Het onderzoeksgebied situeert zich op de noordoostelijke rand van het Kempisch plateau. Het onderzoeksgebied is gelegen op de oostelijke overgang van het plateau naar de Warmbeek, die ca. 75 m ten oosten van het onderzoeksgebied stroomt.
Bodemkundig is het onderzoeksgebied gekenmerkt door zandgronden en lemige zandgronden. De oorspronkelijke bodem - met een podzolprofiel - was slecht bewaard. Dit is voor het grootste deel van het onderzoeksgebied te verklaren door verploeging. Oudere sporen, zoals de verwachte sporen uit de IJzertijd, kunnen hierdoor dus ook niet meer aanwezig zijn. In het noordwesten, ter hoogte van WP4 en WP5, kan de oorspronkelijke bodem bijkomend vergraven zijn door de bouw –en afbraakwerken van de hoeve, die zich vroeger ten zuiden van de Deusterkapel bevond. Dit gebouw werd in de jaren ’80 van de twintigste eeuw afgebroken en bevond zich net ten noorden van WP4.
Nergens op het onderzoeksgebied zijn sporen aangetroffen die te relateren zijn aan de ijzertijdsite (CAI 60049), die rond de Deusterkapel en in de nabijheid van WP4 werd aangeduid.
In het oostelijke deel van het onderzoeksgebied troffen de archeologen zestien postmiddeleeuwse sporen aangetroffen. Veertien daarvan zijn boomkuilen, die op basis van historisch kaartmateriaal en een aardewerkvondst van een scherf industrieel wit aardewerk een datering in het tweede deel van de negentiende eeuw lijken te hebben. De twee overige sporen zijn een perceelsgracht, die gedempt is in het tweede deel van de twintigste eeuw bij de aanleg van de Deusterstraat, en een afwateringsgreppel, die haaks op de Warmbeek aansloot.
Auteurs: Vanaenrode, Willem
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: ARON bvba