Geografisch thema

Kanton Poperinge

ID: 16244   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16244

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

Het kieskanton Poperinge beslaat het zuidwestelijke gedeelte van het administratief arrondissement Ieper, gelegen in het uiterste zuidwesten van het land en behorend tot de economisch-geografische streek van de Westhoek. Het arrondissement telt verder nog vijf kieskantons: Ieper iets groter dan het kieskanton Poperinge, en vervolgens in volgorde van grootte Heuvelland, Zonnebeke, Wervik en Mesen (faciliteitengemeente).

Het kieskanton Poperinge grenst ten zuidwesten en zuiden aan Frankrijk; ten westen en noordwesten, respectievelijk aan de arrondissementen Veurne en Diksmuide. Ten oosten en zuidoosten wordt het gebied begrensd door de kieskantons Ieper en Heuvelland. Het gebied heeft een overwegend agrarisch karakter, met één stedelijk centrum - Poperinge - dat een regionaal verzorgende en administratieve functie vervult.

Het kanton telt circa 19.393 inwoners (januari 1988) over een oppervlakte van 11.933 hectare wat neerkomt op een bevolkingsdichtheid van 162,5 inwoners per vierkante kilometer; minder dan de helft van de gemiddelde bevolkingsdichtheid in West-Vlaanderen (344 inwoners per vierkante kilometer).

Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag het gebied volledig achter het front; enkel de gemeenten Reningelst en Woesten werden gedeeltelijk door het oorlogsgeweld getroffen.

LANDSCHAPSTYPERING

Het kieskanton Poperinge maakt deel uit van de zandleemstreek. De geologische gesteldheid is zeer eenvormig. De formaties, die van rechtstreeks belang zijn voor de bodemgesteldheid bestaan uit tertiaire en quartaire afzettingen. De Ieperiaanse (tertiair) klei vormt de ondergrond van nagenoeg de hele streek tot op meer dan 120 meter diepte. Sedimentologisch kunnen we dit Ieperiaan typeren als een grijs-groene, ietwat zandige klei. Zij is doorgaans met quartaire afzetting bedekt en komt slechts sporadisch voor aan het oppervlak. De paniseliaanse klei, een sterk door erosie aangetaste tertiaire afzetting, wordt enkel nog aangetroffen aan de top van de noord-zuidgerichte heuvelrug tussen Sint-Jan-ter-Biezen - Helleketelbos en in het uiterste zuiden van Reningelst.

De bovenste deklaag bestaat uit een vruchtbare zandleemlaag van niveoeolische oorsprong (quartair); de basis ervan wordt soms gevormd door een grindlaag. Op de meest aan erosie blootgestelde plaatsen is de quartaire deklaag het dunst en vermengd met het onderliggende substraat. Nattere zandleemgronden, en natte alluviale kleigronden liggen in de beekdepressies.

De uiterste noordoost-hoek (Oostvleteren) in de IJzervallei, sluit aan bij de Polderstreek; zij bevat voornamelijk kleigronden en zware kleigronden van mariene oorsprong. Het cultuurlandschap kwam hier systematisch tot stand: de nog behouden vrij regelmatige perceelindeling (zie de broeken) wijst op de stelselmatige afwatering ervan.

Ten noorden en noordwesten, sluit het kieskanton Poperinge aan bij het Vlaamse laagland. Ten zuiden vormen de Zuid-Vlaamse bergen of de grosso modo van west naar oost verlopende getuigenheuvels - onder meer de Rode berg, de Kemmel- en de Scherpeberg - van de laatste grote zeeoverspoeling (diestiaan), een visuele afsluiting van het landschap.

Het algemeen reliëf is vlak tot zwak golvend met duidelijk ingesneden beekvalleien. Vanaf de IJzervallei stijgt het niveau heel langzaam in Zuidelijke richting; het laagste punt ligt in de noordoost-hoek (8 meter). Het bereikt zijn grootste hoogte, op de noord-zuidgerichte rug (paniseliaan), die grosso modo de grens vormt tussen Poperinge en Watou. Vanaf deze centrale rug daalt het landschap naar alle richtingen. In westelijke-, noordelijke- en oostelijke richting verloopt deze daling langzaam en gelijkmatig; zuidwaarts daalt het landschap eerst tamelijk snel af naar de vallei van de Dode Stappen- en de Vleterbeek, om daarna te stijgen naar de Franse grens toe (50 meter in zuidwestelijke-, en 40 meter in zuidoostelijke hoek).

Het geheel vormt een half-open cultuurlandschap met enkele hagen en bomenrijen, een afwisseling van akker- en weiland en enkele bossen. Resterende bossen bevinden zich voornamelijk op het grondgebied Proven, Krombeke, Westvleteren en ten zuidwesten van Poperinge (het Helleketelbos). Vele bospartijen werden tijdens de vorige eeuw en na de Eerste Wereldoorlog gerooid.

De landelijke bewoning is verspreid; de dorpskernen zijn klein en oefenen een plaatselijke verzorgingsfunctie uit.

Het gebied behoort volledig tot het IJzerbekken. Het westelijk- en noordwestelijk gedeelte van het kanton watert via van zuid naar noord gerichte beekjes direct in de IJzer af. De waterscheidingslijn tussen de IJzer-Vleterbeek, bevindt zich op de noord-zuid-gerichte rug tussen Poperinge-Watou, die aldaar zo'n 60 meter boven het zeeniveau uitsteekt. De Vleterbeek, vanaf de stad Poperinge stroomafwaarts Poperingevaart genaamd, werd in de tweede helft van de 14de eeuw aangepast en verbreed ten behoeve van de ontsluiting van het toenmalige textielcentrum. In de zuidelijke- en zuidoostelijke hoek (Reningelst) gebeurt de afwatering naar de IJzer via de zuidwest-, noordoost-gerichte Grote Kemmelbeek.

De belangrijkste waterlopen zijn de IJzer, de Vleterbeek, de Grote Kemmelbeek, de Bommelaarsbeek, de Hipshoekbeek, de Haringebeek, de Dode Stappenbeek en de Heidebeek. De algemene ontwatering, op enkele gedeelten van Heidebeek na, schenkt voldoening.

STREEKEIGEN MATERIAAL

Natuurstenen resten van romaanse kerkjes in het besproken gebied wijzen op de aanvoer vóór 1200 van ijzerzandsteen afkomstig van de Zuid-Vlaamse bergen (Kemmel-, Cats-, Casselberg).

Eind 13de en in de 14de eeuw werd harde zandsteen uit Artesië aangewend voor de onderbouw (sokkel) van de drie Poperingse stadskerken; het opgaand metselwerk is echter uitgevoerd in gele baksteen. Dit "nieuwe" bouwmateriaal werd vermoedelijk aangevoerd vanuit de kuststreek, waar de systematische klei-exploitatie voor baksteenfabricage sinds de 13de eeuw een verworvenheid was. Blijkbaar voornamelijk vanaf de tweede helft van de 18de eeuw werd lokaal op grotere schaal ontgonnen voor dakpannen- en baksteenproductie. De donkerrode bakstenen drongen de gele in een louter decoratieve rol. De steenbakkerij "Schabaillies' briekenoven" was nog werkzaam tot circa 1971 (Poperinge, Abeelseweg nr. 97-99).

