Een oorlogsgedenkteken is een gedenkteken dat wil herinneren aan een oorlog of een kleiner conflict, aan specifieke oorlogsgebeurtenissen of aan een plaats die tijdens de oorlog veelbetekenend werd. Veel oorlogsgedenktekens zijn opgericht ter herinnering aan militaire en burgerlijke slachtoffers van een oorlog. Of ze brengen de daden van personen, groepen of militaire eenheden in herinnering.
Al in het 19de-eeuwse België werden gedenktekens opgericht, die ondergebracht kunnen worden in de categorie oorlogsgedenktekens. Eén van de oudst bewaarde is het gietijzeren gedenkteken ter herinnering aan slachtoffers van de Belgische Revolutie (Essen), opgericht in 1836-1844.
De Boerenkrijg (1798) bracht verschillende gedenktekens in Vlaanderen voort, zoals de kapel van Hilst (Hasselt) die oorspronkelijk in 1850 werd opgericht op de plaats waar een massagraf was teruggevonden. Toen in 1898 de honderdste verjaardag van de opstand groots herdacht werd – in een politiek-ideologisch klimaat van Vlaamse ontvoogdingsstrijd en katholieke reveil – werden gedenktekens opgericht op plaatsen waar de opstand hevig woedde. Zo markeren twee gedenktekens van de hand van Aloïs De Beule het begin en einde van de opstand: het gedenkteken in Overmere zou de strijdlust verbeelden terwijl dat van Mol het gebroken verzet, de woede en vertwijfeling toonde, maar ook de snel herwonnen levenskracht van de onderdrukte boeren.
Het gros van de bewaarde oorlogsgedenktekens in Vlaanderen is opgericht naar aanleiding van beide wereldoorlogen. Vooral na de Eerste Wereldoorlog werden bijzonder veel oorlogsgedenktekens opgericht. In België werden jaarlijks in de periode 1921-1924, tussen de maanden april en november, maar liefst drie à vier gedenktekens per week onthuld. Naar aanleiding van de Tweede Wereldoorlog werden er veel minder nieuwe gedenktekens opgericht. Vaker werden de bestaande gedenktekens van de ‘Grooten Oorlog’ aangevuld met nieuwe teksten en/of namen. Overigens worden tot op de dag van vandaag nieuwe oorlogsgedenktekens opgericht.
Deze oorlogsgedenktekens verschillen in initiatiefnemer, onderwerp, aard, architecturale kenmerken, stijl, ontwerper, grootte, vorm, figuratieve voorstellingen, gebruikte symbolen en teksten, gebruikte materialen,... Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen militaire gedenktekens en oorlogsgedenktekens die opgericht zijn door niet-militaire instanties zoals gemeenten, parochies, verenigingen of door particulieren.
Met militaire gedenktekens worden gedenktekens bedoeld die zijn opgericht door en/of ter herinnering aan bepaalde militaire eenheden of personen. Of ze willen herinneren aan bepaalde militaire gebeurtenissen. Doorgaans zijn ze op betekenisvolle locaties opgericht.
Militaire gedenktekens konden al tijdens een oorlog geconcipieerd of opgericht zijn. Zo zijn er een aantal gedenktekens bewaard die tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitse bezetter werden opgericht, zoals het gedenkteken voor de bemanning van zeppelin LZ-37 op de Westerbegraafplaats in Gent. Veel bescheidener is de Duitse gedenkmuur in het Praatbos (Diksmuide) die wellicht in augustus 1916 is opgericht door het ‘Lehr Infanterie Regiment’. In Wulpen, aan de andere – Belgische – kant van de IJzer, groeide bij Luitenant-generaal Michel in 1916 de idee voor de oprichting van een gedenkteken voor de Belgische Vierde Legerafdeling. Nog tijdens de oorlog liet hij de plannen voor een monumentale gedenkmuur uittekenen en werden brokstukken uit het puin van Nieuwpoort en Ieper verzameld.
Militaire oorlogsgedenktekens kunnen heel verscheiden zijn. Dit gaat van kleine bescheiden gedenkplaten, zoals voor vijf doden van het 8ste linieregiment op een hoeve in Alveringem, tot grootse gedenktekens getooid met heldhaftige teksten en strijdvaardige of overwinningssymbolen. Militairen willen dan ook vaak de oorlog herdenken in termen van veldslagen, overwinning en heroïek, zoals bijvoorbeeld het Franse gedenkteken Den Engel op de Kemmelberg (Heuvelland) of het gedenkteken voor de zogenaamde heroïsche laatste ‘charge’ van de Belgische Cavalerie in Burkel (Maldegem) illustreren.
