Op de Rieten te Wijshagen (voormalige gemeente Meeuwen-Gruitrode) werd vanaf 1984 noodonderzoek uitgevoerd op een circa 7,5 ha groot, voor heraanplanting bestemd terrein. Het onderzoek vond plaats in verschillende campagnes in 1984–1985 en werd, na een onderbreking, van maart tot november 1987 voortgezet. Daarbij kwamen zowel een midden-bronstijd nederzettingssite, een ijzertijd begraafplaats als een concentratie van Romeinse sporen en vondsten aan het licht.
Bij het onderzoek werden diverse nederzettingssporen uit de middenbronstijd aangetroffen, vooral in de omgeving van grafheuvels C en D.
Het grafveld omvat minstens vier rijke elitegraven (C, E, G en H), twee andere grafheuvels (D en F) en 44 eenvoudige crematiegraven zonder herkenbare grafheuvel. De grafheuvels liggen verspreid over een langgerekte zone van ongeveer 650 m. De elitegraven dateren uit La Tène A, voornamelijk rond het midden van de 5de eeuw v.Chr. Het vlakgrafveld ontwikkelde zich later, vanaf de 4de eeuw v.Chr., en bleef vermoedelijk tot in de 3de eeuw v.Chr. in gebruik.
De rijke graven onderscheiden zich door de aanwezigheid van bronzen vaatwerk, paardentuig, sieraden, wapens en mogelijke onderdelen van tweewielige voertuigen. De grafgiften wijzen op een lokale of regionale elite die toegang had tot bovenregionale uitwisselingsnetwerken, met contacten in onder meer de Hunsrück-Eifelregio, de Ardennen en de Aisne-Marnestreek.
Grafheuvel C had een diameter van ongeveer 20 m en bevatte een centraal crematiegraf met een bronzen situla, sieraden en aardewerk. De gecremeerde persoon was waarschijnlijk een vrouw. De grafgiften omvatten onder meer een halsring en armband. Enkele grote ijzeren nagels worden mogelijk geïnterpreteerd als onderdelen van wielbeslag, maar deze identificatie blijft onzeker. Het graf wordt rond 450 v.Chr. gedateerd.
Grafheuvel E bevatte een rijk crematiegraf met een bronzen situla, verbrande en gefragmenteerde metalen grafgiften, paardentuig en een speerpunt. Het osteologische onderzoek wijst op een mannelijke overledene. De herstudie van de metalen voorwerpen identificeerde fragmenten van één of mogelijk twee naafbeslagen van een tweewielig voertuig. Dit wijst erop dat wagenonderdelen tijdens de crematie op de brandstapel aanwezig waren, mogelijk als symbolische vertegenwoordiging van een volledig voertuig (pars pro toto).
Graf H werd in 1986 ontdekt en bevatte een bronzen geribde cista (cista a cordoni) met crematieresten van een volwassene van onbepaald geslacht. Naast de cista bevond zich een vrijwel volledig ensemble van paardentuig, waaronder een ijzeren bit, zes bronzen phalerae, bronzen kokervormige beslagstukken, acht holle bronzen bolletjes en verbindingsstukken. De herstudie van deze voorwerpen maakt een interpretatie als uitrusting van een rijpaard aannemelijk. Het graf kan bijgevolg als een rijk ruitergraf worden beschouwd. Een oorspronkelijke grafheuvel werd niet aangetoond, maar kan tijdens de Romeinse periode zijn genivelleerd.
Grafheuvel G, reeds in 1980 onderzocht, leverde sterk verbrande en gefragmenteerde metalen voorwerpen op, waaronder brons, ijzer en een druppel gesmolten goud of elektrum. De aanwezigheid van edelmetaal en de overeenkomsten met de grafrituelen van de andere rijke graven ondersteunen een interpretatie als elitegraf, hoewel de oorspronkelijke centrale begraving niet kon worden vastgesteld.
Grafheuvels D en F bevatten eenvoudigere crematiebegravingen. De menselijke resten uit D behoren waarschijnlijk toe aan een volwassen vrouw. Grafheuvel F kan iets jonger zijn dan de elitegraven.
