Geografisch thema

Kanton Neerpelt

ID: 16238   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16238

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Het kieskanton Neerpelt met de gemeenten Hamont-Achel, Lommel, Neerpelt en Overpelt maakt deel uit van het administratief arrondissement Maaseik. Het is een aaneengesloten gebied, dat tot de in het noorden van de provincie Limburg gelegen Kempen behoort, ten noorden tot aan de Nederlandse grens reikt en naar het zuiden toe iets versmalt. Administratief wordt het gebied ten westen begrensd door de provincie Antwerpen (Mol en Balen), ten zuiden door het kanton Peer (Hechtel-Eksel en Peer) en ten oosten door de gemeenten Bocholt (kanton Bree) en Peer.

Geografisch behoort het gebied integraal tot de Kempen. Tot eind 19de, begin 20ste eeuw bestond twee derde van de beschikbare grond uit heide, bossen, moerassen en struikgewassen. Ondanks het schrale karakter van de gronden was de Kempen van oudsher een agrarisch gebied. De arme landbouwgrond, die veelal omgeven was door uitgebreide gemene heidegronden, resulteerde in een zeer verspreid nederzettingspatroon. Pas op het einde van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw werden de woeste heidegronden meer en meer in cultuur gebracht. Alle nederzettingen in het bestudeerde gebied, zelfs het overgrote deel van de enige historische stad Hamont, zijn landelijke gemeenten.

De meeste dorpen kenden vooral vanaf de tweede helft van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw een daling van de landbouwactiviteit door opkomende industrialisering en steenkoolontginning. De laatste decennia heeft bijna elke gemeente zijn eigen industriezone) gekregen, waarbij vooral die van Lommel en Overpelt een grote uitstraling kennen. Dit resulteerde in een enorme bevolkingstoename en in toenemende bebouwing. Het aanvankelijk verspreide nederzettingspatroon raakte meer en meer verdicht, waardoor de diverse gehuchten nog moeilijk te onderscheiden zijn en het historische landschap in de verdrukking raakte.

De over het algemeen grote gemeenten in de Kempen behoren tot het type van de kerspelen, die doorgaans talrijke gehuchten of buurtschappen telden, met bij de dorpskerk het centraal of excentrisch gelegen Dorp. De fusie van de gehuchten vond plaats in de late middeleeuwen en viel samen met het ontstaan van de parochies, wat dit gebeuren zonder twijfel in de hand heeft gewerkt, respectievelijk gestimuleerd. Daar een parochiegeestelijke via de opbrengt van de tienden over genoeg inkomsten moest kunnen beschikken, was het vanzelfsprekend dat een zo groot mogelijke fusie voor de pastoor gunstig was. Het merendeel van de Kempische gemeenten telt daarom ook een groot aantal gehuchten, soms tien en meer, hetgeen in het zuidelijker Haspengouw ongebruikelijk is. Er is een link tussen het aantal nederzettingen en de rentabiliteit van de bodem: twee derde van de grond bij een Kempische nederzetting was heidegrond met bossen, moerassen en struikgewassen, waaruit niet veel inkomsten te halen waren, één derde akker- en hooiland met evenwel een magere opbrengst. Hieruit volgt dat één Kempische nederzetting respectievelijk gehucht niet in het onderhoud van een pastoor kon voorzien. De lage waarde van de grond blijkt ook uit het uiterst geringe aantal kastelen in het bestudeerde gebied. Enkel kasteel Genenbroek in Achel kan als voorbeeld dienen uit het ancien regime.

De enige oude "stedelijke" kern in het gebied is Hamont, dan nog met een beperkt hinterland. De bebouwing bleef er eeuwenlang beperkt tot het historische centrum en de diverse gehuchtskernen. Pas in de laatste decennia nam de verdichting en inbreiding toe in deze al bij al landelijk gebleven "stad".

LANDSCHAPSTYPERING

Het in dit boek bestudeerde gebied behoort, zoals gezegd, volledig tot de Kempen, meer bepaald tot het Kempens Plateau. In vergelijking met de lage Antwerpse Kempen en het lage Maasland lijkt de Limburgse Kempen immers een hoogvlakte. De bodem wordt er gekarakteriseerd door een zacht glooiend reliëf, met een helling vanuit het zuiden (Lanaken, 104 meter) afdalend tot het noorden (Lommel, 50 meter). Ten gevolge van allerlei scheuren en breuken in de aardkorst kwam de Limburgse Kempen hoger te liggen dan de omliggende gebieden. Door deze hogere ligging vormde het Kempens Plateau de waterscheiding tussen het Maas- en Scheldebekken. De voornaamste deelgebieden zijn het industriegebied van Lommel-Overpelt, het bekken van de Warmbeek en het Limburgse heide- en bosgebied. Het Kempens Plateau is fysisch-geografisch sterk verschillend van de rest van de Kempen. Het is opgebouwd uit een deltavormig grindplateau, afgezet door de Maas tijdens het Pleistoceen (700.000-150.000 jaar geleden). Het uit de Ardennen afkomstige grind vormde ooit de bedding van de Oer-Maas en beschermde de onderliggende, zachtere tertiaire afzettingen tegen erosie. Op het einde van het Pleistoceen werden de grindlagen bedekt met dek- of duinzanden waaruit zich de huidige podsolbodem ontwikkeld heeft.

De Kempen wordt in het algemeen getypeerd door arme zandgronden en landduinen op de hoger gelegen gebieden. De oorspronkelijke bossen werden er in het verleden vrij snel gedegradeerd tot uitgestrekte "woeste" heidegronden. Tot het begin van de 20ste eeuw bestond het overgrote deel van de Limburgse Kempen uit zulke gebieden. De mens ontwikkelde hier een unieke vorm van grondverbetering, namelijk het "plaggen". Eeuwenlang werd het tekort aan stro in de stallen aangevuld met heide- en grasplaggen die in de omgeving werden gestoken. Verrijkt met mest werden deze plaggen jaarlijks uit de potstal weer op het land aangebracht en ingewerkt. Hierdoor ontstond een vruchtbare plaggenbodem met een 50 tot 60 centimeter dikke humusrijke bovengrond in de omgeving van oude woonkernen. De herbebossingsdecreten van Jozef II in de 18de eeuw luidden het definitieve einde van de heide als cultuurhistorische landschapsvorm in. Vanaf de 19de eeuw werden grote oppervlakten landduinen en droge heidegronden met grove den bebost. Het fixeren van de zandige bodem en de bescherming van de akkers tegen zandverstuivingen waren hierbij van prioritair belang, de houtproductie in functie van de opkomende industrialisatie eerder van ondergeschikt belang. Het resultaat van deze herbebossing was een gevarieerd landschap van compartimenten bos, heide, akkerland en weilanden.

De bouw van de Kempense kanalen maakte het verder mogelijk om de Noorderkempen te ontginnen en te koloniseren. Vanaf het midden van de 19de eeuw werden er langsheen deze kanalen en de Zuid-Willemsvaart wateringen, weteringen of vloeiweiden aangelegd. Deze ontginningsprojecten moesten zinvol werk verschaffen en de agrarische ontginning van de streek stimuleren, maar waren echter niet succesvol. Vandaag de dag zijn vele van deze wateringen ongerepte natuurreservaten. In het landschap vallen ze meestal op door de hoge Canadapopulieren, waarmee ze vanaf het einde van de 19de eeuw werden beplant. Met de intrede van kunstmest in het begin van de 20ste eeuw konden de typische Kempense "woeste" gronden verder ontgonnen worden tot akker- of weiland. Vele stuifzandgebieden werden met naaldhout beplant om ze rendabel te maken. De mechanisatie van de landbouw zorgde er verder voor dat kavels werden vergroot, hagen en houtkanten stilaan verdwenen, gronden dieper werden ontwaterd, beken rechtgetrokken en gekanaliseerd. De bloemrijke hooilanden van weleer werden stilaan, door een intensieve bemesting, vervangen door monotone raaigraslanden of maïsaanplantingen.

In de ondergrond van de regio Mol-Lommel zitten dikke lagen zuiver wit zand, afzettingen van het begin van het pleistoceen. Vanaf het midden van de 19de eeuw was er interesse voor de ontginning van deze lagen. De doorbraak kwam er pas in de jaren 1880 doordat de winstperspectieven aanlokkelijk werden, het begin van grootschalige zandwinning met diepe putten in bossen en heidegebieden als gevolg.

Het tijdperk van de industrialisatie was aangebroken. Op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw vestigden zich talrijke vervuilende industrieën in het noorden van de provincie Limburg, waarover verder meer in de paragraaf over industrieel en pre-industrieel erfgoed. De grote landschappelijke verandering in het zuidelijk deel van het Kempens Plateau (Midden-Limburg) kwam er met de ontdekking van steenkool in de ondergrond in 1901. Door de industrialisatie in het noorden en de steenkoolexploitatie in Midden-Limburg veranderde een groot gedeelte van het Kempens Plateau in nog geen halve eeuw van een in hoofdzaak semi-natuurlandschap tot een uitgestrekt stedelijk-industrieel landschap. Slechts hier en daar bleven enkele gebieden gespaard, die niet aangetast werden door intensieve landbouw, wegen- of woningbouw en recreatie.

BODEM EN STREEKEIGEN MATERIAAL

Tot het oudste bouwmateriaal horen de verschillende soorten breuksteen, die waarschijnlijk afkomstig zijn uit de plaatselijke ondergrond. Hiertoe behoort ook silex of vuursteen, dat voorkomt in de onderste zones van de krijt- en kalklagen. Het werd reeds in de Romeinse periode gebruikt.

Vanaf de 14de eeuw werd dit lokaal ontgonnen materiaal verdrongen door de geïmporteerde mergelsteen, die tot het midden van de 17de eeuw een belangrijke rol speelde in de traditionele bouwkunst onder de vorm van muurbanden, hoek- en negblokken. Het betreft een zeer zacht gesteente, wit tot geel van kleur, vooral bestaande uit CaCO3, al dan niet met bijmengingen. In Limburg werden drie soorten mergel ontgonnen. De "tuffeau van Maastricht" (Maastrichtiaan), die het meest werd aangewend, is een zachte, witgele steen, met groeven te Zichen-Zussen, Kanne en Sint-Pietersberg. Er zal verder steevast als "mergelsteen" naar verwezen worden. De andere twee soorten, die in het westen van de provincie gewonnen werden, kenden daar een vrijwel zuiver plaatselijk gebruik. De mergelsteen uit de groeve van Sibbe bij Valkenburg (Nederland), de enige groeve die nog wordt uitgebaat, wordt heden vooral aangewend bij restauraties.

Tot de ingevoerde steensoorten behoort voorts de Naamse kalksteen, die vanaf de tweede helft van de 17de eeuw vrijwel volledig de mergelsteen verdrong. Hij kende een zeer ruime verspreiding in de huidige provincies Luik en Limburg, maar werd ook buiten de grenzen in het hele Maasland aangetroffen. Hij onderscheidt zich van de andere hardstenen door de afwezigheid van fossielen en de effen zilvergrijze verwering. Deze steen werd vanuit het zuiden van België via de Maas geïmporteerd. Tot het midden van de 19de eeuw was het de enige gebruikte natuursteen. Daarop verdween hij als bouwmateriaal om plaats te ruimen voor natuursteen van verschillende, vaak buitenlandse origine.

Naast de conventionele bak- en natuursteenbouw wordt het bestudeerde gebied eveneens gekenmerkt door de traditionele vakwerkbouw, die zich tot in het begin van de 20ste eeuw staande hield, waarover verder meer in de paragraaf over de burgerlijke architectuur.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Vroegste tijden

De oudste bewoningssporen in het hier bestudeerde gebied gaan terug tot het paleolithicum, dat zich uitstrekt vanaf het vroegste begin tot ongeveer 8000 vóór Christus. De laat-paleolithische culturen heeft men ook in de Limburgse Kempen aangetroffen, onder meer te Achel en Lommel. De dragers van deze cultuur, die al over een betrekkelijk grote diversiteit aan wapens beschikten, leefden van de jacht op rendieren, de verzameling van plantaardig voedsel en van de visvangst.

Van het mesolithicum (circa 8000 - circa 4000 vóór Christus), de periode waarin de temperatuur steeg en grote loofwouden en moerassen ontstonden, dateren de typische kleine stenen voorwerpen, microlithen, die doorgaans een onderdeel vormden van jacht- en vistuig. Men leefde van de jacht op kleiner wild, uitgebreid met veeteelt en de verzameling van eetbare planten. Uit het mesolithicum dagtekenen de vondsten die in Achel, Lommel (onder meer Riebosserheide, Blokwaters, Siberië, Vosvijvers en Gelderhorsten), Neerpelt (onder meer Grote Heide) en Overpelt werden gedaan.

Uit het neolithicum (circa 4000 - circa 2200 vóór Christus), een periode gekenmerkt door akkerbouw en veeteelt, dateert het los aardewerk (tulpbekers) van de Michelsberger cultuur die men in Lommel heeft ontdekt. Met deze beschaving staan ook de gevonden vuurstenen voorwerpen in verband die op diverse plaatsen in de Limburgse Kempen werden aangetroffen. Zo werden bij voorbeeld in Achel gepolijste stenen bijlen en fijn bekapte pijlpunten uit deze periode gevonden. Vindplaatsen in Lommel aangaande het neolithicum zijn onder andere Blekerheide en Siberië.

De bronstijd (circa 2200 - circa 700 vóór Christus) was een tijdperk waarin ook de handel van betekenis moet zijn geweest, daar de bronzen objecten, die aan deze periode haar naam hebben gegeven, enkel door invoer verkregen waren. In het noorden van de Limburgse Kempen zijn bronstijdgrafheuvels aangetroffen, onder meer op de Haarterheide in Hamont (met bijzettingen uit de ijzertijd), in Lommel, Neer- en Overpelt. In die grafheuvels trof men onder meer aardewerk aan, alsook enkele bronzen voorwerpen en sieraden.

De ijzertijd (circa 700 - 57 vóór Christus) wordt gekarakteriseerd door een invasie van uit Midden-Europa afkomstige volkeren, wier beschaving men naar de vindplaats Hallstatt (Salzkammergut) de naam Hallstattcultuur meegeeft. In Achel vond men zo een grafveld op de plaats "Hoefkens". In dezelfde gemeente, aan de Grote Haart, werden vier grafheuvels uit deze periode onderzocht, waarbij een paar urnen met crematieresten aan de oppervlakte kwamen. In Lommel zijn ook graven uit deze periode ontdekt (Kattenbos en Blekerheide), alsook resten van nederzettingen en woningen (Hoeverheide). Urnen uit dit tijdperk werden verder aangetroffen in Neer- (De Roosen) en Overpelt. Uit de La Tène-periode, de laatste eeuwen van de ijzertijd, dateert het aardewerk dat in Lommel werd ontdekt. Waarschijnlijk in deze La Tène-periode trokken Germaanse stammen over de Rijn naar het westen. In het Limburgse gebied waren dat de Eburonen.

De Romeinse tijd

De stam der Eburonen werd in 51 vóór Christus door Julius Caesar bijna volledig uitgeroeid. Daarmee was de gehele onderwerping van Noord-Gallië voltrokken. Het westen en het zuiden van het vroegere gebied der Eburonen werd onder de naam Civitas Tungrorum ingelijfd bij het Romeinse rijk, tot het einde van de 3de eeuw na Christus als deel van de provincie Gallia Belgica, daarna als deel van de provincie Germania Secunda. Hoofdplaats van deze civitas was Atuatuca Tungrorum, het huidige Tongeren. Naast Tongeren was ook Maastricht, een in de 3de eeuw opgericht castellum ter bescherming van de Maasovergang, een belangrijk centrum. Deze centra liggen respectievelijk ten zuiden en zuidoosten van het bestudeerde gebied. De Romeinen ontsloten de ingenomen streken door de aanleg van landverkeerswegen, die naast hun militaire betekenis ook de handel stimuleerden, waarbij ook de Maas een belangrijke rol speelde. Beide genoemde centra waren knooppunten van deze Romeinse heirbanen. De belangrijkste verkeersader was de weg die van Bavai via Tongeren en Maastricht naar Keulen liep. Een tweede belangrijke weg was de heirbaan van Maastricht naar Nijmegen, die aan de linkeroever van de Maas liep en Maaseik passeerde. Ook zijn overblijfselen gevonden van "wegen die hoofdzakelijk een lokaal karakter hadden, zoals de weg door de Kempen over Achel-en Bree naar Rotem (Dilsen-Stokkem). Hamont en Sint-Huibrechts-Lille ontwikkelden zich dan weer aan de Romeinse weg Tongeren via Bilzen naar het noorden. De antieke weg Maastricht-Hapert doorkruiste Lommel, die van Trier naar Nijmegen over Ombret en Hasselt doorliep Houthalen, die van Diest-Paal liep over het grondgebied van Peer, Grote-Brogel en Kleine-Brogel naar het noorden en die van Tongeren-Vliermaal liep over Wijchmaal naar het noorden. De aanwezigheid van deze heirbanen bevorderde ook de economische ontwikkeling en het ontstaan van grotere en kleinere nederzettingen. Op diverse plaatsen in de Limburgse Kempen werden Romeinse sporen aangetroffen. Zo vond men een Romeins grafveld nabij de Lostraat bij het centrum van Hamont. Dichtbij de oude hoeve Kiekoet was aldaar een analoog grafveld, alsook een nederzetting. Tenslotte werden eveneens in Hamont, nabij het Kempisch kanaal, Romeinse nederzettingssporen ontdekt. Op genoemde plaats "Hoefkens" in Achel trof men een Gallo-Romeinse begraafplaats aan. Ook Romeinse scherven en munten werden aldaar verzameld. In Neerpelt werden Romeinse bewoningssporen gevonden nabij de plaats Kolis. In het gehucht het Herent aldaar werden circa tweehonderd Romeinse zilveren munten gevonden. In Overpelt werden op de Dorperheide Romeinse bewoningssporen aangetroffen en op de plaats "Kruiskiezel" werd een Romeinse begraafplaats opgegraven. Romeinse incineratiegraven werden in 1961 aangetroffen langs de Molderse Hoevestraat (Overpelt-Lindel). In tegenstelling tot Zuid-Limburg met zijn belangrijke centra was het Kempenland in de Romeinse periode echter zeer dun bevolkt.

