Vanaf 1986 werd archeologisch onderzoek uitgevoerd op een ca. 0,5 ha groot terrein op de hoek van de Kielenstraat en Predikherenstraat, in de oostelijke sector van de Romeinse stad Tongeren. Het terrein lag binnen de 2de-eeuwse stadsomwalling, maar buiten de laat-Romeinse omwalling. Een NNW-ZZO georiënteerde zijstraat van het Romeinse dambordplan doorsneed het onderzoeksgebied en vormde gedurende de Romeinse periode de structurerende as van de bewoning. Aan weerszijden ervan ontwikkelde zich een intensief bebouwde zone. De stratigrafie bestond uit een complexe opeenvolging van vloeren, ophogings-, puin- en brandlagen en constructiesporen. De Romeinse bewoning loopt van de laat-Augusteïsche periode tot het einde van de 3de eeuw.
De oudste sporen dateren uit de laat-Augusteïsche periode. In het latere onderzoek werd deze oudste bewoning verder opgesplitst in perioden IA en IB. Periode IA wordt gekenmerkt door kuilen en greppels. De kuilen omvatten zowel regelmatige vierkante of rechthoekige exemplaren met vlakke bodem als onregelmatige, ondiepe kuilen. In één rechthoekige kuil werd een cirkelvormig spoor aangetroffen, mogelijk afkomstig van een ingegraven ton of organische beschoeiing; de structuur wordt voorzichtig als kleine beerput geïnterpreteerd.
Verschillende greppels hielden mogelijk verband met de drainage van het terrein. Eén ondiepe greppel was voorzien van dwarsliggende planken en werd geflankeerd door rijen aangepunte paaltjes. Andere regelmatig aangelegde greppels worden eveneens voorlopig met drainage in verband gebracht. Opvallend is dat de sporen reeds grotendeels de oriëntatie van de latere zijstraat van het dambordplan volgen. In het tracé van deze straat werd bovendien een aangepunt paaltje gevonden met een inheemse munt van het type au rameau, traditioneel toegeschreven aan de Nervii. De auteurs opperen dat het paaltje mogelijk verband hield met het uitzetten van het stratennet. De stratigrafische overlappingen wijzen op intense activiteit gedurende een relatief korte periode.
In de daaropvolgende fase bestond de bebouwing aan weerszijden van de straat uit minstens vier tweeschepige woonstalhuizen. Deze waren herkenbaar aan rijen diep ingegraven middenstaanders of nokdragers. Van huis 2 kon een breedte van ca. 8 m worden vastgesteld; huizen 2 en 4 waren minstens ca. 13 m lang. In huis 4 waren een binnenwand en een gedeelte van de stalbodem bewaard, waarin pootafdrukken van een rund zichtbaar waren. Mogelijk werd bij huis 1 de oorspronkelijke wandconstructie met palen later vervangen door een constructie op horizontale ligbalken. De auteurs wijzen erop dat dergelijke woonstalhuizen vooral bekend zijn uit rurale nederzettingen in Noord-België en Zuid-Nederland en dat hun voorkomen in Tongeren de toepassing van deze inheemse bouwtraditie binnen een stedelijke context illustreert.
Tijdens de Claudische periode verdwenen de tweeschepige woonstalhuizen en werden ze vervangen door andere houten gebouwen. Van een gebouw konden verschillende vertrekken worden herkend; in één ervan bevond zich een klein houten keldertje. Oversnijdende paalkuilen wijzen op verbouwingen. Een kiezelverharding kan tot een bijkomende weg of pad hebben behoord en mogelijk wijzen op een verdere onderverdeling van de insula.
Archeobotanische resten wijzen erop dat in deze vroege stedelijke fase nog agrarische activiteiten, met name graanverwerking, op het terrein plaatsvonden. Onder meer kafresten en akkeronkruiden werden aangetroffen. Vochtminnende planten kunnen verband houden met open, vochtige zones nabij een afwateringsgreppel. Gerst vormde in de 1ste eeuw een belangrijk bestanddeel van het graanspectrum.
