Tijdens het proefsleuvenonderzoek kon een duidelijk verschil opgemerkt worden in de bodemopbouw tussen de zuidwestelijke en de noordoostelijke helft van het terrein. Het zuidwesten van het terrein stemt overeen met de classificatie op de bodemtypekaart, namelijk OB of verstoorde bodems, terwijl de bodemopbouw in het noordoosten beter bewaard is. In het noordoosten zijn nog restanten van de B-horizont bewaard gebleven, waardoor het bodemtype hier beter overeenstemt met het type Zch (een matig droge zandbodem met verbrokkeld ijzer- en/of humus-B-horizont).
In totaal werden vier sporen geregistreerd tijdens het proefsleuvenonderzoek, deze waren allemaal in werkput 1 gelegen. Het gaat om twee kuilen, een greppel en een gracht. Drie van de vier sporen werden gecoupeerd, waaruit bleek dat de kuilen en de gracht vrij ondiep bewaard waren, de greppel had een betere bewaring. Door de slechte bewaring en de afwezigheid van vondsten kunnen deze moeilijk gedateerd of verder geïnterpreteerd worden, ook het historisch kaartmateriaal biedt hierin geen hulp.
Auteurs: De Decker, Sam; Van Eynde, Merel
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)