De christianisatie van het gebied hield gelijke tred met de kolonisatie. Het blijft evenwel onbekend in hoeverre de plaatselijke bevolking het christendom aanvaardde. De permanente onrust in de 4de eeuw en daarna heeft een verdere verspreiding van deze godsdienst belet. Pas in de 7de eeuw zal de reële christianisatie aanvatten. Tongeren, de hoofdstad van de Civitas Tungrorum, was de zetel van een bisdom. Deze zetel werd mogelijk al in de 4de eeuw naar Maastricht overgebracht door toedoen van de stijgende onrust in het Romeinse rijk. In 256-257 staken de Franken een eerste maal de Rijn over, waarbij Tongeren in vlammen opging en in de gehele streek van Limburg vreselijke verwoestingen werden aangericht. In 275-276 trokken ze weerom plunderend rond. Het merendeel der Romeinse villae werd in deze periode vernield, doch daarna niet meer heropgetrokken. Met de val van Keulen en het wegtrekken van de troepen aan de Rijn in het midden van de 5de eeuw bereikte de Romeinse heerschappij in de Limburgse gebieden een eindpunt.

De vroege middeleeuwen

In het bestudeerde gebied zijn weinig elementen bekend voor de Frankische periode. Wat Tongeren en Maastricht betreft, kan men er vermoedelijk van uitgaan dat deze centra continu bewoond bleven, terwijl het christendom er stand hield. Voor de landelijke streken was dit zeker niet het geval. De Franken vestigden zich doorgaans niet in de Romeinse sites, maar bouwden hun eigen, evenwel schaarse nederzettingen uit. De laatste jaren wordt de Keltische of de Frankische oorsprong van de Kempische nederzettingen meer en meer in vraag gesteld en opteert men voor een datering in de Merovingische-Karolingische achtste eeuw. In Lutlommel werd in 1938 een Merovingisch grafveld gevonden nabij de plaats "Bij den Driehoek", dat de dateren valt tussen het einde van de 6de en dat van de 7de eeuw na Christus. In 1955 werd in Overpelt op het Lindel toevallig eveneens een Merovingische begraafplaats ontdekt.

Het hier behandelde gebied maakte, zeker na de Rijksdeling van 561, deel uit van Austrasië. In deze periode kwam het zwaartepunt van het Frankische rijk in het Rijn-Maasgebied te liggen, het stamgebied van de Pepiniden, een Zuid-Limburgs geslacht, dat uitgestrekte goederen bezat, zowel langs de Moezel en in de Ardennen als in de Maasstreken, onder meer in Haspengouw.

Op deze goederen werden in de 7de eeuw belangrijke kloosters gesticht: dat van Wintershoven met Landoaldus als spilfiguur, dat van Sint-Truiden, gesticht door de grootgrondbezitter Trudo, en dat van Munsterbilzen, gesticht door Landrada. Bij het begin van de 8ste eeuw richtten Harlindis en Relindis een vrouwenstift op te Aldeneik, waarbij de traditie naar Willibrord en Bonifacius verwijst. Vanuit deze stichtingen werd de herkerstening van de streek en de missionering van de noordelijke gebieden aangevat. De zetel van het bisdom Tongeren-Maastricht werd omstreeks 717 door Hubertus van Maastricht naar Luik overgebracht. Al in de Karolingische periode kende dit bisdom een goed gestructureerde organisatie in parochies en kerkelijke districten die later de naam van dekenaten kregen.

In de bestuurlijke indeling van het rijk ressorteerde het hier bestudeerde gebied onder de Karolingische gouw Taxandrië, die zich uitstrekte tot aan de benedenloop van de Maas en die dus ook de tegenwoordige provincie Noord-Brabant omvatte. Mogelijk was deze gouw, waarvan de juiste afbakening niet bekend is, in graafschappen onderverdeeld.

Bij het verdrag van Verdun (843), waarbij drie zonen van Lodewijk de Vrome het rijk verdeelden, kwam het gebied binnen het Middenrijk van keizer Lotharius I te liggen. Maar de opvolgers van Karel de Grote waren niet bij machte de groeiende desintegratie tegen te gaan. Oude gouwen en graafschappen verbrokkelden om plaats te maken voor nieuwe graafschappen. Op het einde van de 9de eeuw vonden de invallen en plundertochten van de Noormannen plaats. Ook de Kempen, waar blijkbaar buit te bemachtigen viel, bleven niet gespaard. De invallers werden door koning Arnulf bij Leuven verslagen, maar niet definitief, zodat ze pas enkele jaren later het land verlieten.

De middeleeuwen

Vanuit twee 10de-eeuwse grondslagen, de graafschappen Hocht, vermoedelijk gelegen ten noorden en ten westen van Maastricht en met kern in Lanaken, en Avernas, ten westen ervan, vormen de graven van Loon, die vazallen van de Duitse keizer waren, in de eerste helft van de 11de eeuw hun graafschap. In 1079 annexeerde Loon het oostelijke, onherbergzame deel van Taxandrië, de Limburgse Kempen. Met de inlijving in 1187 van het graafschap Duras (rond Sint-Truiden, Borgloon en Bilzen) bereikte het graafschap zijn grootste uitbreiding. Twee van de zes in onderhavig boek beschreven deelgemeenten behoorden oorspronkelijk tot dit domein, namelijk Neerpelt en Overpelt. Lommel, dat geen heerlijkheid was, behoorde circa 1000 tot het grensgebied van het Markgraafschap Antwerpen. Vermoedelijk werd Lommel in de loop van de 12de eeuw een "hertogsdorp" zonder plaatselijke heer, maar direct afhankelijk van de hertogen van Brabant. Daardoor verschilde het van de meeste Limburgse dorpen, die onder het graafschap Loon ressorteerden.

Enkele heerlijkheden ontstonden als kerkelijke goederen. Achel, Hamont en Sint-Huibrechts-Lille waren zeker van vóór 800 het bezit van de abdij en later het kapittel van Sint-Servaas van Maastricht, een domein dat mogelijk oorspronkelijk toebehoorde aan Sint-Hubertus.

Het bisdom Luik had zich intussen ontwikkeld tot een wereldlijke macht: in 980 verleende Otto II de immuniteit aan bisschop Notger (972-1008), waardoor de prins-bisschoppen als wereldlijke vorsten in hun gebied vazallen waren van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het prinsbisdom kende in de tweede helft van de 10de eeuw en in de 11de eeuw, de Ottoonse renaissance, een periode van enorme culturele bloei en uitstraling, terwijl de Maas een belangrijke handelsweg bleek die de economische ontwikkeling mee in de hand werkte. Bij de aanvang was de machtsconsolidatie van de graven van Loon vooral gericht tegen de toenemende invloed van het prinsbisdom aan hun zuidelijke grens. Onder druk van de Brabantse expansiedrang naar het oosten, hadden de twee rivalen, de graven van Loon en de prins-bisschoppen, allebei belang bij wederzijdse steun. Hierdoor kon het Brabantse gevaar definitief worden afgewend.

De 13de eeuw was de eeuw waarin veelal door toedoen of door medewerking van de landsheer een nieuw gegeven in de geschiedenis van de Limburgse streken opdook: de steden. De enige stad in het bestudeerde gebied is Hamont, ook al behield dat landstadje een sterk agrarische inslag. Lommel wordt pas sinds 1991 een stad genoemd.

Tussen 1388 en 1396-1401 gaf Robrecht van Renswoude, heer van Grevenbroek, beperkte territoriale voorrechten en stedelijke privileges aan het dorp Hamont, dat minstens vanaf het begin van de 14de eeuw het economische en juridische centrum vormde van het domein Hamont-Achel-Lille. In een oorkonde van 19 september 1396 wordt Hamont voor het eerst stad (oppidum) genoemd. Toch kreeg Hamont, net als Peer, nooit volwaardige stadsrechten of een keure. Wel waren er, zoals in Peer, een markt, een bestuur met ruime bevoegdheid, een zegel en een wapen, werden in de loop van de 14de eeuw wallen en grachten rond de stad aangelegd en richtte men eind 14de eeuw een burcht op aan de westzijde van de huidige Brouwersstraat, een versterking die reeds lang vóór 1554 verdween.

De "vrijheid" Lommel was weliswaar geen stad, maar kreeg niettemin in 1322 van hertog Jan III van Brabant de toelating om vestingwerken aan te leggen en voorrecht van versterkte stad te genieten. Er werden wallen opgeworpen, muren opgericht en drie monumentale poorten gebouwd. In de 14de-15de eeuw kreeg Lommel bepaalde vrijheidsrechten, vooral in relatie tot belastingen, militaire verplichtingen, rechtspraak enzovoort. Sedert 2 januari 1991 is de gemeente Lommel officieel een stad geworden.

Toen graaf Lodewijk IV van Loon in 1336 kinderloos overleed, ontstonden er moeilijkheden over de opvolging. Een serie conflicten, de Loonse Successieoorlogen (1336-1366), liepen uit op de inlijving van het Land van Loon bij het prinsbisdom Luik. Het graafschap werd zodoende opgenomen in de bestuurlijke organisatie van het prinsbisdom. De bisschop Jan van Arkel (1364-1378) nam de titel van graaf van Loon aan. Juridisch had dit tot gevolg dat de steden, zoals de gemeenten die reeds voordien onder Luik ressorteerden, thans het Luikse recht volgden, met beroep bij de schepenbank van Luik. Hamont vormde hierop een uitzondering. In deze stad ging men in de 14de eeuw in hoger beroep bij het tribunaal der elf banken van het Sint-Servaaskapittel in Maastricht. Na 1401, toen het land van Grevenbroek met Hamont Loons gebied werd, ging men ook daar in hoger beroep bij het Oppergerecht van Vliermaal. Vliermaal was de zetel van de oude gouwrechtbank, opgericht door de graven van Loon als beroepshof voor de verscheidene lokale schepenbanken. Het werd bijgestaan door de regionale banken van Bilzen, Borgloon, Montenaken en Rotem. De prins-bisschoppen behielden de instelling voor de gemeenten met Loons recht, doch vanaf 1469 werd ze naar Hasselt overgebracht, alhoewel de benaming Oppergerecht van Vliermaal bleef bestaan en het hof nog regelmatig in Vliermaal vergaderde.

De 14de eeuw werd gekenmerkt door de opkomende invloed van de ambachten. Nadat de Luikse ambachten de macht van de grote families aldaar hadden uitgeschakeld, kwamen zij in openlijk conflict met de prins-bisschoppen zelf. Deze strijd verzwakte sterk de positie van de machtige families in de Limburgse gebieden, hetgeen mee bijdroeg tot de uiteindelijke triomf van het gildewezen. Deze sterke positie maakte de aanhechting van het Land van Loon bij het prinsbisdom Luik voor de Loonse steden een aantrekkelijker alternatief dan de verouderde politiek van de graven van Loon, die weinig aandacht hadden getoond voor de stedelijke belangen.

Een typisch historisch fenomeen voor het bestudeerde gebied vormen de grensbetwistingen, die tussen de diverse naburige gemeenten optraden, veelal over het oneigenlijke gebruik van de talrijke "gemene" en "woeste" heidegronden, die aan de periferie waren gelegen. Noemen we één enkel voorbeeld, tevens met verstrekkend gevolg: in 1401 was er een grensgeschil tussen enerzijds Hamont, Achel en Sint-Huibrechts-Lille en anderzijds Over-en Neerpelt, waarop de prins-bisschop van Luik gelijktijdig de stad Hamont en de burcht van Grevenbroek innam en het land van Grevenbroek een Loons leen werd. Deze betwistingen bleven niet zelden voortbestaan tot in de 19de eeuw.

Op 7 augustus 1401 verwierf Hamont het Hasseltse poorterschap, de enige Kempische stad die deze toekenning in de wacht sleepte.

De Bourgondische oorlogen

De telkens hernieuwde strijd voor de democratische rechten tegen de prerogatieven van de Luikse prins-bisschoppen verkreeg in de 15de eeuw de dimensie van een nationaal conflict: de prins-bisschoppen (Jan van Beieren, 1389-1418; Jan van Heinsberg, 1419-1456; Lodewijk van Bourbon, 1456-1482) richtten zich meer en meer tot de Bourgondische hertogen voor ondersteuning, terwijl de ambachten een natuurlijke bondgenoot vonden in de Franse koning, tegenstander van Bourgondië. Een voorname rol in genoemd conflict werd gespeeld door Raes de Riviere, genaamd Raes van Heers, die leider werd van de opstand tegen de door Filips de Goede voorgedragen en gesteunde prins-bisschop Lodewijk van Bourbon. Als aanvoerder van de Loonse gemeenten van het prinsbisdom werd hij samen met de Luikse steden verslagen te Montenaken (1465), waarna Luik werd gedegradeerd tot een Bourgondisch protectoraat. Bij de dood van Filips de Goede kwamen de door een akkoord met Lodewijk XI gesteunde Luikse steden weerom in opstand. Raes van Heers stond aan het hoofd van een deel van de stedelijke milities, die het oprukkende Bourgondische leger in 1467 te Brustem aanvielen en aldaar verslagen werden. Karel de Stoute liet de steden ontmantelen en schafte alle privileges af. Nog eenmaal kwam Luik in opstand, waarop de stad werd ingenomen en met de grond gelijk gemaakt (1468). De dood van Karel de Stoute te Nancy maakte een einde aan de Bourgondische overheersing. Maria van Bourgondië schonk de steden hun privileges terug en herstelde de edelen in hun geconfisqueerde bezittingen.

Het einde van de 15de en het begin van de 16de eeuw werden beheerst door het conflict tussen de machtige familie van der Marck, gesteund door de Franse koning, en de prins-bisschoppen Lodewijk van Bourbon en Jan van Horn (1483-1505), met aan hun zijde keizer Maximiliaan van Oostenrijk. Deze strijd groeide uit tot een heuse burgeroorlog en had zijn weerslag op het hier bestudeerde gebied. Robrecht en Everhard van der Marck vestigden in februari 1490 hun hoofdkwartier in het kasteel van Vogelzang, waarna op 3 april van datzelfde jaar het grote gevecht tussen beide partijen losbrak in Zonhoven. Drieduizenddriehonderd strijders van de prins-bisschop, waaronder Jan II van Autel, heer van Vogelzang, behaalden een duidelijke overwinning. Na deze slag werd door de verslagen rebellen alom in de Kempen geplunderd.

De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en de Dertigjarige Oorlog (1618-1648)

Het episcopaat van Everhard van der Marck (1505-1538) hield voor het land een periode van herstel en bloei in, in de hand gewerkt door de neutraliteitspolitiek van de prins-bisschop. Hieraan maakten de godsdienstoorlogen een einde. Aanvankelijk leek het er op dat bisschop Everhard niet al te geneigd was tot een zeer scherpe repressie. Hij werd daarin ook tegengehouden door de Luikse Staten, die het voornemen hadden de Luikse privileges te beschermen en met name de straf van verbeurdverklaring van goederen gelimiteerd wilden zien toegepast. Deze tolerantie werd mee ingegeven door de handelsrelaties met de Verenigde Provinciën. Maar in de tweede helft van de jaren 1520 trad een zekere wending op: de vervolging werd scherper in het gehele bisdom Luik. Mogelijk houdt dit verband met het ontstaan van een tweede reformatorische beweging, die naar het schijnt in het bisdom Luik meer aanhangers telde dan het Lutheranisme, namelijk het Anabaptisme, dat zijn achterban vooral had in de lagere volksklassen. Meer dan het land van Luik komt het land van Loon onder invloed van deze nieuwe leren. Men trof met name relatief veel anabaptisten aan in Haspengouw en in de Kempen. Mogelijk werd het aldaar ingevoerd vanuit Maastricht. De vervolging van de protestanten nam toe onder de opvolgers van Everhard van der Marck. Zo trokken in 1543 de troepen van keizer Karel V door Overpelt om de protestanten van Sittard en Venlo te bevechten. Ondanks de aanvankelijke neutraliteit kreeg het land van Luik veel te verduren van doortrekkende troepen wanneer het openlijke conflict begon tussen Willem van Oranje en Spanje bij het begin van de Tachtigjarige Oorlog en de eerste overtocht van de Maas door Willem in 1568. Plunderingen door Hollandse en Spaanse troepen waren schering en inslag. Het Loonse platteland had verschrikkelijk te lijden en er werden gewelddaden gepleegd tegen geestelijken en kerken, wat elke sympathie bij de lokale bevolking deed wegsmelten. Ook bij de tweede inval van Oranje in 1572 kreeg het Loonse gebied het hard te verduren. In 1577 plunderden de protestanten Overpelt. In 1579 veroverde Alexander Farnese, hertog van Parma, Maastricht na een bijna halfjarig beleg. Leven en goed van de ingezetenen van het oude graafschap Loon waren niet in veiligheid, vooral niet dat van de bewoners van het platteland in de Kempen en Haspengouw. In de laatste decennia van de 16de eeuw trokken de in Brabant gelegerde, al dan niet muitende, Spaanse troepen herhaaldelijk op rooftocht in deze streken en lieten eveneens bij eventuele doortocht de bewoners en hun bezittingen in geen geval ongemoeid, alsof het vijandelijk gebied betrof. Verder brandden Hollandse ruiters Neer- en Overpelt plat in mei 1587. Datzelfde jaar plunderden dezelfde legerbenden Sint-Huibrechts-Lille. In 1599-1600 berokkenden herhaalde innamen en inkwartieringen door vreemde troepen in Hamont heel wat schade. De bevolking kreeg er enkele duizenden Spaanse soldeniers te voeden, een zware last voor deze toch al door voorafgaande onrust sterk getroffen ingezetenen. Als gevolg van de oorlog kenden handel, nijverheid en landbouw een terugval.

Daar de Luikse prins-bisschop het neutraliteitsbeginsel niet wou opofferen door de oprichting van een eigen leger, legden de reglementen van Gerard van Groesbeek (1564) en Ernst van Beieren (1587) de landelijke gemeenten de verplichting op zich op het militaire vlak te organiseren. Deze dienstplichtigen waren de "huyslieden", met een kapitein aan het hoofd, de landelijke pendant van de stedelijke milities. Zij lagen aan de basis van de diverse schuttersgilden.

