Geografisch thema

Palmenlaan

ID: 16568   URI: https://id.erfgoed.net/themas/16568

Beschrijving

De Palmenlaan maakt deel uit van de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt", een prestigieus villapark in 1910 aangelegd op gronden van de familie della Faille de Waerloos. Het rechtlijnige tracé gelegen op het grondgebied van het district Antwerpen, verbindt de kruising van Ahornenlaan en Dennenlaan met de Beukenlaan. De aanleg dateert van 1931, samen met het doortrekken van de parallelle Della Faillelaan tussen Dennenlaan en Beukenlaan.

Historisch kader

"Den Brandt", een domein met oppervlakte van zowat 48 ha gelegen op het grondgebied van de gemeente Wilrijk, werd in 1910 met uitzondering van het kasteel door de erfgenamen van René Jacques della Faille de Waerloos verkocht aan de stad Antwerpen. Een beperkt gedeelte van de gronden bleef behouden als openbaar park, bedoeld om te worden ingelijfd in het nieuw te vormen Nachtegalenpark. Met dit doel verwierf de stad in dezelfde periode eveneens de domeinen Middelheim en Vogelenzang, een operatie die gepaard ging met grenswijzigingen tussen de stad Antwerpen en de gemeenten Berchem en Wilrijk. Voor het overgrote deel van de gronden van "Den Brandt", bestemd als villapark, verkreeg de familie della Faille de Waerloos een verkavelingsvergunning. Daarop werd in de schoot van de familie de naamloze maatschappij Extensions et Entreprises Anversoises opgericht, later bekend onder de naam Extensa, die instond voor de verkoop van de percelen van de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt". Een conventie tussen deze maatschappij en de stad Antwerpen, de zogenaamde "Conventie della Faille" bepaalde de stedenbouwkundige voorschriften, onder meer de aard en omvang van de op te richten gebouwen en het soort van gebouwen dat er niet mocht komen, zoals elke vorm van handel, nijverheid of horeca, verzorgings-, onderwijsinstellingen en kloosters. Voor de percelen gold een minimum oppervlakte van 1000 m² verminderd tot 600 m² voor bepaalde zones, en het aanwezige bomenbestand diende zoveel mogelijk te worden gevrijwaard. Het karakter dat voor de nieuw te bouwen landhuizen werd nagestreefd was dat van het 'parc habité', met een vrijstaande inplanting, een sierlijk omheinde voortuinstrook van 4 tot 6 m diep, een minimum afstand tussen de woningen van 8 m, en een opgelegde kroonlijsthoogte tussen 7 en 17 m. Mits naleving van de gestelde perceelsoppervlakte konden de woningen per twee tot maximaal drie worden gekoppeld. De noordwestelijke hoek van de wijk, samenvallend met de uiteinden van Acacialaan, Eglantierlaan en Berkenlaan, een sectie van de Kruishofstraat en de volledige Varenlaan, grotendeels op het grondgebied van Wilrijk, was voorbehouden voor aaneengesloten rijbebouwing 'de caractère architectural', met ruimte voor horeca. Hetzelfde gold voor het zuidwestelijke hoek van de wijk, samenvallend met de uiteinden van Cederlaan, Sorbenlaan, Vijverlaan en Dennenlaan. Alle bouwplannen dienden zowel door de maatschappij als door de stad te worden goedgekeurd, en voor de bebouwing gold een maximale termijn van twee jaar na verkoop van het perceel.

