In 2002 werd op de noordelijke zone van de zandrug van Witgoor een waarderend booronderzoek uitgevoerd naar een tijdens eerdere prospecties ontdekte steentijdvindplaats. Aanvankelijk werd 6,8 ha onderzocht met 567 boringen in een grid van 10 × 12 m. Nadat bleek dat de artefacten uitsluitend voorkwamen op de zandrug langs de rand van de natte depressie, werd 1,4 ha hiervan intensiever onderzocht met 469 bijkomende boringen in een grid van 5 × 6 m.
De positieve boringen bevinden zich vrijwel uitsluitend op de top en de naar de depressie gerichte flank van de rug, binnen een ongeveer 50 m brede strook. De tegenoverliggende helling en het achterliggende gebied bleven vondstloos. De artefactspreiding kon over minstens 400 m worden gevolgd. De bodem is overwegend goed bewaard, waardoor ook de ruimtelijke gaafheid van het archeologische niveau relatief hoog wordt ingeschat. Het lithische materiaal bestaat voornamelijk uit debitagemateriaal, (micro)klingen, afslagen en chips, naast onder meer kernen, eindschrabbers, een microlietfragment en kerfresten. Het materiaal wijst hoofdzakelijk op een mesolithische occupatie; finaalpaleolithische aanwezigheid kan niet volledig worden uitgesloten.
Auteurs: Meylemans, Erwin
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Beschrijving:
kenmerkend voor het mesolithicum: kerfrest, microklingen, gebruik Wommersom
voor een finaalpaleolithicische occupatie is er geen echte aanwijzing, maar het valt ook niet helemaal uit te sluiten