Binnen het plangebied werd naar aanleiding van een omgevingsvergunning voor de sloop van de huidige bebouwing en de nieuwbouw van woningen, appartementen en een ondergrondse parking een vooronderzoek uitgevoerd.
Het terrein is gelegen aan de buitenrand van de laatmiddeleeuwse stadsomwalling. Omdat het plangebied zich in stedelijke context bevindt en een complexe stratigrafie verwacht werd, werden drie proefputten ingezet om het archeologisch potentieel te onderzoeken. Tijdens het onderzoek werden 47 sporen geregistreerd. Het gaat om menselijke sporen, antropogene lagen en muurresten.
Tijdens het archeologische vooronderzoek konden vier archeologische niveaus worden onderscheiden. Het eerste archeologische niveau situeerde zich direct onder de aanwezige recente verharding en bestond uit muurwerk en funderingsresten uit de 20ste eeuw die in verband kunnen worden gebracht met bebouwing aanwezig op de binnenkoer. Het tweede niveau bevatte antropogene lagen en muurwerk met een nog onbepaalde functie, daterend vanaf de late 16de tot de 18de eeuw, en verbonden met bebouwing en activiteiten uit de nieuwe tijd. Het derde niveau omvatte resten uit de nieuwe tijd in de vorm van antropogene lagen en grondsporen die wijzen op activiteiten op de open ruimte achter de bebouwing aan de straatzijde, mogelijk gelinkt aan ambachtelijke activiteiten zoals leerlooien. Het vierde niveau ten slotte bestond uit antropogene lagen en grondsporen uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd, met een hoog potentieel op het vroegste gebruik en de ontwikkeling van het terrein rond en na de opname binnen de stadsomwalling.
Het vondstmateriaal bestaat uit vondsten die afkomstig zijn uit periodes gaande van de late 13de eeuw tot de nieuwste tijd. Het vondstenpakket omvat hoofdzakelijk aardewerk, maar ook metaalvondsten, glas, pijpaarde en dierlijk botmateriaal.
Auteurs: Vervoort, Robby; Hertoghs, Sarah
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Vervoort, Robby; Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)