Het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) bracht een korte periode van relatieve rust en herstel. Toch waren in het begin van 1619 heel wat Spaanse soldaten in Neerpelt gelegerd, waarbij doden vielen, het dorp werd verwoest en deels afgebrand. In 1621 werd de oorlog na het bestand hervat. In het Loonse land kwam weliswaar een voorlopig einde aan de bijna dagelijkse plunderingen, maar het gebied had, behalve van troepenlegeringen bij vlagen, nog steeds te lijden onder de eerder toegebrachte schade en rustig was het er allesbehalve. In 1629 raakte het Loonse land betrokken bij de in het Duitse Rijk uitgebroken Dertigjarige Oorlog, wanneer de legerafdelingen van de graaf van Tilly, de opperbevelhebber van de troepen van de Katholieke Liga, ter ondersteuning van de bisschop van Luik in onze streken doordrongen en Borgloon bezetten.

In 1632 werd een nieuw Staats offensief tegen de Zuidelijke Nederlanden ingezet, uitlopend in de inname van Maastricht. Ondertussen had Frankrijk zich verbonden met de Protestantse Unie tegen het Spaans-Oostenrijkse huis. Holland en Frankrijk sloten een verdrag om de Spaanse Nederlanden te veroveren. Spanje verklaarde de oorlog aan Frankrijk. In 1635 teisterden Franse en Spaanse troepen het land van Loon, waarbij de kerken en kloosters niet gespaard bleven.

Ondertussen hadden de Staten van Luik zich afgekeerd van de absolutistische prins-bisschoppen van het huis van Beieren. De Luikse volkspartij koos in 1635 de zijde van Frankrijk tegen prins-bisschop Ferdinand van Beieren (1612-1650). De bisschop riep in 1636 de hulp in van de keizerlijke generaal Jan van Weert. Zijn leger bestond uit vierduizend Polen, Kroaten en Beieren. De troepen plunderden gedurende vier maanden het land van Loon. Nauwelijks was Jan van Weert weg of een bende Walen kwam de burgers teisteren. De periode 1630-1640 is waarschijnlijk één van de rampzaligste uit de geschiedenis van het land van Loon. De plunderende en brandstichtende troepen brengen verschillende besmettelijke ziekten met zich mee, die in regelrechte epidemieën uitmondden. Als gevolg van de plunderingen en brandstichtingen van het leger van genoemde ruitergeneraal, brak her en der de pest uit.

De laatste jaren van de Tachtigjarige Oorlog vielen samen met de eindfase van de Dertigjarige Oorlog. Deze situatie trok keizerlijke, Zweedse en Franse troepen naar onze streken, vooral om er winterkwartieren te betrekken of om te bevoorraden en rooftochten uit te voeren, waarbij niet zelden de Maas werd overgestoken en het land van Loon werd getroffen. De troepen van de landgravin van Hessen, de bondgenote van de Franse koning Lodewijk XIII, alsook die van de hertog van Lotharingen, die, nadat zijn hertogdom door de Franse koning was ingelijfd, in dienst van de regering in Brussel was getreden, verwierven daarbij een beruchte naam. In de periode 1638-1640 teisterden Hessische troepen Overpelt, op 28 januari 1641 Sint-Huibrechts-Lille. In 1642 werd het Achelse gehucht Beverbeek door de Hessen platgebrand. Eveneens in 1642 richtten vreemde troepen schade aan in Hamont en stichtten er brand. In 1646 plunderden de Lorreinen Overpelt en brandschatten het. Deze troepen hielden in dit dorp lelijk huis tot in 1654. Lommel werd bij het verdrag van Munster (1648) aan de Verenigde Provinciën toegewezen. Ook na het verdrag van Munster en Westfalen (1648) bleven vreemde troepen in het land, daar de oorlog tussen Spanje en Frankrijk bleef voortduren. Vreemde legerbenden, vooral van Franse origine, bleven het gebied in ellende dompelen. Deze vaak muitende soldateska van allerlei slag kreeg de verzamelnaam "Lorreinen" toebedeeld, waartoe naast de troepen van Karel van Lotharingen ook algemeen de legerbenden van de prins van Condé worden gerekend. Franse en Lorreinse troepen, in mindere mate Spaanse, bleven het gebied met hun rooftochten treffen tot circa 1655, in het hier bestudeerde gebied onder meer in Neerpelt, Sint-Huibrechts-Lille en Overpelt. Op 12 april 1651 staken Lorreinse troepen de toren van de parochiekerk van Sint-Huibrechts-Lille in brand, waar vele inwoners een toevluchtsoord hadden gedacht te vinden. Eveneens in 1654 waren het weerom de "Lorreinen" die Neerpelt binnenvielen en inkwartierden in Hamont, waar ze brandstichtend rondtrokken en de stadsversterkingen totaal vernielden. Het Brabantse Lommel werd tenslotte als grensgebied herhaaldelijk platgebrand en had eveneens te lijden van militaire inkwartieringen en opeisingen.

Tweede helft van de 17de eeuw en de oorlogen van Lodewijk XIV (1672-1713)

Eerst in de tweede helft van de jaren 1650 werd de rust hersteld. De wederopbouw kwam op gang. Ook in de agrarische sector werd er gebouwd. In de stad Hamont begon men het brandgevaarlijke vakwerk door steenbouw te vervangen.

Aan het onderwijs werd niettegenstaande de oorlogssituatie in het bisdom Luik aandacht besteed en blijkbaar had het in de oorlogsjaren relatief weinig geleden. De vroegste vermelding van een schoolmeester in Hamont dateert uit de 16de eeuw. Uit burgemeestersrekeningen blijkt dat Achel al in 1670-1680 over een kleine school beschikte, in stijl- en regelwerk met strooien dak, gelegen in de zuidwestelijke hoek van het kerkhof. Er werd les gegeven door de onderpastoor of kapelaan. Catharinadal, het klooster van de franciscanessen in Achel, was gedurende meerdere eeuwen een onderwijscentrum voor meisjes uit "de betere kringen". Wanneer het onderricht aldaar begon, is niet geweten. De eerste school te Neerpelt, die dagtekent van na 1604, was een klein lokaal met strodak en stond op de plaats van de huidige Parochiekerk Sint-Niklaas. In Sint-Huibrechts-Lille was er al in 1645 sprake van een gemeenteschool. In Lommel tenslotte was tot aan de hervormingen der protestanten in de 16de eeuw het onderwijs in handen van de priesters der parochie.

De genoemde vrede was van korte duur. In 1667 eiste Lodewijk XIV een deel van de Zuidelijke Nederlanden op. De Verenigde Provinciën wensten Frankrijk niet als onmiddellijke buurman en wisten Engeland en Zweden tot hun bondgenoten te maken in de Triple Alliantie. De oorlog die het gevolg was van dit conflict duurde van 1672 tot 1678. Een deel van de legers van Lodewijk XIV trok vóór het invallen van de winter 1672-1673 terug naar het zuiden. Zij legerden zich gedeeltelijk in het prinsbisdom Luik en belastten er onder meer de Kempen en Haspengouw met aanzienlijke oorlogscontributies en opeisingen. De oorlog liep in deze wintermaanden voort, ook al bestond hij eigenlijk maar uit een va-et-vient van legerbenden, die de inwoners veel schade en overlast bezorgden. In 1673 werd Maastricht door de Fransen belegerd en veroverd. In 1675 vestigden zich Spaanse troepen en het Prinsenleger bij de Neerpeltse Herenterschans. In 1677-78 brachten herhaalde innamen en inkwartieringen door vreemde troepen heel wat schade toe in Hamont. In 1688 brak de Negenjarige Oorlog uit, waarin de coalitie van de Republiek, Spanje, Engeland, de Duitse keizer en een aantal Duitse vorsten tegen Frankrijk stond. Ook de prins-bisschop van Luik behoorde, anders dan in eerdere oorlogen, tot de tegen Frankrijk oorlogvoerende partij, nadat inspanningen om de Luikse neutraliteit te doen respecteren waren mislukt. Het land van Loon werd daardoor voor de Fransen ronduit vijandelijk gebied. Vooral Haspengouw had hieronder te lijden, maar ook de Kempen bleven niet gespaard. Inkwartieringen en militaire opeisingen waren er in Sint-Huibrechts-Lille en Lommel. De geallieerde troepen spaarden de bevolking evenmin. De Hollandse, Spaanse en Brandenburgse soldaten hielden plundertochten in Haspengouw en ook in de Kempen. In 1696 begonnen de vredesonderhandelingen, die in het volgende jaar tot de Vrede van Rijswijk (1697) leidden.

In de Spaanse Successieoorlog (1702-1713), waarbij de Duitse keizer, de koning van Pruisen, de Republiek en Engeland tegenover Lodewijk XIV en Spanje stonden, schaarde Luik zich aan Franse zijde. Alhoewel Maastricht de kern vormde van de oorlogshandelingen, had ook het land van Loon alweer te lijden van het krijgsgeweld. Begin 18de eeuw werd Overpelt door Hollandse troepen geteisterd. Lommel en Sint-Huibrechts-Lille hadden te lijden van inkwartieringen en opeisingen. In het najaar van 1702 bezetten de geallieerden Grevenbroek. Het land van Loon had sterk te lijden van doortochten van geallieerde troepen op weg naar het strijdtoneel in Brabant en Vlaanderen. Er ontstonden misoogsten en zelfs hongersnood, zodat men voor een deel van de bevolking graan in Holland moest kopen. Bijzonder belastend was een regiment Pruisische dragonders in onder meer Hamont. De Spaanse Successieoorlog werd afgesloten met de Vrede van Utrecht (1713), gevolgd door andere vredestraktaten. De Zuidelijke Nederlanden, voor zover Spaans bezit, gingen voor de Spaanse monarchie verloren en kwamen aan de Oostenrijkse tak van het Habsburgse Huis.

Door de voortdurende doortocht van troepen die plunderden, de oogst opeisten of verwoesten, het vee roofden en huizen en kerken in brand staken, door de aanhoudende inkwartieringen en rantsoeneringen, dit wil zeggen: het laten betalen van geldsommen voor zogenaamde bescherming of om het in beslag nemen van goederen te voorkomen, door de buitengewone belastingen, die geheven moesten worden van het uitgeplunderde land om de aftocht van de vreemde huurlingen te bekomen, door de daarmee samenhangende besmettelijke ziekten, stonden de meeste Loonse gemeenten bij het begin van de 18de eeuw aan de rand van het bankroet. Zware leningen die waren aangegaan om de schulden terug te betalen, hypothekeerden de financiële toestand van de plattelandsgemeenten voor jaren. De privatisering van de "gemene" "woeste" heidegronden nam een aanvang in deze tijden, aangezien vele dorpen verplicht waren ze te verkopen. De armoede resulteerde in een grote uitwijking, vooral naar de Noordelijke Nederlanden.

De 18de eeuw

Vanaf 1745 raakte het bestudeerde gebied betrokken bij de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-48), waarbij de Franse koning Lodewijk XV, samen met Spanje, de keurvorst van Beieren en de koning van Pruisen, strijd voerde tegen keizerin Maria-Theresia, met aan haar zijde Engeland en de Republiek. De Luikse prins-bisschop kon nogmaals de neutraliteit van zijn gebied niet handhaven. Hamont en Sint-Huibrechts-Lille werden tijdens dit conflict herhaaldelijk geteisterd door militaire inkwartieringen en leveringen. Na de Vrede van Aken (1748) en door de toenadering tussen Frankrijk en Oostenrijk kon stabiliteit ontstaan in de regio.

Dan was het de beurt aan de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) om het land van Loon te treffen. In dit conflict streden Frankrijk en Oostenrijk tegen Pruisen en Engeland. Meermaals trokken vreemde troepen door onder meer Sint-Huibrechts-Lille, met alle gevolgen van dien.

De Noorderkempen beleefde in de 18de eeuw moeilijke tijden. De bevolking verarmde en dit had mee tot gevolg dat sommigen niet meer konden leven van de opbrengsten van het boerenbedrijf alleen en deels wegtrokken om elders een bron van inkomsten te zoeken. Deze situatie kwam voor in de Limburgse Noorderkempen, met name vooral in Lommel, Hamont en omgeving, waar een deel van de mannelijke bevolking van voor- tot najaar te voet naar de naburige Brabantse streken, het Rijnland en zelfs de Elzas, Lotharingen en het noorden van Duitsland trok om er verschillende koopwaren aan de man te brengen, in een tijd waarin men op het platteland geen winkels aantrof. Men noemde ze Teuten. De etymologie van dit woord is onzeker. Een etymologische verklaring voor de naam werd onder meer gezocht in het feit dat zij onder andere in Duitsland, het land van de Teuten of de Teutonen handel dreven. Anderen menen dat het komt van het woord tuitelen, hetgeen ruilen of versjacheren betekent. Volgens de Kempische dialectologen en toponymisten kan het woord Teut wellicht worden afgeleid van twee werkwoorden: tijgen (gotisch: tuchan) wat trekken betekent. Teut wil in dit geval zeggen: hij die trekt. Een tweede verklaring is mogelijk een afleiding van het woord "tuiten" of "toeten", wat in dit geval op een hoorn blazen betekent. De Teuten gebruikten weliswaar geen hoorn, maar een soort schalmei om hun komst aan te kondigen. Naast etymologische verklaringen zou het woord aan de geheimtaal van de Teuten ontleend kunnen zijn. Ze verkochten huis aan huis. Al naargelang hun specialiteit onderscheidde men in de teutenhandel: "koperteuten" of "goorteuten", koperslagers en ketellappers, die niet alleen beschadigde potten en pannen herstelden, maar ook nieuwe koperwaar verkochten en die ongeveer de helft van de Teuten uitmaakten; "textielteuten" of "tafteuten", handelaars in beddengoed, Brabantse kant, zijde, hoofdkussens, vilten hoeden, blauwe kielen, kousen, Mechels laken, linnen en katoenen weefsels, gordijnen, garen, naalden..., die ongeveer één derde van de Teuten vormden; "gleisteuten", die aardewerk verkochten; "snyders", ook wel "dierenlubbers" genoemd, die zich specialiseerden in het castreren van paarden, varkens, stieren en schapen, soms ook handel dreven in deze dieren, zodat zij het beroep van veekoopman koppelden aan dat van veearts en waarvan sommigen, door het dagelijkse contact met de bevolking, zich toelegden op de verkoop van (klaver)zaden; "haarteuten", die er pas later bijkwamen, het haar van jonge boerendochters opkochten en het aan pruikenmakers in de steden verkochten. Door hun strikte onderlinge organisatie in kleine compagnies en door hun kredietstelsel onderscheidden ze zich van andere leurdersgroepen en marskramers. Eén a twee Teuten, meestal van hetzelfde dorp en vaak van aanverwante families, bundelden hun krachten om samen vanuit een bepaalde plaats hun beroep uit te oefenen. De voorwaarden werden onderhands of notarieel vastgelegd en de regels bepaalden ook de inbreng in de zaak, de verdeling van de winsten en de opname van nieuwe leden. Ieder teutengezelschap had zijn eigen gebied. Onderlinge concurrentie kwam nauwelijks voor.

Gaandeweg kochten de Teuten huizen in hun werkgebied, vaak met winkelfunctie, zodat zij tijdens het werkseizoen een permanente vestigingsplaats hadden. Toch vestigden slechts enkelen zich definitief in hun werkgebied. Hoewel het ontstaan van de teutenhandel een zeer complex fenomeen is en niet aan één enkele oorzaak kan verbonden worden, menen sommige onderzoekers toch een verband te mogen leggen tussen het vrachtvervoer en de start van de teutenactiviteiten. Na het afsluiten van de Schelde door de Spanjaarden in 1585 zou het vrachtvervoer in verval zijn geraakt, zodat sommige vrachtvoerders uit bittere noodzaak moesten overschakelen op het teutenbedrijf. Andere oorzaken waren het verlies aan inkomsten door de verzwakking van de lokale wolproductie en -handel, de oorlogsomstandigheden van eind 16de eeuw die een zeer slecht klimaat vormden voor het uitoefenen van ambacht en beroep, alsook de sterke bevolkingsaangroei. Mogelijk begonnen deze teutenactiviteiten al in 16de eeuw, maar de bloeiperiode van de handel is toch in de 18de en 19de eeuw te situeren. Deze "buitengaanders" verrijkten zich elders en richtten in de 19de eeuw in hun dorpen vaak de eerste burgerhuizen op. Ze waren ook door andere investeringen voor het bouwkundige erfgoed van belang. Vele teutenfamilies financierden immers de bouw van bedehuizen, kloosters en scholen. Ook de Napoleonsmolen in Hamont (Molenpaadje zonder nummer), werd opgetrokken dankzij de beleggingen van plaatselijke teutenfamilies. In het zuidelijker gelegen Peer waren er eveneens Teuten, doch hun aantal was er evenwel veel kleiner dan in de gemeenten Lommel, waar in verhouding tot het totale aantal inwoners het grootste aantal Teuten waren, Hamont, Achel, Neerpelt, Overpelt en Sint-Huibrechts-Lille. Het aantal Teuten verminderde door de moeilijkheden die de diverse naties in de 19de eeuw de handel aandeden, door de door naburige landen aan de Teuten opgelegde verplichting zich definitief in hun werkgebied te vestigen, door de opkomst van het winkelbedrijf en door de ontsluiting en urbanisatie van het agrarische platteland. De Eerste Wereldoorlog betekende door de afsluiting van de Nederlandse grens de economische doodsteek voor de laatste Teuten. Enkele bekende teutenfamilies waren: Ballings, Claes, Daniëls, Feyen, Joosten, Lenders, Rijcken, Driesen, Van Winkel, Theunissen en Spaas uit Hamont, Simons uit Achel, Hanegreefs en Van Vlerken uit Lommel, Truyens uit Neerpelt, Ceelen, Kerkhofs, Klok, Linders, Reyners, Van de Weijer en Dries uit Sint-Huibrechts-Lille.

