Wange-Damekot is het onderwerp geweest van meerdere onderzoekscampagnes ondernomen door KU Leuven tussen 1989 en 1999. De campagne werd voortgezet in 1997-1999 in het kader van een onderzoeksproject naar de Frankische migratie in Vlaanderen. project over de Frankische migratie in Vlaanderen en Nederland. Slechts een selectie van werd opgegraven tijdens deze laatste campagnes, de rest bleef bewaard in situ. In 2014 vond de meest recente opgraving plaats.
De aanwezigheid van Wommersomkwartsiet vertoont twee specifieke mesolithische reductietradities: enerzijds een vroeg- tot middenmesolithische debitage via directe percussie met zachte stenen klopper en anderzijds een laat- tot finaalmesolithische indirecte percussie op unipolaire frontale kernen. Omdat het Wommersomkwartsiet geen enkel spoor van Bandkeramische bewerking vertoont en diagnostische mesolithische microlieten ontbreken, betreft het residueel mesolithisch materiaal dat voortkomt uit vroegtijdige bewerkings- en ontginningsactiviteiten nabij de Wommersomse Steenberg (op 2,2 km). Het ftaniet (137 stuks) is vertegenwoordigd door gebroken afgewerkte dissels en productie-afslagen, wat wijst op lokaal onderhoud en vormgeving van houtbewerkingsgereedschap. Ruimtelijk concentreert het Wommersomkwartsiet zich in de zuidwestelijke zone (met spoor 405 als zuivere kwartsietcontext), terwijl de vuursteen- en ftanietconcentraties in het noordoosten duidelijke negatieve ruimtes omlijnen die corresponderen met de ligging van Bandkeramische langhuizen.
De oudste sporen dateren uit het vroegneolithicum, namelijk bandkeramische kuilen, silo’s, leemextractiekuilen en paalkuilen (5300 v.Chr.-5230 v.Chr.). Een huisplattegrond kon niet worden opgesteld omwille van de sterke erosie. Het Bandkeramische vondstenbestand van de site Wange Damekot omvat in totaal 4.741 scherven, waarvan er 3.379 afkomstig zijn uit in-situ sporen. Een typologische en petrografische studie van 26 stalen verdeelde dit materiaal macroscopisch in 23 groepen ('ruw', 'fijn' en 'cat. III') en microscopisch in 9 petrografische typegroepen. De dominante magering bestaat uit kwarts (30-50% bij ruw en tot 70-80% bij fijn) en grog/potgruis (15-30%), terwijl lokale mineraalindicatoren zoals glauconiet in meerdere stalen voorkomen. De kleisamenstelling met een laag kalkgehalte en specifieke ijzerverbindingen toont aan dat het vaatwerk overwegend lokaal geproduceerd is of nabijgelegen kleibronnen. De aanwezigheid van exogene elementen zoals serpentijn (onder meer in een afwijkende rode scherfgroep) en zeldzaam botmateriaal duidt daarnaast op de import van grondstoffen of afgewerkte potten. Tot slot bevestigen specifieke scherven met verbrand bot als magering en een striated b-fabric een duidelijke aanwezigheid van en technologische interactie met de Limburgkeramiektraditie.
Het archeologisch materiaal omvat, naast goed vergelijkbare versierde en onversierde keramiek, praktisch alle typen werktuigen. Een gedetailleerde technologische en ruimtelijke analyse van het volledige lithische materiaal van Wange Damekot (3.289 artefacten) toont een divers grondstoffenspectrum dat gedomineerd wordt door fijnkorrelige Haspengouwvuursteen (54,5%), aangevuld met Wommersomkwartsiet (18,4%), verbrande vuursteen (10,1%), gele vuursteen (4,9%), ftaniet (4,2%) en diverse overige vuursteen- en kwartsietsoorten. De vuursteenindustrie sluit met haar klingen- en werktuigtypologie (gedomineerd door eindschrabbers, pijlspitsen en sikkelklingen) en indirecte percussietechniek volledig aan bij de gestandaardiseerde Bandkeramische traditie.
Gelijktijdig met de kuilen en paalkuilen werd een skelet aangetroffen. Het skelet was volledig vergaan, maar de lijkschaduw was nog zichtbaar. Het lichaam lag op de linkerzijde met opgetrokken knieën en geplooide armen. Ter hoogte van de handen lag een microkling en bij de voeten een zandsteen. Verder bevatte de kuil silexafslagen en afslagen in Wommersom en houtskool.
Uit de late ijzertijd kon een Oost-West georiënteerde tweeschepige huisplattegrond gereconstrueerd worden, net zoals enkele spijkers. Er werden afvalkuilen met inheems aardewerk, situlavormige potten, wijdmondige potten en grote voorraadpotten en fragmenten van glazen armbanden aangetroffen. Ook werd een ijzer en brons metaalbewerkingsworkshop opgegraven en in 2023 opnieuw bekeken. Een sierobject, een klein bronzen voorwerp in de vorm van een hoofd: 32 mm hoog, 22 mm breed en dikte van 9 mm werd aangetroffen. De stijl is karakteristiek voor de overgang van de late ijzertijd naar de vroeg Romeinse periode.
Over een afstand van 235 meter werd een V-vormige gracht teruggevonden, parallel met de Kleine Gete. De maximum breedte is 270 cm en diepte 165 cm. Het zuidelijke deel heeft een nagenoeg rechtlijnig verloop en een onderbreking van ca. 5 m. Mogelijk is de gracht gerelateerd aan de Romeinse wegen.
In de gracht werd aardewerk werd een aanzienlijke hoeveelheid technisch aardewerk gevonden: vrij dikwandig, donkergrijze kern en geel tot roze binnen- en buitenwand en een Avaucia-muntje (30-20 v.Chr.). De vondsten dateren de gracht tussen de 1ste eeuw v. Chr en de 1ste eeuw.
