Op 3 aangelegde vlakken werden resten van bouwfases gevonden uit de periode van de late middeleeuwen tot de nieuwe tijd (en nieuwste tijd).
Onder de stratigrafisch oudste bouwfases werden donkergrijs-zwarte lagen opgemerkt. Mogelijk betreft het een mengeling van natuurlijk veen en de stedelijke zwarte laag. Op basis van enkele koolstofdateringen blijkt dat deze lagen uit de periode tussen 880 en 1275 stammen, maar niet in stratigrafische volgorde liggen. De jongste datering (1275) van de onderliggende lagen vormt een terminus post quem voor de oprichting van de oudste bouwfase in natuursteen.
De aangetroffen gebouwresten in het (noord)westen van het terrein (gebouw 1 en gebouw 2) zijn organisch gegroeid met een oudere kern in natuursteen en latere aanpassingen in baksteen. De kern van gebouw 1 lijkt recenter te zijn dan deze van gebouw 2. Mogelijk functioneerden beide gebouwen op een gegeven moment wel gelijktijdig. Vooral gebouw 1 lijkt lang in gebruik geweest te zijn. Dit wordt afgeleid uit verschillende aanpassingen met ander materiaalgebruik, samen met veelvuldige wijzigingen van de doorgangen/toegangen en 4 fases van nieuwbouw en aanpassingen van een haard in een bepaalde ruimte.
Uit de analyse van de inhoud van een beerput (S281) gerelateerd aan het meest oostelijke gebouw in natuursteen (gebouw 2) kan men eveneens voorzichtig afleiden dat de bewoners vrij welgesteld waren. Zo zijn er o.m. een heel aantal specerijen in de vulling van de beerput aangetroffen. Het
aardewerk dat in deze vulling aangetroffen werd, kan in de laatste helft van de 13de- eerste helft 14de eeuw gesitueerd worden.
De meest noordelijke aangetroffen muren vallen mogelijk samen met de zuidvleugel van het nonnenklooster zoals weergegeven op het primitief kadaster. Ook een eerder recente murencluster in het oosten lijkt tot deze fase terug te gaan.
De resten in het zuiden, hoofdzakelijk in baksteen, liggen geïsoleerd tussen de zone van de voormalige kelders en de zuidgrens van de werkput. De best bewaarde recentere muur van deze cluster (S112) ligt weliswaar redelijk op lijn met de bebouwing in die hoek zoals weergegeven op het kadaster van 1830 en de topokaart van 1950 maar qua opbouw lijkt deze muur toch ouder te zijn. Een beerkuil (S114 met vulling S125) ligt naast deze muur en is mogelijk gelijktijdig. De vulling bevat vondsten die in de periode 16de-17de eeuw te situeren zijn.
De overige resten in deze zone zijn veelal stratigrafisch ouder dan muur S112. Op 1 natuurstenen muur na zijn ze allemaal in baksteen opgetrokken. Er kan geen duidelijke plattegrond gereconstrueerd worden met de eerder fragmentarisch aangesneden muren/funderingen. Opvallend is de aanwezigheid van meerdere (stratigrafisch verschillende) afvoergreppeltjes. Zo werd net ten oosten van beerkuil S114 een vondstenrijk spoor aangetroffen dat als een mogelijk iets oudere greppel geïnterpreteerd wordt (S135). Uit de analyse van het dierlijk botmateriaal van beerkuil S114 en greppel (S135=S137) blijkt dat de bewoners van die tijd een zekere welstand hadden. Er is namelijk wild, kalfsvlees en ander mals (jong) vlees gegeten. Ook de combinatie van karper, zalm, grote platvis en waarschijnlijk verse zeevis wijst op een zekere rijkdom.
Nog in de achterliggende zone werden vondstenrijke contexten aangetroffen met een ruime datering in de periode Nieuwe tijd. Zo werd een cluster gelijkaardige rechthoekige puinrijke kuilen (S69) aangetroffen met in de vulling vondsten uit de periode 17de/18de eeuw.
Auteurs: Vander Ginst, Vanessa
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Studiebureau Archeologie
Beschrijving:
Uit de analyse van de inhoud van een beerput (S281) gerelateerd aan het meest oostelijke gebouw in natuursteen (gebouw 2) kan men eveneens voorzichtig afleiden dat de bewoners vrij welgesteld waren. Zo zijn er o.m. een heel aantal specerijen in de vulling van de beerput aangetroffen. Het aardewerk dat in deze vulling aangetroffen werd, kan in de laatste helft van de 13de- eerste helft 14de eeuw gesitueerd worden.
Beschrijving:
Uit de analyse van het dierlijk botmateriaal van beerkuil S114 met vulling S125 en greppel S135=S137 blijkt dat de bewoners van die tijd een zekere welstand hadden. Er
is namelijk wild, kalfsvlees en ander mals (jong) vlees gegeten. Ook de combinatie van karper, zalm, grote platvis en waarschijnlijk verse zeevis wijst op een zekere rijkdom.
Beschrijving:
"...deze lagen zich hebben gevormd in de nabijheid van de pre- of vroegstedelijke bewoning, en uit nederzettingsafval, lokaal bodemmateriaal en alluviale afzettingen bestaan. Op basis van het onderzoek van pollen en botanische macroresten lijkt de meest aannemelijke verklaring voor het soortenspectrum in de stalen en de datering van deze resten te zijn dat het pakket zwarte lagen is ontstaan door het gebruik als tuingrond. Behalve tuinbouw heeft mogelijk ook akkerbouw een grote rol gespeeld bij detotstandkoming van deze lagen. Mogelijk is het gebied ook gebruikt om vee te weiden.”
Tijdens de opgraving werden deze lagen evenwel als veenlagen geïnterpreteerd. De afwisseling van veenpakketten en alluviale afzettingen is typisch voor een rivierenstelsel dat doorheen de geschiedenis regelmatig buiten haar oevers treedt en van bedding verandert. In de oudere, afgesneden, rivierarmen kan dan veen ontstaan in het stilstaande water.
Mogelijk zijn de donkere lagen een mengeling van natuurlijk veen en de stedelijke zwarte laag. Op basis van het aangetroffen vondstmateriaal kan deze fase voor de bebouwing van het terrein in de periode 12de/13de eeuw gesitueerd worden.