Inhoudelijk thema

Landgoederen

ID
17345
URI
https://id.erfgoed.net/themas/17345

Beschrijving

Definitie

Een landgoed is een grootgrondbezit in het buitengebied dat hoofdzakelijk gericht is op de exploitatie van gronden. Doorgaans vormt een kasteeldomein met een kasteel of landhuis, bijgebouwen en tuin of park de kern van het uitgestrekte grondbezit. De omgevende gronden, bestaande uit akkers, graslanden, bossen en overige natuurterreinen vormen het economisch areaal, waaruit de landgoedeigenaar de nodige inkomsten genereert. Het gehele eigendom vormt een multifunctioneel ensemble met een ruimtelijke samenhang die voortvloeit uit het centraal beheer van goederen.

Landgoederen hebben als ruimtelijke en economische eenheid de landinrichting van heel wat gebieden in Vlaanderen bepaald en hebben het landschap er mee vormgegeven. Het zijn socio-economische entiteiten met een rijke en vaak lange voorgeschiedenis, waarbij landgoederen met feodale oorsprong terug kunnen gaan tot de vroege middeleeuwen.

Landgoed: landadel & leenstelsel

Een landgoed is in oorsprong onlosmakelijk verbonden met de landadel, die de gronden en de hierbij horende rechten verwierf via het leenstelstel als leen of allodium. In ruil voor politieke en militaire dienstbaarheid vertrouwde de leenheer hen grote delen van zijn land of rechtsgebied toe. De macht van de landadel hing af van de grootte van het landgoed (‘het leen’ of ‘allodium’) en de rechten die hen verleend werden. Vaak maakte het landgoed de kern uit van een heerlijkheid of viel het ermee samen, waarbij aan het leen ook de nodige bestuurlijke en heerlijke rechten verbonden waren. De heerlijkheden in Vlaanderen ressorteerden onder het graafschap Vlaanderen, het hertogdom Brabant en het prinsbisdom Luik. Deze laatste wist de kleinere graafschappen Duras en Loon (1366) in te lijven. De graaf, hertog of prinsbisschop traden op als leenheer. In de feodale maatschappij ontleende de landadel haar macht, rijkdom én bestaansrecht aan het landgoed, dat in landelijk gebied – buiten de steden en stedelijke vrijheden – het politieke en bestuurlijke kader vormde.

Hoge middeleeuwen: mottekastelen (11de-13de eeuw)

In de hoge middeleeuwen (1000-1250) werd het landgoed bestuurd vanuit een mottekasteel, die de kern uitmaakte van het landgoed. Vanuit militaire overwegingen werden deze versterkte sites op strategische locaties ingeplant, met name langs waterwegen, in beekvalleien of in drassige en waterrijke terreinen, om controle uit te oefenen en tol te heffen. Het mottekasteel kende een typerende tweeledige structuur met omgracht opperhof en neerhof, waarbij een donjon of meestertoren op een opgeworpen aarden heuvel (‘de motte’) dienstdeed als verblijfplaats van de landadel. Het lager gelegen neerhof was uitgerust met een hoeve of kapel en was eveneens voorzien van een walgracht. Het mottekasteel gaf als politiek en bestuurlijk centrum in het buitengebied doorgaans aanleiding tot de ontwikkeling van de dorpskern. De kapel of kerk (eigenkerk) op of in de nabijheid van het neerhof groeide vaak uit tot parochiekerk. Uit economische overwegingen en veiligheidsredenen gingen ook rechtsonderhorigen zich vestigen in de nabijheid van de versterkte site en ontwikkelden zich woonkernen. Zij werden als pachter tewerkgesteld op het landgoed en brachten de heerlijke gronden in cultuur in opdracht van de landsheer. Eén van de belangrijkste inkomsten van het landgoed waren de landbouwopbrengsten via het verpachten van de heerlijke gronden. Een tweede belangrijke economische pijler van het traditioneel landgoedbeheer vormde opbrengsten uit de bossen. Als adellijke prerogatief speelde ook de jacht van oudsher een belangrijke rol op landgoederen. De landgoedeigenaars ontleenden aan het heerlijk jachtrecht hun sociale status en prestige.