Naast de onveiligheid veroorzaakt door zwervende zigeuners in de eerste helft van de 18de eeuw en rondtrekkend krijgsvolk hadden beide Limburgen sedert 1730 te lijden onder een tot dan toe ongekende misdadigheid van een grote groep van eigen inwoners. In de jaren 1720 vormde zich onder leiding van de in Hoensbroek wonende vilder Mathias Ponts een wijdverspreide roversbende. Dit georganiseerde banditisme wordt veelal aangeduid met de naam Bokkenrijders, een naam die voor het eerst in 1771 opduikt. Tussen 1730 en 1794 terroriseerden deze Bokkenrijders het gebied van Maas en Rijn. Ze roofden, plunderden en legden brandbrieven. Het betrof delicten tegen personen en hun bezit, terwijl ook kerken niet ontzien werden. Drijfveer was enerzijds de grote armoede, gevolg van de voortdurende oorlogen, de mislukking van de oogst door verscheidene opeenvolgende strenge winters en de jarenlang woedende veepest. Anderzijds is het fenomeen in verband te brengen met sociale ontevredenheid en verzet tegen de gevestigde orde. De lokale gerechtelijke autoriteiten stonden aanvankelijk bij gebrek aan politie en militaire machtsmiddelen zo goed als machteloos tegen deze Bokkenrijders. Vooral in de tweede helft van de 18de eeuw werd het steeds duidelijker dat het karakter van deze benden afweek van dat van de gewone rovers- en dievenbenden, die in de eerste helft van deze eeuw ook elders voor onveiligheid zorgden. Het ging om inheemse bevolking, veelal van een lager sociaal niveau, op een merkwaardige wijze omgeven door een occulte sfeer, waarbij de zogezegde relaties met de duivel in een soort van geheim genootschap in hoofdzaak stoelden op onder foltering afgedwongen bekentenissen. Wel staat vast dat de naam Bokkenrijders aan zulke merkwaardige verhalen ontleend is en dat de sfeer, die hij oproept, door de Bokkenrijders zelf werd gecultiveerd. Jan Matthijs Clercx junior (1759-1840), secretaris van Overpelt, secretaris en schepen van Pelt en scholtus van Bocholt, die op het Hobos in Overpelt woonde, speelde een belangrijke rol bij het uiteindelijke uitroeien van deze Bokkenrijders, waarvan hij 57 leden aan de galg bracht.

In de periode van 1747 tot 1776 had de Kempen veel te lijden van een wolvenplaag, zodat een beloning werd gegeven aan diegene die een wolf neervelde. Iemand die een wolf gevangen had, ging daarmee rond om hem in de dorpen te tonen en ontving dan van de gemeente een beloning. Van 1779 tot 1796 bracht een mollenplaag schade toe, onder meer in Hamont, zodat er een beloning van twee oord werd beloofd aan elkeen die een dode mol aanbracht. Daarbij voegden zich nog de besmettelijke ziekten onder de mensen en het vee.

Onder invloed van de heersende fysiocratische denkbeelden nam de regering van keizerin Maria Theresia (1717-80) talrijke initiatieven. De ontginningswetten van 1772 waren van uitermate groot belang voor de Kempen. Ze resulteerden niet alleen in de eerste omvangrijke bosaanplantingen alhier, maar ook in het ontstaan van enkele kleine landbouwnederzettingen. Noemen we hier enkel als voorbeeld het Lommelse Kerkhoven, een initiatief van enkele individuele kolonisten, waarbij de stimulerende rol van de overheid niet mag worden verwaarloosd.

De Franse periode

Het einde van het ancien regime kondigde zich aan met de Luikse revolutie (1789). Troepen van de keurvorst van de Palts trokken door de Kempen heen en weer in hun strijd tegen de Luikse patriotten, zonder dat het tot een belangrijk treffen kwam. Het platteland kreeg, zoals gewoonlijk, verwoestingen en plunderingen te verduren. In de jaren 1790 waren er alom in de Kempen opeisingen en inkwartieringen van zowel Franse, Hollandse en keizerlijke soldaten. Met de onderwerping van Luik in 1791 werd door keizer Leopold II een einde gemaakt aan de opstand. In april 1792 drongen de Fransen een eerste maal het Oostenrijkse gebied binnen. Deze eerste invasie mislukte, maar in november 1792 volgde een tweede inval, die resulteerde in een overwinning bij Jemappes, de bezetting van de Oostenrijkse Nederlanden en die van de stad Luik. Een Frans leger trok door de Kempen op naar Roermond, terwijl verscheidene plaatsen in het land van Loon werden bezet. De Oostenrijks-Pruisische troepen brachten de Fransen bij Neerwinden op 18 maart 1793 een complete nederlaag toe, die hen dwong de veroverde gebieden geheel te ontruimen. Daar de oorlog tegen de Franse republiek door de coalitiegenoten in 1793 en 1794 werd voortgezet, bleef het land van Loon doortochtgebied voor vreemde troepen. De derde Franse inval van 1794 slaagde wel. De overwinning bij Fleurus en de capitulatie van Maastricht op 4 november van dat jaar voltooiden de Franse verovering van de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik. Bij deze derde invasie overstroomden de Franse legerafdelingen het land van Loon, dat, anders dan bij de tweede inval, op grote schaal rekwisities en plunderingen te verduren kreeg. In 1794 en 1795 had Lommel veel te lijden door Franse militaire opeisingen en inkwartieringen.

In 1795 hield het prinsbisdom Luik op te bestaan en kreeg het gebied een volledig nieuwe bestuurlijke en administratieve indeling. De twee huidige provincies Limburg werden grosso modo verenigd in het Departement van de Nedermaas. Het werd voorlopig verdeeld in dertig kantons.

Het verzet tegen de Fransen, die kruisen, klokken en beelden wegnamen en kapellen verwoesten, van origine een verzet van plattelandsbewoners, vandaar de naam Boerenkrijg, begon in Vlaanderen en Brabant en sloeg einde oktober 1798 naar de Limburgse streken over en wel vooral naar het gebied van de Kempen en de aangrenzende gebieden van het Departement van de Roer. In februari 1798, met het oog zich meester te maken van de kas der belastingen, bezetten ruim tweehonderd boeren of- gelijk zij door de Fransen ook wel genoemd werden - brigands de Achelse Kluis. Na een Franse aanval trokken zij zich te Bergeyk terug. De dreiging bleef echter bestaan voor de Fransen, want belangrijke troepen soldaten bleven in Achel en omgeving. Op 11 januari 1799 werden Hamont en Lommel, waar onder meer heel wat smokkelaars, brigands en vaandelvluchtigen een toevlucht hadden gezocht, door de Fransen omsingeld. Door dit militaire optreden vielen diverse doden, werden velen gevangen genomen en werden wapens buitgemaakt. In de loop van 1799 werd aan het verzet der brigands een definitief einde gemaakt. Onder het bewind van Napoleon werden de jonge mannen geregeld opgeroepen om in de Franse keizerlijke legers te dienen, hetgeen resulteerde in talrijke deserteurs.

Bij het ruiltraktaat van Fontainebleau (12 november 1807) werd Lommel in ruil voor het deels aan de Noordelijke Nederlanden afgestane Luyksgestel bij de zuidelijke departementen gevoegd.

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830)

Na de nederlagen van Napoleon trokken de Fransen in januari 1814 terug uit het Departement van de Nedermaas. In Lommel waren er in de maanden mei en augustus tot oktober 1814 heel wat huisvestingskosten gemaakt voor Hollandse en Hannoveraanse troepen, evenals voor uit Rusland terugkerende Franse gevangenen. Op 24 januari 1815 (Souverein Besluit van koning Willem I) werd Lommel, met zijn oude grenzen van vóór het Verdrag van Fontainebleau, herenigd met de Verenigde Nederlanden en bij de provincie Noord-Brabant gevoegd. Later in 1815 werd de omvang van het grondgebied van de provincie Limburg vastgelegd als onderdeel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, met Maastricht als hoofdstad. Daarmee was de eenheid, die de Franse tijd had gebracht, zelfs versterkt. In plaats van "Maastricht" en "Opper-Gelderland" opteerde koning Willem I voor de naam Limburg, opdat de benaming van het gelijknamige middeleeuwse hertogdom aan de Vesder niet teloor zou gaan.

In de jaren 1816-17 mislukte de oogst, hetgeen resulteerde in de laatste grote hongersnood in onze streken. De graanprijzen stegen reuzenhoog. Hierdoor ontstond in het begin van de jaren 1820 een overproductie, waarna de prijzen instortten. In 1819 werd aan de landbouw in Achel grote schade aangebracht door alweer een mollenplaag.

Na het begin van de Belgische Omwenteling in 1830 vielen de Nederlanders op 2 augustus 1831 België binnen. Het doel van deze actie was de Belgen en hun pas ingehuldigde koning Leopold I te dwingen zich onder afzwering van het Traktaat der XVIII Artikelen van 26 juni 1831 neer te leggen bij de door Willem I aanvaarde Londense protocollen van januari 1831. Tijdens de Tiendaagse Veldtocht waren er in de Limburgse Kempen, onder meer in Achel en Lommel, heel wat bewegingen van soldaten, talrijke inkwartieringen, zware opeisingen, plunderingen en vernielingen. In 1831 werd België de facto van Nederland gescheiden.

Scheiding van de beide Limburgen en recente ontwikkelingen

Aanvankelijk bestond er geen overeenstemming over het lot van de provincie Limburg, die tot 1839 (Traktaat van Londen) bij België bleef, om dan, ondanks tegenkanting vanuit diverse hoek, gesplitst te worden, waarbij het noordelijke deel naar Nederland overging. Hasselt werd de nieuwe hoofdstad van de Belgische provincie. Lommel maakt sedert 1839 definitief deel uit van Belgisch Limburg. Het zou nochtans duren tot 8 augustus 1843 vooraleer de begrenzing van het Belgische Lommel en Nederland definitief werd vastgelegd.

De tweede helft van de 19de eeuw karakteriseert zich door een drastische evolutie in de landbouw, waarover verder meer in de paragraaf over de hoevebouw, en door de ontsluiting van het hier bestudeerde gebied ten gevolge van de aanleg van kanalen, spoorwegen, buurtspoorwegen, de uitbreiding van het wegennet en de uitbouw van industriële vestigingen en mijnontginningen, waarover zal worden uitgeweid in de paragraaf over het. industriële erfgoed.

Zoals in geheel Limburg, nam op het einde van de 19de eeuw de bevolking sterk toe. Oorzaken waren de aanzienlijke stijging van de geboortecijfers, een uitgesproken daling van de sterftecijfers en een afnemende emigratie. Zo nam in Lommel, Overpelt en Neerpelt de bevolking tussen 1890 en 1900 respectievelijk toe met 36,3 ; 55,8 en 43,6 procent. Deze demografische situatie was uiteraard verbonden met de sociale en economische ontwikkeling in de streek en de toenemende welvaart. Vooral vanaf 1900 zette zich de doorbraak verder van een industrialisatie die al in het midden van de 19de eeuw een aanvang had genomen en waardoor de Limburgse Kempen haar agrarisch karakter zou verliezen. Van groot belang hierbij waren de ontginning van de heidevlakten, bebossings- en bevloeiingswerken door de wateringen, de aanleg van spoor- en waterwegen en de vestiging van non-ferro en chemische industrieën in Overpelt, Lommel en Balen. Dit bracht een groei van de arbeidersbevolking teweeg, die in grote mate te wijten was aan immigratie, terwijl het kleinschalige landbouwbedrijf behouden bleef. In het kader van de behoeften van landbouw en nijverheid ontstond een maatschappelijke groep van middenstanders en een plaatselijke, gegoede burgerij van notabelen, ambtenaren en leidinggevenden.

Als historisch belangrijke feiten voor de 20ste eeuw vermelden we enkel beide Wereldoorlogen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd door de Duitsers een draadversperring onder elektrische hoogspanning aangebracht, waarmee ze de Belgisch-Nederlandse grens controleerden en waarbij vele mensen het leven lieten. Vooral echter de vijandelijkheden onder de Tweede Wereldoorlog resulteerden in verwoestingen van het bouwkundige patrimonium in het bestudeerde gebied. Onder meer Neerpelt en Sint-Huibrechts-Lille hadden hieronder te lijden. Getuigen van deze internationale conflicten zijn de Duitse en Poolse militaire begraafplaatsen in Lommel.

ARCHITECTUUR

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

De kerkelijke organisatie liep gelijke tred met de kolonisatie. Zo ontstond in 313 het bisdom Tongeren, met als eerste bisschop de Heilige Servatius. De bisschopszetel werd mogelijk reeds in de 4de eeuw naar Maastricht overgebracht. In de 8ste eeuw kreeg het bisdom geleidelijk aan vorm, vooral door toedoen van de Heilige Hubertus, die in 718 de zetel van Maastricht naar Luik overbracht. Deze vroege christianisatie ging na de Frankische invallen volledig teloor, op een kleine kern in Tongeren en Maastricht na. De in de 7de eeuw gestichte abdijen van Wintershoven, Sint-Truiden en Munsterbilzen stonden in voor de herkerstening van Limburg.

Onder Karel de Grote situeert zich de kerkelijke organisatie in parochies, waarvan de oudste tussen 800 en 1000 werden gesticht. Dat in de Kempen de parochies zeer geleidelijk werden gevormd, is te verklaren door het dorre, verlaten karakter van de streek. Dit in tegenstelling tot vooral Haspengouw en het Maasdal, vruchtbaarder gebieden die veel vroeger bevolkt raakten. Onder de grote Kempische grondbezittingen die oorspronkelijk dezelfde parochie uitmaakten, is het grote domein te rangschikken dat Pippijn van Herstal vóór 714 aan de abdij van Sint-Truiden afstond, gelegen was rondom Eksel (Ochinsald) als centrum en dat Neerpelt omvatte, Eksel, Brogel, Wijchmaal, Peer, Helchteren en aanvankelijk zelfs Overpelt, Hechtel en Houthalen. De meeste stichtingen kwamen vanuit een religieuze instelling tot stand, zoals het Sint-Servaaskapittel van Maastricht en de abdij van Sint-Truiden. De talrijke kerken die laatstgenoemde abdij bezat langs de Dommel getuigen van haar aandeel in de kerstening van de streek van Helchteren tot Eindhoven. Verschillende grondbezitters schonken goederen en domeinen aan de rondtrekkende missionarissen, die er kapellen oprichtten. Zo ontving de Heilige Willibrordus giften van Ansbald en diens zuster Bertilindis, onder andere Levetlaus, dat misschien wel slaat op het Lindel in Overpelt. Enkele kerken waren eigenkerken, stichtingen van de plaatselijke heer, zoals bij voorbeeld de Sint-Laurentiusparochie van Hamont, die in 1304 door de eerste heer van Grevenbroek, Willem van Boxtel werd opgericht. In een later stadium gingen deze eveneens over naar geestelijke instellingen. Bij de oprichting van de diaconaten in de 10de eeuw, werd het bestudeerde gebied ingedeeld bij het aartsdiaconaat Kempenland. Omstreeks dezelfde tijd ontstonden de decanaten, die in het bisdom Luik concilia werden genoemd. De parochies van het in onderhavig boek bestudeerde gebied ressorteerden onder het decanaat of concilie van Beringen en vóór 1559 onder dat van Woensel (Noord-Brabant). Alleen Lommel maakte deel uit van het landdekenaat Hilvarenbeek, na 1559 van het aartsbisdom Mechelen.

De relatief late stichting van de meeste parochies blijkt uit het quasi gebrek aan sporen van de oudste bedehuizen van hout of vakwerk, alsook uit het eerder spaarzaam voorkomen van Romaanse resten die in de diverse kerken van hefkanton Neerpelt bewaard bleven. De Sint-Willibrorduskapel of Kapel van het Herent te Neerpek kan in kern teruggaan tot de 8ste eeuw, maar dagtekent in zijn huidig uitzicht grotendeels1 uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Typisch is het gebruik van houw- en veldstenen als bouwmateriaal. In het gehele kanton Neerpelt zijn geen voorbeelden van romaanse architectuur aan te treffen.

De oudste kerken van het studiegebied worden bestempeld als Kempische baksteengotiek, een nevengroep van de Brabantse gotiek. In de Kempen waar van nature geen zandsteen aanwezig is, is de ter plaatse vervaardigde baksteen, zowel in constructieve als in decoratieve toepassingen, het meest gebruikte bouwmateriaal. Mergel- en ijzerzandsteen werd slechts sporadisch aangewend bij de torens, en dit onder de vorm van speklagen, maaswerk, spitsboogfriezen, waterlijsten en afzaten. Zeer karakteristiek zijn de stoere voorstaande westertorens - op de hoeken verzwaard met overhoekse of op elkaar gestelde en naar boven toe verjongende steunberen, de gesloten gevelvlakken sober versierd met spitsboognissen, blinde arcades en dito maaswerk -, die in onveilige tijden een schuilplaats boden aan de kwetsbare plattelandsbevolking. Steunberen en geprofileerde bakstenen vensteromlijstingen vormen de enige opsmuk van zij-, transept- en koorgevels. Plattegrond, opstand en inrichting vertonen eenzelfde eenvoud: een driebeukig schip met vlak afgesloten transept en driezijdige koorsluiting, een basilicale opstand, zuilen met octogonale sokkel en analoge imposten en relatief kleine muuropeningen.

De gotische gebouwen bleven eerder fragmentarisch bewaard en werden grotendeels doorgaans neogotisch herbouwd: de kerk Sint-Monulphus en Gondulphus van Achel behield haar weliswaar later verlengd middenschip, transept en koorpartij uit circa 1450-60, terwijl toren, zijbeuken en sacristie in 1905-11 werden heropgetrokken naar ontwerp van de architecten H. Martens (Stevoort) en V. Lenertz (Leuven); de decanale Sint-Pietersbandenkerk van Lommel behield haar toren van circa 1500, terwijl de rest van het bedehuis werd heropgetrokken in 1900-02 naar ontwerp van genoemd duo; de Sint-Niklaaskerk van Neerpelt werd eveneens met behoud van de laatgotische toren uit de 16de eeuw heropgetrokken in 1900 door weerom genoemd duo; hetzelfde gebeurde in 1910-12 met de parochiekerk Sint-Monulphus en Gondulphus te Sint-Huibrechts-Lille (naar ontwerp van M. Christiaens uit Tongeren), waarbij alweer de laatgotische toren gespaard bleef.

