Op de plaats De Roosen in Neerpelt werd tussen 1959 en 1964 een omvangrijk urnenveld onderzocht. De begraafplaats was aangelegd op een langgerekte zandrug, nabij de oever van een voormalig ven. Het grootste gedeelte van het urnenveld werd opgegraven. Op een bebost perceel bleven ten tijde van het onderzoek nog twee herkenbare grafheuvels en een langgerekte zandrug, mogelijk een langbed, ononderzocht. De overige grenzen van het grafveld konden grotendeels worden vastgesteld.
In totaal werden sporen van 130 funeraire monumenten geregistreerd. Het aantal bijzettingen wordt op minstens 151 geschat, maar lag oorspronkelijk waarschijnlijk hoger. Meer dan 70% van de graven was reeds verstoord, voornamelijk door doelgerichte plunderingen door urnzoekers. Hierdoor gingen veel gegevens over de grafstructuren, het vondstenmateriaal en de ruimtelijke en chronologische ontwikkeling verloren.
Van de 130 geregistreerde grafmonumenten waren er 121 omgeven door een kringgreppel. Zes kringgreppels waren volledig gesloten; bij twaalf exemplaren kon door verstoring niet meer worden bepaald of ze oorspronkelijk een opening bezaten. De open kringgreppels kwamen over het gehele grafveld voor. De doorgangen waren overwegend naar het oosten (61%) of zuidoosten (30%) gericht; een kleiner aantal was naar het noordoosten (6%) of zuiden (3%) georiënteerd. In 27 gevallen werd de toegang gemarkeerd door één of meer palen. Vermoedelijk omsloten de meeste kringgreppels oorspronkelijk een lage grafheuvel.
Naast de gebruikelijke grafheuvels met kringgreppel kwamen enkele afwijkende monumenten voor. Grafheuvel 138 was omgeven door een enkelvoudige krans van wijdgestelde palen. De monumenten 17 en 27 combineerden een open kringgreppel met een palenkrans; in de greppel van monument 27 stond bovendien een krans van schuin ingeplante palen. De monumenten 4 en 124 waren voorzien van een lage ringwal. De langwerpige grafmonumenten 104 en 111 kunnen als langbedden worden geïnterpreteerd en waren door een enkelvoudige palenrij omgeven. Bij enkele graven werden configuraties van drie of vier palen vastgesteld, mogelijk resten van kleine dodenhuisjes waarin de crematieresten tijdelijk werden opgesteld.
Het grafritueel bestond uitsluitend uit crematie. Doorgaans werden de geselecteerde crematieresten van één persoon in een urn verzameld en centraal onder een lage grafheuvel bijgezet. Minstens twaalf graven bevatten geen asurn; de crematieresten waren daarbij rechtstreeks in een kleine kuil gedeponeerd. Graf 56 vormde een uitzondering: één ruwwandige urn bevatte de vermengde resten van een circa 25-jarige vrouw en een ongeveer 40-jarige man, die mogelijk gelijktijdig werden gecremeerd. Bijpotten waren bijzonder zeldzaam.
Van 43 bijzettingen kon worden vastgesteld dat zij oorspronkelijk een ruwwandige urn bevatten; slechts negen exemplaren waren volledig of reconstrueerbaar. Het betreft voornamelijk besmeten, emmervormige of meer gedrongen Harpstedt-urnen, soms versierd met vingertopindrukken op de rand of schouder. Daarnaast waren minstens 31 bijzettingen voorzien van een gladwandige urn. De vormen variëren van biconische en S-vormige tot bol- en komvormige exemplaren. Een opvallende vondst is een oudere eivormige urn met stafband.
In vergelijking met andere urnenvelden uit de regio was De Roosen relatief rijk aan kleine bronzen grafgiften. In verschillende graven werden verbrande of vervormde fragmenten van armbanden, conische hangertjes en niet nader identificeerbare bronzen voorwerpen aangetroffen. Uit een kringgreppel kwam een fragment van een bronzen mes. De voorwerpen waren doorgaans op de brandstapel meegegeven en vertonen sterke sporen van verhitting. Een rechtstreeks verband tussen geslacht, leeftijd, urntype en grafgiften kon niet worden aangetoond.
De begraafplaats wordt hoofdzakelijk in Hallstatt C en D gedateerd. Enkele vondsten wijzen erop dat het gebruik mogelijk reeds op het einde van Hallstatt B of bij het begin van Hallstatt C aanving. Een komvormige urn met invloeden van Marne-aardewerk kan op activiteiten tot het einde van Hallstatt D of het begin van de La Tèneperiode wijzen.
De ruimtelijke ontwikkeling lijkt globaal van oost naar west te zijn verlopen. De gesloten kringgreppels, palenkransen en ringwalheuvels concentreren zich vooral in het oostelijke en zuidelijke gedeelte en worden als oudere elementen beschouwd. Overschrijdingen tussen kringgreppels wijzen eveneens op een geleidelijke uitbreiding naar het westen. Plaatselijke concentraties van graven kunnen chronologische fasen weerspiegelen, maar mogelijk ook sociale of familiale groepen.
Van 51 bijzettingen werden de crematieresten antropologisch onderzocht. Het ging om 19 mannen, 19 vrouwen en 13 kinderen of jonge individuen. De gemiddelde vastgestelde leeftijd van de volwassen mannen bedroeg 36,7 jaar en die van de vrouwen 29 jaar. De bijbehorende nederzetting werd niet teruggevonden.
Auteurs: Meylemans, Erwin
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Beschrijving:
rechthoekig, 2 langbedden
| Aantal | 174 st |
Beschrijving:
ca. 151 bijzettingen. Ongeveer 70 % van de graven werd verstoord door plundering.
ca. 130 kringgreppels (diam. 3 à 15 m). De meeste hadden een onderbreking in het oosten. In een aantal gevallen was deze opening afgezet met 2 palen. Eén enkele keer trof men sporen aan van een palenkrans.
Het merendeel van de begravingen waren urnbegravingen, slechts 12 werden zonder grafgift aangetroffen. In ieder graf slechts 1 persoon begraven (1 uitzondering)
Het ruwwandig aardewerk is Harpstedtstijl
Beschrijving:
lineair, karrensporen, afkomstig van zowel hondenkarren, Kempische aardkarren als van de Luikse handelskarren met grote spoorbreedte
Beschrijving:
stenen artefacten lagen onder het niveau van de ijzertijd
Beschrijving:
lithisch materiaal