In de centrale zone van het grafveld werden daarnaast 44 vlakgraven aangetroffen. Slechts 25 daarvan bevatten herkenbare crematieresten. De graven bestaan doorgaans uit kleine kuilen met crematieresten, houtskool en soms fragmenten van opzettelijk gebroken of secundair verbrand aardewerk. Er werden geen urnbegravingen vastgesteld. Het aardewerk en de radiokoolstofdateringen plaatsen deze graven voornamelijk in de 4de en 3de eeuw v.Chr.
Een nieuwe studie (Creemers et al. 2024) bevestigt dat het grafveld verschillende opeenvolgende fasen kende. De elitegraven behoren hoofdzakelijk tot het tweede en derde kwart van de 5de eeuw v.Chr. De uitzonderlijke sociale positie van deze groep lijkt vóór 400 v.Chr. te zijn verdwenen, terwijl het grafveld nadien verder in gebruik bleef voor eenvoudigere crematiebegravingen.
In dezelfde noordelijke zone, rond het cista-graf H, kwam een opvallende concentratie van Romeinse vondsten en paalsporen aan het licht. In een oppervlakte van minder dan ongeveer een kwart hectare konden verschillende min of meer haaks op elkaar georiënteerde dubbele palenrijen worden onderscheiden. Samen lijken zij een ongeveer vierkante structuur te vormen, die vermoedelijk aan één zijde open was.
Het vondstmateriaal uit deze zone is uitzonderlijk rijk en wijkt volgens de auteurs af van wat men normaal in een nederzettingscontext verwacht. Het gaat om een omvangrijke concentratie Romeinse metalen voorwerpen, waaronder circa 500 fibulae, armbanden en munten.
De munten lopen chronologisch van enkele republikeinse exemplaren tot een sestertius van Commodus; 50 munten dateren uit de 1ste eeuw en 32 uit de 2de eeuw. Het aardewerk, waaronder terra sigillata, zou erop wijzen dat de activiteiten nog tot in de 3de eeuw n.Chr. doorliepen.
Onder de bijzondere metaalvondsten bevinden zich daarnaast een bronzen schedepunt/bouterolle van een gladius en een ijzeren ring met een intaglio in rode jaspis waarop de gehelmde Minerva is afgebeeld.
De combinatie van de vierhoekige palenstructuur en vooral het zeer afwijkende vondstenspectrum van munten, fibulae en armbanden wordt vergeleken met vindplaatsen zoals Wijnegem, Oss-Ussen, Hoogeloon, Alphen en Rekem-Neerharen. Dergelijke omheinde structuren worden in verband gebracht met rituele of cultische activiteiten. Voor Wijshagen kan de functie volgens de auteurs niet op basis van het grondplan alleen worden bepaald; vooral de opvallende samenstelling en concentratie van de vondsten ondersteunt een interpretatie als Romeinse cultusplaats. De auteurs presenteren deze interpretatie uitdrukkelijk als waarschijnlijk/hypothetisch, niet als bewezen.
Auteurs: Meylemans, Erwin
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Beschrijving:
In een grijsbruin gevlekt pakket (ca. 50 x 50 m) werden ca. 330 scherven, 100 bronzen armbanden, 200 bronzen fibulae, 138 munten, enkele beslagplaatjes, ringetjes, fragmenten van spelden, een loden schijfje, een ijzeren ring met een gemme uit rode jaspis aangetroffen.
Er werd eveneens een reeks paalkuilen aangetroffen. Er kunnen 5 dubbele rijen palen gereconstrueerd worden. De afstand tussen de palen van een rij onderling bedraagt meestal ca. 3 m. De afstand tussen de parallelle rijen varieert tussen de 2 en 3 m.
De sporen en vondsten dateren van de 1ste helft 1ste eeuw tot de 3de eeuw N. Chr.
| Aantal | 44 st |
Beschrijving:
Er werden 44 vlakgraven geregistreerd, ten O en NO van graf H. De meeste zijn eenvoudige beendernesten, maar er zijn ook enkele brandrestengraven. De graven zijn echter slecht bewaard door de bosbeheerswerken.zodat het onderscheid niet altijd even duidelijk was. Slechts enkele graven hadden bijgaven. De vlakgraven zijn jonger dan de grafheuvels.