Noch in de 16de, noch in de 17de eeuw was er een belangrijke bouwactiviteit in het hier bestudeerde gebied. Het aanhoudende doortrekken van plunderende troepen, hetgeen resulteerde in opeisingen, inkwartieringen en epidemieën, stortte de plaatselijke bevolking in grote armoede. Daarbij komt dat talrijke bedehuizen door dit krijgsvolk werden beroofd en beschadigd. Het doorbladeren van de kerkvisitaties in deze eeuwen schetst het beeld van gebrekkig onderhouden, in verval geraakte bedehuizen, waarbij constant tot herstel wordt aangespoord. Uitzonderingen hierop vormen de hogerop aangehaalde laatgotische torens en dito componenten van bedehuizen, die evenwel veelal bij het begin van de 16de eeuw werden opgetrokken, vooraleer de godsdienstoorlogen dus een aanvang hadden genomen.

Ook in de eerste helft van de 18de eeuw was het allesbehalve rustig in het hier bestudeerde gebied. Enkel de kapel van de Achelse Kluis (1734-36) vormt in deze tijdspanne de uitzondering op de regel. Zij sluit met haar pilasters eerder aan bij de stijl van de burgerlijke architectuur van dat ogenblik dan bij de barok. In tegenstelling tot andere Limburgse gebieden is in de Kempen op het einde van de 18de eeuw geen heropleving van de kerkenbouw te constateren, waardoor classicistische voorbeelden ontbreken. De reden hiervoor dient waarschijnlijk gezocht in de stagnerende bevolkingscijfers, waardoor de noodzaak tot vergroting of nieuwbouw zich niet opdrong.

Na de gotische periode is de 19de eeuw, en dan vooral het einde ervan, dan wel de tijd van de grote kerkenbouw. Ondanks de herstellingen en gedeeltelijke herbouwingen van de 18de eeuw, verkeerden de meeste bedehuizen in de 19de eeuw in zeer slechte staat. In de meeste gevallen werd in plaats van voor restauratie, voor de bouw van een compleet nieuwe kerk geopteerd.

De eerste helft van deze eeuw wordt stilistisch gekarakteriseerd door het neoclassicisme, waarvan in het hier bestudeerde gebied geen enkel voorbeeld voorkomt.

De doorbraak van de neogotiek situeert zich in Noord-Limburg pas in de laatste decennia van de 19de eeuw. Gezien het manifeste gevaar voor ontkerstening van de Noorderkempen bij de overgang van een landelijke naar een industriële samenleving, zette de katholieke kerk een actieve missionering op in de nieuw ontstane nijverheidscentra. Tussen 1900 en de Eerste Wereldoorlog werden in Noord-Limburg, naast een aantal kloosterkerken of -kapellen, diverse monumentale parochiekerken gebouwd. Het betrof doorgaans neogotische nieuwbouw of dito uitbreiding van bestaande kerken. De reeds genoemde teutenfamilies hebben een cruciale rol gespeeld in de financiering van deze nieuwe bouwactiviteiten. Ook de subsidiëringspolitiek van de overheid was van wezenlijk belang. Noord-Limburg, en met name Peer, was immers de draaischijf van de politieke activiteiten van Joris Helleputte (1852-1925), die onder meer in het vanaf 1890 uitgegeven weekblad De Kempen zijn ideeën verspreidde over een corporatistische samenlevingsopbouw. Helleputte volgde de bouw van de diverse kerken op de voet. Hij bekeek deze bouwdossiers vanuit een dubbele invalshoek: enerzijds als mandataris en later minister, anderzijds als architect, lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en pleitbezorger van de neogotische bouwkunst. Hieruit vloeide voort dat hij in 1899 architect V. Lenertz op het voorplan zette en met de hulp van de Koninklijke Commissie voor Monumenten aan de plaatselijke bouwmeester H. Marlens toevoegde in verscheidene bouwprojecten. Eens deze samenwerking een feit, werden de dossiers gemakkelijker vergund en betoelaagd. De Limburgse bouwpastoors hadden echter voor de oudheidkundige scrupules waarmee de baanbrekers van de gotische heropleving bezield waren eind 19de eeuw geen budget en waarschijnlijk ook weinig geduld. Nuttigheids- en zuinigheidsoverwegingen wogen zwaarder door dan esthetische. Van de kant van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en haar Limburgse afdeling klonk rondom 1900 zelfs manifeste bezorgdheid over de haast waarmee kerkontwerpen werden uitgetekend. Volgens de monumentenzorgers werd te weinig rekening gehouden met de eisen van een "authentieke" stijl. In 1907 beklaagde de Koninklijke Commissie voor Monumenten zich erover dat voor dorpskerken haast voortdurend een sjabloonachtig typeontwerp werd gepresenteerd.

Omdat zijn invloed zich tot ver buiten Limburg uitstrekte, kan het centrum van architectuur en religieuze kunst, dat Pierre Cuypers (1827-1921) rond 1850 in zijn geboortestad Roermond creëerde, van meer algemene betekenis geacht worden. Hij geldt terecht als één van de belangrijkste figuren der neogotiek in Nederland en bouwde in Belgisch Limburg zowel de neogotische kerk van de Achelse Kluis (1885-86), als de kapel van het ursulinenklooster in Hamont (1913-14 en 1919-20), nadat architect J.A. Jorna, eveneens uit Roermond, al in 1901-04 het hele kloostercomplex had heropgericht in een eclectische stijl met overwegend neogotische inslag, dat later meermaals werd uitgebreid en waarvan enkele restanten bewaard bleven. Deze Cuypers-architectuur wordt getypeerd door een streven naar gespierde effecten, die onder meer leesbaar zijn in de bonkige geometrische vormentaal en de felle kleurcontrasten, ook al werd het bouwmateriaal in de 19de eeuw niet meer ambachtelijk maar machinaal verwerkt. Cuypers en andere buitenlandse architecten zouden op het vlak van de typische polychrome gevelarchitectuur naam maken in België en voor navolging zorgen. Verdere neogotische voorbeelden zijn de sobere Sint-Jan-Baptistkerk van Lommel-Kerkhoven (1852-55, naar ontwerp van de "academisch" geschoolde Lambert en Herrnan Jaminé, in 1890-92 vergroot naar ontwerp van H. Martens uit Stevoort), de eveneens polychrome decanale Sint-Laurentiuskerk van Hamont (1903-04, J. Cuypers uit Roermond en J. Stuyt uit Amsterdam), en de Sint-Barbarakerk te Lommel-Werkplaatsen (1911-12, H. Martens uit Stevoort en V. Lenertz uit Leuven), het laatste voorbeeld als getuige van een constructieve en functionele rationaliteit die eigen was aan de Sint-Lucas-architecten. Brabantse en andere invloeden speelden bij deze neogotiek een rol en komen tot uiting in een diverse aanpak van opstand, overkluizing en doorgaans spaarzame decoratie.

De neoromaanse stijl komt in het bestudeerde gebied veel minder voor. In het kanton Neerpelt gelden als enige voorbeelden de Sint-Jozefskerk van Overpelt-Fabriek (1905-06), en de Sint-Martinuskerk van Overpelt (1911-12, H. Martens uit Stevoort en V. Lenertz uit Leuven).

Een eclectisch bedehuis, met weliswaar sterke neoromaanse inslag, werd opgetrokken te Lommel-Kolonie (1927-32, met behoud van de oude toren uit 1849-52). Vermelden we tenslotte dat naast Nederlandse architecten heel wat aannemers met dezelfde herkomst in het bestudeerde gebied werkzaam waren.

Daar het bevolkingscijfer in de Limburgse Kempen in de 20ste eeuw gestaag toenam, ontstond de noodzaak in de nieuwe bewoningskernen parochies op te richten, waar nieuwe bedehuizen tot stand kwamen, die ofwel traditionele elementen als spitsbogen en baksteenmateriaal omzetten in een vernieuwde context ofwel in mindere of meerdere mate modernistisch van opvatting zijn. Voorbeelden van de eerste soort zijn: de kerk Onze-Lieve-Vrouw van Banneux Maagd der Armen te Neerpelt-Grote Heide (1937-38, K. Gessier uit Maaseik, met toren van 1962), de kerk Sint-Antonius van Padua te Lommel-Barrier (1938, A. Van Bakel uit Lommel), de kerk van het H. Sacrament te Lommel-Kattenbos (1938-39, Huybrechts uit Brussel), de Sint-Jozefskapel te Lommel-Stevensvennen (1938, met latere toren), de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes te Lommel-Heuvel-Heide (1953 of 1955, met latere toren), en de kerk Onze-Lieve-Vrouw Maagd der Armen te Lutlommel (1954-55, F. Theuwissen uit Lommel). Modernistische kerken verrezen in het Neerpeltse gehucht Herent (1962, E. Franfois en A. Nivelle uit Hasselt), in Achel-Statie (1962-63, G. Daniëls uit Maaseik), in Hamont-Lo (1963-64, J. Simons uit Beringen en E. Baert uit Hasselt), in Overpelt-Holven (1967, P. Stevens uit Hasselt), in Overpelt-Lindel (1968-69, A. Nivelle uit Hasselt), in Neerpelt-Boseind (1968-70, H. Daniëls uit Maaseik), en in Lommel-Hezerbergen (1980-81, L. Bernaerts uit Overpelt en F. Theuwissen uit Lommel).

Het bestudeerde kanton is een aantal belangrijke kapellen rijk, waarvan er één deel uitmaakte van een kluis, met name de al genoemde Sint-Willibrorduskapel van het Herent (Neerpelt). Andere relatief grote kapellen zijn de al aangehaalde kapel van de Achelse Kluis (1734-36), thans de broederskerk van de trappistenabdij aldaar, de neogotische kapel van het Sint-Hubertuscollege te Neerpelt (1910, H. Martens uit Stevoort en V. Lenertz uit Leuven), en de analoge kapel van de zwartzusters (1929-30) in Hamont.

De overige gebouwen zijn kleine, stilistisch gezien veelal neogotische bedehuizen of kapellen waarvan traditionele elementen als de spitsboog in een nieuwe context opduiken. Ze dateren voor het merendeel uit de tweede helft van de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw. Noemen we de Onze-Lieve-Vrouwekapel te Lommel-Kerkhoven (eerste helft 19de eeuw), de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw in de Nood te Achel, in kern teruggaand tot 1838, de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand in Lommel-Heide (1874, met verbouwing en vergroting van 1916), de kapellen van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes te Lommel-Adelberg (eind 19de - begin 20ste eeuw) en in de Zeldertstraat in Overpelt (circa 1877), de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekte Ontvangenis op de Fierkensheikant te Sint-Huibrechts-Lille (1899, heropbouw in 1936), de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten in het gehucht Lindel te Overpelt (1906), de in 1920 opgetrokken Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Rust op het Boseind te Neerpelt, de in 1926 ingezegende Kapel Onze-Lieve-Vrouw Middelares van J. Ritzen (Antwerpen), deel uitmakend van de Achelse Kluis, de Heilige Theresiakapel van de Mulk in Hamont (1928), het in 1929 gebouwde Polskapelletje op de Grote Heide in Neerpelt, de Sint-Antoniuskapel in dezelfde gemeente (1933) en de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Vrede te Achel (1946).

De "oudere" Sint-Janskapel in de Zeldertstraat in Overpelt (17de - eerste helft 18de eeuw) werd echter in 1985-86 heropgebouwd. Van de qua bouwmateriaal merkwaardige grenskapel, zogenaamd "oratorie van Verckens-weerth" of "Weerderhuys" in Achel, in 1656 opgetrokken in vakwerk, bleven enkel de in 1955 gedeeltelijk opgemetselde bakstenen fundamenten bewaard.

Een vermeldenswaard verschijnsel zijn de kluizen geweest, waarvan in het hier bestudeerde gebied, naast het hogerop vermelde, thans verdwenen exemplaar in de nabijheid van de Sint-Willibrorduskapel van het Herent (Neerpelt), als enig, dan nog uiterst fragmentair bewaard voorbeeld kan genoemd worden: de al genoemde Achelse Kluis, thans trappistenabdij. De eremietengebouwen uit eind 17de - begin 18de eeuw verdwenen echter in de loop der tijd. Enkel de kapel en wat beeldhouwwerk bleef bewaard. De latere abdijgebouwen uit de tweede helft van de 19de en het begin van de 20ste eeuw zijn neoclassicistisch tot eclectisch met neogotische en neo-Vlaamse-renaissance-inslag of traditioneel van opvatting. De kloostergebouwen van J. Ritzen (Antwerpen) dateren van 1946-49 en combineren traditionele met moderne elementen.

Van het enige belangrijke klooster in het kanton Neerpelt, het voormalige franciscanessenklooster Catharinadal in Achel, bleven slechts beperkte restanten bewaard. Het gaat om het zogenaamde "Spinhuis", waarvan de gewelfde kelder zou teruggaan tot de 15de eeuw, en de huidige kaasmakerij met winkel (1895 met oudere kern), een relict van de bijbehorende hoeve van het complex.

De overige kloosters dateren alle uit eind 19de - begin 20ste eeuw en vertonen veelal neogotische of eclectische stijlkenmerken. Noemen we het vroegere klooster van de zusters Jozefienen te Sint-Huibrechts-Lille (1895, met latere uitbreidingen), het voormalige kloos ter, annex schoolgebouwen, van de zusters Jozefienen in Lommel (1905, met latere uitbreidingen) en het voormalige klooster, annex meisjesschool, van dezelfde zusters te Achel (1911-12, H. Martens uit Stevoort, later eveneens uitgebreid).

In dit geheel neemt het eveneens later uitgebreide, imposante Overpeltse ursulinenklooster - annex scholen - (1901-02, H. Martens uit Stevoort; in 1912 aangepaste kapel van 1909-10, E.H. J. Broux) een uitzonderlijke plaats in. De kloosterkapel is één van de eerste Belgische realisaties waarbij van het moderne gewapende beton gebruik werd gemaakt.

Een voor het Maasland typisch fenomeen vormen de kalkstenen grafkruisen, waarvan talrijke exemplaren op de kerkhoven van het bestudeerde gebied behouden bleven, namelijk in Hamont, Achel, Sint-Huibrechts-Lille en Overpelt. Hun aantal was bij de aanvang nog omvangrijker, maar de onachtzaamheid van de bevoegde instanties resulteerde in de teloorgang van een aanzienlijk deel van het bestand.

Zij duiken op in het gebied ten oosten van de lijn Givet-Namen-Tienen-Hasselt-Eindhoven-Nijmegen, terwijl de oostelijke grens minder duidelijk af te bakenen valt. De oudste voorbeelden dateren uit het begin van de 16de eeuw, doch komen in het hier behandelde gebied niet voor. Qua typologie zijn de kleinste grafkruisen het oudst. De jongste exemplaren reiken tot de eerste helft van de 19de eeuw. Het merendeel is echter in de 17de eeuw situeerbaar. Zij bevatten belangwekkende gegevens in verband met de lokale geschiedenis en werpen soms zelfs een licht op gebeurtenissen uit de Europese geschiedenis, zoals de grafkruisen voor mogelijke slachtoffers van epidemieën ten gevolge van oorlogen in de 17de en 18de eeuw.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Algemeen kan men stellen dat de specifieke architecturale rijkdom van het bestudeerde gebied gelegen is in de hoevebouw en de doorgaans in de centra opgetrokken burgerhuizen, van notabelen, handelaars en ambachtslui. Grote steden komen in de regio evenwel niet voor. Enkel Hamont is een historische stad, die echter steeds kleinschalig is gebleven met een grotendeels tot vandaag de dag sterk agrarische periferie. Lommel, dat sinds de industriële ontwikkeling van eind 19de eeuw, tot een dienstencentrum is uitgegroeid, heeft pas recent, namelijk in 1991, de stedelijke titel gekregen.

De arme zandbodem maakte dat de Limburgse Kempen nooit uitgroeide tot een landbouwgebied bij uitstek zoals Droog-Haspengouw. Tot in de 16de eeuw waren wol en vlasvezels de grondstoffen van de laken- en linnenproductie, die bestemd was voor de uitvoer, maar de crisis in deze eeuw, onder meer wegens de betere Engelse wol en door de oorlogsomstandigheden, herleidde deze Kempische bedrijvigheid tot huisnijverheid. De schapenen bijenteelt, waartoe de uitgestrekte gemeenschappelijke heidegronden zich goed leenden, behoren eveneens tot de oudste bedrijvigheden in de Kempen. Wel kan in verband met het Kempische fenomeen van de keuterboerkes meteen genuanceerd worden dat de landbouwer in deze contreien doorgaans eigenaar was van zijn klein bedrijf, terwijl in het zogezegde rijke Haspengouw het meestal om pachthoeven ging. Een uitzondering voor het hier bestudeerde gebied vormen de hoeven die door de abdijen van Averbode en Postel in Lommel en door de abdij van Floreffe in Overpelt werden opgetrokken, aanvankelijk door religieuzen werden uitgebaat maar al vlug werden verpacht.

Over de algemene kenmerken van de architectuur in het voormalige prinsbisdom Luik werd in de vorige inventarissen van de provincie Limburg meermaals uitvoerig uitgeweid.