Late middeleeuwen: burchten en kastelen (13de-14de eeuw)

Vanaf de 13de eeuw verloren mottekastelen geleidelijk hun militair-strategische betekenis en evolueerden zij naar versteende burchten of kastelen. Deze evolutie in de kasteelbouw ging gepaard met een toenemende nadruk op de residentiële functie. De donjon of woontoren boette op termijn aan belang als verdedigingsstructuur, ten voordele van comfort en woonkwaliteit: de woonvertrekken namen in omvang toe en werden steeds vaker ondergebracht in een zelfstandig residentieel geheel. In de vorm van hoektorens, poortgebouwen of ringgrachten hadden defensieve structuren echter wel nog lange tijd een belangrijke symbolische functie. In het ancien régime behielden ze hun ideologische waarde als materiële veruitwendiging van de adellijke levensstijl. De tweeledige structuur van het opperhof en neerhof werd aangehouden, waarbij het neerhof een volle ontwikkeling kende. Naast de kasteelhoeve verscheen een verscheidenheid aan bijgebouwen in functie van de exploitatie van akkers, weilanden en bossen en de uitoefening van de heerlijke rechten.

Renaissance (15de-16de eeuw)

Demilitarisering van burchten en kastelen

In de 15de en 16de eeuw zette de demilitarisering van landgoederen zich verder. Door de vroegmoderne oorlogsvoering verloren de defensieve structuren van burchten en kastelen stilaan volledig hun functie. In een poging het hoofd te bieden aan nieuwe belegeringstechnieken en artillerie lieten de landvoogden en hoge adel bastionstructuren opwerpen of opeenvolgende ringgrachten aanleggen. Ook deze aanpassingen bleken in een periode van toegenomen conflict weinig effectief, waardoor nagenoeg alle landgoederen hun militaire functie opgaven en de versterkingen afgeworpen of geslecht werden. De evolutie in de kasteelbouw maakte evenwel dat de relatie met de omgeving versterkt werd en de vrijgekomen ruimte voortaan ingenomen werd door aanzienlijke siertuinen in nabijheid van het kasteel. De invloed van de Italiaanse renaissance deed zich gelden in de aanleg van ornamentele tuinen met priëlen, berceaus, beelden en fonteinen. De kastelen zelf werden verbouwd en uitgebreid tot lichtere structuren, voorzien van grotere vensterpartijen, en werden in sommige gevallen zelfs volledig herbouwd in traditionele stijl. De renaissance-invloeden in de architectuur bleven eerder beperkt, maar lieten zich hier en daar gelden in de afwerking van portieken, omlijstingen en gaanderijen.

Hoven van plaisantie

Sociaal-demografische ontwikkelingen in de Zuidelijke Nederlanden in de 15de en 16de eeuw en de sterke bloei van de steden leidden tot de opkomst van een nieuwe politieke elite. Naast de traditionele landsadel (ook zwaardadel of 'noblesse d’épée' genoemd) namen in de vroegmoderne periode de geschoolde, stedelijke elites – waaronder magistraten, hoge ambtenaren en rijke kooplieden – een steeds belangrijkere maatschappelijke positie in. De zogenoemde ambtsadel ('noblesse de robe') nam daarbij bewust de adellijke levensstijl over, inclusief het bezit van een goed buiten de stad. Hoewel stedelijke elites al sinds de late middeleeuwen investeerden in verblijfplaatsen en land buiten de stad, kende de bouw van buitenplaatsen of hoven van plaisantie (ook speelhoven genoemd) vooral een sterke doorbraak in de 16de eeuw. In de omgeving van Antwerpen, dat in die periode uitgroeide tot een internationale handelsmetropool, kochten rijke patriciërs in grote getale buitenhuizen aan. Deze werden omgeven door siertuinen en waren door de aanleg en inrichting met grachten en dreven niet altijd te onderscheiden van een aloud adellijk landgoed. Toch waren deze vroegmoderne buitenplaatsen louter bedoeld voor ontspanning en representatie als tijdelijk verblijf en gingen deze niet noodzakelijk gepaard met uitgestrekt grondbezit, noch met heerlijke rechten. Via aankoop of vererving wist de ambtsadel echter ook feodale landgoederen en heerlijkheden te verwerven. Hierdoor ontstond vanaf de vroegmoderne periode een gevarieerd landschap van buitenplaatsen en landgoederen, waarbij niet alle buitenplaatsen als volwaardig landgoed of heerlijkheid werden beschouwd.

