Inhoudelijk thema

Vrijstaande bakovens en bakhuizen

ID: 17281   URI: https://id.erfgoed.net/themas/17281

Beschrijving

Definitie

De thesaurus van het agentschap Onroerend Erfgoed omschrijft bakovens en bakhuizen als volgt:

  • Bakoven: een vrijstaande, met hout gestookte broodoven, al dan niet in een bakhuis.
  • Bakhuis: een bijgebouw met een oven voor het bakken van brood.

Deze thematekst beperkt zicht tot het vrijstaande bakhuizen en bakovens. De binnenhuisovens of de bakovens aansluitend bij een gebouw worden niet behandeld.

Geschiedenis

De bakoven komt in Vlaanderen voor vanaf de Bronstijd (4000 tot 2800 jaar geleden). Omstreeks 800 voor Christus wordt er gegist brood gebakken in Europa. In Vlaanderen is broodbakken ingeburgerd vanaf het begin van onze jaartelling. De Romeinen verbeterden de techniek van de Vlaamse bakoven tot wat we vandaag kennen als een traditionele met hout gestookte bakoven.

Voor het grootste deel van onze geschiedenis bakte de boerenbevolking zelf zijn brood. De grote boerderijen hadden een eigen bakhuis. De kleinere boeren lieten hun zelfbereid deeg bakken in een gemeenschappelijk bakoven die aan een groep naburige erven toebehoorde. Soms voorzag de plaatselijke kasteelheer in een bakoven. De gemeenschappelijke ovens lagen steeds op goed publiek toegankelijke plaatsen. Er werd traditioneel één keer per week gebakken.

Om het brandgevaar te verminderen vaardigden verschillende dorpen en lokale heren verordeningen uit die bepaalden hoe ver een bakoven van de woningen moest afstaan.  

Bakovens en bakhuizen werden op het platteland nog opgetrokken tot de Tweede Wereldoorlog. Vanaf de jaren 1950 kocht men brood in de bakkerij of werd het door de bakker aan huis gebracht. De intrede van de moderne gasoven maakte thuisbakken bereikbaar voor iedereen.  Het gebruik van de traditionele bakoven verdween in de tweede helft van de 20ste eeuw.

In de laatmiddeleeuwse steden van de 12de en 13de eeuw werd brood bakken een beroep.  De bakkers verenigden zich in de bakkersgilde onder de bescherming van Sint-Niklaas.  Het bij de gilde gekochte brood werd ‘koopbrood’ genoemd.

Wie geen oven had kon zelfgemaakt deeg laten bakken bij een loonbakker (=loonbrood). Die loonbakker was geen lid van de bakkersgilde. Sommige boeren reisden naar de stad om bij de loonbakker hun brood te laten bakken.

Omstreeks 1900 kocht men zijn brood bij een warme bakker of in een "broodfabriek". Fabrieksbakkerijen ontstonden, al dan niet als coöperatieve, op het einde van de 19de eeuw. Tot de bekendste coöperatieve bakkerijen behoort wel die van De Vooruit in Gent. Broodfabrieken beschikten over een kneedmachine en meerdere met steenkool gestookte ovens.

Beschrijving

Er zijn drie vormen van bakovens bekend:

  • Bij het tweeledige bakhuis liggen het bakhuis en de bakoven in elkaars verlengde. Een hoog zadeldak overdekte het bakhuis en een lager zadeldak de bakoven. Dit is het meest voorkomende type van bakhuis;
  • Het éénledige bakhuis heeft een doorlopend zadeldak over beide delen van het bakhuis.
  • De eenvoudigste bakovens hebben geen voorgebouw. Volgens de literatuur werden er vooral in de provincie Antwerpen dergelijke bakovens opgetrokken.

De bakoven bestaat uit volgende onderdelen:

De onderbouw is de sokkel waarop de ovenvloer, het ovengewelf en de dakstoel van het dak rusten.

  • Bij de oudere bakovens is de onderbouw een houten onderstel. Dat was samengesteld uit twee draagbalken waarop dwarshouten liggen, eventueel aangevuld met kleinere balken.
  • Latere bakovens hebben een stenen onderbouw, opgevuld met een mengeling van steengruis, grond en zavel.
  • Soms is er een holle ruimte gelaten in de onderbouw, de zogenoemde "ovenkelder". De opening van de ovenkelder bevindt zich onder de ovenmond. In de ovenkelder worden de natte takkenbossen enige tijd bewaard om ze te drogen. Het keldertje doet ook dienst als vuurvrij assenkot, opslagplaats voor aardappelen of kippenhok.

