In totaal werden acht spoornummers toegekend, waarvan drie (één per werkput) aan het middeleeuwse ophogingspakket. De overige sporen bestaan uit één laag, drie greppels en een kuil.
In de drie werkputten werd een middeleeuws ophogingspakket aangetroffen. Dit pakket, bestaande uit donkergrijsbruin kleiig zand met aardewerk- en baksteenfragmenten, had een dikte van ca. 30 cm in het noordelijk deel en een dikte van ca. 75 cm in het zuidelijk deel van het plangebied. In totaal werden 26 scherven aardewerk en 12 metaalvondsten aangetroffen in dit pakket.
In werkput 1 werd onder het middeleeuws ophogingspakket een laag met een dikte van 10 tot 15 cm aangetroffen. Deze laag bestond uit grijsbruin kleiig zand met enkele aardewerk- en baksteenfragmenten. In deze laag werden fragmenten bouwkeramiek, natuursteen en dierlijk bot aangetroffen.
Zowel in werkput 2 als in werkput 3 werden fragmenten van greppels aangetroffen. In werkput 2 gaat het om twee greppels met een oost-west oriëntatie, waarbij een van de twee een oudere (mogelijk Romeinse) fase is van de ander. Beide greppels hebben een vulling uit lemig zand, waarbij de ene een donkerbruingrijze kleur heeft en de andere lichtgrijs is.
De kuil bevindt zich in werkput 3 en doorsnijdt de greppel in het oosten. De kuil is slechts gedeeltelijk zichtbaar in de noordoostelijke hoek van de werkput en bestaat uit een blauwgrijze kleiige rand en een grijs tot donkerbruine kern van kleiig zand. Bij het opschaven van de kuil werden twee scherven aardewerk aangetroffen: grijsbakkend handgevormd aardewerk (Romeins) en grijsbakkend gedraaid aardewerk (midden 11de tot 16de eeuw).
Er werd één scherf Romeins aardewerk (grijsbakkend handgevormd) in werkput 2 aangetroffen. De metaalvondsten bestaan onder andere uit munten (twee Romeinse en twee uit de late middeleeuwen).
De natuursteen uit de laag onder de ophoging bevat twee Doornikse kalkstenen met mortelresten en één veldsteen. De veldsteen is een lokale steensoort, maar Doornikse kalksteen werd geïmporteerd en onder andere tijdens de Romeinse periode gebruikt als bouwmateriaal.
In de greppel met donkerbruin grijze vulling werd één scherf Terra Sigillata, fragmenten bouwkeramiek en dierlijk botmateriaal aangetroffen. In de greppel met lichtgrijze vulling werd geen vondstmateriaal aangetroffen. De greppel in werkput 3 had een donkergrijs tot bruine vulling bestaande uit kleiig zand en vormt een afbuiging vanuit het zuiden naar het oosten. In deze greppel werden twee scherven Romeins aardewerk (Terra Sigillata en grijsbakkend handgevormd), drie scherven laatmiddeleeuws aardewerk (grijsbakkend gedraaid) en een fragment van een nagel aangetroffen.
Het aardewerk bevat onder andere Rijnlands en Langerwehe steengoed, grijsbakkend en roodbakkend gedraaid aardewerk en witbakkend Maaslands aardewerk. Deze kunnen hoofdzakelijk gedateerd worden in de late middeleeuwen of jonger. De metaalvondsten bestaan onder andere uit munten (twee Romeinse en twee uit de late middeleeuwen), boekbeslag (late middeleeuwen), fragmenten van nagels en een sierknopje.
Ook werd een drijfband en kartetskogel uit de Eerste en/of Tweede Wereldoorlog aangetroffen.
Daarnaast werden ook verschillende fragmenten dierlijk bot aangetroffen, waaronder een afgezaagde punt van een hertengewei.
Het dierlijk botmateriaal uit de laag onder de ophoging is afkomstig van varken (vier fragmenten) en rund (één fragment) en bevatte geen bewerkingssporen.
Auteurs: Vranken, Jolien
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)