Enkele artefacten in t.a.v. de rest van het ensemble afwijkend grondstofgebruik (met name ‘Obourg’- gelijkende vuursteen) en technologie (regelmatige klingdebitage), wijzen mogelijk op activiteit in het mesolithicum. Op basis van deze gegevens is hier verder echter uiteraard niet meer over te vertellen.
Twee aangetroffen spitsen, waarvan één volledig en één gedeeltelijk bewaard, behoren typologisch tot het spectrum van de laat- finaalmesolithische geëvolueerde trapezia, of een variant van de Bandkeramische spits die hier nauw bij aansluit. Gezien de locatie van de site, dienen deze artefacten wellicht te relateren aan de Bandkeramische aanwezigheid in de regio.
Dat het terrein in de loop van het neolithicum meerdere keren bezocht werd, lijdt geen twijfel. Toch kunnen slechts twee geïsoleerde kuilen met zekerheid toegeschreven worden, de ene aan het begin van het middenneolithicum, de andere aan het finaalneolithicum (KU23050). Een derde spoor werd absoluut gedateerd in het laatneolithicum, maar in de vulling van het spoor werd aardewerk aangetroffen uit de late bronstijd en de Romeinse tijd. Het lijkt erop dat deze kuil residuele en/of intrusieve vondsten bevat.
De eerste zichtbare nederzettingssporen op het terrein bestaan uit een gebouw en een kuil en dateren uit de middenbronstijd. Het gebouw werd met een 14C datering gesitueerd in de periode tussen 1612-1451 v.Chr. De constructie heeft 5 traveeën en een totale lengte van 8,3 m. Een kleinere ronde kuil werd gedateerd in de grotendeels overlappende periode 1504-1418 v. Chr. Mogelijk is het een kleine voorraadkuil. Voortgaand op de datering kunnen het gebouw en de kleine ronde kuil behoren tot eenzelfde bewoningsfase in de 2de helft van de 15de eeuw v.Chr. Wel dient gezegd te worden dat zij geïsoleerd liggen van elkaar op een afstand van 285 m. De bewoningsporen uit de middenbronstijd lijken dun gespreid in tijd en ruimte.
Eveneens uit de middenbronstijd werd een kuil opgegraven met een wigvormige dwarsdoorsnede. Onder de bodemlaag tekenden zich de afdrukken af van 4 staken waarvan de holtes opgevuld raakten met materiaal uit de bovenliggende lagen. In het bovenste geregistreerde vlak heeft de kuil een lengte van 210 cm en een breedte van 120 cm. De installatie van de staken op de bodem had als doel prooien te verwonden. De kuil wordt dus geïnterpreteerd als een jachtkuil. De kuil wordt naar de vorm ondergebracht bij wat in de literatuur bekend staat als Schlitzgrube of ‘fosse à profil en Y-V-W’ in de Franse literatuur.
Negen kuilen uit de late bronstijd liggen gespreid over het noordoostelijk deel van het terrein, over een lengte van 180 m). Het zwaartepunt van de activiteit ligt duidelijk in de 10 de eeuw v. Chr. Twee dateringen liggen hoofdzakelijk in de 9de eeuw, met als uiterste datum 818 v. Chr. De jongste datering ligt tussen 830 en 782 v. Chr. De activiteiten op de site hebben daarom minstens van de 10de eeuw tot het derde decennium van de 9de eeuw v. Chr. voortgeduurd.
Mogelijk vanaf de middenijzertijd, maar zeker vanaf de late ijzertijd wordt er houtskool gewonnen. De 58 aangetroffen kuilmeilers verschillen onderling weinig van vorm. Het zijn steeds rechthoekige kuilen met steile wanden en met meestal een vlakke bodem, een beeld dat beantwoordt aan het voorkomen van houtskoolmeilers in heel de Lage Landen voor de ijzertijd en de Romeinse tijd. Er kon worden vastgesteld dat de productie van houtskool op het onderzochte terrein toeneemt vanaf de vroeg-Romeinse tijd en haar hoogtepunt kent in de midden-Romeinse periode. Minstens tot de eerste helft van de 5de eeuw blijft de houtskoolwinning voorduren. Het verspreidingsbeeld van de kuilmeilers in de verschillende periodes toont aan dat het bos niet werd gerooid, maar dat het eerder beheerd werd met het oog op een langdurig gebruik. Bij de analyse van de kuilmeilers kon ook worden vastgesteld dat sommige kuilmeilers meermaals gebruikt werden en dat zij afgedekt werden met leem om de juiste ovenatmosfeer te creëren.
uit deze periode werd één perceelsgreppel aangetroffen.
In de nieuwe tijd valt het terrein binnen de zone die uitgekozen wordt voor het belegeringskamp van Lodewijk XV, die in 1748 Maastricht wilde innemen. Naar schatting werd bij de opgraving ca. 5% van het belegeringskamp onderzocht. Via de historische bronnen konden de restanten van dit deel van het kamp worden gekoppeld aan de het Régiment Du Roy en het bataljon Vernon van de Grenadiers Royaux van het observatiekamp dat aanvallen in de rug moest voorkomen. Er werden 59 grote haardkuilen aangetroffen in 3 verschillende zones die ruimtelijk gescheiden zijn. Zij verschillen onderling op het vlak van de vorm en de infrastructuur van de haardkuilen. Eén van de zones was gespecialiseerd in het verstrekken van maaltijden, een andere heeft een meer residentiële uitstraling. Het beperkt aantal zitplaatsen in de eetgelegenheden en de schaarse maar luxueuze vondsten, doen vermoeden dat de haardkuilen niet gegraven werden voor de gewone soldaat. Een lange rij aan elkaar geschakelde kleinere haardkuilen die gelijkloopt met de linie van de bataljons, waren vermoedelijk bestemd voor de soldaten wiens tenten in de lege ruimte ten noordoosten kunnen gelegen hebben.
Voor de nieuwste tijd zijn de geregistreerde sporen beperkt tot rechtlijnige, grachtvormige sporen, ploegsporen en een 19de-eeuwse weg.
Auteurs: Meylemans, Erwin
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)