Sporen van houtbouw markeren een eerste Romeinse fase. De middelgrote huizen met een centrale palenrij zijn van het type Ekeren-Alphen, een aantal 4-posten spiekers werden ook aangetroffen. In de vulling van de paalgaten werden fragmenten van een ribbenschaal en terra nigra-aardewerk teruggevonden. De hotubouwfase dateert uit de 1ste helft van de 1ste eeuw. Na verloop van tijd werd dit huis vervangen door een groter gebouw met zware centrale nokpalen.
Op het terrein werd ook een kleine Romeinse villa aangetroffen met een naar het zuidoosten gerichte porticus. Er zijn sporen van een houten voorganger van een Gallo-Romeinse villa aangetroffen die te dateren zijn rond het einde van de 1ste eeuw of begin van de 2de eeuw. Tot deze fase behoorde een kelder met afmetingen van circa 5 m bij 3 m met een uitgraving tot een diepte van 1,5 onder het huidige maaiveld.
Uiteindelijk verrees een gebouw in een pseudo-steenbouw (funderingen in steen en opgaande muren in vakwerk) met de typische kenmerken van een kleine Romeinse porticusvilla (porticus of zuilengaanderij met uitstekende risalieten of hoekkamers). Opvallend is de aanwezigheid van een kelderruimte onder de oostelijke hoekkamer.
Ter hoogte van de onderste trede van een trapconstructie naar de keldervloer werd een collectie van 700 metalen voorwerpen in brons en ijzer teruggevonden via onvergunde metaaldetectie. De hypothese luidt dat het zou gaan om een zak met metaalafval aan de toegang van de kelder. De meest opvallende stukken zijn onderdelen van een paardenharnas met o.a. Silenusbeslagje en een sierfragment met een Medusa op afgebeeld.
In de 3de eeuw AD werd de villa verwoest door een brand.
Op 200 m afstand van elkaar - en aan beide zijden van de (toenmalige ruïne van de) Romeinse villa - kwamen twee hutkommen (Grübenhauser) voor. Het geassocieerd vondstmateriaal wordt gedateerd in de 2de helft van de 4de eeuw.
Op een andere locatie werd een artisanale zone aangetroffen waar wellicht aan bot- en geweibewerking werd gedaan, alsook de vondst van terra sigillata-kommen met radstempelversiering, glas en metalen vorwerpen en laat-Romeinse munten. De voorwerpen werden in verstoorde context gevonden maar zijn voldoende talrijk om een continuïteit van bewoning in de directe omgeving te veronderstellen
De munten die werden aangetroffen zijn van: Claudius (268-270), Aurelianus (270-275) 2x, Tetricus I (270-273) 3x, Constantinus II (317-337-340), Constantius (324-361), Constans (333-337-350), Valens (364-378), Gratianus (367-383) en Valentinianus I (364-375) 2x.
In de 13de eeuw werden de Romeinse funderingen volledig uitgebroken. Met het oorspronkelijk Romeins bouwmateriaal werd een kelder gebouwd, met een rechthoekige vorm van 6,7 op 8,3 m. Ook deze kelder was, wegens de mooi gekapte stenen, ook deels uitgebroken. De kelder was opgevuld met allerlei bouwpuin: bakstenen, kwartsietblokken, dakpannen, botmateriaal en keukenafval. Het aardewerk bestaat vooral uit vroeg steengoed (Langerwehe, Schinveld-Brunssum) als laat Andenne. Deze kelder werd verwoest door een brand in de 14de eeuw.
Rondom de kelder werden regelmatige kuilen aangetroffen met een aanzienlijke diepte (tot 2 m) waarvan de vulling bestond uit humeuze grond met veel botmateriaal van meestal grote dieren, vermengd met sterk gefragmenteerd aardewerk en kleine voorwerpen. Een groot aantal ijzerslakken en ander metaalafval werd gevonden, wat de nabijheid van een smidse doet vermoeden. Er werden geen sporen van bewoning aangetroffen, maar de grondsporen geven de indruk in de periferie van de eigenlijke bewoningszone gesitueerd te zijn.
Uit de 14de tot de 16de eeuw werden twee munten teruggevonden: Willem II van Namen (1391-1418) en Brulé van Gerard van Groesbeek (1564-1580)
Tijdens de metaaldetectie werden enkele bronzen metaalslakken, een scherf Kemmelbergceramiek: roodbeschilderd, zwarte pasta met een fijne magering en versiering in geometrische figuren, 3 munten: denarius van Marcus Aurelius (161-180), een volledig versleten bronzen munt en een bronzen munt met de kop van een keizer (mogelijk Constantijn de Grote), een siernagel en een appliqué in de vorm van een everzwijn aangetroffen.
Auteurs: Cornelissen, Yasmine; Verspecht, An
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Beschrijving:
Gedetailleerd gekarakteriseerd Bandkeramisch aardewerkensemble (4.741 scherven, 9 petrografische groepen). Overwegend lokale productie op basis van Luvisol/Hannut-klei met kwarts- en grogmagering en reducerend bakproces (700-800°C), aangevuld met importindicatoren (serpentijn) en technologische elementen van de Limburgkeramiek (botmagering).
| Aantal | 1 st |
Beschrijving:
Residueel mesolithisch ensemble van Wommersomkwartsiet (604 artefacten) omvattende vroeg/middenmesolithische zachte stenen percussie en laatmesolithische indirecte percussie, voortkomend uit reductie-activiteiten nabij de Steenberg.
| Aantal | 3 st |
Beschrijving:
4de eeuw-5de eeuw
laat-Romeins tot vroege middeleeuwen