Opgraving uitgevoerd naar aanleiding van inrichting als KMO zone.
Zie waarneming 32055 voor het eerder uitgevoerde onderzoek in het gebied.
Verspreid over het terrein tien werden stenen voorwerpen gevonden: 3 schrabbers, 1 kling, 5 afslagen (waarvan 1 geretoucheerd), en 1 onbepaald fragment (fig. 14). Er waren geen aanwijzingen voor concentraties van silex objecten. In enkele sporen werden in totaal nog 36 fragmenten silex gehaald. Het betreft in hoofdzaak afslagen en fragmenten van afslagen: 23 waarvan 4 geretoucheerd. Daarnaast nog 8 klingen, waaronder 2 microklingen en 3 klingen met retouches, 1 microliet – vermoedelijk een gebroken trapezium – 1 kernfragment en 3 onbepaalde fragmenten. Hoogstwaarschijnlijk is het grootste deel van dit materiaal als residueel te beschouwen.
Het overgrote deel van de objecten kunnen niet aan een periode toegewezen worden, aangezien ze vrij algemeen voorkomen in de steentijden.
Een aantal vuurstenen objecten, met name de (micro)klingen en het vermoede trapezium, horen thuis in het mesolithicum.
Er werden twee grachten aangesneden die elk deel uitmaken van een rechthoekige funerair-rituele structuur. Deze structuren waren reeds grotendeels gekend uit vroeger onderzoek. Ook een reeds vroeger onderzochte kringgreppel werd blootgelegd en gecoupeerd op de twee plaatsen waar het spoor nog intact was.
De vondsten in de opvulling van grachten waren zeer gering in aantal en laten niet toe om deze structuren nauwer te dateren. In de vulling van de kringgreppel werden bij het huidig onderzoek geen vondsten gedaan.
Daarnaast werden nog twee crematiegraven gevonden die met enige voorzichtigheid in de metaaltijden gesitueerd worden. De bewaringsgraad van deze sporen is zeer slecht.
Bij de verschillende campagnes op het terrein te Destelbergen werden restanten van een ruimtelijk en chronologisch uitgebreide Romeinse nederzetting aan het licht gebracht. De oudste vondsten wijzen erop dat de bewoning hier een aanvang nam in de eerste helft van de 1ste eeuw n.Chr. en zeker doorliep tot de tweede helft van de 3de eeuw. Er werden ook aanwijzingen gevonden dat er nog occupatie bestond in de laat-Romeinse periode. De occupatie in de Romeinse periode valt grosso modo uiteen in twee hoofdfasen: een eerste periode loopt van de 1ste eeuw tot het midden of het derde kwart van de 2de eeuw n.Chr., en tweede periode vangt aan rond het eind van de 2de eeuw en loopt door in de 3de eeuw.
De aangetroffen bewoningssporen bestaan uit restanten van erfafbakening onder de vorm van grachten en palissades, hoofdgebouwen, bijgebouwen, waterputten, greppels, en kuilen van vermoedelijk artisanale aard.
De beschoeiing van één waterput bestond bovenaan uit vlechtwerk, wat dieper overging in een beschoeiing bestaande uit verticaal in de grond geheide eikenhouten planken en hoekbalken in een rechthoekige configuratie. De hoekbalken werden recht gehouden met behulp van horizontale dwarsstijlen die in uitsparingen in de balken vastgehecht zaten.
Drie stammen waren horizontaal tegen de oostelijke buitenzijde van de bekisting geplaatst. Deze stukken hout leken niet functioneel te zijn voor de beschoeiing van de waterput. Het zijn radiaal gekliefde stamdelen met een min of meer driehoekige doorsnede, één zijde met schors en mogelijk afkomstig van eenzelfde boomstam. Op het kopse vlak van deze balken waren letters in Romeins kapitaal te lezen. Zo zijn op balk H34 de gestempelde letters “RVER” zichtbaar. Op H19 zijn minstens twee lettercombinaties gedeeltelijk leesbaar: “MAR” en “VER”. De laatste balk (H47) toont vermoedelijk driemaal de letters “MARV” of “MARVV”. De letters zijn ongeveer 1,3cm hoog en lijken in het hout geslagen te zijn.
Bij het huidig onderzoek werden een aantal vroegmiddeleeuwse waterputten aangesneden, waarvan één waterput mogelijk een driehoekige houten schacht had. De overige waterputten waren voorzien van een rechthoekige bekisting en één heeft een beschoeiing bestaande uit een uitgeholde boomstam. Met uitzondering van één waterput die in de vroege Karolingische periode dateert, lijken alle andere vroegmiddeleeuwse waterputten Merovingisch van datering.
