Op de Steenakker te Wijnegem werd tijdens opgravingen van de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie (AVRA), in samenwerking met de Nationale Dienst voor Opgravingen, tussen 1987 en 1990 een inheemse nederzetting uit de vroeg-Romeinse periode onderzocht. Het onderzoek sloot aan bij archeologische waarnemingen en opgravingen die op de Steenakker reeds sinds 1971 plaatsvonden. De nederzetting lag op een zandige hoogte tussen het Klein Schijn en het Groot Schijn, op ca. 8 m TAW. In totaal werd ca. 3280 m2 opgegraven.
De nederzettingssporen waren afgedekt door een geelbruine laag met handgevormd aardewerk, geïnterpreteerd als restant van de bodem uit de ijzertijd. Een belangrijk deel van deze laag en van de grondsporen was door latere landbouw, erosie en diepploegen aangetast. Binnen het onderzochte areaal werden zes gebouwen, twee grotere kuilen en 135 paalkuilen aangetroffen. Een reeds in 1973 opgegraven waterput bleek eveneens tot deze nederzetting te behoren. Het nederzettingsareaal is slechts gedeeltelijk onderzocht; de aanleg van de ringweg heeft waarschijnlijk een belangrijk deel ervan doorsneden. De auteurs ramen de oost-westdiameter op minimaal ca. 120 m en maximaal ca. 200 m.
De voornaamste structuren zijn twee vermoedelijke woongebouwen (I en II) en verschillende bijgebouwen. Gebouw I was een tweeschepige constructie van ca. 13 × 6,5 m (84,5 m2), met een centrale rij zware dakdragende palen en dubbele wandpalen. De auteurs reconstrueren een schilddak en interpreteren het gebouw waarschijnlijk uitsluitend als woonhuis. Gebouw II was eveneens tweeschepig, ca. 11 × 4,5 m groot, en bezat dubbele palen in de lange wanden. Mogelijk bestonden de wanden uit planken of vlechtwerk. Ook voor dit gebouw wordt een woonfunctie vermoed.
Gebouw III was een klein gebouw van ca. 4 × 5 m, mogelijk een berghok, werkplaats of stal voor kleinvee/pluimvee. Gebouwen IV en V waren vierpostenspijkers, respectievelijk ca. 2,3 × 2,3 m en 2 × 2 m groot. Gebouw VII werd slechts gedeeltelijk opgegraven. Een bijkomende palenconfiguratie (VI) kon niet overtuigend worden geïnterpreteerd en wordt eventueel als een omheining voor vee beschouwd. De twee grotere kuilen hadden geen duidelijke functie; kuil A wordt voorzichtig als mogelijke voorraadkuil geïnterpreteerd, terwijl de functie van kuil B onbekend blijft.
Over het terrein werden 8865 aardewerkscherven verzameld. Het gaat vrijwel uitsluitend om handgevormd, inheems aardewerk; herkenbaar geïmporteerd Romeins aardewerk ontbreekt. Het aardewerk is doorgaans zacht gebakken en verschraald met schervengruis. Slechts 3,2% is versierd. Onder de versiering komen onder meer vingertop- en nagelindrukken, golfranden, kamversiering, groeven en Kalenderbergversiering voor. De scherven vertoonden enkele duidelijke concentraties in de omgeving van de gebouwen.
Andere vondsten omvatten spinschijfjes in lavasteen en gebakken aarde, fragmenten van maalstenen in tefriet uit het Eifelgebied en vijf fragmenten van glazen armbanden. Deze omvatten Haevernick-types 7a, 8c, 3b en 9, waaronder kleurloze exemplaren met gele folie en kobaltblauwe exemplaren. Deze importproducten wijzen erop dat de bewoners, ondanks het overwegend lokale karakter van de materiële cultuur, toegang hadden tot bovenregionale uitwisselingsnetwerken.
De nederzetting wordt gedateerd tussen ca. 50 v.Chr. en 50 n.Chr., met een voorkeur voor de eerste helft van de 1ste eeuw n.Chr. Deze datering berust vooral op de typochronologie van het aardewerk en wordt ondersteund door dateringen van de waterput: een ^14C-datering van hout leverde 1900 ± 75 BP op (in de toen gebruikte calibratie: 19–148 n.Chr. bij 1σ), terwijl dendrochronologisch onderzoek van een andere plank een terminus post quem van 37 n.Chr. opleverde.
Economisch wordt de vindplaats als hoofdzakelijk agrarische nederzetting geïnterpreteerd. Pollenonderzoek van de waterput wees onder meer op akkerbouw, met roggeteelt, in een grotendeels open en ontgonnen landschap. Spinschijfjes kunnen verband houden met wol- of vlasverwerking. Het handgevormde aardewerk wordt als lokale productie beschouwd. De aanwezigheid van glazen armbanden en maalstenen uit Eifel-tefriet toont tegelijk contacten en import aan.
Auteurs: Meylemans, Erwin
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)