Tijdens proefsleuvenonderzoek werden drie geclusterde brandrestengraven aangetroffen. Ze werden opgegraven en bemonsterd voor verder onderzoek.
Op basis van grafgiften in aardewerk zijn de brandrestengraven te plaatsen in de 1ste tot 3de eeuw n.Chr.
Eén brandrestengraf (100502) kwam in aanmerking voor een anthracologisch en een fysisch-antropologisch onderzoek. De resultaten tonen aan dat het individu volwassen was en vrij snel na overlijden werd gecremeerd. Door de sterke fragmentatie kon het geslacht, noch eventuele pathologieën worden aangetoond of bevestigd.
De crematie gebeurde bij een vrij hoge temperatuur van zo’n 900°C. Er werd gekozen voor een combinatie van houtsoorten met een hoog calorisch gehalte, namelijk haagbeuk, eik en beuk. Het lichtere elzenhout werd mogelijk gebruikt om de brandstapel te starten. Het hout kan lokaal zijn verzameld en het staal bevatte uitsluitend stamhout.
Auteurs: Malfliet, Lisa; van der Laan, Jelte; Vandenbruaene, Marit; Hoorne, Johan
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)