De ovenvloer is het oppervlak waarop eerst het brandhout en daarna het brood geplaatst wordt. De vloer heeft een ovale vorm en is licht hellend. De hoeken zijn altijd afgerond. De ovenvloer bestaat uit twee lagen: een isolerende onderlaag die opgedeeld is in een zandlaag en een leemlaag en daar bovenop de eigenlijke bakvloer. Die laatste is vervaardigd uit een vuurvast materiaal zoals een hard gebakken bakstenen vloer of tegels.

Het ovengewelf omsluit de ruimte waar gestookt en gebakken wordt. De bakoven werkt met rechtstreekse verwarming: het vuur wordt gestookt in dezelfde ruimte als waar het brood wordt gebakken. Het gewelf slaat de warmte op die nadien, tijdens het bakken, wordt afgegeven. Een goede oven is achteraan hoger dan vooraan en heeft dus de vorm van een half ei of een halve peer. De ovenvlam wordt verplicht aan de ovenmond te dalen waardoor de hitte in de oven blijft en de vlam uitdooft voor ze uit de ovenmond komt. De nog bestaande bakovens hebben doorgaans een gewelf uit vuurvaste bakstenen, waarop een leemlaag van een tiental centimeter is aangebracht.

De ovenmond is de ingang van de oven. Tijdens het bakken wordt de ovenmond afgesloten met een metalen ovendeur. Vroeger werd een houten blok in de ovenmond gestoken, waarvan de randen bekleed waren met leem.

Langs de ovenmond wordt:

  • het brandhout in de oven gebracht, de kolen omgeroerd en de as afgevoerd;
  • toezicht gehouden op het stoken;
  • de rookafvoer gerealiseerd;
  • de deegballen in de oven "geschoten" en de gebakken broden uit de oven "getrokken".

Het bakhuis is het gebouw dat de oven voorafgaat. Het bakhuis wordt gebruikt om hout op te slaan, voorbereidingen te treffen, de gebakken broden te laten afkoelen en zowel de bakker als de producten te beschermen tegen de weersinvloeden.

Het gebruikte bouwmateriaal om het bakhuis op te trekken is streekgebonden. Zowel metselwerk als een houtconstructie of vakwerk van hout en leem komen voor. De bouwwijze is identiek aan andere landelijke gebouwen. De dakbedekking bestaat gewoonlijk uit pannen. Het bakhuis is steeds voorzien van een deuropening en soms ook vensteropeningen, al dan niet met luiken afsluitbaar. Een deuropening rechtop de ovenmond is nuttig om in de donkere oven te kunnen kijken.

In tegenstelling tot een vrijstaande bakoven heeft een bakhuis meestal een schoorsteen om de rook uit het bakhuis naar buiten te leiden. De schoorsteen bevindt zich in het bakhuis, net voor en boven de ovenmond. Een zeldzame keer is de schoorsteen volledig in leem is opgetrokken. De schoorsteen bestaat uit twee onderdelen:

  • een trechtervormige rookvang voor de ovenmond. De rook die via de ovenmond uit de oven komt wordt opgevangen. De rookvang steunt op twee pilaren aan beide zijden van de ovenmond of op een overkraging boven de ovenmond;
  • de eigenlijke schoorsteen die uitkomt naast de nok.

Het rudimentair ingerichte bakhuis had een vloer van aangestampte aarde of uitzonderlijk een afwerking met plaveien of baksteen. Het bakhuisgerief als de deegtrog waarin het deeg werd bereid, de deegschop en deegschraper en de baktuigen zoals broodschieters, ovenbezems en rakelijzers bleven meestal niet ter plaatse bewaard.

  • DEVREESE R. 2010: Vier elementenroute Dilbeek, Dilbeek.
  • VANNOPPEN H. 2007: Bakken in een broodoven Naast brood bakken is nu ook pizza’s bakken ‘cool’, Mores 8.3, 27-34.
  • WEYS J. 1963: Bakhuis en brodbakken in Vlaanderen, Sint-Martens-Latem.

Auteurs :  Mertens, Joeri
Datum  : 2020

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Vrijstaande bakovens en bakhuizen [online] https://id.erfgoed.net/themas/17281 (Geraadpleegd op 28-09-2020)