Tijdens het landschappelijk booronderzoek werd vastgesteld dat de oorspronkelijke podzolbodem (A-, E- en Bh-horizonten) volledig was opgenomen in de bouwlaag (Ap-horizont). De bodemopbouw bestaat nu uit een humusrijke bouwlaag boven een gebioturbeerde overgangshorizont en daaronder de C-horizont van eolische zanden.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden 112 sporen aangesneden. Deze sporen vallen in twee categorieën: sporen van de ontginning van heide tot landbouwgrond in de 19de eeuw en sporen van de inrichting, het gebruik en de afbraak van een villa met parktuin in de 20ste eeuw. Tot de ontginningssporen behoren onder meer een brede spitstrook, een gracht, een dubbele greppel en talrijke rechthoekige plantkuilen, vermoedelijk voor bomen, die op regelmatige afstand langs de spitstrook lagen. Deze sporen bevestigen dat het terrein in de eerste helft van de 19de eeuw werd ontgonnen, zoals ook blijkt uit de Atlas der Buurtwegen. Er is geen plaggendek aanwezig, wat wijst op een kortstondige landbouwactiviteit. De sporen uit de 20ste eeuw houden verband met tuinaanleg en bouwactiviteiten, waaronder ophogingen en kuilen.