Standbeelden en gedenktekens in de openbare ruimte worden doorgaans door een overheidsinstantie opgericht met een specifiek programma. De overheid of een andere officiële instantie wil er een bekend persoon, een belangrijke gebeurtenis mee eren, en wil deze persoon of gebeurtenis in de collectieve herinnering prenten door de keuze van een prominente plaats in de openbare ruimte. De kunstenaar ontwerpt het standbeeld of gedenkteken in functie van het programma, en kiest in functie van de opdracht een specifieke vormentaal.
Naast dit officiële, initiële programma, krijgen standbeelden of gedenktekens door bewoners, publiek of gebruikers vaak een bredere of andere betekenis dan deze die er in eerste instantie voor geconcipieerd was. Aan sommige beelden hangen gebruiken vast die zowel uit formele als informele tradities voortvloeien. Ze kunnen zowel een relatief recente oorsprong hebben als een historisch gegroeide betekenis. Zo zijn standbeelden in de publieke ruimte niet enkel materiële representaties van een officieel herdenkingsdiscours, maar ook plaatsen van dynamische praktijken.
Een van de meest wijdverspreide fenomenen betreft het aanraken van standbeelden, voornamelijk als ze gemaakt zijn van metaal of natuursteen. Het aanraken hangt vaak vast aan vormen van bijgeloof; zo gelooft men dat de aanraking kan zorgen voor geluk, vruchtbaarheid of andere voorspoed. Deze tradities worden vaak gedreven door een toeristisch narratief, waarbij toeristische gidsen het verhaal betrekken op de tradities. De aanrakingen richten zich regelmatig op de anatomische uitstulpingen van de beelden. Soms zijn dit ongepaste aanrakingen zoals aan geslachtsdelen of borsten, denk hierbij aan Molly Malone in Dublin en Julia in Verona die aan hun borsten worden aangeraakt. Vaak zijn er gevolgen voor de standbeelden die te maken hebben met de aanrakingen. De beelden verweren sneller op de plaatsen waar ze aangeraakt worden, wat leidt tot meer restauraties of het plaatsen van replica’s. Dit is wat er gebeurde bij Greyfriars Bobby in Edinburgh of het monument voor Everaard t’Serclaes in Brussel. Waar dit vooral een toeristisch fenomeen is, worden deze gewoontes slecht ontvangen door de lokale gemeenschap.
Een tweede wereldwijd fenomeen is het aankleden van standbeelden. De praktijk is meestal ingebed in tradities van religieuze devotie of folklore. Meestal staan er specifieke erfgoedgemeenschappen in voor de klederdracht van de beelden en gebeurt het aankleden volgens een bepaald ritme gepaard aan feestdagen of herdenkingen. Het object krijgt dan een performatieve dimensie. Voorbeelden van zulke standbeelden zijn bijvoorbeeld het devotiebeeld Virgen del Rocío in Sevilla, Jizõ beelden in Japan of Manneke Pis in Brussel.
Verder is het regelmatig zo dat standbeelden in de volksmond een alternatieve benaming krijgen, meestal van denigrerende aard, die in schril contrast staat met de oorspronkelijke intentie van het beeld. Het toekennen van dergelijke informele benamingen kan worden begrepen als een vorm van toe-eigening door het publiek, waarbij het officiële discours wordt ondermijnd, geherinterpreteerd of gerelativeerd. Dergelijke bijnamen vertrekken vaak van de vormgeving van het beeld. Waar de kunstenaar deze vormgeving zorgvuldig koos in functie van de officiële opdracht, wordt die niet altijd goed ontvangen door het publiek. Zo wordt in Dublin bijvoorbeeld het standbeeld van James Joyce in O’Connell street “The prick with a stick” genoemd.
Ten slotte worden standbeelden regelmatig gebruikt als tijdelijke of alternatieve herdenkingsplaatsen, los van hun oorspronkelijke betekenis. Vaak heeft het standbeeld dan wel een connectie met wat er juist herdacht wordt, alhoewel het toch een toe-eigening van de beelden inhoudt. Zo was er tijdens de Black Lives Matters-beweging een duidelijke toe-eigening van het discours omtrent standbeelden van koloniale figuren. De standbeelden werden bakens van protest tegen de vastgeroeste maatschappelijke structuren. Dit leverde een interessant nieuw debat op omtrent de dekolonisatie van de openbare ruimte.
In Vlaanderen zijn van elk van de eerder besproken fenomenen voorbeelden terug te vinden. Interessante voorbeelden zijn de ‘Fontein der Geknielden’ van George Minne in Gent of ‘Den Deugniet’ van Luc Verlee in Antwerpen. Beide hebben door toeristische gidsen een alternatief gebruik van aanraking gekregen. De voetjes van de geknielden aanraken zouden eeuwige jeugd beloven, anderzijds zou het achterste van Den Deugniet aanraken geluk brengen. De ‘Fontein der Geknielden’ kende ook al van bij zijn onthulling spotnamen; zo noemden de Gentenaars, die de naaktheid van de jongelingen aanstootgevend vonden, het de ‘Pisserkes’ of ‘Pietjesbak’.
Het gedenkteken voor de kettingbotsing in 1996 in Nazareth door Juliaan Lampens en Luc De Vos herdenkt een emotionele en moeilijke dag voor veel mensen. Toch heeft het de bijnaam de “Frietjes” omwille van zijn voor het grote publiek wellicht minder evidente vorm en kleur. Hier is duidelijk een schril contrast met het herdenkingsaspect en de luchtige bijnaam die het heeft gekregen.
In West-Vlaanderen zijn er enkele oorlogsmonumenten die een alternatieve benaming kregen. Zo kreeg het oorlogsgedenkteken te Passendale de bijnaam 'Treze Planke', het oorlogsgedenkteken te Nieuwpoort de bijnaam 'Treze Blèters' en een ander gedenkteken van Braecke in Nieuwpoort de naam 'Victorine'. Verder kreeg de gedenkzuil op de Kemmelberg de bijnaam 'Den Engel'.
Het standbeeld ‘Fons Sapientiae’ door Jef Claerhout in Leuven wordt regelmatig al spottend ‘Fonske’ genoemd, deze naam heeft echter de bekendheid van de officiële naam voorbijgestoken en is algemeen bekend als ‘Fonske’. ‘Fonske’ wordt regelmatig door lokale verenigingen gebruikt zo wordt hij nu en dan bij bepaalde gelegenheden aangekleed.
In Hasselt wordt het ‘Borrelmanneke’ aangekleed in thema van de start van de Jeneverfeesten, deze kleren worden geschonken door verschillende verenigingen en bedrijven uit de buurt. Het ‘Borrelmanneke’ opent de Jeneverfeesten waarbij er echte Hasseltse jenever uit het beeld stroomt.
Als laatste is er in Gent het ‘Breisterke’ van kunstenaar Jean-Pierre Clemençon. Het standbeeld beeldt een dame uit die zit te breien. Jaren na Clemençons dood zie je de breister nog steeds met wat wol of een breiwerk zitten die ze van buurtbewoners krijgt.
Er kan gesteld worden dat standbeelden in de publieke ruimte geen statische objecten zijn maar diverse betekenissen kunnen aannemen. Ze zijn vaak gelinkt aan erfgoedgemeenschappen die een bepaalde band met de beelden hebben en die actief betrokken zijn bij de betekenisproductie waarbij officiële discours soms links gelaten worden.
Auteurs: Coenen, Arthur
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)