Archeobotanisch onderzoek op de vulling van één waterput levert iets meer inzicht in de gewassen die voor de vroege middeleeuwer beschikbaar waren in het Destelbergen van de 8ste eeuw, waarbij granen gerst, rogge en mogelijk haver door de bewoners werden gebruikt. Bepaalde onkruidresten wijzen op de aanwezigheid van moestuinen binnen de toenmalige nederzetting. Hier werden vlas, raapzaad, hennep en kervel verbouwd, en mogelijk ook erwten. Vruchten en noten werden waarschijnlijk deels in het wild verzameld (hazelnoot, braam, vlier en mogelijk bosbes), deels ter plaatse gekweekt of gekocht (pruimen).
Tijdens de volle middeleeuwen (10de–12de eeuw) was de westelijke helft van het projectgebied duidelijk bewoond. Er werden sporen van hoeves, bijgebouwen, waterputten, grachten, greppels en nederzettingsafval aangetroffen. De bewoningssporen zijn scherp begrensd in het oosten, mogelijk door een voorloper van een latere gracht. De bewoning lijkt zich vooral te concentreren in twee zones: ten oosten van de Ledebeek en in het noordelijke deel van het onderzochte gebied.
De site toont een dynamische bewoning met meerdere herbouwfasen, verschuivende oriëntaties en een duidelijke erfstructuur. De aanwezigheid van waterputten, grachten en nederzettingsafval bevestigt een intensief gebruik gedurende de volle middeleeuwen, met mogelijke continuïteit naar latere periodes.
In het onderzochte gebied werden duidelijk herkenbare sporen van bewoning uit de late middeleeuwen aangetroffen, met name in de vorm van grachten die niet enkel voor drainage dienden, maar vooral een erf afbakenden. Deze grachten, die vaak meerdere fasen van aanleg vertoonden, omsloten een centraal gebied waarbinnen een rechthoekige structuur werd blootgelegd. Door haar afmetingen en vorm wordt deze structuur geïnterpreteerd als een hoofdgebouw of een groot bijgebouw. Rondom dit centrale gebouw werden ook drie kleinere bijgebouwen geïdentificeerd, naast mogelijke restanten van eerdere bouwfasen.
Binnen het erf werden eveneens drie waterputten gevonden, die op basis van hun vondsten in de 13de en 14de eeuw werden gedateerd. De jongste vondsten in de grachten wijzen op bewoning tot in de 14de en 15de eeuw.
Drie brede lineaire grachtsporen en één smallere afbuigende gracht werden aangesneden.
Bron: DE LOGI A., DALLE S.. 2013: Destelbergen - Panhuisstraat. Archeologisch onderzoek - 2011, DL&H-rapport 8, Deinze.
Auteurs: Haneca, Kristof; De Logi, Adelheid; Meylemans, Erwin; Dalle, Sarah
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Beschrijving:
2 crematiegraven, en twee fragmenten van grachten die tot het grafcomplex behoren.
Beschrijving:
waterput en kuil met veel bewoningsafval.
Beschrijving:
Eén kuil en enkele greppels, palissade, paalsporen.
Beschrijving:
Enkele microklingen en een fragment van een trapezium.
Beschrijving:
enkele gebouwplattegronden, waterputten, grachten en greppels. De grachten en greppels fungeerden vermoedelijk als erfafbakeningen
Verschillende fasen, van 13de tot 15de eeuw.
Beschrijving:
Uit de vorige opgravingscampagnes werden enkele vermoedelijke huisplattegronden gedistilleerd. Daarnaast dateren 5 waterputten uit deze periode
Beschrijving:
Restanten van erfafbakeningen (grachten en greppels), hoofdgebouwen en bijgebouwen, waterputten, en greppels en kuilen van vermoedelijk artisanale aard.
Tot de oudste fase behoort o.a. een huisplattegrond van het Alphen-Ekeren type. Tijdens de eerste eeuw krijgt de site een planmatige indeling, o.a. met de aanleg van een omgrachting, en minimum 2 hoofdgebouwen. Aan het einde van de 2de eeuw wordt de site heraangelegd. In functie hiervan werd het terrein genivelleerd; pollenonderzoek wijst ook op gedeeltelijke ontbossing.
2 brandrestengraven.
1ste helft 1ste eeuw n.Chr. tot 2de helft 3de eeuw n.Chr. Vermoedelijk in twee fasen onder te verdelen (1ste eeuw tot midden 2de eeuw; eind 2de eeuw- 3de eeuw).
Beschrijving:
verschillende grachten.
Beschrijving:
zandwinningskuilen, die een gedeelte van het terrein sterk verstoord hebben.
| Aantal | 43 st |
Beschrijving:
vooral afslagen, 3 schrabbers, en enkele klingen. De stukken kwamen verspreid over het opgravingsterrein voor, zonder duidelijke concentraties.
Beschrijving:
verschillende hoofdgebouwen (hoeves), bijgebouwen, waterput, grachten, greppels en depressies met nederzettingsafval. De bewoning lijkt in twee zones opgesplitst te zijn.
In verschillende fasen, vanaf de 10de eeuw tot begin 13de eeuw.