Het gebruik van stijl- en regelwerk typeerde tot in de 19de eeuw de landelijke bebouwing van het gebied. Het bouwmateriaal -hout- was in de bosrijke streek voorhanden.

Het lokale houtwerk van ramen en deuren vertoont een karakteristiek uitzicht; de houten kozijnconstructie die in feite geen eigen verworvenheid van het gebied is, lijkt hier en in de omstreken frequenter gebruikt te worden dan in de rest van West-Vlaanderen. De kozijntraditie hield stand tot in het begin van de 20ste eeuw.

HISTORISCHE ACHTERGROND

Voor de komst van de Romeinen behoorde het gebied tot het territorium van de Menapiërs, dat zich uitstrekte tussen de Schelde en de Noordzee, ten noorden ongeveer tot aan de monding van de grote rivieren en ten zuiden tot aan de alluviale vlaktes van Aa, Leie, Deûle en Scarpe; dit gebied werd in 53 vóór Christus door Caesar onderworpen.

Onder de regering van de Romeinse keizer Claudius (41-54) werd het wegennet systematisch uitgebouwd. Een diverticulum vertrok vanuit Cassel, hoofdstad van de Civitas Menapiorum, om via Poperinge in Aardenburg (Nederland) te eindigen.

Poperinge ontstond vermoedelijk circa 431, als Frankische nederzetting van de familie Poppe of Pupurn aan het kruispunt van het Romeinse diverticulum Cassel-Aardenburg met de Vleterbeek (huidige Grote Markt).

Gedurende de Merovingische periode (5de tot 8ste eeuw) bleef het grondgebied als het ware een onontgonnen gebied. Van de 4de tot de 8ste eeuw lagen Roesbrugge, Haringe en Oostvleteren ten gevolge van de Duinkerke II-transgressie aan de zee. Ten noorden en noordwesten van Poperinge strekte zich een grote bosgordel uit van Torhout tot de Franse grens. Vanaf de 9de eeuw kwamen de ontginningen geleidelijk op gang (eerste vermeldingen: Vleteren 806, Haringe 899). De bevolkingsexplosie in de 11de eeuw was het startsein voor de middeleeuwse ontginningen, gepaard gaand met de stichting van de parochies.

Het huidige kieskanton Poperinge, maakte historisch deel uit van het voormalige Veurne-Ambacht, één der kasselrijen waarin het graafschap Vlaanderen in de vroege 11de eeuw verdeeld werd. Veurne-Ambacht omvatte het gebied gelegen tussen de huidige Franse grens en de bocht gevormd door de IJzer, de Ieperlee (tot Zuidschote) en de Kemmelbeek. Veurne was als hoofdplaats van de kasselrij, tevens de verblijfplaats van de burggraaf onder wiens burgerlijk en militair gezag de kasselrij stond ; ook het heffen van tolrechten viel onder het toezicht van laatstgenoemde. De parochies Watou, Reningelst en Woesten vormden samen met Elverdinge, Vlamertinge, Zuidschote, Noordschote en Loker de Generaliteit van de Acht Parochies; zij hadden een eigen bestuurscollege en rechtspraak. Voor fiscale aangelegenheden ressorteerden zij onder de kasselrij van Veurne-Ambacht.

Volgens de bevestigingsoorkonde (877) van Karel de Kale werd Poperinge een leengoed van de in 649 gestichte Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars. De abt werd alhier ter plaatse vertegenwoordigd door de "prepositus" of proost, bijgestaan door de baljuw of de wereldlijke rechtsambtenaar met erfelijke functie, door de abten toegewezen aan de heren van Reningelst. Desondanks behield de graaf als leenheer van de abt van Sint-Bertinus, toch nog het belangrijke recht om de militaire dienst op te eisen en kwam hij tussen in alle belangrijke aangelegenheden zoals het verlenen van de keure, het graven van het kanaal, en de moeilijkheden met de gerechtelijke ambtenaren. Voorts was hij de beschermheer van de onderdanen van Sint-Bertinus.

Vanaf de 12de, vooral 13de eeuw groeide Poperinge, mede door de stimulans van de graven, uit tot een lakencentrum van internationaal belang. In 1367 werd gestart met de kanalisatie van de Vleterbeek teneinde Poperinge via de IJzer met de zee te verbinden. Het peilverschil tussen de Poperingevaart (gekanaliseerde Vleterbeek) te Poperinge en de IJzer was te groot om het water van de vaart te kunnen ophouden; daarom bouwde men sluizen, waterreservoirs en overtonjen met name de "Hoge Overdrach" ('t Reepken), de "Midden Overdrach" (Coppernolle) en de "Lage Overdrach" (aan de Eikhoek te Westvleteren). Te Reningelst ontwikkelde zich tevens in de 13de en de 14de eeuw een bloeiende lakennijverheid. Tussen beide lakencentra, en het nabijgelegen Ieper ontstond een concurrentiestrijd, nog aangewakkerd door Lodewijk van Nevers, die in 1322 aan de Ieperlingen het monopolie van de lakenproductie verschaft binnen de 12 kilometer rondom hun stad. Lodewijk Van Male (1346-1384) verleent tenslotte de toestemming tot het vervaardigen van laken mits het verschilt van het Ieperse. Aldus wordt er overgeschakeld tot de productie van licht laken - "nieuwe draperie" - op het ogenblik dat de grote, traditionele lakencentra in verval geraken.

In dezelfde periode bloeide enige handelsactiviteit te Krombeke. Nabij het kasteel aan de toen bevaarbare Heidebeek, was er gedurende de middeleeuwen een losplaats, waar voornamelijk hout (uit de nabijgelegen bossen) en fruit werden verscheept via de Poperingevaart en de IJzer naar de steden in Vlaanderen en Frans- Vlaanderen. Voornamelijk bouwmaterialen (onder meer kalk, tegels, dakpannen, kareelsteen) zouden langs deze weg zijn aangevoerd. Ook Roesbrugge evolueerde tot een centrum van handel en nijverheid ten gevolge zijn ligging aan een brug over de van daar af bevaarbare IJzer.

Deze economische bloeiperiode weerspiegelt zich in de uitbouw van de stad Poperinge en in de oprichting van talrijke gotische hallenkerken in de dorpen.

Het economische leven tot het einde van de 15de eeuw beheerst door de lakennijverheid onderging na het verval van deze industrietak een reconversie naar de hopteelt en de bierbrouwerij. Tijdens de tweede helft van de 16de eeuw werd het Poperingse getroffen door de godsdiensttroebelen - Poperinge fungeerde als calvinistisch centrum - die tevens gepaard gingen met een sterk verzwakte economische toestand (prijsstijging, werkloosheid en graangebrek) en streekontvolking. Verschillende kerken en kloosters werden in min of meerdere mate verwoest. Het einde van de 16de eeuw luidde echter een verbetering van de toestand in, die evolueerde tot een periode van economische voorspoed in het gebied onder de regering van Albrecht en Isabella (1598-1621). Uit deze periode dateren onder meer de bouw van het kasteel te Watou (1620), de oprichting van het recollettenklooster en de stichting van het klooster met school van de benedictinessen.

