Bij aanvang van de sloopbegeleiding werden door de aannemer ter hoogte van werkput 0 (buiten het beoogde onderzoeksgebied maar binnen de contouren van het projectgebied gelegen) muurresten aangetroffen. Op basis van vondsten, historische bronnen en luchtfoto’s werden de muurresten gedateerd in de late 19de tot vroege 20ste eeuw. Ter hoogte van werkput 1, de kelders van de Sint- Vincentiusvleugel, werden ook enkel de 19de-eeuwse funderingen aangetroffen. In werkputten 0 & 1 werd vastgesteld dat deze bebouwing uit de nieuwste tijd een zeer diepreikende bodemingreep had veroorzaakt. Op basis van de vaststellingen in deze werkputten en de gegevens van het profielputtenonderzoek omringend aan de bebouwing werd vastgesteld dat er geen kennispotentieel meer was ter hoogte van de bebouwing uit de nieuwste tijd.
Een uitzondering werd gevormd door een kruipkelder (werkput 2) in het noordoosten van het projectgebied ter hoogte waarvan op de Ferrariskaart (ca. 1777) bebouwing werd gekarteerd. Hier werd geopperd dat mogelijk nog resten van bebouwing uit de nieuwe tijd te verwachten waren onder de kelder. Uitbraak van de kelder leverde geen sporen of vondsten op. Bodemprofielen tonen het voorkomen van een vermoedelijke ploeglaag op een diepte van zo’n 1m-mv en dat in hier nog een kennispotentieel geldt. De geplande werkzaamheden ter hoogte van deze werkput reiken echter niet
dieper dan reeds bestaande verstoringen.
Samenvattend wordt gesteld dat de 19de-eeuwse bebouwing een diepe impact heeft gehad op het bodembestand binnen het onderzoeksgebied. Hier worden geen archeologische resten meer verwacht.
Ook voor de oostelijke te slopen bebouwing geldt voorgaande stelling, met uitzondering van de onderzochte kruipkelder. Mogelijk werd in de profielen een ploeglaag aangetroffen; hieronder kunnen zich mogelijk nog relevante archeologische sporensites bevinden. Echter: de
vermoedelijke ploeglaag vangt aan op een diepte van minstens 1,20m-mv. De geplande werkzaamheden zullen hier maximaal reiken tot 0,80m-mv. Er is een buffer van voldoende grootte en de geplande werkzaamheden zullen de archeologisch relevante horizonten niet raken. Eventueel aanwezige erfgoedwaarden worden aldus in de praktijk in situ bewaard.
Auteurs: Dirix, Evelien
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: ABO NV; ABO NV