Barok & Verlichting (17de-18de eeuw)

In de 17de en 18de eeuw zetten de ontwikkelingen inzake kasteelbouw zich verder in functie van toegenomen wooncomfort en sier en groeiden landgoederen uit tot geënsceneerde ruimtes van macht, representatie en prestige. De tweeledige structuur van opperhof en neerhof evolueerde hierbij geleidelijk tot een ruimtelijke organisatie 'entre cour et jardin' met voorhof of erekoer en achterliggende parterretuinen, al of niet aansluitend op strakke drevenstelstels (sterren, ganzenvoeten,...). In relatie tot het residentieel hoofdgebouw werd de aanleg soms opgeluisterd met sierlijke bijgebouwen, oranjeries en tuinpaviljoenen, zoals belvedères, tempels, gloriëttes en theekoepels.

De administratie van het landgoed werd toevertrouwd aan een rentmeester die de inkomsten en uitgaven overzag en de landgoedeigenaar adviseerde in de aan- en verkoop van gronden en overige vastgoedtransacties en het beheer van bossen, graslanden, vijvers en boomgaarden of de ontginning van moerassen en heiden. Bij de hoge adel, die vaak over meerdere landgoederen beschikte in verschillende heerlijkheden verspreid over het land, stond een intendant-generaal aan het hoofd van het huis. De professionalisering en rationalisering van het landgoedbeheer resulteerden in een doorgedreven manipulatie van het landschap: door middel van dreven, kanalen en wegen werd getracht een optimale landinrichting te bekomen om het geheel aan eigendommen te overschouwen, de gronden te exploiteren en de opbrengsten (hout, wildbraad, bont, hooi, vis, fruit,...) te controleren. Het belang van de siertuinen bij het kasteel zorgden voor een toegenomen aandacht voor de waterhuishouding op het landgoed, waarbij de kanalisaties niet enkel dienden voor het voeden van de spiegelvijvers, grachten en fonteinen, maar ook ingezet werden voor transportdoeleinden.

In de geïllustreerde repertoria en landboeken uit de 17de eeuw en 18de eeuw zoals Sanderus’ Flandria Illustrata (1641), Le Roy’s Castella et praetoria nobilium Brabantiae et coenobia celebriora (1694) en de Saumery’s Les Délices du Païs de Liége (1738) lieten landgoedeigenaars hun kasteel of landhuis optekenen. Uit de gravures kan men de toegenomen invloed van het domein op het landschap aflezen, waarbij de omgevende gronden ruimtelijk gestructureerd werden met drevenstelsels en als economisch areaal in cultuur werden gebracht.

Vanaf de jaren 1780-1790 werd de Engelse tuinkunst geïntroduceerd in de Zuidelijke Nederlanden en werden de Franse baroktuinen en geometrische ontwerpschema’s in toenemende mate ingeruild voor de aanleg van een landschapspark of 'jardin anglais'. Samen met de vroeglandschappelijke aanleg verdween dikwijls een belangrijk relict van de feodale structuur, met name de slotgracht. Door het verbreden en opstuwen van waterlopen en integratie van de oude ringgrachten in serpentinevijvers trachtten landgoedeigenaars de indruk van een weids rivierlandschap op te wekken. De strak geometrische patronen van de 18de-eeuwse aanleg werden echter zelden volledig uitgewist, waardoor bij veel landgoederen de oude feodale structuren afleesbaar bleven.