Tijdens de tweede helft van de 17de eeuw en de eerste helft van de 18de eeuw werd het gebied ontwricht door de oorlogen en de ermee gepaard gaande economische crisis. De streek werd achtereenvolgens aan de Spanjaarden (tot 1678, Verdrag van Nijmegen), de Fransen (tot 1713, Verdrag van Utrecht), de Oostenrijkers (tot 1791) en opnieuw aan de Fransen (1814) toegewezen.

Uit de Franse tijd dateert de om militaire redenen aangelegde geplaveide weg Waasten-Ieper-Poperinge-Duinkerke (1679-1680); deze fungeerde als nieuwe handelsroute na het in onbruik raken van de Poperingevaart en gaf vooral Roesbrugge en Proven een economische prikkel.

Tijdens het Oostenrijkse tijdvak kende het gebied een zekere bloei, die onder meer te danken was aan de landbouw met hop- en tabaksteelt als belangrijkste componenten, de ambachtelijke bedrijven (onder meer pottenbakkerijen) en de huisnijverheid. De Oostenrijkse vorsten bouwden een uitgebreid wegennet uit; de banen Veurne-Ieper via Woesten en Oostvleteren (1739) en Dikkebus-Reningelst (1785) dateren uit deze periode.

De Franse Revolutie (1793), gepaard gaand met plunderingen en verwoestingen - de kastelen van Reningelst en Watou werden met de grond gelijk gemaakt -, stelde een einde aan het oude heerlijk stelsel, dat plaats diende te ruimen voor een modern staatsbestel, de basis van de huidige administratieve en gerechtelijke organisatie van het gebied.

Na 1815 volgde een bloeiperiode waarin landbouw en veeteelt de voornaamste bestaansbronnen bleven. Daarnaast bestonden enkele agrarische nijverheden, zoals brouwerijen en tabaksfabrieken (zie "Zwijnland - Brasserie -Malterie -Lahaye - Frères te Poperinge en het herenhuis te Reningelst). Andere nijverheden waren voornamelijk geconcentreerd in Poperinge, onder meer de kantconfectie, hout- en ledernijverheid, potten- en steenbakkerijen en pijpfabriekjes.

De aanleg van de spoorlijn Kortrijk-Poperinge-Hazebrouck (Frankrijk) en de buurtspoorweg Poperinge-Veurne-Diksmuide respectievelijk tijdens het derde kwart van de 19de en het begin van de 20ste eeuw, zorgden tevens voor de ontsluiting van het gebied.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog fungeerde Poperinge als zetel voor de geallieerde troepen, die aan de strijd rondom Ieper deelnamen ; een aantal , Britse soldatenkerkhoven herinneren nog aan het leven en de dood achter het front. Reningelst en Woesten werden gedeeltelijk verwoest, voorts bleef de oorlogsschade beperkt ten gevolge van de ligging buiten het frontgebied. Niettemin was ook hier de "Mission du Ministère des Sciences et des Arts" operatief. Deze permanente commissie onder leiding van architect E. Dhuicque (1877-1955), werd opgericht in 1915 door de regering in Le Havre. Zij had tot doel de kunstwerken (roerende en onroerende) te redden, die het risico liepen beschadigd te worden tijdens het oorlogsgeweld; daartoe werd een grondige inventaris opgemaakt bestaande uit beschrijvingen, tekeningen, opmetingen en foto's.

De Tweede Wereldoorlog richtte meer omvangrijke verwoestingen aan voornamelijk te situeren in het centrum van Poperinge.

Thans is Poperinge een verzorgend centrum in het vlak van handel, gerecht, onderwijs en gezondheidszorg met daarnaast een toenemend dagtoerisme en een aangroeiend industrieterrein ten zuidoosten van de stad. Het agrarische ommeland was tot voor enkele jaren nog sterk getypeerd door de hopcultuur. Het speculatieve karakter van de vrucht - lokaal "hommel" genoemd - en de ineenstorting van de verkoopprijzen ten gevolge de zware buitenlandse concurrentie hebben in de laatste jaren (sinds 1985) voor een nooit tevoren geziene crisis gezorgd ; het hopareaal daalde van 267 hectare in 1980 tot 115 hectare (1985). De reconversie naar andere gewassen met voorkeur naar de groenteteelt, is op vele plaatsen reeds ingezet.

Vooraleer over te gaan tot het architectuur-historisch overzicht dient nog de volgende afzonderlijke opmerking gemaakt te worden. Alhoewel de bouwkunst in het aangrenzende zogenaamde Diets Frans-Vlaanderen buiten het onderzoeksterrein valt, dient er toch op gewezen te worden dat de huidige grens tussen beide gebieden geen afbreuk doet aan hun duidelijke verwantschap zowel wat de religieuze als de burgerlijke architectuur betreft; Diets Frans-Vlaanderen behoort historisch, geografisch en volkskundig tot de Nederlanden en de oorspronkelijke taal is er het West-Vlaams dialect.

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Vóór 1559 was de streek op kerkelijk gebied afhankelijk van het bisdom Terwaan ; daarna van het bisdom Ieper. Vanaf 1801 ressorteerde het gebied onder het bisdom Gent; sinds 1834 behoort het tot het bisdom Brugge met dekenij Poperinge.

De christianisatie ingezet in de 7de eeuw leidde tot de oprichting van de meeste parochies in de loop van de 11de en 12de eeuw. Hierin fungeerden voornamelijk de Noord-Franse abdijen als steunpunten, en niet in het minst de Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars waarvan Poperinge een leengoed was.

Opvallend voor de religieuze architectuur in het bestudeerde gebied is haar traditionele, behoudsgezinde karakter.

In aansluiting bij de algemene kenmerken van de gotische kerkbouw in de kuststreek werden hier vanaf circa 1300 nagenoeg enkel bakstenen hallenkerken gebouwd. Latere vernieuwingen, verbouwingen, uitbreidingen en eventuele wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog gaven in de kerkbouw geen aanleiding tot noemenswaardige afwijkingen van dit traditionele kerktype. Invloeden van barok, classicisme en aanverwante stijlrichtingen worden slechts in de interieurs (mobilair) aangetroffen. De 19de-eeuwse neostijlen manifesteren zich sporadisch in secundaire ingrepen als bijvoorbeeld de bouw van een neoclassicistisch westportaal (1837) en de neoromaanse versiering van de centrale westpuntgevel van de Sint-Bavokerk te Watou. Vermeldenswaardig zijn ook de neoclassicistische verfraaiingswerken tijdens de jaren 1830 (onder meer stucbepleisteringen) van de interieurs van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Sint-Janskerk te Poperinge ; binnenrestauraties uit het eerste kwart van de 20ste eeuw onder leiding van de Ieperse architect J. Coomans herstelden het gotische interieur.