Het aanlegplan van de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt" werd ontworpen door hoofdingenieur-directeur van de dienst Wegenis Richard Lemeunier. Ten noorden aanleunend bij het voormalige militaire oefenveld Wilrijkseplein, wordt de wijk omgrensd door de Beukenlaan, de Groenenborgerlaan, de Cederlaan en de Berkenlaan. Hoofdas van de pittoreske parkaanleg met beboomde lanen is de Della Faillelaan, die in een wijde boog rond het Park Den Brandt loopt, en achtereenvolgens wordt gekruist door de Eglantierlaan, de Acacialaan, de Hagedoornlaan, de Kastanjelaan, de Olmenlaan, de Vijverlaan en de Dennenlaan. Een parallel circuit bestaat uit de elkaar kruisende Sorbenlaan en Ahornenlaan, waarop de pas begin jaren 1930 aangelegde Wilgenlaan, Platanenlaan en Palmenlaan aansluiten. Daarnaast fungeert de Seringenlaan als toegangsdreef tot Park Den Brandt in het hart van de wijk. De wegenwerken werden in 1911 en 1912 bij openbare aanbesteding toegewezen aan de aannemer van openbare werken Arthur Van Rijsseghem, en in twee fasen voltooid tussen 1911 en 1913. De aanplant van bomen en de verkoop van bouwgronden ging eveneens begin 1911 van start, waarna midden dat jaar al de eerste bouwaanvragen konden worden ingediend. Tot de naamgeving van de nieuwe straten werd in november 1911 beslist; de plechtige inhuldiging van de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt", met concerten en vuurwerk, vond plaats op 7 september 1913. Waar de wijk vóór de Eerste Wereldoorlog slechts een beperkte bouwactiviteit kende, met uitzondering van de speculatieve, verstedelijkte zone in de noordwestelijke hoek, vond de belangrijkste bebouwingsgolf plaats tijdens de eerste helft van de jaren 1920, gevolgd door een tweede tijdens de jaren 1950 en 1960. Afgelopen decennia stond de wijk opnieuw onder grote druk van de vastgoedmarkt, waarbij percelen zowel werden opgesplitst voor de bouw van bijkomende woningen, als samengevoegd voor nog grotere nieuwbouwvilla's. Een beperkt aandeel van de oorspronkelijke bebouwing, die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog ook al was getroffen door bominslagen, ging daarbij verloren.

Architectuur

Het tracé van de Ahornenlaan behoort in zijn totaliteit tot het eigenlijke villapark, waarvan het karakter wordt bepaald door open bebouwing op grote percelen. De landhuizen zijn naar bouwperiode op te delen in twee clusters: een voorzichtige start van de bouwcampagne eind jaren 1930, en een hernieuwde bouwactiviteit van begin tot eind jaren 1950.

De twee modernistische landhuizen die hier eind jaren 1930 tot stand kwamen, zijn beide in kern bewaard maar onherkenbaar verbouwd. Aan de villa Theofiel Buyck door Frans Peeters uit 1937 op nummer 6 werd een dakstructuur toegevoegd. Van de stijlvolle, nautisch gekleurde villa Boris Kotovitch door Joseph Selis uit 1937-1938 op nummer 4, oorspronkelijk met een cirkelvormige traphal en een overdekt zwembad, blijft na verbouwing en uitbreiding vrijwel niets meer over.

De villa’s die tijdens de jaren 1950 aan de Palmenlaan werden opgetrokken, behoren zonder uitzondering tot de meest conventionele, klassiek traditionalistische of regionalistische strekking binnen de toenmalige landhuisbouw. Representatieve voorbeelden zijn de villa R. Meinertzhagen door Marc de Vooght op nummer 3 en de villa Augusta Cobbaert-Stuer door Frank Blockx op nummer 5 beide uit 1951, de villa Maes door Léon Stynen en Paul De Meyer uit 1954, de villa met rieten dak gebouwd door de Société Immobilière Palma naar een ontwerp door Victor Gorlé op nummer 7 en de riante villa Henri Ackermans door Luc Viérin op nummer 12 beide uit 1955, en de villa Jacques Claes door Paul Tombeur uit 1957 op nummer 9.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 18#7095 (nummer 6), 18#8616 en 18#9656 (nummer 4), 18#29111 (nummer 3), 18#28044 (nummer 5), 18#33750 (nummer 7), 18#34034 (nummer 12) en 18#37260 (nummer 9).
  • MOENS J. 1989: Antwerpen 1921. Mondaniteiten en praatjes, Interbellum 9.2, 8-11.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2015


Relaties