Naar aanleiding van de uitbreiding van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum werd in 2006 archeologisch onderzoek uitgevoerd op de terreinen ‘Allée Verte’ en ‘Huis Aerden’ aan de Kielenstraat. Het onderzoeksgebied bevindt zich centraal binnen een Romeinse insula, binnen de 2de-eeuwse stadsomwalling maar net buiten de 4de-eeuwse omwalling. Tijdens fase 1 werd ca. 400 m2 onderzocht in acht opeenvolgende vlakken. Door de complexe en goed bewaarde stratigrafie, met een archeologisch pakket van plaatselijk ca. 2,9 tot 3,2 m dik, werd vanaf het vierde vlak stratigrafisch opgegraven. Het onderzoek leverde ongeveer 950 sporen en lagen op.
De oudste aangetroffen sporen bestaan uit verspreide kuilen en concentraties van kleine, ingeheide paaltjes met een diameter van ca. 6–10 cm. De paaltjes vertonen geen duidelijk regelmatig grondplan. Vergelijkbare sporen waren tijdens de eerdere opgravingen aan de Kielenstraat aangetroffen. Ze tonen aan dat reeds tijdens de ontstaansfase van Romeins Tongeren activiteiten op deze locatie plaatsvonden, maar de precieze aard daarvan kon niet worden bepaald.
In de noordoostelijke zone werd vervolgens een houten gebouw opgetrokken, waarvan de vakwerkwanden vermoedelijk rustten op horizontale balken in ondiepe wandgreppels. Mogelijk werden de wanden aan de buitenzijde ondersteund door houten pijlers op stenen funderingen. Het gebouw bestond uit minstens twee haaks op elkaar staande vleugels; in één vleugel bevond zich een houten keldertje van ca. 2,4 × 1,5 m. Op basis van de bouwtechniek wordt het gebouw waarschijnlijk in de Neronische periode gedateerd, al is een Claudische of vroeg-Flavische datering niet uitgesloten. Het gebouw lijkt niet door brand te zijn verwoest maar doelbewust te zijn afgebroken. Opmerkelijk is dat de elders in Tongeren bekende brandlaag van 69/70 n.Chr. hier niet duidelijk werd vastgesteld.
Tijdens de Flavische periode en de eerste helft van de 2de eeuw bevond zich op het noordelijke gedeelte van het terrein een tweede groot houten gebouw. Verschillende vakwerkwanden waren gefundeerd in wandgreppels waarin grote silexknollen als fundering voor het houten raamwerk waren aangebracht. Het gebouw omvatte onder meer een minimaal 25 m lange, ONO-WZW georiënteerde vleugel en liep buiten de grenzen van de opgraving verder.
De opeenvolging van lemen vloeren en elkaar oversnijdende wandgreppels wijst op verschillende gebruiks- en verbouwingsfasen. Beschilderd pleisterwerk uit een van de jongste fasen toont aan dat het gebouw relatief luxueus was ingericht. Dit nuanceert de op basis van eerder onderzoek geformuleerde hypothese dat deze wijk in deze periode uitsluitend door inwoners met een relatief lage sociaal-economische status werd bewoond. Het gebouw werd in de eerste helft van de 2de eeuw afgebroken.
Na de afbraak van deze woning lijkt de onderzochte zone gedurende een groot deel van de 2de eeuw niet meer intensief voor bewoning te zijn gebruikt. Verschillende grote kuilen bevatten echter aanzienlijke hoeveelheden afval van metaalbewerking. Het materiaal omvatte ijzerslakken en hamerslag, die wijzen op ijzerproductie en -bewerking, en fragmenten van smeltkroezen die onder meer voor het smelten van brons kunnen zijn gebruikt. In een van deze kuilen werd bovendien een klein votiefaltaar aangetroffen. De vondsten tonen aan dat deze locatie in de 2de eeuw deel uitmaakte van een ambachtszone.
Mogelijk dateren ook enkele stenen muurfunderingen en een muursokkel uit deze periode. Vermoedelijk ging het niet om volledige steenbouw, maar om een gebouw in vakwerk op stenen sokkels. Verder werd een ingegraven Dressel 20-amfoor aangetroffen met op de bodem een vormeloze klomp metaal.
Omstreeks het einde van de 2de eeuw werd het terrein geëgaliseerd en verrees een omvangrijke en luxueuze stadswoning. Deze woning sloot aan op resten die tijdens eerdere opgravingen aan de Kielenstraat waren aangetroffen en maakte deel uit van een groot stedelijk wooncomplex dat zich over verschillende onderzoekszones uitstrekte. De woning was georiënteerd volgens het Romeinse stratennet, met de façade naar de NNW-ZZO lopende straat ten oosten van het terrein.
Van het gebouw werden funderingen, muursokkels, uitbraaksporen en verschillende vloerniveaus aangetroffen. De funderingen bestonden hoofdzakelijk uit silex; de muursokkels waren opgebouwd uit een kern van opus caementicium met zorgvuldig aangebrachte silexparementen. Daarboven stonden vermoedelijk vakwerkwanden.
Een binnenkoer was verhard met baksteengruis. Deze werd door een gang of portiek gescheiden van vertrekken waarvan er minstens twee door middel van een hypocaustum werden verwarmd. Daarmee bevestigt het onderzoek de tijdens oudere opgravingen geformuleerde hypothese dat ook het noordelijke gedeelte van de grote stadswoning verwarmde vertrekken bevatte.