In de vrij doortastende restauratiewerken uit de tweede helft van de 19de eeuw aan de drie Poperingse stadskerken, treedt voornamelijk de Brusselse architect J. Van Ysendijck naar voren. Zijn kenmerkende bekommernis om stijlzuiverheid deed enigszins afbreuk aan het oorspronkelijke uitzicht; zowel omwille van het stijlkarakter als om de technische uitvoering - onder meer slechte natuursteenkeuze - werden deze restauratiewerken reeds vóór de eeuwwisseling aangevochten. De restauratie uit de jaren 1970 herstelde de oorspronkelijke baksteenarchitectuur van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, deze aan de Sint-Janskerk en de Sint-Bertinuskerk behielden veel meer het 19de-eeuwse restauratie-impact.

Kerken

De doorsnee-kerken hier zijn landelijke, doorgaans kleine en sobere bouwwerken ; de grotere Poperingse stadskerken getuigen van een rijkere uitwerking in de vorm van architectonische versieringen.

Poperinge en de meeste dorpen bezaten een romaans bedehuis, waarvan de resten zich meestal beperken tot hergebruikte ijzerzandsteen in de huidige kerkgevels. De Sint-Martinuskerk van Haringe, de Sint-Bavokerk van Watou, de Sint-Vedastuskerk van Reningelst en de Sint-Martinuskerk van Westvleteren bewaren nog fragmenten van de vroegere romaanse constructie. Deze gegevens laten toe de lokale romaanse architectuur in het algemeen te typeren als behorend tot de regionale noordwestelijke tak die zich vanaf Normandië over Picardië en Vlaanderen tot in Champagne uitstrekt. De door F. Desmidt uitgewerkte romaanse reconstructies van de Sint-Martinuskerk van Haringe, de Sint-Bavokerk van Watou en de Sint-Vedastuskerk van Reningelst tonen driebeukige kruiskerken opgetrokken volgens basilicaal schema; de kruisingstoren is vierzijdig, echter te Watou mogelijk achtkantig. Overblijfselen van de romaanse Sint-Martinuskerk te Westvleteren wijzen op een éénbeukige kruiskerk met vierzijdige middentoren. Bij de bewaarde romaanse kruisingstoren van ijzerzandsteen te Haringe (einde 11de - begin 12de eeuw) bestaan de galmgaten uit rechthoekige muuropeningen met monoliet verdeelzuiltje voorzien van sokkel en kubuskapiteel; zij zijn te vergelijken met de versieringen van de romaanse kerkgeveltop in het Frans-Vlaamse Killem. Het Haringse bedehuis bewaart ook een crypt van circa 1000, soms verondersteld als horend bij een zaalkerk die het romaanse bedehuis voorafging. Het huidige uitzicht van alle kerken in het bestudeerde gebied beantwoordt op één uitzondering na, aan het type van de bakstenen driebeukige hallenkerk met west- of kruisingstoren. Dit specifieke bouwprogramma gekoppeld aan het gebruik van baksteen kenmerkte de opkomst van de gotiek in de kuststreek. Vanaf de 14de eeuw werden hallenkerken op ruime schaal gebouwd; het kerktype bleef onveranderd voortbestaan tot het einde van de 16de eeuw. De lokale kerkenbouw sloot hier onmiddellijk bij aan. De stedelijke Onze-Lieve-Vrouwekerk werd vanaf het einde van de 13de en in de loop van de 14de eeuw progressief opgebouwd tot een bakstenen hallenkerk met rijzige vierkante westtoren, niet uitspringend transept en drie hallenkoren waarvan het hoofdkoor met veelzijdige en de zijkoren met vlakke sluiting. De andere soortgelijke Sint-Bertinuskerk resulteert vermoedelijk grosso modo uit één bouwcampagne ingezet in 1436 ter vervanging van een ouder bedehuis. In beide bouwwerken vindt de hallenkerk haar vervolmaking door de fijne verhoudingen en het brede ritme. Typische architectonische versieringen illustreren de regionale baksteengotiek: spitsbogige casementen meestal verrijkt met traceerwerk worden voornamelijk aangetroffen bij de toren en de puntgevels van zijbeuken, transept en zijkoren. Door haar basilicaal schip wijkt de Poperingse Sint-Janskerk (einde 13de en 14de eeuw) van het bouwschema van de hallenkerk af. Haar transept met vierzijdige kruisingstoren sluit echter aan bij een drieledig hallenkoor; voorts vertoont zij ook dezelfde architectonische versieringen als de twee andere stadskerken.

Van een eenvoudiger en minder monumentale vormentaal getuigen de hallenkerken in de dorpen. Zij zijn doorgaans overwegend laat-gotisch, doch in de eerste helft van de 19de eeuw werd de Sint-Martinuskerk van Roesbrugge nog volgens dit traditionele bouwschema opgetrokken weliswaar in een neoclassicistisch getinte uitvoering. Ook in het tijdens de Eerste Wereldoorlog fel beschadigde Woesten prijkt de vierkante 15de-eeuwse westtoren met metselaarstekens, van donkere baksteen, opnieuw vóór de gereconstrueerde hallenkerk Sint-Rectrudis.

De torens van deze hallenkerken bevinden zich meestal op de kruising; behalve de achtzijdige kruisingstorens van de Sint-Bavokerk van Watou en Sint-Blasiuskerk van Krombeke zijn zij alle vierzijdig. De monumentale gotische westtorens van de Woestense Sint-Rectrudis en de Poperingse Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Sint-Bertinuskerk beantwoorden - zoals de meeste van hun soortgenoten in de kuststreek -aan de opstand met geledingen gemarkeerd door kordons; zij worden gestut door middel van op elkaar gestelde hoeksteunberen met versnijdingen, en hun architectonische versieringen illustreren de typische baksteengotiek. De westtoren van de 19de-eeuwse Sint-Martinuskerk van Roesbrugge is er een neoclassicistische interpretatie van. Een-bakstenen naaldspits in de lijn van deze torenbouwtraditie wordt enkel aangetroffen bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Poperinge; zij dateert pas van 1905 en vervangt een spits van 1850.

De lichte structuur van de hallenkerk afgedekt met houten gewelven, verleent aan de kerkinterieurs een specifieke ruimtewerking en een grote lichtinval.

Religieuze instellingen

In het bestudeerde gebied werden in de loop van de 13de eeuw twee zusterkloosters gesticht. Het grootste en meest bekende, de abdij Onze-Lieve-Vrouw ter Nieuwe Plant of de Roesbrugge Dames lag aan de linkeroever van de IJzer te Roesbrugge. Ten gevolge de godsdiensttroebelen trok de abdij zich in 1588 definitief terug binnen de Ieperse vesting waar zij zich verder ontplooide tot het huidige lyceum Onze-Lieve-Vrouw ter Nieuwe Plant. Het omwalde abdijcomplex te Roesbrugge werd door de Malcontenten gesloopt omdat het hun gezichtsveld op de vijandelijke troepenbewegingen belemmerde.