Maar, hoezeer de bevelhebbers het ook zouden willen, een louter militaire, zeg maar glorieuze benadering van de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog – waarbij de vele menselijke verliezen niet aan bod komen – werd maatschappelijk moeilijk aanvaard. De militairen zagen zich na de wapenstilstand geconfronteerd met het stilaan verdwijnen van de vele tastbare bewijzen van de hard bevochten oorlog, omdat de frontzone meer en meer ‘opgeruimd’ en gecultiveerd werd. Geleidelijk aan verdwenen de zo fel bevochten slagvelden, de ontelbare stevige betonnen bunkers die aantoonden hoe sterk de vijand wel was en de loopgraven die de moeilijke levensomstandigheden in de frontzone aantoonden. Hierdoor werd een geallieerde herinnering aan de oorlog als een louter militaire overwinning sterk bemoeilijkt. Bovendien sloot het vieren van militaire overwinningen of veldslagen niet erg goed aan bij de leefwereld van de burgers aan het thuisfront, die geconfronteerd werden met de rouw om hun geliefden.
De tegenstrijdigheid tussen overwinningssymboliek enerzijds en aandacht voor menselijke verliezen anderzijds komt als geen ander tot uiting in de Menenpoort in Ieper, waar de buitenzijde is opgevat als een triomfboog, terwijl aan de binnenzijde de namen van maar liefst circa 55.000 vermisten opgesomd staan.
Legeraanvoerders worden vaak expliciet op gedenktekens gehuldigd. Sommigen kregen ook een heus standbeeld, in navolging van de 19de-eeuwse traditie om hooggeplaatste personen op een voetstuk te plaatsen omwille van vermeende kwaliteiten en heldenmoed, met als achterliggend motief de vaderlandsliefde aan te wakkeren. Een nu fel gecontesteerd voorbeeld is dat van Luitenant-generaal Jacques op de Markt in Diksmuide.
Een zeer populaire legeraanvoerder, die bovendien ook wordt gehuldigd op talrijke oorlogsgedenktekens die niet door militairen zijn opgericht, is Koning Albert. In West-Vlaanderen alleen al werden twee monumentale ruiterstandbeelden voor de ‘Koning-Soldaat’ opgericht, met name in Nieuwpoort op initiatief van de Nationale Oud-Strijdersbond én in Brugge op aansturen van een ‘Verbond’ van vaderlandse verenigingen.
Andere militaire gedenktekens beelden een anonieme soldaat uit, zoals ‘The Brooding Soldier’ in Sint-Juliaan: een imponerend maar ingetogen gedenkteken dat wil herinneren aan de Canadezen die meestreden in de gevechten volgend op de Duitse gasaanval van 22 april 1915. De voorgestelde soldaat buigt het hoofd en vouwt zijn handen over een naar beneden gericht geweer. “Rest on your arms reversed” wordt deze militaire groet genoemd.
De ‘Canadien’ zoals het gedenkteken 'The Brooding Soldier' ook wel wordt genoemd, buigt zijn hoofd in de richting van waaruit de gaswolk kwam aandrijven op 22 april 1915. De locatie en wijze van inplanting is dus erg betekenisvol. Dit geldt voor nagenoeg alle militaire gedenktekens: ze zijn opgetrokken op de plaats waar de betreffende eenheid verwoede gevechten geleverd heeft, een overwinning behaald heeft en/of zware verliezen geleden heeft. Of ze zijn opgericht op een plaats waar de eenheid gekazerneerd of lange tijd gekantonneerd is, of in de nabijheid van een militaire installatie. Soms is de locatie heel specifiek: de gedenkzuil voor de Royal Household Cavalry in Zandvoorde (Zonnebeke) is opgericht op de plaats waar het graf van Lord Worsley is teruggevonden. Van de graven van de andere 120 Britse vermisten van de gevechten op 30 oktober 1914 was geen spoor meer terug te vinden door later oorlogsgeweld.
Hoewel niet door militairen opgericht, maar wel verwijzend naar de militaire gebeurtenissen, kunnen hier ook de demarcatiepaaltjes worden vermeld. Deze paaltjes, kort na de oorlog opgericht door de ‘Touring Club de Belgique’, markeerden in principe de verste Duitse opmars (zoals aan de Dodengang in Diksmuide), maar dit blijkt niet steeds zo te zijn. “HIER WERD DE OVERWELDIGER TOT STAAN GEBRACHT” luidde het stoere opschrift, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog meestal werd verwijderd door de Duitse bezetter.
