in de lokale economie, de industrie en de paardenhandel die zich in de nabije omgeving ontwikkelen. Faiencetegels op de stationsgevel verwijzen naar deze lucratieve paardenhandel die, dankzij de oprichting van een jaarlijkse paardenmarkt, vanaf 1905 floreert. Het wederopbouwstation van Westrozebeke is niet gericht op het dorp maar wel op de Kazerne van Houthulst.

Door de sluiting van kleine, lokale stations komt het voortbestaan van de gebouwen in gevaar; vermeldenswaard is dat het station van Gits op originele wijze werd herbestemd als kinderopvang.

Deze grotendeels geürbaniseerde kantons beschikken al bij al nog over een gevarieerd erfgoed. Naast oudere kerken, hoeven en kastelen is het doorgaans eerder verspreide "jong bouwkundig erfgoed" overheersend; het manifesteert zich voornamelijk in de sector van de gedifferentieerde woningbouw en verdient in zekere mate een wel overwogen officiële en/of spontane bescherming. Het resterende industriële erfgoed vraagt om een selectief gebruik of een herbestemming die rekening houdt met de draagkracht van het gebouw en zijn omgeving. Deze fabriekspanden getuigen van de economische ontwikkeling van de streek en bezitten hierdoor uiteraard een documentaire waarde; vaak vertonen ze bovendien een sobere, functionele en ietwat "geïndividualiseerde" bouwwijze die in schril contrast staat met de massale prefabbouw van de diverse bedrijven die momenteel samen met de recente woningen aan de hoofdwegen en -straten de gemeentekernen nagenoeg met elkaar verbinden.


Bron     : De Gunsch A., Metdepenninghen C. & Vanneste P. met medewerking van Tansens A. 2001: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Roeselare, Kantons Hooglede - Izegem - Lichtervelde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 17N2, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  De Gunsch, Ann, Metdepenninghen, Catheline, Tansens, Annick, Vanneste, Pol
Datum  : 2001


Relaties