De resultaten van het proefsleuvenonderzoek waren negatief op de aanwezigheid van enige sporen en/of structuren uit eender welke (pre)historische
periode, met uitzondering van een perceelsgreppels en wateringsgrachten uit de 19de en 20ste eeuw. De overige grondsporen die werden aangesneden bij het proefsleuvenonderzoek bestonden uit ploegsporen uit de 19de en 20ste eeuw, sporen van de aanleg van een drainagesysteem uit de 20ste eeuw en natuurlijke sporen van wortelwerking in de bodem. De weinige vondsten die werden gedaan, werden aangetroffen in de vullingen van de aangesneden greppels en gracht en betreffen uitsluitend aardewerk uit de postmiddeleeuwse periode. De vondsten zijn echter intrusief aanwezig (opspit), aangezien vastgesteld kon worden dat de greppels en grachten eerder in de 19de en 20ste eeuw te dateren zijn. Hierdoor kan gesteld worden dat de archeologische potentie van het terrein eerder laag tot onbestaande is en dit voor alle pre-, proto- en historische periodes.
Auteurs: Nuyts, Timothy
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: LARes bvba