Moderne tijden (19de-20ste eeuw)

De Franse Revolutie zorgde voor een ware kentering in het politiek-economisch bestel in de Zuidelijke Nederlanden met verregaande gevolgen voor het traditioneel landgoedbeheer: met de afschaffing van het ancien régime verdwenen ook de heerlijkheden en werden de heerlijke rechten afgeschaft. Tijdens het Franse Bewind werden vanaf 1796 bovendien heel wat kerkelijke goederen verkocht als nationaal goed, waardoor het uitgestrekte grondbezit van kloosters en abdijen veelal in particulier bezit kwam. De Belgische Onafhankelijkheid consolideerde het nieuw maatschappelijk bestel, waardoor landgoederen louter een particulier grootgrondbezit vertegenwoordigden, ontdaan van hun politieke en economische rechten. Naast de adel werden de rangen van grootgrondbezitters aangevuld met nieuwe burgerlijke elites, zoals industriëlen, bankiers en hoge ambtenaren, die een aristocratische levensstijl overnamen. Door de strategische aankoop van gronden, vaak van verbeurd verklaard kerkelijk bezit of nationaal goed, wisten velen van hen een aanzienlijk grondbezit te verwerven, waarbij nieuwe landgoederen werden opgericht en bestaande domeinen werden uitgebreid en heringericht. Als gevolg van de industriële revolutie nam deze nieuwe elite een steeds prominentere maatschappelijke positie in, waarbij het landgoed fungeerde als symbool van hun sociale status en prestige. Het bezit van een landgoed werd vaak gecombineerd met een stadsresidentie of herenwoning, waarbij de aantrekkingskracht van Brussel als hoofdstad van de jonge Belgische natiestaat duidelijk voelbaar werd. In de tweede helft van de 19de eeuw werden in Vlaanderen heel wat nieuwe landhuizen opgericht en werden bestaande kastelen en landhuizen verbouwd of herbouwd in uiteenlopende, vaak historiserende neostijlen. De kasteeldomeinen fungeerden doorgaans als zomerresidentie of jachtverblijf en werden slechts tijdelijk bewoond. Tijdens het najaar en het voorjaar verbleven landgoedeigenaars doorgaans in de stad, waar hun aanwezigheid, naast sociale en mondaine verplichtingen, noodzakelijk was voor de uitoefening van politieke, bestuurlijke en maatschappelijke functies.

Ondanks het wegvallen van de heerlijke rechten bleef de politieke invloed en machtspositie van de landgoedeigenaars aanzienlijk, mede dankzij de talrijke politieke mandaten en publieke functies die zij bekleedden op gemeentelijk, provinciaal en nationaal niveau. Waar nodig werd deze politieke en economische invloed aangewend voor verdere grondaccumulatie, veelal uit noodzaak voor de verfraaiing van de kasteeldomeinen, in het bijzonder voor de aanleg van uitgestrekte parken in landschappelijke stijl. In de 19de eeuw zetten zich, meestal sluimerend, verschillende inlijvings- of enclosure-operaties voort, waarbij delen van het openbaar domein en in sommige gevallen zelfs gehuchten of dorpskernen ingelijfd werden in de domeinstructuur en buurt- en voetwegen werden omgeleid of afgeschaft. In ruil voor de territoriale uitbreiding, dan wel uit overwegingen van weldadigheid en publieke dienstbaarheid, namen landgoedeigenaars vaak de verantwoordelijkheid op zich voor de bouw van noodzakelijke huisvesting en de aanleg van publieke infrastructuur binnen de gemeenten, wat zich onder meer vertaalde in de oprichting van parochiekerken, parochiezalen, rust- en weeshuizen, arbeiderswoningen, scholen en andere voorzieningen.

In de tweede helft van de 19de eeuw kwam de horticultuur tot bloei en werd de bouw van grote ommuurde moestuinen bij kastelen en landhuizen veralgemeend. In veel domeinen verschenen ook serres, die soms zelfs verwarmd konden worden. Door de verbetering van het transport en de ontwikkelingen in de landbouw was het voor landgoederen niet langer noodzakelijk om zelfvoorzienend te zijn. De nieuwe sociaal-maatschappelijke realiteit en heersende burgerlijke mores streefden bovendien naar een strengere klassenscheiding, die zich op het landgoed vertaalde in een uitgesproken ruimtelijke segregatie: zowel de verontreinigende aspecten van het landleven (mestvaalten, potstallen, ...) als de dienst- en productiefuncties (dierenverblijven, bakhuizen, wagenhuizen, ...) dienden zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken te worden. Deze evolutie leidde tot een grondige reorganisatie van het kasteeldomein en betekende finaal het einde van de feodale opperhof-neerhofstructuur. De kasteelhoeve werd uit de parkaanleg geweerd en werd in sommige gevallen zelfs volledig afgebroken samen met de overige neerhofgebouwen. In de plaats daarvan zagen nieuwe bijgebouwen het licht, zoals koetshuizen, personeelswoningen, boothuizen, ijskelders en ommuurde moestuinen, die op grotere afstand van het residentieel hoofdgebouw werden ingeplant. Vooral onder de personeelswoningen gelinkt aan landgoederen ontstond een zeer grote diversiteit met onder meer woningen voor rentmeesters, conciërges, koetsiers, hoveniers en jachtopzieners.