De andere, wellicht kleine zustergemeenschap gevestigd in de Sint-Sixtusbossen te Westvleteren, verliet in 1355 de streek voor het Noord-Franse Lumbres. In 1373 kwam de Koksijdse cisterciënzerabdij Onze-Lieve-Vrouw-ter-Duinen in het bezit van het verlaten kloostergoed. In het begin van de 17de eeuw werd hier vanuit een eremietenkluis het birgittijnenklooster gesticht, dat in 1783 door Jozef II werd opgeheven; de gebouwen werden verkocht en gesloopt. De stichting van een trappistenklooster in 1831 resulteerde in de huidige Sint-Sixtusabdij en herstelde meteen ook de plaatselijke kloostertraditie.

De in 1741 nieuw gebouwde proosdij op het aloude vroonhof te Poperinge, verdween in het begin van de jaren 1970 uit het stadsbeeld door de aanleg van een nieuwe weg langs de Sint-Bertinuskerk. Ook de proosdij Beauregard, opgericht in de late 12de eeuw door de augustijnenabdij van Terwaan, behoort tot de geschiedschrijving; haar plaats wordt thans ingenomen door een hoeve met 18de-eeuwse kern (Proven, Switspapendreef nr. 3).

Het nog bewaarde patrimonium klimt te Poperinge op tot de 17de eeuw, en kadert in de evolutie van de stedelijke architectuur.

De laat-17de-eeuwse reftervleugel van het klooster met school van de benedictinessen met zijn verdiepte, houten kruis- en kloosterkozijnen, is een late en sobere versie van de eigen Vlaamse-renaissancestijl uit de Westhoek die haar meest specifieke bouwwerken voortbracht in de andere Westhoeksteden als Veurne, Ieper, Diksmuide en Nieuwpoort. Het fraaie refterinterieur vertoont de inslag van de Lodewijk-XV-stijl.

Van ongeveer dezelfde, eenvoudige architecturale uitwerking getuigen de gerestaureerde, laat-17de en begin 18de-eeuwse gevels van het zogenaamde "Gasthuis". De tijdens het laatste kwart van de 18de eeuw nieuw gebouwde straatgevel van de kapel, is classicistisch getint in zijn geritmeerde bovenpartij met geblokte pilasters en steekboogvensters in bakstenen riemomlijstingen. De sacristie met oude kern van 1701, heeft aan straatzijde een risalietvormende trapgevel in regionale neo-Vlaamse-renaissancestijl vermoedelijk daterend uit het begin van de 20ste eeuw.

Het Poperingse "Weeuwhof", een stemmig ensemble met lage witte huisjes onder pannen zadeldaken gegroepeerd rondom een rechthoekige grastuin met classicistische waterpomp, refereert naar gelijktijdige, eenvoudige arbeidershuisvesting uit de tweede helft van de 18de eeuw. Ook de andere 18de-eeuwse caritatieve instelling, het voormalige Sint-Michielsgesticht, hoort met haar lichtere bakstenen voor de muuropeningen en ordonnerende kolossale pilasters thuis in de ontwikkeling van de Poperingse privé-architectuur.

In het huidige kloostercomplex der Grauwe Zusters Penitenten bleven typische bestanddelen als poortgebouw, kapel, eigenlijk klooster, dienstgebouw, stal, schuur en omheiningsmuur bewaard. Zij dateren grosso modo uit de 18de en 19de eeuw; het poortgebouw met oude kern van 1687 en de in 1835 wederopgebouwde kapel kregen na de Eerste Wereldoorlog een nieuwe voorgevel in neogotische stijl. Voornamelijk de periode 1749-1781 was bepalend voor het huidige uitzicht. De toen grotendeels opgetrokken kloostervleugel vertoont breed uitgewerkte, echter voorts sobere lijstgevels van donkere baksteen met kruisramen onder meer omlijst met lichtere bakstenen. Een soortgelijk afwisselend baksteengebruik kenmerkt óók de benedictinessenrefter en het "Gasthuis" ; het blijft tot in het begin van de 20ste eeuw een steeds opnieuw terugkerende constante in de lokale architectuur (zie burgerlijke architectuur).

De enige, vermoedelijke restant van het recollettenklooster dateert mogelijk uit de eerste helft van de 18de eeuw: de hoofddeuromlijsting van het voorgebouw van het huidige Hopmuseum. Haar bakstenen, geblokte uitvoering met natuurstenen vaasbekroning voor de pilasters, vertoont verwantschap met de Lodewijk-XIV-stijl.

De nieuwe 19de-eeuwse stichtingen op het platteland bouwden sober en traditioneel. Het poortgebouw (1878) van de Sint-Sixtusabdij te Westvleteren vertoont een neoclassicistische inslag, terwijl de kapel eerder neogotisch getint is; de slotkapel uit de jaren 1960 getuigt van een nieuwe vormentaal die kadert in de post-conciliaire sfeer. De kloosterschool van de vroegere "Paulienen buiten stad" op het gehucht "'t Vogeltje" en ontegensprekelijk verbonden met de familienaam Van Merris, bezit een neogotische kapel van 1854-1856. Laatstgenoemde is vermeldenswaardig onder meer omwille van de typerende neogotische interieurbeschildering met symbolisch en decoratief karakter.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Evenals de religieuze architectuur is ook de burgerlijke bouwkunst in essentie baksteenarchitectuur. Tevens vertoont ook zij een traditioneel karakter bepaald door specifieke vormen en afwerking zoals de houten kozijnconstructies en het afwisselend gebruik van donkere en lichtere bakstenen, fijne detaillering en typische interpretatie van de evoluerende bouwstijlen.

Het beperkte aantal belangrijke openbare gebouwen heeft zijn verklaring in het vanouds, landelijke karakter van het gebied.

Sinds 1912 prijkt op de Poperingse Grote Markt het eenheidsconcept stadhuis met belfort-postgebouw in de specifieke "Vieux-Neuf"-stijl van de Ieperse architect J. Coomans. Het vervangt het oude en al even monumentale stadhuis gebouwd tussen 1781-1783 in Lodewijk XVI-stijl door de abt van de Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars. Het huidige stadhuis symboliseert als het ware de "nieuwe" stedelijke tijd ingezet na de Franse Revolutie die een einde stelde aan het eeuwenoude leenheerschap van de abdij over Poperinge.

De meeste landelijke gemeenten beschikken over een gemeentehuis dat niet ouder is dan de tweede helft van de 19de eeuw. Hun doorgaans eclectische bouwtrant verschilt van de overige dorpsbebouwing, wat hun herkenbaarheid ten goede komt. Soms is hun ontwerp verbonden met de naam van een architect. Het gemeentehuis (1881) evenals de vroegere gemeenteschool (1861-1863) te Roesbrugge, werden gebouwd naar plannen van de Kortrijkse architect P. Croquison. Het gemeentehuis te Oostvleteren is naar ontwerp van architect J. Coomans van 1921. Na de Eerste Wereldoorlog bouwden de architecten J. en W. Vercoutere (Izegem) een neobarok getint gemeentehuis te Woesten.