De Neronische houtbouw werd bij de brand van 69/70 n. Chr. verwoest. De gebouwen waren opgetrokken met wanden op horizontale funderingsbalken, die op de bodem of in ondiepe greppels waren aangebracht. Deze constructiewijze wijkt af van de oudere paalbouw en sluit aan bij geromaniseerde stedelijke houtbouwtradities. De gebouwen waren bovendien relatief comfortabel afgewerkt. In een afvalkuil vlak onder de brandlaag werden talrijke fragmenten beschilderd pleisterwerk gevonden. Op de vloer van een afgebrand gebouw lag een schaaltje met rode kleurstof naast witte kalkvlekken, mogelijk aanwijzingen dat men kort vóór de brand de wanden opnieuw aan het bepleisteren en beschilderen was.
In de brandlaag werd tevens een grote verkoolde voorraad van naar schatting 6000 gerstekorrels aangetroffen, waarschijnlijk graan dat reeds voor consumptie was verwerkt. Samen met de overige botanische gegevens ondersteunt dit de interpretatie dat tijdens de vroege bewoningsfasen nog graanverwerking op of nabij het terrein plaatsvond.
Na de brand van 69/70 veranderde de organisatie van het terrein aanzienlijk, hoewel men in hout bleef bouwen. Langs de straat stond een gebouw waarin resten van ongeveer tien ovens werden aangetroffen. Kuilen met bronsslakken en de vondst van een smeltkroesje wijzen op bronsbewerking. Bij het gebouw bevonden zich tevens een met klei besmeerd waterbekken en een waterput. Een tweede, kleiner gebouw achter de straatbebouwing bevatte een houten kelder. Rond dit gebouw lagen verschillende diepe vierkante kuilen, waarvan sommige nederzettingsafval en gemineraliseerde planten-, insecten- en visresten bevatten. Mogelijk functioneerden enkele als beerput. In de bouwtechniek werden stenen pijlers in de houten wandconstructies opgenomen.
Vanaf deze periode lijkt de zone sterker te zijn verstedelijkt. De archeobotanische gegevens wijzen erop dat graan vanaf de tweede helft van de 1ste eeuw eerder werd geconsumeerd dan ter plaatse verwerkt.
In de tweede helft van de 2de eeuw bleef de bebouwing hoofdzakelijk in hout uitgevoerd. Dit was de laatste grote houtbouwfase op het terrein. Ze eindigde met een brand aan het einde van de 2de eeuw. Deze brand werd aan beide zijden van de straat vastgesteld.
De vondsten wijzen in deze periode ook op gespecialiseerde activiteiten. In een afvallaag werd een grote hoeveelheid runderbot aangetroffen, met een opvallende oververtegenwoordiging van schedeldelen en wervels. De auteurs interpreteren dit als slachtafval dat in korte tijd werd gedeponeerd en afkomstig was van tientallen dieren. Mogelijk bevond zich in de omgeving een plaats waar op relatief grote schaal runderen werden geslacht. Een houten keldertje dat rond het midden van de 2de eeuw als afvalkuil werd gebruikt, bevatte daarnaast meer dan 3500 botfragmenten, waaronder resten van rund, varken, schaap/geit, vogels, vis en twee fragmenten van moerasschildpad.
De auteurs wijzen voor de tweede helft van de 1ste en de 2de eeuw op een mogelijk relatief bescheiden sociaal-economisch karakter van deze stadswijk. Terwijl elders in Tongeren reeds steenbouw verscheen, bleef men hier lang in hout bouwen. Terra sigillata, glas en beschilderd pleisterwerk waren relatief schaars en afbraakmateriaal van stenen gebouwen werd hergebruikt in funderingen. Tegelijk zijn duidelijke aanwijzingen voor ambachtelijke activiteiten aanwezig, waaronder bronsbewerking en mogelijk grootschalige slachtactiviteiten.
