Dit onderzoek bood de zeldzame kans om de archeologische resten binnen het voormalige Sint-Pietersdorp in kaart te brengen. Tijdens het archeologisch onderzoek zijn er resten aangetroffen die wijzen op occupatie vanaf de 10de eeuw tot heden. Oudere antropogene resten, zijn door erosie, latere afgravingen en bouwwerken niet meer aanwezig.
De oudste resten dateren uit 10de tot 14de eeuw. Het gaat om afvalkuilen die een aanwijzing vormen van bewoning. Onder de vondsten zit grijs aardewerk dat op basis van de randtypologie en de radstempeldecoratie in de 10de tot begin 11de eeuw kan worden gedateerd. De ruimtelijke spreiding van deze puin-, beer- en afvalkuilen maakten het mogelijk om een oude perceelsgrens te reconstrueren. Het incorporeren van de Sint-Pietersdorp binnen de 14de-eeuwse stadsomwalling lijkt een weerslag te hebben gehad op de groei van activiteit in deze omgeving.
Er zijn twee haakse muurresten in baksteen gevonden die zich eveneens op de oudere perceelslijn situeerden. Het ging om de fundering van een gebouw waarvan de bovenbouw vermoedelijk uit vakwerk bestond. Enkele vloerniveaus die bovenop de middeleeuwse afvalkuilen werden opgetekend, dateren wellicht uit dezelfde periode, namelijk in of rond de 14de /15de eeuw.
De daaropvolgende bouwfase bestond wellicht in grote mate uit baksteen, of minstens een combinatie van enkele steunmuren in baksteen met houtbouw of vakwerk. Deze bouwfase is enkel gekend dankzij een reeks grote puinkuilen met bouwafval en dateerbare vondsten waaronder majolica (1375-1475), die een algemene datering in de 15de en 16de eeuw toelaat. De vondsten tonen aan dat er welstand aanwezig was in (de directe omgeving van) het plangebied gedurende de 15de eeuw en mogelijk ook nog 16de eeuw.
Vanaf de 16de eeuw zijn er geen of nauwelijks gegevens voorhanden over de grootte en de opbouw en/of verdeling van de huizen die er toen stonden. Uit de 17de of 18de eeuw dateren slechts 3 keldertjes waarvan twee voorraadruimtes op het zuidelijke en één kolenkelder op het noordelijke perceel. Wederom wijst dit op een tweedeling van het huidige perceel. Alle overige resten moeten zijn vergraven met de bouw van het 19de-eeuwse herenhuis waarvan enkele funderingen zijn aangetroffen.
Op het achtererf was een opeenvolging van tuinlagen, vergraven door puinkuilen, aanwezig, wijzend op een systematische ophoging van dit deel van het perceel. Dit valt volledig te verklaren door de aanwezigheid van de oorspronkelijke (natuurlijke) helling richting de Muinkschelde. Door het systematisch aanvullen van een deel van de helling werd een groter deel toegankelijk gemaakt.
Auteurs: Heidbüchel, Natan; Vanholme, Nele
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Vanholme, Nele