Behalve de militaire gedenktekens die vooral zijn opgericht op plaatsen waar er gevochten werd, werden er tal van gedenktekens opgetrokken door gemeentes, parochies, lokale verenigingen... In nagenoeg iedere Vlaamse stad of dorp werd er minimum één, vaak meerdere gedenktekens opgericht voor de slachtoffers afkomstig uit die gemeente. Maar ook voor slachtoffers van een bepaalde wijk, een instelling, enzovoort verschenen er gedenktekens, net zoals er ook provinciale of nationale gedenktekens werden opgericht. Ook particulieren wilden hun geliefden herdenken via een eigen gedenkteken.
In veel Belgische gemeenten werden er in 1919 Vredesfeesten georganiseerd. Vaak werd er bij die gelegenheid (of in de daaropvolgende jaren) een vrijheidsboom of vredesboom aangeplant zoals bijvoorbeeld in Sint-Laureins. Lokale verenigingen, en dan vooral oud-strijders, politici of priesters, namen eveneens het initiatief tot de oprichting van een oorlogsgedenkteken ter ere van de omgekomen slachtoffers uit een stad, dorp, wijk, parochie of vereniging. Zij zamelden geld in en oefenden druk uit bij de gemeente of parochie om een gedenkteken op te richten uit eerbetoon aan de vele oorlogsdoden. Het gedenkteken van Assebroek (Brugge), ingehuldigd op 27 juli 1919, is één van de eerste oorlogsgedenktekens.
De doden waren in de eerste plaats burgers, die als familielid herinnerd werden. Het rouwproces werd evenwel vaak bemoeilijkt door het feit dat zoveel mannen op het vroegere oorlogsfront begraven waren, waardoor de rouwende familie gescheiden bleef van het lichaam van de dode. Of het graf van de geliefde was niet gekend. Een gedenkteken op een publieke plaats, met de namen van de oorlogsdoden, kon als ‘substituut-graf’ enige troost brengen. De herdenkingsplechtigheden bij deze oorlogsgedenktekens waren in wezen funeraire ceremonies.
Maar deze gemeentelijke of parochiale gedenktekens zijn meer dan dat, aldus antropoloog Johan Meire. De burgerlijke samenleving was danig gehavend door het verlies van een abnormaal hoog aantal doden, dat een openbare zingeving voor de surreële oorlog zich opdrong. Het herinneren aan dit verlies werd een maatschappelijke plicht. Voor de betekenisgeving werd geput uit een vrij traditioneel arsenaal van religieuze en patriottische symboliek. De dood werd heel vaak uitgelegd als een offer voor de betere naoorlogse samenleving dus kon de herinnering aan deze doden – die in feite helden waren – maar beter levendig gehouden worden. Door de oprichting van een oorlogsgedenkteken kon de gemeenschap haar dankbaarheid voor dit hoogste offer uiten, zoals bijvoorbeeld op het oorlogsgedenkteken van Proven bij Poperinge. Soms staat het thema van de wederopbouw centraal op het gedenkteken, zoals bij de Puinruimer van Antoon Van Parys in Deinze. Sommige gedenktekens, ook kapelletjes, werden opgericht uit dankbaarheid omdat het dorp gespaard bleef van vernieling. Voorbeelden zijn het oorlogsgedenkteken van Beernem en de Toepkapel, die op hoogste punt van Nederbrakel werd opgericht.
Vele gedenktekens werden opgericht in een klimaat van sterke ideologische tegenstellingen tijdens en vooral na de wereldoorlogen. In vele gemeenten zijn er meerdere oorlogsgedenktekens terug te vinden, die vaak dezelfde oorlogsslachtoffers herdenken: dezelfde namen komen bijvoorbeeld vaak terug op het gedenkteken op het plein én op gedenkplaten in de kerk. Mogelijk is dit het gevolg van achterliggende ideologische conflicten.
Alleen al de aard en vorm van een gedenkteken kon voorwerp zijn van stevige discussies, zoals bijvoorbeeld het oorlogsgedenkteken in Poperinge aantoont, waar er voorstanders waren van een utilitair gedenkteken in de vorm van een gebouw, bijvoorbeeld een stichting voor weduwen en wezen van oorlogsslachtoffers.