Pas rond het einde van de 2de/begin van de 3de eeuw werd op het terrein op grotere schaal naar steenbouw overgeschakeld. Minstens twee bouwfasen konden worden onderscheiden. De gebouwen werden groter en waarschijnlijk stonden aan beide zijden van de straat stedelijke woningen met een gevelportiek. De bewaring was echter slecht: muren waren grotendeels tot in de fundering uitgebroken en de bijbehorende vloerniveaus waren verdwenen.
Tot deze periode behoorde ook een diepe waterput. Uit verschillende 3de-eeuwse waterputten en kuilen kwam brandafval, mogelijk afkomstig van een laatste brandfase. De stenen gebouwen werden vermoedelijk in de 4de eeuw systematisch uitgebroken, waarschijnlijk voor recuperatie van bouwmateriaal binnen de verkleinde laat-Romeinse stad. Het terrein lag immers buiten de 4de-eeuwse omwalling. Hoewel verspreid 4de-eeuws materiaal werd gevonden, waaronder Argonne-sigillata en munten, zijn geen aanwijzingen voor bewoning in deze periode vastgesteld.
Na de Romeinse periode lijkt het terrein lange tijd onbebouwd te zijn gebleven. Laat- of postmiddeleeuwse activiteiten omvatten onder meer kuilen en een 16de-eeuwse steenbakkersoven. Aan het einde van de 18de of het begin van de 19de eeuw werd het terrein met 1 tot 2 m aangevoerde grond opgehoogd.
Auteurs: Meylemans, Erwin
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Beschrijving:
Ca. 0,5 ha; straat (zijstraat van het dambordpatroon) met ernaast overblijfselen van een elftal elkaar in de tijd opvolgende huizen.
De straat bestond al voor de eerste bekiezeling, die uit de Claudische tijd dateert.
houtbouw tot in de 2de helft van de 2de eeuw, dan vernield door brand.
Minstens twee steenbouwfasen in de 3de eeuw.
2de eeuw-3de eeuw
Beschrijving:
steenbakkersoven
15de eeuw-16de eeuw
Beschrijving:
mogelijk een ambachtswijk (slachtafval, bronsslakken, kleine oventjes)
houtbouw tot in de 2de helft van de 2de eeuw, dan vernield door brand.
Minstens twee steenbouwfasen in de 3de eeuw.
2de eeuw-3de eeuw
Beschrijving:
kleine cultusplaats achter de huizen van de 2de eeuwse ambachtswijk
gedeelten van de fundering en brokstukken van een zesgodensteen, een zuil en een ander beeldhouwwerk, deel van een kleine Jupiter of Jupitergigantenzuil
houtbouw tot in de 2de helft van de 2de eeuw, dan vernield door brand.
Minstens twee steenbouwfasen in de 3de eeuw.
2de eeuw-3de eeuw
Beschrijving:
V-vormige grachten deeluitmakend van een militair kamp
Augusteïsch
10 v.Chr.
Beschrijving:
traditionele huizen (een viertal 2-schepige woonstalhuizen type Alphen-Ekeren)
2 kleine kelders (2 x 2 x 2 m)
ritueel deposit in een centrale paalkuil.
Kuilen met laat-Augusteïsch en Tiberisch materiaal.
Tiberische fase (eerste decennia n.Chr.)
Beschrijving:
9 denarii
Tiberische fase (eerste decennia n.Chr.)
Beschrijving:
Romeins gebouw
resten van beschilderd pleisterwerk
Claudius - Nero
69/70 n.Chr.
Beschrijving:
gemaakt uit gravel
Claudius - Nero
69/70 n.Chr.
Beschrijving:
steenbouw
houtbouw tot in de 2de helft van de 2de eeuw, dan vernield door brand.
Minstens twee steenbouwfasen in de 3de eeuw.
2de eeuw-3de eeuw