Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden in totaal 70 sporen geregistreerd in vijf werkputten. Het betreffen met name paalkuilen (n=65), greppels (n=4) en sporen van grondverbetering die geregistreerd werden onder één spoornummer, maar bestonden uit verschillende banen en vakken. Daarnaast werden ook enkele sporen van recente verstoring en natuurlijke sporen (geconcentreerde bioturbatie en mogelijke windvallen) aangeduid.
Eén van de greppels bakent de cluster aan sporen duidelijk af in het noorden. De vulling van deze greppel was sterk gevlekt. Deze greppel loopt in noordoost-zuidwestelijke richting en werd in werkput 1 eveneens aangetroffen.
Voorbij de greppel werden in werkput 1 parallelle banden en een zone met rechthoekige vakken waargenomen. In eerste instantie werden deze als verstoring door recente diepploeging geïnterpreteerd. In het profiel bleek echter dat de onderkant zeer onregelmatig was en mogelijke spitsporen onderscheiden konden worden. Het betreffen mogelijk sporen van grondverbetering in functie van lokale landbouw. Op basis van het uiterlijk en de onregelmatigheid van de onderkant van deze sporen wordt een mogelijke datering uit de late middeleeuwen aan deze sporen gegeven. De ouderdom blijft echter een hypothese en kon niet bevestigd worden aan de hand van vondstmateriaal.
Het merendeel van de paalkuilen kwam geclusterd voor in werkput 2. Er kon tot nu toe geen structuur herkend worden, maar de sporen zijn wel sterk geclusterd. In werkput 3 werd op dezelfde hoogte als werkput 2, centraal binnen het plangebied, een grote hoeveelheid paalkuilen waargenomen. Het gaat hier om een twintigtaal sporen met een grote variatie in vulling. Vermoedelijk behoren ze tot één en dezelfde vindplaats als de sporencluster van werkput 2. In het zuiden van werkput 3 werd daarentegen nog een tweede cluster aan sporen waargenomen.
Auteurs: Hermans, Mathias
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)