Op de Lindelse Heide, in het zuiden van Overpelt, bevindt zich het urnenveld Overpelt-Hunneberg. De site ligt op een hoger gelegen deel van het Kempisch Plateau, op ongeveer 60 m TAW, in een omgeving met verschillende waterlopen. Het grafveld beslaat een zone van minstens circa 250 bij 100 m. De oorspronkelijke grenzen zijn niet volledig vastgesteld.
Charles Dens onderzocht de vindplaats voor het eerst in 1895. Zijn plan vermeldt ongeveer achttien grafheuvels en kringgreppels. Hij beschreef onder meer een grafheuvel met een diameter van 10 m en een hoogte van 0,70 m. De urn met crematieresten was afgedekt met een vlakke steen en in een kuil onder de heuvel geplaatst. Tussen 1986 en 1987 werd het grafveld opnieuw onderzocht onder leiding van Joan Janssen en onder supervisie van de Nationale Dienst voor Opgravingen. In acht opgravingssleuven werden ongeveer 24 grafstructuren vastgesteld. Veel structuren waren beschadigd door oude plunderingen, bosbouwgreppels, karrensporen en recente clandestiene graafactiviteiten.
Het grafveld omvat minstens vijf herkenbare grafheuvels en zestien kringgreppels. Dertien kringgreppels zijn gesloten. Twee greppels hebben een opening aan de oostzijde, één aan de zuidoostzijde en één aan de westzijde. De oostelijke en zuidoostelijke oriëntatie sluit aan bij andere urnenvelden in de regio. Grafheuvel 23 onderscheidt zich door een enkelvoudige, wijdgestelde palenkrans met een diameter van ongeveer 6,75 m. De palen stonden gemiddeld 1,50 m uit elkaar. Onder deze heuvel werden twee verkoolde houten planken aangetroffen, mogelijk resten van een brandstapel.
De grafstructuren lijken voornamelijk een lineair patroon te vormen. Vanuit grafheuvel 23 zet de verspreiding zich in noordoostelijke en zuidoostelijke richting voort. Mogelijk fungeerde deze opvallende heuvel als ouder grafmonument waarrond later nieuwe bijzettingen werden aangelegd. Een alternatieve interpretatie onderscheidt drie afzonderlijke clusters van graven. Door het beperkte aantal dateringen, de onvolledige opgraving en de talrijke verstoringen kunnen beide modellen niet met zekerheid worden bevestigd.
Het aardewerkensemble bestaat uit vier urnen en vijf bijpotjes. De handgevormde, meestal besmeten urnen behoren tot het Harpstedt-type en hebben overwegend een S-vormig profiel. Eén urn is op de rand versierd met vingernagelindrukken. Onder de bijpotjes bevinden zich een zogenaamd eierpotje en een exemplaar met Kalenderbergversiering. De bijpotjes worden als grafgiften geïnterpreteerd. Metaalvondsten of andere rijke grafgiften zijn niet bekend. De crematieresten werden niet antropologisch onderzocht en zijn deels slecht bewaard of onvoldoende gedocumenteerd.
Een radiokoolstofdatering op verkoold hout uit grafheuvel 23 leverde 2470 ± 75 BP op. De in de studie gebruikte kalibratie resulteerde in een breed interval van 780 tot 407 v.Chr. Door een plateau in de kalibratiecurve laat deze datering geen fijnere chronologische afbakening toe. Ook het Harpstedt-aardewerk, de Kalenderbergversiering en de grafstructuren wijzen op een datering op het einde van de late bronstijd en vooral in de vroege ijzertijd. De duur van het gebruik van het urnenveld kan niet nader worden bepaald.
Auteurs: Meylemans, Erwin
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
| Aantal | 3 st |
Beschrijving:
3 grafheuvels. De grootste was omgeven door een palenkrans. De meeste graven zijn verstoord
grafheuvel nr 2: diameter 10 m en hoogte 70 cm
14C-datering (Lv-1623) van een stuk houtskool dat op het oude oppervlak, onder het heuvellichaam van de grafheuvel met palenkrans lag.
late bronstijd - vroege ijzertijd (Halstatt)
Beschrijving:
grafkuilen, crematiegraven
| Aantal | 16 st |
Beschrijving:
16 kringgreppels
Beschrijving:
2 krabbers en een pijlpunt van vuursteen