Het Poperingse hopmagazijn opgetrokken in 1861 en thans Nationaal Hopmuseum, bezit een brede, bakstenen pilastergevel onder neoclassicistische stijlinvloed.

Het station te Poperinge is het enig overblijvend exemplaar van de 19de-eeuwse "spoorwegarchitectuur" aan de lijn Kortrijk-Poperinge.

De stedelijke privé-architectuur te Poperinge klimt op tot de 18de eeuw. Het nog relatief groot aantal heren- en burgerhuizen uit de tweede helft van de 18de eeuw, is een gevolg van de toenmalige grote bouwactiviteit gepaard met een vernieuwd economisch elan. Dit patrimonium vertoont de invloed van de innoverende Franse stijlrichtingen; anderzijds vormt het ook een afspiegeling van de lokale baksteenstijl getypeerd door het afwisselend gebruik van donkere (rode) en lichtere (gele) bakstenen. Uitgesproken Frans geïnspireerd is het classicistische herenhuis "Skindies Hotel" met geblokte hoekpilasters en middenrisaliet onder uitgewerkt driehoekig fronton.

Het "Huis Van Merris" - thans Vredegerecht - is opgetrokken, in pure Lodewijk XVI-stijl naar plannen van de Rijselse architect Thomas Gombert, tevens ontwerper van het na de Eerste Wereldoorlog gereconstrueerde Ieperse hotel Merghelynck. Bijzonder markant zijn de baksteensculpturen van de borstwering.

Van een meer lokaal getinte interpretatie van classicistische stijlinvloeden getuigen de sobere pilastergevels al of niet met fronton en soms getypeerd door de traditionele kozijnconstructies. Laatstgenoemde worden in de meeste gevallen verlaten voor de zogenaamde "Franse ramen" met twee openslaande ramen zonder middenstijl doch met tussendorpel en bovenlicht. Door de vereenvoudigde pilastergevel, de architectonische versieringen van lichtere bakstenen, de kozijnconstructies van de eerste bouwlaag, en de "landelijke" metselaarstekens van de rechterzijpuntgevel, is het herenhuis het meest relevant voor het eigen karakter van deze Poperingse privé-architectuur.

De invloed van het rococo uit zich in doorgaans meer horizontaal belijnde gevels, soms met panelen aansluitend bij de lekdrempel van de bovenvensters (onder meer het Herenhuis bij brouwerij Devos, het stadsarchief en een herenhuis). Deze stijlrichting manifesteert zich uitdrukkelijk in een deuromlijsting met geraffineerde rococoversiering in het fronton (herenhuis).

De architectuur van rond de eeuwwisseling wordt getypeerd door een vervlakking die resulteert in donkere bakstenen lijstgevels met gebruik van lichtere bakstenen voor de strekse lateien van de rechthoekige muuropeningen. De overgang wordt mooi geïllustreerd door twee herenhuizen; beide bezitten nog een geprofileerde bakstenen kroonlijst als het courante element van de 18de-eeuwse Poperingse lijstgevels (herenhuis in de Boeschepestraat en een herenhuis in de Professor Dewulfstraat). Andere gevels uit het laatste kwart van de l8de en het begin van de 19de eeuw werden later gecementeerd mogelijk onder meer ter vervanging van de oorspronkelijke bepleistering.

Onder Franse invloed werd ook het mansardedak ingevoerd; het werd veelal vereenvoudigd tot een geknikt zadeldak bij lage woningen.

De 19de-eeuwse bebouwing vormt vooralsnog een belangrijke component van het Poperingse patrimonium. Zij bestaat voornamelijk uit burger-, arbeiderswoningen, (voormalige) herbergen en buurtwinkeltjes met vlak gehouden, meestal beschilderde lijstgevel vaak nog met verdiepte houten kozijnconstructies. Niet overschilderde gevels vertonen regelmatig de typische strekse lateien van gele bakstenen; het afwisselend baksteengebruik wordt sporadisch geaccentueerd door middel van rode en/of gele lazuurverf. De nog enkele zeldzame voorbeelden van 19de-eeuwse gevelberaping zijn verlevendigd met wit pleisterwerk (een slagerij en een woning). De geknikte en gebogen zadeldaken bewaren soms nog hun typische dakkapellen met rondbogige belijning of puntgeveltje.

De invloed van de 19de-eeuwse bouwstijlen beperkt zich tot de neoclassicistische inslag van enkele herenhuizen, de uitzonderlijke invloed van de second-empirestijl bij het zogenaamde "Talbot House", en de eclectische bouwtrant van de nog resterende "kasteeltjes" of de herenhuizen middenin een tuin van rond de eeuwwisseling (onder meer het "Kasteel van Merris" en het voormalig "Chalet Schabaillie"). Vermeldenswaardig zijn ook enkele voorbeelden van 19de-eeuwse "begeleidingsarchitectuur"; in aansluiting bij een 18de-eeuwse gevel werden op het Burgemeester Bertenplein twee nieuwe pilastergevels opgetrokken (Burgemeester Bertenplein 25, 27 en 32).

De privé-architectuur uit de 20ste eeuw sluit tot de Eerste Wereldoorlog grosso modo aan bij de 19de-eeuwse. Anderzijds bepaalt de neogotiek als verlengstuk van het voornoemde stadhuis het uitzicht van de noordoostelijke markthoek en, worden een aantal eclectische burgerhuizen gebouwd onder meer met neo-Vlaamse-renaissance ornamenten (eclectisch hoekhuis), stijlelementen ontleend aan de gotiek én de regionale renaissancestijl (eclectisch burgerhuis en woning aan de Casselstraat), en aan het rococo (burgerhuis en burgerhuis in neorococostijl). Sobere bakstenen gevels zijn soms verlevendigd met faïencetegeltableaus voorzien van Art Nouveau getinte bloem- en bladmotieven; gevelparementen van geglazuurde bakstenen of tegels zijn nog meer sporadisch.

Tijdens het interbellum manifesteert zich de invloed van de art-decostijl; een bankgebouw is haar meest uitgesproken exponent.

Vanaf de jaren 1930 is de modernistische inslag vrij frequent, en wordt ook aangehouden in de naoorlogse (wederopbouw-)architectuur. Anderzijds typeert ook een eclectische, voornamelijk "Vlaams" en "Normandisch" geïnspireerde bouwtrant de naoorlogse bebouwing.

De landelijke architectuur determineert meer dan de stedelijke het profiel van het bestudeerde gebied.

De dorpswoningen vormen hierin de minst markante groep; hun bouwtrant overstijgt zelden de stedelijke doorsnee-architectuur.

In het tijdens de Eerste Wereldoorlog fel beschadigde Reningelst en Woesten sluit de wederopbouwarchitectuur aan bij de traditionele dorpsbebouwing uit de 19de eeuw.