Voor de specifieke eigenschappen van de vakwerkbouw verwijzen we graag naar het boekdeel over het kanton Borgloon. De gehele Kempische regio kenmerkt zich door de bouwwijze in vakwerk, die ook elders in Limburg veelvuldig voorkomt, vooral in Vochtig-Haspengouw en de Voerstreek. Het betreft een heuse traditie, die zelfs tot in het begin van de 20ste eeuw bleef voortduren. In essentie is het een houtskelet, bestaande uit een paar achter elkaar geplaatste gebinten: een steeds wisselend samenstel van verticale stijlen en horizontale balken, verstijfd door middel van schuingeplaatste schoren. De gebinten worden met elkaar verbonden door balken, die er overheen gelegd worden, de gebintplaten. Het houtskelet vormt de dragende constructie voor het dak, gevormd rondom een reeks kapgebinten, in het bestudeerde gebied uitsluitend van het ankerbalkstandjuktype. Het wordt aanvankelijk in of op de grond geplaatst, later op een stenen fundering als bescherming tegen opstijgend vocht. Het houtskelet wordt verder aangevuld met wandregels, die dienen om het met leem bestreken vlechtwerk waaruit de wanden bestaan te dragen. De vakwerkbouw in Limburg, behalve in Voeren, behoort zonder uitzondering tot het type met ankerbalkgebint. Bij deze bouwwijze wordt de horizontale balk aan beide einden met een pen door de stijlen gestoken en daarachter met een wig verankerd. In Limburg wordt een wandvullingsmethode gebruikt, waarbij de stokken, waarrond de vitsroeden gevlochten worden, in de regels bevestigd worden door middel van gaten en een gleuf, terwijl de regels zelf in het wandvlak liggen en op die manier zichtbaar blijven. Deze wanden hebben geen enkele dragende functie in de constructie. De oudste voorbeelden zijn voorzien van overkragingen.

In de steden begon het versteningsproces en de bedaking met pannen vroeger dan in de landelijke gebieden, waar de steenbouw pas vanaf het einde van de 19de eeuw systematisch werd doorgevoerd. In de stedelijke kernen stonden de huizen dicht bij elkaar, wat uiteraard het brandgevaar verhoogde. Vooral na de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) werd het vakwerk door stenen gebouwen vervangen. Eerst op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw werden de lemen wanden van de hoeven meer en meer verdrongen door bakstenen muren, waarschijnlijk eveneens omwille van het brandgevaar. Zo besloot het gemeentebestuur van Lommel op 4 juni 1894 dat vóór l juni 1904 de strooien of rieten daken van alle huizen, schuren en stallen in de bebouwde kom moesten worden vervangen door een pannendak.

In het bestudeerde gebied bleef de vakwerkbouw, die in de meeste deelgemeenten voorkomt, uitsluitend in de hoevebouw bewaard, weliswaar doorgaans fragmentarisch en veelal toegepast in de dienstgebouwen. Enkel een bijbehorende component van de Wedelse Molen in Overpelt (Breugelweg nummer 250) vormt hierop een uitzondering. Vrijwel al deze gebouwen zijn relatief recent. Het oudste gaat, althans na grondige "restauraties", terug tot het einde van de 16de eeuw (de zogenaamde "Grote Hoef", Hoeverdijk nummer 11/Ringlaan in Lommel), de meest recente dateren van het begin van de vorige eeuw. Dit stijl- en regelwerk met lemen en/of bakstenen vullingen is in de Limburgse Kempen duidelijk minder behouden gebleven dan in Vochtig-Haspengouw. Waarschijnlijk is in het hier bestudeerde gebied al heel wat van het oorspronkelijke bestand in de loop der tijden verloren gegaan, terwijl andere getuigen in Bokrijk verzeild geraakten.

Wat betreft de stads- en dorpswoningen, de pastorieën en de woonhuizen van hoeven, komt in het behandelde kanton slechts één gaaf bewaard voorbeeld voor van de Maasstijl,de doorsnee-architectuur van de woningbouw in de periode 1600-1750, die in haar details kan aansluiten bij de renaissancestijl, de barok of de Lodewijk XIV-stijl. Het gaat om de pastorie van de premonstratenzerabdij van Floreffe in Overpelt (Kerkdijk nummer 21 /Kloosterstraat). In dit gebouw uit het tweede kwart van de 18de eeuw komen weliswaar geen stereotiepe natuurstenen muurbanden voor, maar door het gebruik van Naamse kalksteen bij de van hoekblokken voorziene omlijstingen van de muuropeningen wordt de traditionele baksteenbouw niettemin verlevendigd. Bij de woonhuizen van de hoeven zijn er geen typische voorbeelden van deze Maasstijl aan te treffen, doordat natuursteen noch voor muurbanden, noch voor hoek- of negblokken werd aangewend. De Beverbeekhoeve te Achel (Beverbekerdijk nummer 21/ Kastanjedreef) werd circa 1680 opgetrokken en vertoont in woonhuis en gastenkwartier twee traditionele korfboogvormige deuren, waarboven telkens een oculus.

De tweede helft van de 18de eeuw valt samen met het classicisme. Na 1750 komt het Oude Land van Loon via Luik onder prominente Franse invloed. De periode tot circa 1780 karakteriseert zich door de Lodewijk XV-stijl in een regionaal afgeleide vorm. Van het rococo zijn in het bestudeerde gebied geen voorbeelden aan te treffen, noch in het exterieur, noch in het interieur.

De laatste decennia van de 18de eeuw worden getypeerd door de Lodewijk XVI-stijl, eveneens in de regionale Luikse vormentaal. "Edele eenvoud" wordt de maat der dingen. Deze stijl omvat ook het eerste kwart van de 19de eeuw, het tijdperk van het zogenaamde laatclassicisme.

Vrijwel naadloos gaat dit laatclassicisme in het tweede kwart van de 19de eeuw over in het neoclassicisme, dat zich door een kariger materiaalgebruik en verstrakking van de vormentaal van de Lodewijk XVI-stijl differentieert.

Eerst in de tweede helft van de 19de eeuw sluit de burgerlijke architectuur aan bij de internationale stijlstromingen, met hun historicisme, neostijlen en eclectisch vocabularium. Men dient er zich echter rekenschap van te geven dat het kanton Neerpelt een overwegend landelijk gebied uitmaakt, waar de diverse bouwstijlen met een begrijpelijke vertraging werden ingevoerd, elke hang naar decoratie uit de toon viel en de natuurstenen componenten uit de gevels verdwenen.

Grote uitzondering op deze regel vormen de teutenhuizen, wat de burgerlijke architectuur betreft ronduit de meest streekeigen categorie woningen. Met hun overdadige eclectische bepleistering, veelal met overwegend neoclassicistische inslag, gecombineerd met een vaak symmetrische ordonnantie, getuigen ze niet alleen van de groeiende rijkdom die de buitengaanders door hun handel in het buitenland wisten te vergaren, maar ook van een soms Hollandse stilistische invloedssfeer in dit grensgebied.

De eerste helft van de 20ste eeuw kenmerkt zich, omwille van het overwegend rurale en traditionele karakter van het bestudeerde kanton en dit ondanks de sinds het einde van de 19de eeuw op gang gekomen industrialisatie in de Noorderkempen en de daaruit voortvloeiende demografische expansie, vooral door een voortleven van de 19de-eeuwse bouwstijlen in de eerste twee decennia. Voorbeelden van vernieuwende architectuur komen dan ook zo goed als niet voor. Enkele burgerwoningen uit deze periode vertonen spaarzame florale decoratieve elementen, die eerder schuchter refereren aan de art nouveau, nu eens in het glas in lood van bovenlichten, dan weer verwerkt in ijzeren leuningen. De relatief schaarse voorbeelden van interbellumarchitectuur kaderen binnen de toenmalige tendensen, met zowel regionalistische inslag als late cottage-allure. De enige "kubistisch expressionistische" voorbeelden uit de jaren 1920-30 zijn het rijhuis naar ontwerp van architect S. Strauven (Tessenderlo) in Neerpelt (Heerstraat nummer 8), en de voormalige dokterswoning in Overpelt (Dorpsstraat nummer 21). De algemene opvatting van Villa Dommelhof in Neerpelt (Stationsstraat nummer 40), werd eveneens door het expressionisme beïnvloed.

Hoevebouw

De hoevebouw is in eerste instantie een utilitaire bouwwijze, waarvan de uitwerking is afgestemd op het soort bedrijf dat erin wordt uitgebaat. Hierbij spelen verschillende factoren een rol.

De bodemgesteldheid is van cruciaal belang voor de omvang van het bedrijf. De Kempen was geen graanstreek, daar de zandige bodem er te arm was. De Kempische landbouwer was niettemin doorgaans eigenaar van zijn grond. Deze omstandigheden verklaren waarom de landbouwbedrijven eerder kleinschalig bleven en de typisch Kempense hoeven een langgestrekt volume vertonen. Een evolutie naar het type van boerderijen met losstaande elementen of in gesloten vorm, zoals bij voorbeeld in Haspengouw, ging aan deze streek grotendeels voorbij, enkele uitzonderingen niet te na gesproken. De kleine Kempische boerderij telde drie a zeven hectaren land, de "grote" tien à vijfentwintig. Deze laatste, relatief grotere oppervlakte gaat terug op een zeer oude hoevemaat: de in de Middeleeuwen gestichte hoeve, de mansus, had hier inderdaad een oppervlakte van twaalf bunder of ongeveer vijftien hectaren.

Een tweede factor is van historisch-economische aard. De landbouwproductie was tot het midden van de 19de eeuw, en in sommige streken als de Limburgse Kempen tot het einde van de eeuw, in hoofdzaak gericht op zelfvoorziening. Hierdoor bleef het gemengde bedrijf, bestaande uit akkerbouw en veeteelt, de norm. Alleen de schaarse grotere bedrijven produceerden vanaf de 18de eeuw een overschot voor de markt, waarbij vooral boter werd verhandeld.

In de 19de eeuw was het kleinbedrijf in de Kempen een veel voorkomend fenomeen. Het betrof van oudsher een zoals gezegd overwegend gemengd bedrijf met een kleine veestapel, die de nodige mest leverde voor de akkerbouw, in een periode waarin van kunstmest nog geen sprake was. De omvang van de veestapel was rechtstreeks evenredig met die van de gemene weidegronden, wat veronderstelde dat een groot gedeelte van het areaal diende braak te blijven, wat dan weer een rem betekende op mogelijke nieuwe ontginningen en uitbreiding van het akkerland. Hieruit blijkt weerom dat de meeste bedrijven noodzakelijkerwijs zeer klein waren. Een gemengd bedrijf veronderstelt de aanwezigheid van zowel schuren als stallen. De stalruimte was in verhouding tot de schuurruimte echter zeer gelimiteerd. Vererving en opsplitsing veroorzaakten bovendien een verdere inkrimping van de landbouwbedrijven. In 1895 was bij voorbeeld in Lommel vier/vijfde van alle landbouwbedrijven kleiner dan vijf hectaren.

De kleinschaligheid van de landbouwbedrijven kan men aflezen van het historische kaartmateriaal (Ferrariskaart van 1771-77 en Atlas van de Buurtwegen van 1845). Ze bestonden uit één gebouw, al dan niet voorzien van een beperkt aantal kleine dienstgebouwen, die losstaand bij het hoofdgebouw werden opgetrokken. Deze kaarten reveleren tevens het voor de Kempen typische verspreide nederzettingspatroon met her en der concentraties van kleine kernen.

Pas vanaf het midden van de 18de eeuw werden in de akkerbouw en in de veeteelt belangrijke vernieuwingen doorgevoerd. Vooreerst werden de werktuigen verbeterd, vooral de ploeg, waarbij de ossen als trekkracht goeddeels werden vervangen door paarden. De tweede groep verbeteringen bestaan uit wijzigingen in de productiemethode en in het oogstschema, onder meer door vruchtwisseling zonder braakligging van gronden. Deze versterking van de akkerbouw vereiste meer en betere bemesting, die bereikt werd door het telen van gewassen die als veevoer konden worden gebruikt, zodat de veestapel kon worden uitgebreid, waardoor de hoeveelheid mest toenam, nodig om het akkerareaal te vergroten en de akkerbouw te intensiveren. Bovendien kwam de verdeling van de gemeenschapsgronden op gang, die voorheen een rem betekenden op een rationele en intensieve bewerking. Deze verdeling verliep langzaam. Eerst in de loop van de 19de eeuw namen verkaveling en ontginning een grotere omvang aan. Door de kleine omvang van hun bedrijven waren de gemene heidegronden voor de boeren lange tijd van ontzettend belang geweest, ook nadat de verdeling van deze gronden vanaf de tweede helft van de 18de eeuw langzaam veld won, zoals hogerop aangetoond. Ze fungeerden eeuwenlang als natuurlijke weiden voor de vele schapen. De afgemaaide heide werd uitgestrooid in de potstal om als strooisel met de mest gemengd te worden.'Om de houtvoorraad aan te vullen, werden op de heide brandplaggen gewonnen en werd uit venen turf gestoken. Tijdens de bloei van de heide werden bijenkorven uitgezet. De honing werd als zoetmiddel gebruikt, de was voor het maken van kaarsen. De schapen- en bijenteelt kende in de loop der jaren wel een enorme daling, een tendens niet alleen in de Kempen, maar ook in België en de beide provincies Limburg. De inkrimping van de heide en de vestiging van industrie vormden wel de belangrijkste oorzaak. Het schaap had daarenboven door het toenemende gebruik van kustmest zijn vroegere functie als mestproducent kwijt gespeeld. In Limburg werden tussen 1846 en 1870 ongeveer twintigduizend hectaren ontgonnen, vooral in de kantons Achel, Bree en Peer. De gronden bleken grotendeels slechts geschikt voor bebossing, zodat de ontginners zeer kapitaalkrachtig moesten zijn, omdat bossen pas na heel lange tijd geld opbrengen. Daar men in de Kempen nog zozeer volgens het oude principe van de zelfverzorging werkte en men zo weinig producten, voornamelijk boter, aan de markt bracht, had de daling van de landbouwprijzen in het laatste kwart van de 19de eeuw er geen catastrofale gevolgen. Op het einde van de 19de en tijdens de 20ste eeuw kwijnde de graanbouw wel bijna volledig weg, mede door de concurrentie van Amerikaanse granen. Bij het begin van de 20ste eeuw beheerste rogge de graanteelt. Sinds 1910 kende deze teelt evenwel een geleidelijke daling. Door de geleidelijke invoering van kunstmeststoffen steeg niettemin de productie in de akkerbouw. Toen de boeren de resultaten van deze kunstmest zagen, gingen zij op grote schaal tot ontginning over en werden vele woeste gronden in cultuurareaal - en niet in eerste instantie meer in bos - omgezet. De plaatselijke notabelen en boeren van Peer hadden een belangrijk aandeel in de stichting van de Belgische Boerenbond op 20 juli 1890, die tegemoetkwam aan de grote behoefte aan voorlichting van de boeren. Deze boerenbond stimuleerde rond 1900 de oprichting van boerenleenbanken en veeverzekeringen. De eerste coöperatieve veeverzekeringen ontstonden in 1891 en 1892 in de Kempische dorpen, onder meer te Sint-Huibrechts-Lille en Overpelt. Raiffeisenkassen ontstonden in Limburg vanaf 1893. Dank zij al deze op structurele verbeteringen gerichte activiteiten was circa 1900 een nieuw type landbouwbedrijvigheid tot stand gekomen. Granen en wol werden in toenemende mate importartikelen. De Limburgse landbouw ging zich meer toeleggen op de productie van slachtvee en op de tuinbouw. De eeuwenlang vaste verhouding tussen akkerbouw en veeteelt op het traditionele gemengde bedrijf werd nu definitief verbroken. De akkerbouw werd nu dienstbaar aan de veeteelt. Het zwaartepunt van de rundveeteelt lag bij het melkvee. Boterproductie, varkensmesterij en kippenhouderij werden de belangrijkste inkomstenbronnen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte het tekort aan mijnhout een aanzienlijke ontbossing nodig. Sinds de jaren 1960 werd het groenvoergewas maïs vanuit Amerika in onze streken geïntroduceerd. De Kempische akkerbouw onderging sindsdien een grondige verandering. Thans is maïs het voornaamste akkerbouwgewas geworden. Na 1960 stortte de haverteelt in elkaar, vanaf het moment dat de tractor het boerenpaard overbodig maakte. Gerst kende een zwakke toename. Boekweit is al geruime tijd uit de landbouwtellingen geschrapt. Aardappelteelt en nijverheidsgewassen als suikerbieten en vlas kwamen in de Kempen nooit echt van de grond. Sedert de Tweede Wereldoorlog is het aantal landbouwbedrijven fel gedaald, terwijl de gemiddelde bedrijfsoppervlakte door schaalvergroting naar verhouding toenam.

Het feit dat de landbouw werd beoefend door kleine gemengde bedrijven uit zich ook in de hoevevorm. De Kempische hoeve was een langgestrekte hoeve van één bouwlaag. Woonhuis, stallingen en schuur waren doorgaans onder één dak verenigd. Soms werd er nog een schob of bergplaats aangehecht. Door de lange gevel naar de zon te richten kon het meeste licht en warmte worden opgevangen en was het kwetsbare strodak, dat later veelal door een pannen bedaking werd vervangen, het beste beschermd tegen de felle westenwinden. Die bescherming werd

ook geboden door een rij lindebomen die vaak nu nog de hoeve aan de westkant afschermen, alsook vaak door een klein westelijk dakschild. Op de nok van het strooien dak pinde men met vetplanten verstevigde graszoden vast. De hoeven waren meestal van een moestuin voorzien. Het woonhuis bestond uit een woonkeuken, het zogenaamde "huus", en twee of drie slaapkamers. Doorgaans waren er ook op de zolder nog bijkomende slaapvertrekken voor de jongens, terwijl de meisjes doorgaans in de opkamer sliepen, waaronder zich de kelder bevindt. De leefruimte beperkte zich in de meeste hoeven tot de keuken, waartoe de woonhuisdeur toegang verleent, sommige boerderijen hadden ook nog een "voorkamer" of "beste kamer", die via de woonkeuken bereikbaar is en waarvan de open haard ruggelings tegen deze in de keuken is geconstrueerd, zodat men maar één schouwpijp nodig had. Deze voorkamer deed ook dienst als slaapkamer voor de boer en de boerin. Indien er geen voorkamer was, dan sliepen boer en boerin in een aparte slaapkamer. Er waren ook enkele kleinere vertrekken zoals de "spin", een koele bergruimte. De vloer bestond meestal uit aangestampte leem of aarde. Maar in de Limburgse Kempen komt het ook wel voor dat de vloer van de voorkamer belegd werd met kleine uitgezochte steentjes, die in een bed van klei of moerasgrond, in patroontjes werden gelegd. Voor de vloer van de keuken gebruikte men in de Limburgse Kempen dan weer grotere keien. In de haard in de keuken werd vooral turf en hout gestookt, terwijl het haardvuur diende als verwarmingsbron voor de gehele hoeve en als kookplaats. Hier werd ook de koeketel boven het haardvuur opgehangen, waarin het veevoeder werd klaargemaakt, een stevige soep van wortelen, bieten, kaf, rapen, zemelen, aardappelen en bruikbare onkruiden, die door middel van een draaiboom van het haardvuur in het woonhuis via een luik in de binnenmuur naar de belendende koeienstal werd gewenteld. Dit verklaart de stereotiepe ordonnantie van de Kempische langgestrekte hoeve: de koeienstal bevindt zich overwegend tussen het woonhuis en de schuur. Deze stal was bereikbaar via de woonkeuken. De vloer van de potstal was schuin hellend naar achter toe ruim één meter dieper uitgegraven dan de begane grond. Door de vermenging van haar uitwerpselen met stro en heideplaggen zorgde de koe voor stalmest die de akkerbouw moest bevorderen. Zulke potstallen waren evenwel niet hygiënisch en zijn in de loop van de 20ste eeuw vrijwel volledig verdwenen. Water haalde men uit de eigen waterput, die zich meestal in de tuin achter of voor het huis bevond.