Reeds in de 19de eeuw ondervonden een aantal landgoederen de gevolgen van de industrialisering en grote infrastructuurwerken, onder meer de ontwikkeling van het Belgische spoorwegnet. Hoewel landgoedeigenaren in vele gevallen de plannen voor aanleg en inplanting van spoor- en weginfrastructuur trachtten te beïnvloeden, kon dit niet in alle gevallen vermeden worden. De infrastructuurwerken gingen vaak gepaard met onteigeningsprocedures en opsplitsingen van landgoederen. Toch bracht het spoor ook nieuwe kansen voor het landgoedbeheer en zorgde deze voor een betere of gunstigere ontsluiting van de kasteeldomeinen. De snellere verbindingen naar de consument zorgden voor de opkomst van nieuwe teelten, zoals de fruitteelt in Haspengouw, maar maakten ook dat de eigen producten van het landgoed snel de stedelijke residentie konden bereiken. Vaak werden in functie van de nieuwe spoorweg- en wegtracés oprijlanen en toegangen verlegd en werd de ontsluiting van het park hertekend.

De Eerste Wereldoorlog luidde het einde in van het traditionele landleven. Dalende inkomsten uit grondbezit, stijgende successierechten en toenemende loonkosten zetten het klassieke beheermodel onder druk. Vanaf de jaren 1950 raakten talrijke landgoederen versnipperd door nieuwe infrastructuurwerken en verkavelingen. Vooral de omgevende gronden buiten het kasteeldomein werden afgestoten, aangezien de opbrengsten uit het landgoedbeheer afnamen en de verkoop van gronden noodzakelijk werd voor het behoud en onderhoud van het residentieel hoofdgebouw, de bijgebouwen en het park.