De woning was rijk gedecoreerd. Grote hoeveelheden beschilderd pleisterwerk wijzen op minstens twee decoratiefasen. De muren waren voorzien van een luxueuze polychrome paneeldecoratie met onder meer figuratieve voorstellingen in rood, geel, blauw en groen. Het gebouw kende tijdens de 3de eeuw verbouwingen en bleef ongeveer een eeuw in gebruik. Een dikke brandlaag wijst op een gewelddadige vernieling rond 275/276 n.Chr., door de auteurs in verband gebracht met de Germaanse invallen.
Na de verwoesting werd de stadswoning verlaten. Met de aanleg van de verkleinde 4de-eeuwse stadsomwalling kwam deze zone buiten de ommuurde stad te liggen. Muren en vloeren werden uitgebroken, waarschijnlijk voor recuperatie van bouwmateriaal.
Tussen de ruïnes werden drie inhumatiegraven aangetroffen. Op stratigrafische gronden dateren deze uit de periode na de vernietiging van de stadswoning en worden ze ruim in de laat-Romeinse periode of Vroege Middeleeuwen geplaatst. De graven hadden verschillende oriëntaties. Eén persoon was op de buik begraven. Bij een ander graf werd een geëmailleerde bronzen schijffibula uit de 2de/begin 3de eeuw gevonden; mogelijk was deze als grafgift meegegeven, maar een rechtstreeks verband kon niet worden bewezen.
Pas vanaf de late Middeleeuwen zijn opnieuw duidelijke bewoningssporen aanwezig. Verschillende beerputten werden dwars door de ruïnes van de Romeinse stadswoning gegraven. Opmerkelijk is dat een muur van de Romeinse woning vermoedelijk tot in de Middeleeuwen zichtbaar of bruikbaar bleef en pas toen werd uitgebroken.
Uit de postmiddeleeuwse periode dateren de resten van een stadswoning die de voorloper vormde van het latere Huis Aerden. Hiervan werden funderingen in silex en hardsteen, plaatselijk bewaarde opstanden in mergel en baksteen, lemen vloeren, beerputten, twee mergelkelders en mogelijk een waterput aangetroffen. Een van de kelders was in regelmatige mergelblokken opgetrokken en voorzien van een tongewelf. Ook van het jongere Huis Aerden bleven muren, zinkputten en een overdekte beerput bewaard. Een gekasseid steegje en verschillende opeenvolgende perceelsmuren illustreren de verdere ontwikkeling en indeling van het terrein.
Auteurs: Meylemans, Erwin
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Beschrijving:
noordoostelijke zone van het opgravingsterrein: houtbouw (deel van een groter plan), dik vloerpakket
kleine paalgaten en kuilen
10 v.Chr. tot 69 n.Chr.
Waarschijnlijk Neronische periode
Beschrijving:
Op de noordelijke helft van het opgegraven terrein: houten gebouw (deel van een groter plan), met silexknollen als fundament voor het raamwerk van het vakwerk. Loden olielamp in één van de paalkuilen (bouwoffer?). Verschillende bouwfasen. Beschilderd pleisterwerk.
(Het gebouw vindt mogelijk aansluiting bij gebouw 2 van eerdere opgravingen van Van Vinckenroye, zie CAI id 150101).
1ste helft 2de eeuw n.Chr.
Afbraak 1ste helft 2de eeuw
Beschrijving:
Ambachtswijk: grote kuilen met afval van een metaalatelier (ijzerslakken, hamerslag, fragmenten van smeltkroezen).
1ste helft 2de eeuw n.Chr. - 2de helft 2de eeuw n.Chr.
Beschrijving:
In één kuil een votiefaltaartje.
1ste helft 2de eeuw n.Chr. - 2de helft 2de eeuw n.Chr.
Beschrijving:
Muurfunderingen en muursokkels (horen bij een eerder opgegraven gebouw van Van Vinckenroye, zie CAI id 150101 ).
1ste helft 2de eeuw n.Chr. - 2de helft 2de eeuw n.Chr.
Beschrijving:
Ingegraven Dressel 20 amfoor met op de bodem een vormeloze klomp metaal.
1ste helft 2de eeuw n.Chr. - 2de helft 2de eeuw n.Chr.
Beschrijving:
Luxueuze stadswoning (uitbraaksporen van muren, meerdere vloeren, muursokkels, muurfunderingen, binnenkoer met vertrekken errond waarvan twee met hypocaustum). Wanden in vakwerk met fragmenten van beschilderd pleisterwerk (twee decoratiefasen). Vloerfragmenten in opus signinum.
Sluit aan bij stadswoning beschreven door Van Vinckenroye (zie CAI id 150101)
einde 2de eeuw - 3de eeuw n.Chr.
3de eeuw: verbouwingswerken aan de woning
ca 275: afgebrand
Beschrijving:
rechthoekige kalkkuil, opgebouwd uit tegulae, bevatte kalkfragmenten
einde 2de eeuw - 3de eeuw n.Chr.
3de eeuw: verbouwingswerken aan de woning
ca 275: afgebrand
Beschrijving:
Drie graven, twee keer werd er gebruik gemaakt van de restanten van de stadswoning.
Beschrijving:
bronzen schijffibula, mogelijk een grafgift?
fibula: 2de - begin 3de eeuw
Beschrijving:
beerputten gegraven doorheen de ruïnes van de 3de eeuwse stadswoning.
Beschrijving:
Restanten van een stadswoning (voorganger van Huis Aerden), met oa één beerput en twee mergelkelders.