De opvattingen van de initiatiefnemers zijn doorgaans ook af te lezen van de aangewende teksten en symbolen. De aangewende teksten en symbolen kunnen in dat opzicht veel verklaren. Zeker het spanningsveld tussen Vlaamsgezinden en ‘belgicisten’ kon leiden tot stevige discussies over de aard en de plaats van het gedenkteken of de te gebruiken symboliek in woord en beeld. Agitatie en rellen bij de onthulling van gedenktekens kwam frequent voor, zoals bij de inhuldiging van het oorlogsgedenkteken van Ieper, waar er zelfs verschillende gewonden vielen. De woelige geschiedenis van de IJzertoren, en de dynamitering ervan in 1946, is bijzonder nauw verweven met de turbulente geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Andere gedenktekens, zoals de calvarieberg op 350 meter verwijderd van de IJzertoren, moesten hiertegen ideologisch weerwerk bieden.
Veel lokale gedenktekens werden opgericht op een centrale plaats in een stad of dorp, waar het een blikvanger kon zijn, met voldoende plaats voor herdenkingsmanifestaties. Of de inplanting van het gedenkteken dichtbij de kerk dan wel dichter bij het gemeentehuis verband houdt met ideologische beweegredenen, is niet altijd het geval of niet meer vast te stellen. Gedenktekens opgericht op initiatief van de parochie bevinden zich doorgaans wel in of nabij de kerk. Behalve in kerken werden er ook gedenkplaten opgehangen in toegangshallen van gemeentehuizen of instellingen zoals scholen. Oorlogsgedenktekens kunnen ook opgericht zijn op of nabij een kerkhof of begraafplaats, al dan niet deel uitmakend van een ereperk. Ze hebben zo een meer funerair karakter. Het oorlogsgedenkteken van Schiplaken vormt bijvoorbeeld één geheel met een ereperk van 90 grafstenen. Soms is de inplanting heel specifiek: het Sint-Rochusmemoriaal in Aarschot, naar een ontwerp van Marc Dessauvage is opgetrokken op de plaats waar velen werden terechtgesteld in augustus 1914.
Op stedenbouwkundig vlak werd er vaak grondig nagedacht over de inplanting, zoals bijvoorbeeld bij het gedenkteken van Ledeberg (Gent). Vele gedenktekens werden opgericht op een platform, al dan niet in een keurig aangelegd plantsoen afgezoomd met fraai hekwerk, zoals bijvoorbeeld in Diegem bij Machelen. Of in combinatie met een waterbassin of fontein, zoals in Geraardsbergen of Sint-Gillis-bij-Dendermonde.
Gemeenten konden na de wapenstilstand Duits oorlogstuig met de officiële status van ‘trofee op de vijand’ aanvragen bij de Centrale Recuperatiecommissie van het leger. Vaak werden deze oorlogstrofeeën aan de zijde van het lokale oorlogsgedenkteken opgesteld, maar ook andere betekenisvolle locaties werden hiervoor uitgekozen, zoals de ‘Kleine Berta’ op een geallieerde observatiepost in Boezinge.
Vandaag zijn vele oorlogsgedenktekens verplaatst naar een minder opvallende plek. Het platform en/of de sokkel is veelal verdwenen, waardoor het gedenkteken minder monumentaal geworden is. Ook het hekwerk en/of plantsoen is in vele gevallen spoorloos, waardoor het vaak lijkt alsof het gedenkteken een betekenisloos onderdeel van het straatmeubilair geworden is.
Een gedenkteken werd in eerste instantie opgericht om te voldoen aan een hoge, lokale nood aan rouw en zingeving, de artistieke kwaliteit vormde meestal niet een primaire bekommernis. Dat betreurde alvast de 'Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen' in oktober 1919, die het had over de bedroevende banaliteit van de meeste gedenktekens. De overheid bleek echter, door een laattijdige en gebrekkige financiering, niet in staat om op een adequate manier voorwaarden af te dwingen.
De stijl en artistieke kwaliteit kon heel verscheiden zijn. Zeker in steden, maar ook in kleinere gemeentes werden gerenommeerde beeldhouwers ingezet, die erin slaagden om artistiek hoogwaardige werken te realiseren. In andere gevallen werd het gedenkteken gerealiseerd door lokale ontwerpers en steenhouwers. Sommige beeldhouwers vervaardigden tientallen oorlogsgedenktekens.