Tot de landelijke architectuur behoren ook de pastorieën. Hun huidige uitzicht, doorgaans uit het laatste kwart van de 18de en uit de 19de eeuw, vertoont meestal dezelfde kenmerken als de gelijktijdige dorpsarchitectuur. Zij beantwoorden aan het basistype van een dubbelhuis van één of twee bouwlagen op rechthoekige plattegrond. De tweede bouwlaag resulteert soms uit een 19de-eeuwse verhoging van de oorspronkelijke lage woning. De neogotische pastorieën uit het eerste kwart van de 20ste eeuw hebben dezelfde typerende dubbelhuisopstand (de pastorie in Krombeke en de pastorie in Woesten).

Het bakstenen toegangsbruggetje (1747) tot de pastorie te Proven wijst op een oorspronkelijke omwalling.

Te Reningelst bewaart een aangepast 19de-eeuws boerenhuis nog grosso modo een oudere linkerzijpuntgevel als vermoedelijke restant van de oude pastorie. Het betreft een interessant voorbeeld van lokale baksteenarchitectuur getypeerd door het gebruik van lichtere bakstenen voor de datering 1702 opgenomen in het metselverband, de muurvlechtingen en de omlijsting van de muuropeningen. Voornamelijk markant is de schelpvulling van het verdiepte zoldervenster; zij lijkt een unicum te zijn in het bestudeerde gebied. Dit typische renaissance vensterornament uit de Westhoek - vaak ook in combinatie met een aedicula-omlijsting (zogenaamde "tabernakelvenster") - dateert in het Veurnse doorgaans uit het laatste kwart van de 16de en de eerste helft van de 17de eeuw.

De belangrijkste component van de landelijke architectuur is de hoevebouw, waarvan het overzicht hier beperkt blijft tot een algemene typologie. De oudst bewaarde hoeven dateren op enkele uitzonderingen na uit de 18de eeuw; de jongste zijn de wederopbouwhoeven van na de Eerste Wereldoorlog.

De doorsnee-hoeven laten zich opsplitsen in twee types respectievelijk met losstaande bestanddelen en met langgestrekte aanleg. Hun bouwmateriaal is baksteen. Vakwerkbouw, lokaal "plat en stak" genoemd, is zeldzaam geworden; zij dateert grosso modo uit het laatste kwart van de 18de en de eerste helft van de 19de eeuw. Het stijl- en regelwerk heeft lemen of recentere bakstenen vullingen, en vormt een overgangstype wat betreft de afstand tussen de stijlen; ze houdt hier ongeveer het midden tussen de ver uit elkaar staande stijlen (onder meer in Limburg), en de erg smalle onderlinge afstand (Normandië en Engeland). Een horizontale plankenbeschieting ("berd") wordt doorgaans enkel aangetroffen bij de lange gevels van dwarsschuren en dit tot in het begin van de 20ste eeuw.

De dakbedekking bestaat meestal uit pannen, soms ter vervanging van de oorspronkelijke strobedekking die slechts sporadisch bewaard bleef. Een leien dak is uitzonderlijk en wordt enkel aangetroffen bij boerenhuizen van enig belang (bijvoorbeeld de herenhoeve "'t Weenshof").

Het meest voorkomend is de hoeve met losse bestanddelen van één bouwlaag onder pannen zadeldaken met overstekende dakrand op houten modillons, geschikt rondom een erf met het boerenhuis ongeveer ten noorden De meeste erven zijn recent verhard; bakstenen stoepen en vaalt - nu dikwijls ingenomen door een siertuin - worden zeldzaam. Een moestuin en voornamelijk nog resten van een boomgaard, kunnen tot de onmiddellijke omgeving van het erf behoren; hagen zijn nog uitzonderlijk aanwezig. Resten van omwallingen worden sporadisch aangetroffen; een boerenhuis gebouwd op een terp is een zeldzaamheid (onder meer hoeve "'t Hooghof" te Roesbrugge-Haringe).

Het oorspronkelijke boerenhuis leunt doorgaans aan bij het langgestrekte type, ten gevolge van een links of rechts aanpalende stal onder hetzelfde, doorlopende zadeldak dat soms ook geknikt is (onder meer een hoevetje in Krombeke, hoeve in Watou). Het beschikt over een onderkelderd gedeelte waarboven de opkamer of de "vaute" zich bevindt; hierbij sluiten doorgaans twee leefruimten aan, waaronder de "beste kamer". De vensters zien uit op het erf. Slaapvertrekjes, keuken en "achterkeuken" bevinden zich aan de achtergevelzijde (noordgevel), die uiteraard meer gesloten is. De eenvoudige bouwtrant wordt doorgaans getypeerd door de houten kozijnconstructies van ramen en deuren, die bij het 18de-eeuwse boerenhuis soms geprofileerd zijn. Zijpuntgevels hebben bij de boerenwoning uit de 18de eeuw en het begin van de 19de eeuw soms een aandak; een afwerking met muurvlechtingen is meer courant en wordt ook langer gebruikt.

Het lokale schuurtype is de dwarsschuur ; zij kan naargelang haar grootte ook het wagenhuis en een stal herbergen. Een uilengat bevindt zich doorgaans in de top van de bakstenen zijpuntgevels; dateringen door middel van uitstekende baksteenkoppen of lichtere bakstenen opgenomen in het metselverband, kunnen evenals bij de boerenhuizen deze gevels markeren.

Alleenstaande wagenhuizen zijn zeer zeldzaam. Het betreft gebouwtjes op rechthoekige plattegrond, en opgetrokken uit stijl- en regelwerk met horizontale plankenbeschieting of uit baksteen.

Het meest kenmerkend bestanddeel van de hoeve uit de Poperingse hopstreek is de typische hopast, lokaal de "kete" genoemd, uit de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. Hij ligt enigszins afgezonderd van de overige hoevegebouwen omwille van het brandgevaar. Dit eenvoudige bakstenen gebouwtje wordt versterkt door muurankers ter hoogte van de droogvloer, en is doorgaans nog duidelijk herkenbaar aan de gek (soms ook twee tot drie gekken) op het zadeldak. 20ste-eeuwse hopasten zijn meestal iets hoger opgetrokken; hun oudere soortgenoten getuigen sporadisch van een versteningsproces.

Het in 1955 ingezette machinale plukken van de hop (september) leidde tot een grotere hopbedrijfsconcentratie die gepaard ging met de oprichting van nieuwe, grotere en efficiëntere (minimaliseren van het brandstofverbruik ; gasolie) drooginstallaties meestal ondergebracht in omgebouwde schuren en betonnen loodsen. Hierdoor geraakten oude hopasten in onbruik, kregen een andere functie of werden omgebouwd. Alhoewel een systematisch onderzoek van interieurs niet onmiddellijk tot de opzet van de inventaris behoort, werden in de mate van het mogelijke toch enkele hopasten bezocht; hieruit bleek dat sommige hun drooginstallatie nog bewaarden. Deze bestaat doorgaans uit een lage vuurplaats van baksteen ("de stoel" of "zeuge"), die door middel van een brede trechter van baksteen of tegels (de "wieg", "hel" of "trachter") verbonden is met de droogvloer van houten latten (de "vlake") op zolderhoogte. Andere asten werden naar verluidt na de Tweede Wereldoorlog uitgerust met een meer gesofistikeerd stooksysteem, zoals een ondergrondse stookplaats (hoeve aan de Abeelseweg) of een verschuifbaar stooksysteem door middel van kleine vuurwagens (steenkool) op een rail ("Hofstede Remy").