  • BAETENS (ed.) R. 2013: Hoven van plaisantie, Antwerpen.
  • DE HARLEZ DE DEULIN N. 2022: Le jardin anglais. Evolution du goût et passion botanique sous l'influence des Lumières, Brussel.
  • DE MAEGD C. & VAN DEN BOSSCHE H.J. 2003: Historische Tuinen en Parken: Inventaris Limburg Deel 1 Gingelom Halen Herk-De-Stad Nieuwerkerken, M&L Cahier 8, Brussel.
  • DE MAEGD C. & VAN DEN BOSSCHE H.J. 2006: Historische Tuinen en Parken: Inventaris Limburg Deel 2 As Beringen Diepenbeek Genk Ham Hasselt Heusden-Zolder Leopoldsburg Lummen Opglabbeek Tessenderlo Zonhoven Zutendaal, M&L Cahier 12, Brussel.
  • DE MAEGD C. & VAN DEN Broeck M. 2007: Historische Tuinen en Parken: Inventaris Limburg Deel 3 Alken Borgloon Heers Kortessem Wellen, M&L Cahier 15, Brussel.
  • DE MEULEMEESTER J. 1983: Castrale motten in België, Archaelogia Belgica 255, 199-225.
  • DE MEULEMEESTER J. 1985: Aardige/Aarden monumenten, M&L 4.3, 24-31.
  • DENEEF R. (ed.) 2002: Historische Tuinen en Parken: Inventaris Vlaams-Brabant Holsbeek Lubbeek en Tielt-Winge, M&L Cahier 6, Brussel.
  • DENEEF R. (ed.) 2004: Historische Tuinen en Parken: Inventaris Vlaams-Brabant Bierbeek, Boutersem, Glabbeek en Oud-Heverlee, M&L Cahier 9, Brussel.
  • DENEEF R. (ed.) 2005: Historische Tuinen en Parken: Pajottenland - Zuidwestelijk Brabant: Bever, Dilbeek, Galmaarden, Gooik, Herne, Lennik, Liedekerke, Pepingen, Roosdaal, Sint-Pieters-Leeuw, Ternat, M&L Cahier 11, Brussel.
  • DENEEF R. (ed.) 2007: Historische Tuinen en Parken: Inventaris Vlaams-Brabant Hageland Noordoosten van Vlaams-Brabant Aarschot Begijnendijk Bekkevoort Boortmeerbeek Diest Haacht Keerbergen Rotselaar Scherpenheuvel-Zichem Tremelo, M&L Cahier 14, Brussel.
  • DENEEF R. (ed.) 2008: Historische Tuinen en Parken: Inventaris Vlaams-Brabant Zuidoostelijk Brabant - Haspengouw Geetbets Hoegaarden Kortenaken Landen Linter Tienen Zoutleeuw, M&L Cahier 16, Brussel.
  • DENEEF R. (ed.) 2009: Historische Tuinen en Parken: Inventaris Vlaams-Brabant Ten noordoosten van Brussel Kampenhout Kraainem Machelen Steenokkerzeel Vilvoorde Wezembeek-Oppem Zaventem Zemst, M&L Cahier 19, Brussel.
  • DENEEF R. (ed.) 2011: Historische Tuinen en Parken: Inventaris Vlaams-Brabant Noordwestelijk Vlaams-Brabant Affligem Asse Grimbergen Kapelle-op-den-Bos Londerzeel Meise Merchtem Opwijk Wemmel, M&L Cahier 20, Brussel.
  • DOPERE F. & UBREGTS W. 1991: De donjon in Vlaanderen Architectuur en wooncultuur, Leuven.
  • GENICOT L. F. 1976: Het groot kastelenboek van België: Burchten en hoevekastelen, Brussel.
  • GENICOT L. F. 1977: Het groot kastelenboek van België: Kastelen en buitenplaatsen, Brussel.
  • HEYDE S. & VAN DAMME S. 2022: The future of estate landscapes in Europe, Wageningen.
  • HEYDE S. 2015: Kasteeldomeinen: historische tuinen en parken in de zuidelijke Westhoek (1795-2015), Tielt.
  • JANSSENS P. (ed) 2014: Aristocratische residenties. Stadswoningen en buitenplaatsen in de provincie en het oude kwartier van Antwerpen (15de-21ste eeuw), Antwerpen.
  • JANSSENS P. 2014: Stand van het onderzoek naar de Antwerpse kastelen in: JANSSENS P. (ed.), Aristocratische residenties. Stadswoningen en buitenplaatsen in de provincie en het oude kwartier van Antwerpen (15de-21ste eeuw), Antwerpen, 5-15.
  • JANSSENS P. 2017: L’attrait de la capitale. Le regroupement de la noblesse dans la région bruxelloise (19e-21e siècle), Cahiers Bruxellois – Brussels Cahiers 49.1, 279-299.
  • LEROY F. 2010: Quand l’aristocratie et la grande bourgeoisie habitaient le quartier Leopold, Revue belge de Philologie et d'Histoire 88.2, 529-540.
  • LOMBAERDE P. 2014: De demilitarisering van burchten en kastelen in de vijftiende en zestiende eeuw. Casus Provincie Antwerpen in: JANSSENS P. (ed.), Aristocratische residenties. Stadswoningen en buitenplaatsen in de provincie en het oude kwartier van Antwerpen (15de-21ste eeuw), Antwerpen, 17-36.
  • PLOMTEUX G., WYLLEMAN L & STEYAERT R. 1985: Over kastelen en buitenplaatsen, parken en tuinen, M&L 4.5., 9-34.

Auteurs: Pevernagie, Thomas
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)

Bekijk gerelateerde erfgoedobjecten


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2026: Landgoederen [online], https://id.erfgoed.net/themas/17345 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.