Van sommige gedenktekens is geweten dat ze zijn samengesteld aan de hand van een catalogus, zoals van de firma Rombaux-Roland uit Ecaussinnes (Henegouwen), die ook een bijhuis had in Frankrijk waar ze meer dan 240 gedenktekens zouden gerealiseerd hebben. Uit deze catalogus kon gekozen worden uit een ruim gamma aan types sokkels, soldaten of andere figuren, teksten en symbolen: een soldaat in gevechtsuitrusting die gewapend met een geweer gezwind over het oorlogspuin stapt zoals in Keiem (Diksmuide)? Of een vrouw met een laurierkrans die een tekst schrijft op een obelisk zoals in Schellebelle (Wichelen)? Het kon grootser, maar ook bescheidener, zoals verschillende types obelisken getooid met specifieke teksten en symbolen.
Op de meeste gemeentelijke of parochiale oorlogsgedenktekens worden de namen van de te herinneren doden opgelijst, in sommige gevallen met bijkomende details over de wijze waarop ze slachtoffer werden van het oorlogsgeweld zoals in Gits (Hooglede). Meestal betreft dit mensen, die effectief in de gemeente geboren zijn of er woonden aan het begin van of tijdens de oorlog. Soms waren er andere redenen waarom een persoon op een lokaal gedenkteken wordt vermeld, zoals bijvoorbeeld op het oorlogsgedenkteken van Izenberge (Alveringem). Sommige personen worden op meerdere gedenktekens in verschillende gemeenten in herinnering gebracht. Via projecten zoals de Namenlijst (In Flanders Fields Museum) kan er informatie over de vermelde personen ingewonnen worden.
Sommige families hadden de behoefte om zelf een gedenkteken op te richten ter herinnering aan een omgekomen familielid. Vaak wordt deze persoon herdacht in de vorm van een glasraam, dat geschonken werd, zoals in de kerk van Stuivekenskerke. Soms waren dit heuse gedenktekens, zoals het standbeeld voor Armand Van Eecke in Merkem (Houthulst) of de kapel de Goussencourt in Kaaskerke (Diksmuide). Dergelijke private gedenktekens komen overigens niet alleen in de frontzone voor. In Appelterre-Eichem in Ninove staat er bijvoorbeeld in de tuin van een hoeve een privaat gedenkteken voor iemand die gewond raakte in de omgeving van Diksmuide.
De Tweede Wereldoorlog vormde de aanleiding tot een nieuwe reeks oorlogsgedenktekens, maar qua aantal bleek de monumentenijver beperkter. Deels heeft dit te maken met het verloop van de oorlog en de beperktere strijd die er in Vlaanderen geleverd werd: na de Achttiendaagse Veldtocht in mei 1940 volgde een vier jaar lange bezetting. Pas op het einde van de oorlog werd er opnieuw gevochten. Militaire gedenktekens werden vooral opgericht op plaatsen waar tijdens de Achttiendaagse Veldtocht en tijdens de Bevrijding zwaar gevochten werd. Op het ereperk met gedenkteken voor de Slag bij Vinkt bij Deinze worden zowel Ardeense Jagers als de vele burgerlijke slachtoffers herdacht en begraven.
Op gemeentelijk niveau werden de bestaande oorlogsgedenktekens van de Eerste Wereldoorlog vaak gerecupereerd: hierop werden de namen toegevoegd van de dode militairen, verzetslieden, politieke gevangenen, gedeporteerden, krijgsgevangenen, burgerlijke slachtoffers van bombardementen, enzovoort.
Er werden ook nieuwe gedenktekens opgericht, zowel door gemeentes als door andere verenigingen en instanties. Soms zijn ze opgericht om specifieke groepen van slachtoffers te herdenken, zoals het gedenkteken voor Michael Lustig en de holocaustslachtoffers in Gent of het provinciaal gedenkteken in Wijer bij Nieuwerkerken voor de Lambrechts, een familie verzetsstrijders: dat gedenkteken wil tegelijk een nationaal gedenkteken voor “alle dappere Belgische families” zijn.
Andere conflicten, zoals de Koreaanse Oorlog, leidden sporadisch tot de oprichting van nieuwe gedenktekens of ‘aanvullingen’ op bestaande gedenktekens. Maar ook de Eerste Wereldoorlog bleef na 1945 aanleiding geven tot de oprichting van nieuwe gedenktekens, tot op de dag van vandaag. Deze hoeven overigens niet van bouwkundige aard te zijn, zoals bijvoorbeeld de 138 herdenkingsbomen die in 2015 werden aangeplant om de exacte ligging van de Ieperboog in het hedendaagse landschap te tonen.
Auteurs: Decoodt, Hannelore
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)