Het archeologisch onderzoek bracht sporen en vondsten aan het licht van een meerperiodensite op een relatief kleine oppervlakte. De grootste sporencluster bevond zich binnen een kleine verhevenheid in het oostelijke deel van het plangebied. Deze landschappelijke positie (en de hele omgeving van Oedelem) moet van oudsher aantrekkelijk geweest zijn voor de mens doorheen een groot deel van de geschiedenis.
De oudste activiteit op de site is een kleine kringgreppel die de rand van een grafheuvel vormde. Het heuvellichaam en eventuele graven zijn verdwenen, maar de greppel bleef herkenbaar. Een 14C‐datering van een houtskoolmonster bevestigt de graafactiviteit tussen 1430 en 1274 v.C. Slechts één kleine scherf werd teruggevonden, wat past bij een puur funerair gebruik. De kringgreppel vormt een onderdeel van een veel groter funerair landschap dat bekend is rondom de cuesta van Oedelem‐Zomergem, waar talrijke grafmonumenten reeds via luchtfotografie of eerdere opgravingen zijn vastgesteld.
Tijdens de IJzertijd ontwikkelde zich verspreide bewoning in dezelfde zone. De zone bevatte drie vierpostenspiekers en twee zespostenspiekers en bijhorende kuilen. Het vondstmateriaal bestaat vooral uit handgevormd aardewerk, waarvan verschillende diagnostische randen een datering in de 5de–4de eeuw v.C. bevestigen. Een 14C‐datering uit een paalkuil valt tussen 543 en 386 v.C. De kern van de nederzetting lag wellicht buiten het onderzochte gebied. Na de opgave van deze site lijkt het plangebied een tijdlang verlaten te zijn geweest.
De site werd opnieuw intensief bewoond vanaf de vroege middeleeuwen, met twee opeenvolgende grote gebouwen. Het eerste langhuis dateert uit de tweede helft van de 7de tot de 8ste eeuw (773-888 n.C. volgens 14C datering op houtskool uit een paalkuil), het tweede uit de late 8ste tot 9de eeuw (773-888 n.C. volgens 14 datering op verbrand bot uit de centrale paalkuil). Ze werden omlijst door greppels, paalkuilen en een dumpzone met grijs gedraaid aardewerk en mogelijk pottenbakkersafval. Metaal, verbrand bot en natuursteenfragmenten waaronder een maalsteen vervolledigen het vondstspectrum.
Er zijn geen gebouwen uit deze periode, maar een grote, onregelmatige kuil, mogelijk een extractiekuil die wijst op artisanale activiteiten, waarschijnlijk pottenbakkerij. De kuil bevatte veel misbaksels en slecht gebakken aardewerk, waaronder een kogelpot uit de 12de–13de eeuw. Twee zilveren munten (uit 1180-1220 en 1140-1180) ondersteunen deze datering. Ovens of andere sporen of structuren zouden aanwezig kunnen zijn in de directe omgeving van het onderzoeksgebied.
In de late middeleeuwen raakte het gebied wellicht in gebruik als landbouwgrond. Uit de 14de-16de eeuw werd slechts één perceelsgreppel aangesneden (gedateerd op basis van het aanwezige rood geglazuurd aardewerk). Er zijn geen aanwijzingen meer voor bewoning.
De jongste fasen worden gekenmerkt door brede grachten en greppels die landbouwpercelen afbakenden. Slechts sporadisch werd steengoed uit Raeren aangetroffen. Ook in deze periode zijn geen sporen van bewoning meer.
Enkele paalkuilen, kuilen en greppels konden niet worden gedateerd omdat ze geen vondsten of herkenbare structuren opleverden. Een mogelijke plattegrond bleef eveneens onzeker, omdat er geen diagnostisch materiaal werd aangetroffen en de vorm niet herkenbaar bleek. Mogelijke Romeinse datering werd uitgesloten door het volledig ontbreken van Romeinse vondsten.
Auteurs: Demerre, Ine; Bracke, Maarten
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Acke & Bracke bvba