Een belangrijke uitzondering op de typische ordonnantie van de Kempische langgestrekte hoeve vormt de nederzetting van Lommel-Kolonie, waar in 1850 van buitenaf, namelijk door de Belgische Staat, twintig hoeven werden opgetrokken, waarbij de schuur uitzonderlijk tussen stal en woonhuis ligt.

In de tweede helft van de 19de eeuw evolueert de indeling van het woonhuis naar één waarbij de woonhuisdeur toegang verleent tot een centrale gang tussen woonkeuken en kamer. Beide vertrekken beschikken in dit geval over een stookplaats. Deze indeling van het woonhuis en zijn ontwikkeling gelden ook voor de woonhuizen van de hoeven met losstaande elementen.

Om het brandgevaar tegen te gaan en waarschijnlijk ook onder invloed van de ontwikkelingen binnen het boerenbedrijf, wordt de "grote" Kempische boerderij gekarakteriseerd door een tweeledige bouw, waarbij een monumentale losse schuur evenwijdig of haaks ten opzichte van het woonhuis met stal staat. Het straatbeeld en de gerieflijkheid bepaalden mee de wijze van opstellen van deze schuur. Zo was het zelfs mogelijk dat de tot de hoeve toegang verlenende zandweg tussen woonstalhuis en schuur lag, een schikking die volgens Dr. Jozef Weyns (1967) alleen in de Kempen is terug te vinden. Daarnaast had men meestal ook nog een aantal bijgebouwen: een karschob, turfhuis, varkenshok met "huisken" of wc, paardenstal, schaapskooi, bakhuis met oven. Voor de Kempen is er van een vaste schikking van deze dienstgebouwen geen sprake. Iets verderop stonden de mutsert en de strooiselhoop. Voorbeelden van hoeven met losstaande bestanddelen komen in het gehele bestudeerde gebied.

Door de kleinschaligheid van de bedrijven en de beperkte veestapel komt in de Limburgse Kempen de gesloten hoevevorm zo goed als niet voor, zoals wel in Droog-Haspengouw het geval is.

Een late ontwikkeling, vooral vanaf de tweede helft van de 19de eeuw en doorlopend tot in de eerste helft van de 20ste eeuw, resulteert in het ontstaan van de boerenburgerhuizen, waarbij het woonhuis losgemaakt wordt van het erf en met de voorgevel aan straatzijde wordt opgesteld. Door het fenomeen van de keuterboerkes is deze evolutie in het bestudeerde gebied eerder zeldzaam. Noemen we slechts de hoeve, Broeseinderdijk nummer 9, in Neerpelt.

De gebezigde materialen zeggen doorgaans iets over de ouderdom van de hoeve. De donkere Rekemse handgevormde baksteen en de gebogen zwarte of rode Vlaamse pan zijn vanzelfsprekend ouder dan de rodere "machinesteen" en de mechanische pan, die pas tussen beide wereldoorlogen gebruikelijk werden. Ook de vervanging van het traditionele zadeldak door een geknikte variant wijst op een latere bouwfase, te situeren op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Vandaag de dag zijn vele van de Kempische langgestrekte hoeven aangepast en/of uitgebreid. Zo veranderde(n) vaak de stal en/of de schuur in een bijkomende woonruimte en werden elders op het erf immense losstaande stallen opgetrokken ten gevolge van de schaalvergroting van de bedrijven in de tweede helft van de 20ste eeuw.

Opvallend in de Kempen zijn de afgezonderde nederzettingen die aan kloosters of abdijen toebehoorden, vrijwel steeds de begevers van de parochiekerken aldaar. Aanvankelijk waren deze domeinen voorzien voor eigen gebruik en werden ze bewerkt door lekenbroeders. De nog bestaande Gro(o)te Hoef in Lommel, waarvan de kern teruggaat tot de 15de-16de eeuw en waartoe oorspronkelijk ook een kapel behoorde, evenals de verdwenen Kleine Hoef aldaar, die allebei sinds 1227 goederen waren van de abdij van Averbode, ressorteerden onder deze categorie, terwijl de abdij van Postel een vrij belangrijke hoeve op Lutlommel bezat, meer bepaald op de hoek van de wijk Loberg. De Gro(o)te en de Kleine Hoef werden aanvankelijk waarschijnlijk ook door lekenbroeders van Averbode uitgebaat en reeds vóór 1300 door pachters, meestal Lommelse ingezetenen. In de 12de-13de eeuw verwierf de abdij van Floreffe in het zuiden van Overpelt zeer uitgestrekte bezittingen, waarop zij deels door ontginning drie grote, nog bestaande, weliswaar in de loop der eeuwen grondig verbouwde hoeven optrok: de Grote Hoeve (Lindelsebaan nummer 430), Kleine Hoeve en Panhoeve (Panhofstraat nummer 97), zelfstandig bezit van de abdij sedert 1140-41. Deze abdij goederen beschikten over een eigen kapel, brouwerij, visvijvers en drie watermolens. Sedert de 14de eeuw gingen deze bloeiende Overpeltse landbouwkolonies achteruit, om vanaf de 16de eeuw of reeds vroeger verpacht te worden. Sommige van deze hoeven waren cijnshoven. Op het einde van het ancien regime, bij de verkoop van de kerkelijke bezittingen, kwamen ze doorgaans in het bezit van rijke stedelingen. De Gro(o)te Hoef in Lommel kwam in 1975 in handen van een stichting, om uit te groeien tot een toeristische trekpleister.

Nog tot omstreeks 1870 werd circa 70 % van het landbouwareaal gebruikt voor de graanteelt. De concurrentie van de goedkopere, Amerikaanse granen, die resulteerde in een crisis ten gevolge van een scherpe daling van de graanprijzen, betekende tenslotte het definitieve einde van het gemengde bedrijf. De nood aan specialisatie leidde op het einde van de 19de eeuw tot diepe structurele wijzigingen. Het gewone stramien van de veeteelt in dienst van de akkerbouw werd omgedraaid. In plaats van op graan- en wolproductie kwam de klemtoon te liggen op de kweek van slachtvee en de tuinbouw. De teelt van voedergewassen nam toe en vele akkers werden tot weidegronden omgevormd. Boterproductie, varkensmesterij en kippenhouderij werden belangrijke bronnen van inkomst. De schapen- en bijenteelt werden bijna volledig opgedoekt. Het geschetste agrarische patroon zal de hele eerste helft van de 20ste eeuw de toon zetten.

Openbare gebouwen

Daar het bestudeerde gebied geen grote stedelijke kernen telt, is het aantal openbare gebouwen beperkt en van bescheiden omvang.

De landelijke gemeenten behielden hun kleine gemeentehuizen niet. Het meest monumentale voorbeeld in het bestudeerde gebied is het gemeentehuis van Neerpelt, dat in 1898 werd gebouwd en getuigt van de enorme demografische expansie die het dorp beleefde op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw, onder meer dankzij een belangrijke inwijking ten gevolge van de nabije industriële vestigingen. Om analoge redenen werd het neoclassicistische Lommelse raadhuis van 1845-46 in 1912-13 vergroot en in eclectische stijl verbouwd. Het stadhuis van Hamont en de gemeentehuizen van Achel en Overpelt dateren alle drie uit de tweede helft van de 20ste eeuw.

Tot deze categorie gebouwen behoren ook de onderwijsinstellingen, onder- meer de katholieke schooltjes, soms annex klooster of onderwijzerswoning, die veelal in de tweede helft van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw in de landelijke gemeenten werden opgericht in traditionele baksteenbouw of eclectische stijl met neo-Vlaamse-renaissance-inslag. Naast de hogerop bij de kloosters reeds genoemde voorbeelden, zijn gelijkaardige items aan te stippen in Hamont-Lo, Lommel-Kerkhoven, Lommel-Werkplaatsen en Neerpelt. Ook de gemeenteschooltjes sluiten hierbij stilistisch aan, bij voorbeeld de voormalige meisjesschool van Lommel, terwijl de oudste voorbeelden uitgesproken neoclassicistische stijlkenmerken vertoonden, zoals de circa 1980 afgebroken school op het Kerkplein aldaar, daterend van 1848, met kern uit 1830.

De wijkschooltjes, die buiten de dorpskern in relatief later ontstane nederzettingen tot stand kwamen, dateren doorgaans uit het interbellum.

Naast de hogerop bij de religieuze architectuur reeds aangehaalde grotere schoolcomplexen zijn verder als voorbeeld te vermelden: het Sint-Salvatorcollege annex klooster te Hamont-Lo, waarvan de eerste steen in 1901 werd gelegd, en de later uitgebreide Vrije Technische Scholen Sint-Jozef van 1922-23 in Overpelt.

Het Provinciaal Instituut voor Cultuur en Sport Dommelhof in Neerpelt (Toekomstlaan nummer 5), in 1967 gebouwd en in 1978 uitgebreid door de architecten A. Hoppenbrouwers (Brussel) en Wijckmans, is een voorbeeld van het zogenaamde brutalisme.

Kastelen, buitenplaatsen en schansen

Het type van de op defensie ingestelde, versterkte burcht karakteriseert de bouw der kastelen tot de 14de eeuw. Deze burchten zijn gebouwd in mergel. Vele dienstgebouwen en zeker de hoevegebouwen waren echter nog steeds in stijl- en regelwerk. In Hamont richtte men op het einde van de 14de eeuw een burcht op aan de westzijde van de huidige Brouwersstraat, een versterking die reeds lang vóór 1554 verdween. In 1994 werden bij de aanleg van kelders voor appartementsgebouwen bakstenen funderingen en slotgrachten van deze burcht aangetroffen en bij een noodopgraving deels onderzocht. De fameuze Achelse Tomp zou volgens A. Claassen een uit de 13de - begin 14de eeuw daterende woontoren zijn geweest van de oudste heren van Grevenbroek, volgens anderen daarentegen een windmolen uit het begin van de 15de eeuw, waarvoor de weinig bewaarde bouwfysische elementen pleiten. De toren werd in 1967-68 "gerestaureerd" volgens de principes van Viollet-le-Duc.

De laatste periode van de defensieve burchtenbouw wordt geïllustreerd door het voormalige slot van Grevenbroek in Achel, een waterburcht, gebouwd in de eerste helft van de 15de eeuw, aan de samenloop van Warmbeek en Vliet, en bestaande uit een herenwoning en een neerhof, met elkaar verbonden door een ophaalbrug, het geheel voorzien van ronde torens op de vier hoeken en omgeven met drie diepe grachten, een dubbele omwalling en een ringmuur, waarvan slechts de grondvesten van een toren en enkele brokstukken van de muren bewaard bleven.

Van de tot hier toe opgesomde kastelen resten dus alleen archeologische sporen en archivalische aanwijzingen. Het enige nog grotendeels in situ bewaarde, weliswaar in de loop der tijden aangepaste kasteel in het kanton Neerpelt is Kasteel Genenbroek in Achel (Catharinadal nr. 3). Het was aanvankelijk een hoevecomplex en jachthuis van de heren van Grevenbroek, voor het eerst vermeld in een oorkonde van 1496. Het werd in de 18de eeuw vergroot en verkreeg in 1882-85 zijn huidig eclectisch uitzicht met neo-Vlaamse-renaissance-inslag.

De andere voorbeelden van "kasteelbouw" betreffen eerder landhuizen of villa's uit de tweede helft van de 19de en het begin van de 20ste eeuw, die voor hogere burgerij en adel, vaak stedelingen, in een neo- of eclectische stijl tot stand kwamen. Noemen we in Hamont Kasteel Beverbeek (Beverbeek nummer 19), in 1889 opgetrokken naar ontwerp van architect M. Christiaens (Tongeren), het van 1902 daterende Bierkasteel, thans Erkenhof genoemd (Budelpoort nummer 47), en Kasteel Het Lo of de l'Escaille van 1875 en later vergroot door genoemde Christiaens (Lozenweg nummer 100-104).

Kasteel Genenbroek in Achel en het merendeel der landhuizen zijn omringd door hun parken en/of bossen, waarvan sommige een aanzienlijke oppervlakte beslaan (vooral bij Kasteel het Lo of de l'Escaille) en/of van een imponerende landschappelijke pracht zijn. Deze parken in landschapsstijl kwamen vanaf de tweede helft van de 18de eeuw in de plaats van de klassieke hovingen, moestuinen en parken in geometrische of Franse stijl.

Een typisch fenomeen voor de Limburgse Kempen vormen de schansen, versterkte vluchtplaatsen in het open veld die door de buurtschappen werden opgericht om gezin en vee te beschermen. Aanleiding vormden de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en de Spaanse Successieoorlog (1701-1713), waarin rondtrekkende huurlingenlegers de streek plunderden. De oprichting gebeurde op gemeenschapsgrond en in of bij een depressie voor de watervoorziening in de schanswal. De schansen waren voorzien van een watergracht, een met houtgewas begroeide aarden wal en een ophaalbrug. Ze hadden een gemiddelde grootte van 50 aren à 1 hectare, grootte die voornamelijk werd gedetermineerd door het aantal gezinnen van een nederzetting. Het vrije gedeelte, de binnenschans, werd verdeeld in schansplaatsen van 40 tot 70 vierkante meter. Op zulke schansplaats kon een gezin een houten schanshuisje of -hut oprichten, waarin bij dreigend gevaar de voornaamste huisraad en het vee konden worden ondergebracht. Alleen diegenen die ervoor betaalden of die hielpen in het onderhoud mochten een toevlucht zoeken op de schans en er een schuilhut bouwen. Aan het hoofd van een schansgemeenschap stond de schansmeester, bijgestaan door rotmeesters.

De rotten, groepen van tien à vijftien man, stonden in voor de verdediging en het onderhoud van de schans. De verdedigingswaarde van deze versterkte vluchtplaatsen was echter minimaal. Ze boden de plaatselijke bevolking slechts een gebrekkig en tijdelijk onderkomen, maar waren hoegenaamd niet geschikt een werkelijke aanval te keren. Op het einde van de 18de eeuw verloren de schansen hun betekenis, werden door de gemeentebesturen als weiland en visvijver (de gracht) verhuurd en nadien meestal verkocht. Zo bestonden er schansen in Lommel, Neerpelt, Sint-Huibrechts-Lille en Overpelt. Van het merendeel van de op de historische kaarten betuigde schansen in het bestudeerde gebied bleven restanten bewaard als omgrachtingen en vijvers en/of veldnamen op het vlak van de toponymie. Het feit dat Hamont en Achel geen schansen bezaten, heeft alles te maken met de voormalige aanwezigheid van burchten en stadsomwallingen aldaar, waardoor de defensieve behoefte aan schansen er minder groot was.

ECONOMIE, PRE-INDUSTRIEEL EN INDUSTRIEEL ERFGOED

Nijverheid was in de Limburgse Kempen, waar ook de landbouw minder rendeerde, nagenoeg onbestaande tot het einde van de 19de eeuw, toen de zinkfabrieken van Overpelt en Lommel werden opgetrokken. Enkele uitzonderingen waren de uurwerkmakerijen in Hamont tijdens de 17de, 18de en 19de eeuw, de in het begin van de 19de eeuw bedrijvige geweermakerij van de familie Rolans in Lommel, de in de 19de eeuw actieve steen- en pannenbakkerijen in Hamont, Lommel en Overpelt en het circa 1890 actieve en aan Mathijs Slegten toebehorende fabriekje van matten en tapijten in Sint-Huibrechts-Lille.

De landbouw is van oudsher niettemin een belangrijke economische bedrijvigheid gebleven, ook in de kleinschalige en landelijk gebleven stad Hamont. Zij resulteerde in een aantal agrarisch verwerkende nijverheden, meestal voortgesproten uit kleine, traditionele bedrijven en Kempische huisnijverheid. Omzeggens elk dorp had vroeger zijn eigen melkerij. Verder ontstonden textielbedrijfjes in Hamont en Lommel, leerlooierijen in Hamont, Achel, Lommel en Sint-Huibrechts-Lille, wasblekerijen in dezelfde vier gemeenten, alsook een klompenmakerij in laatstgenoemde gemeente; een vlasfabriekje was circa 1900 actief langs het Kempisch kanaal in Neerpelt. De in 1853 in Hamont opgerichte wasblekerij groeide uit tot de befaamde Kaarsenfabriek Spaas, thans op het industrieterrein Bosstraat gevestigd en de grootste in zijn soort van de Benelux. In Achel was er achter het Simonshuis een trijpfabriekje actief in de periode 1913-1977, die wereldwijd bekend was onder de naam Tissage de velours.

Brouwerijen, wind- en watermolens hoorden alom bij de traditionele bebouwing als noodzakelijke infrastructuur voor de lokale behoeften. Elke gemeente omvatte van oudsher één of meerdere brouwerijen, waarvan de voormalige brouwerij Sint-Arnoldus van de familie Bouly-Tournier in Lommel (Lepelstraat nr. 85) een voorbeeld vormt uit het begin van de 20ste eeuw.

Jenever- en alcoholstokerijen waren er in Hamont, Lommel, Sint-Huibrechts-Lille en Overpelt. Neerpelt had vroeger een limonadefabriekje, genoemd Cent, in de Stationsstraat.