Na de Eerste Wereldoorlog werden vernielde hoeven naar traditioneel model wederopgebouwd. Bij de wederopbouwhoeven blijven opstelling én bestanddelen, aanplantingen, bouwmateriaal, indeling, volumes en vormen grosso modo dezelfde als in de lokale (laat-) 19de-eeuwse hoevebouw.

Het kanton telt ook een aantal heren- of kasteelhoeven. De heren-boerenhuizen behielden in min of meerdere mate hun oorspronkelijke uitzicht; doorgaans overstijgen zij door hun originele vormgeving de doorsnee-hoevebouw.

Het "Blauwhuis" te Watou bewaart de opkamer in renaissancestijl. Deze wordt getypeerd door het gebruik van lichtere bakstenen voor de korfboogomlijsting van de verdiepte vensters, de afzaat met tandlijst, de hoekbanden, en de kroonlijst op consoles. Geprofileerde balksloffen met bladmotief en een natuurstenen schoorsteenmantel met Dorische zuiltjes sieren het interieur. Eveneens op Watou's grondgebied illustreert "Kortewilde" op fraaie wijze het belang van de houten kozijnconstructies (1779) opgenomen in een sober, evenwichtig opgebouwd boerenhuis.

Ondanks de doorstane perikelen van de Franse Revolutie en de Eerste Wereldoorlog weerspiegelt het "Kasteelhof" in de schaduw van de dorpskerk te Reningelst nog enigszins haar belang als hoeve bij het omwalde kasteel dat in 1793 verdween.

De Poperingse "Schipvaarthoeve" bezit een mooi geproportioneerd, 18de-eeuws herenboerenhuis met dubbelhuisopstand, kozijndeur- en vensters. De recente benaming is relevant voor de inmiddels verdwenen infrastructuur die de in 1367 ingezette kanalisatie van de Vleterbeek tot Poperingevaart met zich meebracht.

Voorts getuigt onder meer een merkwaardige, 19de-eeuwse herenhoeve van de relance die de Poperingse landbouwbedrijvigheid in deze periode kenmerkt. De symmetrie van het hoevecomplex gedomineerd door het hoge herenboerenhuis, evenals de rechte populierendreef onderstrepen haar belangrijkheid (herenhoeve).

De bewaarde kastelen of buitenplaatsen in het bestudeerde gebied klimmen op tot de 16de eeuw.

Het huidige boerenhuis van de "Tempeliershoeve" te Westvleteren gaat vermoedelijk terug op het kasteel van de heren van Zuydpene (Eikhoekstraat nr. 51). De inplanting (omwald "upperhoef" en neerhof) releveert nog de toestand zoals aangegeven op de Ferrariskaart (1771-1778). Als fraai voorbeeld van burgerlijke baksteenarchitectuur uit de 16de eeuw, is het een unicum in het kanton. De architectonische versieringen sluiten aan bij de typische baksteengotiek van de kuststreek: de tudor-, korf- en uitgelengde accoladeboogomlijstingen van de verdiepte muuropeningen sporadisch verrijkt met traceerwerk, de bakstenen naaldspits afgezet met hogels en vereenvoudigde wimbergen van de overhoekse toren, en het afwisselend baksteengebruik onder meer voor de talrijke metselaarstekens. Een soortgelijk metselwerk typeert ook de toren (1447) van de Sint-Rectrudis te Woesten.

De Franse Revolutie spaarde de fraaie poort in laatrenaissancestijl van het kasteel te Watou. De hardstenen rondboog is opgenomen in een portiektravee met halfronde Dorische pilasters en hoofdgestel; kalkstenen reliëfs met rankwerk en putti verlevendigen de boogzwikken en het fries met jaarcartouche 1620. Ook de zevenbogige toegangsbrug (jaarankers 1641 en 1881) suggereert nog de allures van het verdwenen kasteel dat volgens Sanderus tot de meest indrukwekkende van Vlaanderen behoorde; de plaats wordt sinds circa 1810 ingenomen door een mooi neoclassicistisch herenhuis. De oorspronkelijke zomerverblijven "'t Couthof" en "De Lovie" te Proven, werden achtereenvolgens in 1763 en 1856 opgetrokken. De bouwheren waren vooraanstaande Poperingenaren, respectievelijk J.F. de Sales Mazeman en J. Van Merris. Ondanks de oude kern heeft "'t Couthof" een 19de-eeuws, neoclassicistisch uitzicht; het koetshuis en de conciërgerie vertonen soortgelijke stijlkenmerken. Daarentegen contrasteert de Italianiserende neorenaissancestijl van het kasteel "De Lovie" naar ontwerp van architect P. Croquison (Kortrijk), met de meer landelijke, eclectische bouwtrant van de nutsgebouwen. Beide kastelen liggen in een park met 19de-eeuwse aanleg naar Engels model; tuinpaviljoentjes onderlijnen het arcadische karakter van deze landschapstuinen, dat bij "'t Couthof" het best bewaard bleef. Tijdens het derde kwart van de 19de eeuw drukten de kasteelheren ook een stempel op hun omgeving; onder hun impuls werd het beboste landschap ontgonnen en ontstond een landelijke architectuur, die zich voornamelijk op het vormelijke en decoratieve vlak onderscheidt van de traditionele, 19de-eeuwse hoevebouw.

Het jongste decennium wordt gekenmerkt door een versnelling in de verbouwingen en de vernieuwbouw. Hierdoor verdwijnen lokale karakteristieken als afwisselend baksteengebruik, houten kozijnconstructies, traditionele winkelpuien en geknikte of gebogen pannen zadeldaken met typische dakkapellen. Deze beeldtransformatie betreft voornamelijk 19de-eeuwse arbeiderswoningen in de stad; dorpswoningen en boerenhuizen bewaren in het algemeen beter de typologische elementen. Teelttechnische perfectie, reconversie en de gepaard gaande infrastructuur, tasten het oorspronkelijke boerenerf aan. Van een eigenlijke stadsuitleg buiten de nog niet voltooide ringweg kan men te Poperinge niet gewagen; het oorspronkelijke stervormige stadsweefsel vervaagt geleidelijk door recente "opvulverkavelingen". Poperinge bewaart vooralsnog het silhouet van een "open stad" in het platteland.


Bron     : Delepiere A.-M. & Huys M. 1989: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Ieper, Kanton Poperinge, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 11N2, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Delepiere, Anne Marie, Huys, Martine
Datum  : 1989


Relaties