De omgeving van het onderzoeksgebied kwam voor het eerst bewijsbaar in menselijk gebruik als begraafplaats omstreeks het midden van de bronstijd. Tenminste één grotere kringgreppel en een aantal brandrestengraven kunnen als één complex geheel van graf en bijzettingen gezien worden. Opmerkelijk was een klein potje uit de kringgreppel dat met rietindrukken in geometrische motieven versierd was. Mogelijk dateren twee grotere, maar fragmentair bewaarde kringgreppels aan de oostelijke zijde van het perceel eveneens in deze periode. De graven in relatie met deze kringgreppels zijn niet bewaard gebleven. Tenminste één graf dateert met zekerheid uit de late bronstijd.
Zo’n achthonderd jaar later vestigde zich een landbouwfamilie op dezelfde heuvelflank. Op tenminste twee verschillende momenten werd een lang tweebeukig hoofdgebouw opgetrokken, maar mogelijk is sprake van drie of zelfs vier bouwfasen. De 14C-dateringen overspannen een periode van de 2de eeuw voor-, tot het midden van de 2de eeuw na Chr. De isotoopdateringen laten geen scherper gestelde of opgedeelde bewoningsfasen toe. In de nabijheid bevonden zich in totaal elf bijgebouwen. Naast de prominente en herkenbare structuren als bewoningssporen werden 29 graven aangetroffen uit de vroege ijzertijd. Veertien onder hen waren urnengraven, acht begravingen zijn omgord door kringgreppels, en één begraving is vormgegeven als langbed.
In het centrale gedeelte van het projectgebied werden drie Romeinse waterputten opgegraven. De putten bestonden uit een beschoeiing met aangepunte palen en vlechtwerk. Twee waterputten vertoonden twee gebruiksfasen. De opvulling van de putten suggereert daarenboven een
betrekkelijk lang gebruik van deze structuren. De meest opmerkelijke vondsten bevonden zich in de bovenste opvullingspakketten van S793 waar een ijzeren ploegschoen, het uiteinde van een ploeg en een langwerpige ijzeren baar werden opgegraven. De Romeinse bewoningskern werd waarschijnlijk omsloten door een smalle greppel waarvan nog een aantal relicten werden aangetroffen centrale in het projectgebied.
Voor de vroegmiddeleeuwse periode werden twee gebouwplattegronden aangetroffen samen met een waterput, een vermoedelijke waterkuil, een
langwerpige kuil en drie greppels die mogelijk de rand van de een landelijke nederzetting aanduiden. Deze sporen bevonden zich in het westelijk deel van het projectgebied, waar het terrein afhelt naar een iets lagere en nattere zone. De eigenlijke bewoningskern lag hoogstwaarschijnlijk ten noordwesten van het projectgebied. De gebouwplattegronden zijn op basis van 14C-dateringen in de Merovingische periode te dateren, omstreeks 1525 +/-30 BP. Maar dat bewoning op de site iets langer doorleefde, blijkt uit waterput S1190 die wat jonger dateert: 1375 +/-30 BP.
Een opvallende structuur betreft kuil S1185. De oudste opvullingspakketten dateren in de vroege bronstijd (3730 +/-35 BP). De lagen die deze pakketten afdekken dateren op basis van een pollenanalyse in de vroege middeleeuwen. Een sluitende verklaring voor de sterk uitéénlopende datering van de vulling is er niet.
Daarnaast vermelden we een aantal greppels waarvan het niet duidelijk is of ze dienden voor begrenzing of afwatering, of eventueel een andere functie hadden.
Voor de volle middeleeuwen zijn er weinig tot geen sporen van bewoning. Het lijkt erop dat het volledige gebied werd ingenomen door grasland. In het zuidelijk deel van het projectgebied werden verscheiden kuilen aangetroffen die werden geïnterpreteerd als houtskoolmeiers. Verder werden een aantal langgerekte greppelfragmenten vastgesteld, gevormd door het diep insnijden van karrenwielen.
Auteurs: Bourgeois, Ignace
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Provincie Antwerpen (Prov Antw)
Je kan deze tekst citeren als: BOURGEOIS I. 2026: Blikstraat [online], https://id.erfgoed.net/teksten/453676 (geraadpleegd op ).
Rond de 6de eeuw ontstaat er een Merovingische bewoningsplaats ter hoogte van de noordwestelijke hoek van het project gebied. Hiervan werd vermoedelijk alleen maar de periferie opgegraven: bewoningssporen bestaan uit een waterput, een waterkuil, een langwerpige kuil, drie greppels en minstens twee gebouwplattegronden.
Deze nederzettingssporen bevonden zich op de matig droge lemig zandbodems die in de noordelijke richting begrensd werden door de vallei van het Klein Schijn waar natte lemig zandbodems aanwezig waren. Dit valleigebied was bedekt door een elzenbos, terwijl het projectgebied op de rand lag van een droog bos in combinatie met open gronden. Deze open gronden waren meer dan waarschijnlijk bedekt door grasland. In de vroegmiddeleeuwse archeologische structuren werden weinig sporen van rogge teruggevonden. Ofwel wijzen deze resultaten erop dat de focus toen lag op het telen van andere gewassen, ofwel toont het net aan dat er in de nabije omgeving van het projectgebied geen akkers aanwezig waren. Hoe we deze vroegmiddeleeuwse site vervolgens mogen interpreteren blijft dus onduidelijk. Bovendien is nog onzeker of de aangetroffen structuren, hoewel zij voorlopig een vroegmiddeleeuwse datering kregen, allen gelijktijdig functioneerden.
Uit natuurwetenschappelijk onderzoek blijkt dat de ontginning van het bosgebied in de middeleeuwse periode werd doorgezet. Zo vond er een verschuiving plaats van een bosrandsituatie naar een open tot halfopen landschap. Verscheidene structuren kunnen met deze ontginningsperiode in verband worden gebracht.
Ten slotte zijn er nog aanwijzingen voor de aanwezigheid van een postmiddeleeuwse weg, opgebouwd uit twee parallelle greppels.
Auteurs: Jacobs, Bart
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Provincie Antwerpen (Prov Antw)
Je kan deze tekst citeren als: JACOBS B. 2023: Blikstraat Wijnegem [online], https://id.erfgoed.net/teksten/426872 (geraadpleegd op ).