De voornaamste drijfkracht werd geleverd door molens, veelal graan- maar ook slag- en volmolens. Een aantal van deze molens zijn weliswaar nog maalvaardig, maar doorgaans enkel voor toeristische doeleinden van tijd en stond in bedrijf.

De oudste vermeldingen van watermolens in het bestudeerde gebied gaan terug tot de 13de eeuw, terwijl de bewaarde gebouwen in sommige gevallen als oudste resten hun kernen uit de 17de en 18de eeuw behielden. Watermolens zijn er in Achel op de Warmbeek (Molendijk nummer 45), in Sint-Huibrechts-Lille op dezelfde beek (Geuskens nummer 58), en in Overpelt op de Dommel (Bemvaartstraat nummer 117, Breugelweg nummer 250, Kleinmolenstraat nummer 151 en Slagmolenstraat nummer 16). Al deze molens zijn, voor zover geweten, onderslagmolens. Eén enkele molen heeft nog een houten rad, meer bepaald de Kleine Molen in Overpelt, terwijl de andere een metalen rad ter vervanging kregen of geen rad meer behielden. Vaak op hetzelfde moment als bij de raderen kwam metalen molenwerk in de plaats van het oorspronkelijke houten.

Bakstenen windmolens bleven bewaard in Hamont (Molenpaadje zonder nummer), Lommel (Koningsstraat zonder nummer), Sint-Huibrechts-Lille (Windmolenstraat zonder nummer), vooreerst op de Broekkant in bedrijf, en Overpelt (Koningsstraat nummer 1), houten windmolens in Lommel-Kattenbos, aanvankelijk in de Vrijshorring in dit dorp opgericht, en in Overpelt (Breugelweg zonder nummer), welk exemplaar afkomstig is van Helchteren, in 1853 in het centrum van Overpelt werd opgesteld en sinds 1964-65 in het Wandelpark Heesakker aldaar.

De eerste echte industriële bedrijvigheid wordt gevormd door de zandwinning, die in Lommel vanaf 1850-60 op gang kwam en vandaag de dag wereldwijd afzet kent met het bedrijf Sibelco.

De kleine kapitaalsinvesteringen en het voorhanden zijn van vele arbeidskrachten waren stimulerende factoren voor de ontwikkeling van de Noord-Kempische sigarennijverheid circa 1850, die vanuit Nederland werd opgezet, daar de Nederlandse fabrikanten na de Belgische onafhankelijkheid vreesden een belangrijke afzetmarkt te zullen verliezen. Vlak over de grens, te Valkenswaard, Eindhoven en elders, had immers altijd een bloeiende sigarennijverheid bestaan. Het lag voor de hand dat deze Nederlandse fabrieken op niet te grote afstand vestigingen in België oprichtten, zodat zelfs een gebeurlijke uitwisseling van arbeidskrachten mogelijk was. De eerste kernen ontstonden dan ook in de Limburgse Kempen. De ontwikkeling van deze lokale industrie ging tot 1914 in stijgende lijn, maar werd door de Eerste Wereldoorlog gefnuikt. Na een korte heropleving was het verval definitief, onder meer door de achteruitgang van de Belgische sigarenindustrie in het algemeen, de te hoge prijzen ten gevolge van de te hoge accijnsrechten, de scherpe concurrentie van het nabije Nederland na de bevrijding, de crisis van de jaren 1930 en de opkomst van de mijnen en de sigaret. Vóór de Eerste Wereldoorlog telde men in de Limburgse Noorderkempen inderdaad honderden sigarenmakers en vormden de sigarenfabrieken, vaak opgericht in de stationsbuurten of langs belangrijke invalswegen, samen met de hieronder vermelde zinknijverheid in Overpelt en Lommel in deze streek lange tijd de zo goed als enige uiting van industrieel leven. De kernen van de sigarennijverheid in Neerpelt en Hamont zijn van latere datum dan die in het kanton Peer. Telkens is er een Nederlander, die de grens oversteekt om een sigarenfabriek op te richten. Nadien vestigen enkele van zijn sigarenmakers zich als zelfstandige, maar in Neerpelt en Hamont gebeurde het ook dat arbeiders, die in de Nederlandse industrie als grensarbeiders werkzaam waren, ontslag namen om zelfstandig te beginnen en na enkele jaren al diverse arbeiders in dienst te nemen. Bij het begin van de 20ste eeuw was er in de Dorpsstraat van Overpelt de fabriek van fijne sigaren E. Van Duffel-Poelmans gevestigd. Op dit ogenblik schiet er praktisch niets meer over van deze eens zo bloeiende nijverheid. De voormalige sigarenfabriek J.W. Swane & Zonen van Neerpelt, in de buurt van het station opgetrokken, werd recent, in september 2003, volledig afgebroken. Deze economische traditie van sigarennijverheid werd tot voor kort bestendigd door de na de Tweede Wereldoorlog opgerichte fabriek Willem II in de gelijknamige straat in Overpelt, die eind 2001 werd opgedoekt.

De metaalverwerkende en scheikundige industrie ontwikkelde zich vanaf de ingebruikname van de spoorlijn Antwerpen-Mönchen-Gladbach in 1879, met de bouw van de zinkfabrieken van Overpelt (1888), en Lommel (1904, gesloopt in 1974), hetgeen resulteerde in de ontwikkeling van de nieuwe woonwijken Overpelt-Fabriek en Lommel-Werkplaatsen. Deze nijverheden vestigden zich om diverse redenen in de Kempen. Daar de zinkfabrieken en chemische bedrijven zeer milieuonvriendelijk waren, werd gezocht naar dunbevolkte gebieden met veel ruimte. In de Kempen was de woeste heidegrond overvloedig aanwezig en zeer goedkoop. Daarbij waren de lonen er uitermate laag, deels wegens de grote bevolkingstoename, deels daar de al bestaande bedrijven een laag loonniveau kenden. Via de moderne transportinfrastructuur, waarover verder meer, konden de grondstoffen en gemaakte producten makkelijk worden aan- en afgevoerd. De fabrieken legden deze wijken aan, daar de nodige huisvesting ontbrak voor de arbeiders, die van buiten Lommel en Overpelt kwamen. De concentratie van de nijverheid in fabrieken en de mechanisering van de productie bracht een zware slag toe aan de huisnijverheid, vooral op het platteland. In de chemische fabrieken deden zich veel gevallen van vergiftiging voor. De van elders gerekruteerde fabrieksbazen oefenden onder andere in Overpelt een ware terreur uit, waardoor de arbeiders er van afgehouden werden om een syndicaat op te richten. De fabrieken hadden een sterke greep op het gemeenschapsleven. Niet alleen de woningen, maar ook kerk en school waren vaak eigendom van de fabriek. Beide cités werden in dambordpatroon aangelegd en de arbeiders beschikten er over alleenstaande of doorgaans gekoppelde woningen met omgevende tuin.

Transportinfrastructuur. In heel de Noord-Limburgse Kempen bestond op het einde van de 18de eeuw geen enkele verharde weg, met uitzondering van de in 1607 in Overpelt aangelegde steenweg in veldkeien, waar nu de Dorpsstraat loopt. Eerste stap in de ontsluiting was de aanleg van de kasseiweg 's Hertogenbosch-Eindhoven-Hasselt-Luik, waarvan het ontwerp al van 1712 dateerde. Circa 1745 waren de twee eerste stukken klaar, meer bepaald Luik-Hasselt en 's Hertogenbosch-Best. Het traject Hasselt-Lommel was omstreeks 1788 voltooid. Pas in 1818 werd ook het laatste stuk Lommel-Best afgewerkt. Om de weg te doen renderen was het de voerlieden verboden, op straffe van boete en betaling van het dubbele van het tolrecht, een zijweg te nemen binnen de omtrek van een half uur, tenzij het ook een rijksweg betrof. Tot na 1830 was deze steenweg de enige gekasseide baan, die Hasselt met de omliggende streken verbond.

De as Peer-Valkenswaard werd in 1858 aangelegd, de grindweg Hamont-Overpelt-Lommel-Mol in 1860. De kiezelweg tussen Lommel en Luyksgestel stamt uit 1865-67. De weg van Neerpelt naar Sint-Huibrechts-Lille werd reeds in 1861 aangevat, maar pas in 1908 voor het grote verkeer opengesteld. De steenweg Lommel-Leopoldsburg via Kerkhoven kwam in 1911-12 tot stand, terwijl de kiezel tussen Lommel en Overpelt-Fabriek van 1911 dagtekent.

In de jaren 1970 kreeg Lommel een ringlaan, gevolgd door Overpelt. Van de noord-zuidverbinding, de N74, werd het noordelijke deel in het begin van de jaren 1980 afgewerkt, het zuidelijke deel tot aan de tijdelijke rotonde in Hechtel dateert uit het midden van de jaren 1990.

In 1843-46 werd het belangrijke Maas-Scheldekanaal gegraven. Behalve voor vervoer werd deze waterweg ook gebruikt voor irrigatie. Reeds tijdens de regering van Albrecht en Isabella (1598-1648) ontstonden de eerste plannen om door middel van de Fossa Eugeniana de Rijn, Maas en Schelde met elkaar te verbinden en alzo een barrière te vormen tegen de Noordelijke Nederlanden. Het Verdrag van Munster (1648), waardoor de Rijn-, Maas- en Scheldemonding onder de heerschappij van de Noordelijke Nederlanden kwamen, verhinderde dit project. Later in de Franse tijd (1806-15) waren er opnieuw plannen voor zulke aanleg (Grand Canal du Nord). Om dit kanaal van Antwerpen via Lommel, Hamont, Helden, Venlo en Stralen naar Neuss, dat Schelde, Maas en Rijn met elkaar had moeten verbinden, volledig binnen Frans grondgebied te kunnen aanleggen, was in 1807 het Franse Luyksgestel tegen het Nederlandse Lommel omgeruild. Met het kanaal tussen Neuss en Venlo werd in 1808 een aanvang gemaakt, maar het werd niet voltooid. In 1811 werden de werkzaamheden stopgezet wegens Napoleons campagne in Rusland en wegens de inlijving in 1810 van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk. Antwerpen had nu immers een natuurlijke verbinding met de Rijn. De Noordervaart bij Nederweert is het enige deel van dit project dat bevaarbaar werd. Bij Koninklijk Besluit van 24 oktober 1834 maakte de kersverse Belgische Staat zijn voornemen tot kanalisatie van de Kempen openbaar. Op 12 juli 1838 kende de provincieraad een belangrijke subsidie toe voor het graven van een Kempisch kanaal van Bocholt over de Blauwe Kei naar Antwerpen. Door het Koninklijk Besluit van 10 september 1842 werd de leiding toevertrouwd aan hoofdingenieur U. Kümmer. De sectie Bocholt-Blauwe Kei-Herentals werd op 21 september 1846 beëindigd. Eerst in 1856 kwam men in Antwerpen aan. De volledige verbinding van Maas en Schelde kwam pas tot stand in 1859. Het tracé van Bocholt tot Antwerpen was 86,4 kilometer lang en telde zeventien sluizen. Omwille van de verbinding met het kamp van Beverlo en wegens het vooruitzicht van industrialisatie van het zuidelijke gedeelte van de Kempen, werd in 1855 van Blauwe Kei in Lommel een aftakking van het Maas-Scheldekanaal gegraven naar Leopoldsburg. Dit kanaal van Beverlo werd in gebruik genomen in 1857. In eerste instantie konden beide kanalen geen grote nijverheidsvestigingen aantrekken. Omstreeks 1887 werd het Kempisch kanaal voorzien van brede zwaaikommen en in 1926-27 werd overgegaan tot verbreden en uitdiepen van de vaargeul en het bouwen van een tweede en grotere sluis in Blauwe Kei, waardoor nu ook schepen van zeshonderd ton toegang kregen. Het Albertkanaal, de in 1930-39 gegraven rechtstreekse verbinding tussen Luik en Antwerpen, maakte het Kempisch Kanaal met zijn vele sluizen minder snel en aantrekkelijk voor de scheepvaart. Daardoor verminderde het belang van het kanaal, dat evenwel circa 1987 nogmaals werd verbreed en van een nieuwe grotere sluis op de Blauwe Kei werd voorzien. Het kanaal wordt nu nog enkel gebruikt ten bate van enkele lokale industrieën en de recreatie vaart. Toch bleef een bij het kanaal aansluitend, typisch architecturaal erfgoed bewaard, bestaande uit de al genoemde sluizen, sluis-, brug- en dijkwachtershuizen, douanierswoningen, na de Tweede Wereldoorlog heropgebouwde bruggen, tot en met de betonnen bunkers uit het interbellum.

In 1864-65 kwam de thans verdwenen en grotendeels tot een fietspad omgevormde spoorlijnverbinding Hasselt-Eindhoven via Achel tot stand. In de periode 1870-79 werd de spoorweg Antwerpen-Mönchen-Gladbach, de zogenaamde "IJzeren Rijn", aangelegd, hetgeen de economische groei op langere termijn sterk bevorderde. De planning van dit tracé dateert al van 1830, maar de Nederlanders verhinderden het project. Pas in 1868 wilden ze hun principiële toestemming geven. Van dan af waren er drukke discussies over de aanleg en vooral over het te volgen tracé. Er waren twee mogelijkheden: ofwel het zuidelijke traject via Mol-Leopoldsburg-Peer-Bree en Thorn naar Roermond, ofwel het noordelijke traject dat een meer rechtlijnig tracé betrof via Mol-Lommel-Neerpelt naar Weert en Roermond. Op 13 juli 1869 adviseerde de Limburgse provincieraad het zuidelijke traject. Op 14 oktober 1869 werd de concessie voor de lijn Antwerpen-Mönchen-Gladbach verleend aan de Société Anonyme des Chemins de Fer du Nord de la Belgique. Toch zou het nog tot 1878 duren vooraleer men met de eigenlijke aanleg kon beginnen. Finaal werd toch geopteerd voor het noordelijke tracé. In de loop van 1879 nam de maatschappij Grand Central Belge deze spoorweg in exploitatie. De IJzeren Rijn was hoofdzakelijk als goederenlijn ontworpen. Dit vervoer kende blijkbaar veel succes, want in 1893 besloot de Grand Central Belge zelfs tot het dubbelsporig uitbouwen van de enkelsporig aangelegde lijn. Maar zover is de maatschappij niet geraakt, want de Belgische staat nam vanaf 1897-98 de exploitatie van het traject over. De spoorlijn bracht al vlug een emigratiebeweging voort, vooral naar Waalse en Duitse industriesteden. Pas op langere termijn droeg de spoorlijn bij tot een gunstig klimaat voor de vestiging van grootindustrieën. Tot 1914 kende de IJzeren Rijn een bloeiend bestaan. De Eerste Wereldoorlog was het begin van de teloorgang: neutraal Nederland verbood elk verkeer en sedert 1918 veroorzaakte de Nederlandse tarievenpolitiek een drukke doortocht via de alternatieve zogenaamde "oorlogs IJzeren Rijn" doorheen de Voerstreek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog activeerden de Duitsers weer het noordelijke tracé, dat ze in 1944 vernield achterlieten. De Amerikanen herstelden de lijn. Door de sterke bevolkingsaangroei en gebrek aan plaatselijke werkgelegenheid werd het reizigersvervoer, dat in 1953 tussen Mol en Hamont vervangen werd door autobussen, vanaf 1978 weer op het spoor gezet. In 1991 werd het internationale verkeer op het noordelijke tracé stilgelegd, in afwachting van een akkoord met concurrent Nederland. Op dit traject bleef enkel het beschermde station van Neerpelt bewaard. Die van Lommel, Sint-Huibrechts-Lille, Overpelt en Hamont werden jammer genoeg afgebroken in de tweede helft van vorige eeuw.

In 1901 werd er een spoorweghalte geopend in Overpelt-Fabriek, aansluitend op de lijn Antwerpen-Mönchen-Gladbach. Het station aldaar werd gebouwd in 1904 en in 1974 afgebroken. De verbinding van het fabriekscomplex met de halte Overpelt-Werkplaatsen gebeurde al in 1898. Mogelijk bestond er dan reeds een spoornet binnen deze industriële site.

Al deze transportinfrastructuur en de grenspositie van de Limburgse Noorderkempen gaven al vlug aanleiding tot het ontstaan van tolhuizen (onder meer in Hamont), douanekantoren en douanierswoningen (zoals in Overpelt en Lommel), transito-opslagplaatsen en quarantainestallen (onder meer in Achel-Statie), met daarbij aansluitend afspanningen, logementshuizen, herbergen en neringen. De sluikhandel teelde er welig.

Pas op langere termijn creëerden het Kempens kanaal, het kanaal van Beverlo en de spoorweg Antwerpen-Mönchen-Gladbach mogelijkheden voor de totstandkoming van grootindustrie in Overpelt en Lommel.

Ondertussen is de zinkfabriek van Lommel-Werkplaatsen als gevolg van economische en maatschappelijke wetmatigheden afgebroken en heeft de industriële site van Overpelt-Fabriek qua belang flink ingeboet. Industrieparken doken de laatste decennia in dit reconversiegebied omzeggens in alle deelgemeenten op. Dit resulteerde onder meer in een verdichting van de woongebieden, gepaard gaande met een steeds noodzakelijker behoud van de schaarser wordende groene zones. Het merendeel van de beschermde landschappen in het kanton Neerpelt ligt in natuurgebied en wordt voor de toekomst hopelijk gevrijwaard door verbetering van de waterkwaliteit en het visbestand.

Het zogenaamde "lokale", al dan niet "Vlaamse" erfgoed, bestaande uit hoeven, teuten- en arbeiderswoningen, dorpskerken en kapellen, is vaak kwetsbaar bij herbestemming. Voor het behoud ervan hangt veel af van de broodnodige aanstelling van erfgoedspecialisten op gemeentelijk en provinciaal niveau en een liefst geoliede samenwerking tussen de diverse administratieve echelons van het Vlaamse Gewest. Mogen de meest waardevolle gebouwen in het kanton Neerpelt voor de toekomst behouden blijven.


Bron     : Pauwels D. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kanton Neerpelt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N2, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Pauwels, Dirk
Datum  : 2005


Relaties