Naar aanleiding van een geplande ontwikkeling aan de Hoogstraat te Tielt werd een projectgebied met een oppervlakte van ca. 2000m2 archeologisch onderzocht door middel van vier proefsleuven. Hierbij werden vooral sporen met een geringe kennispotentieel aangetroffen.
In het oosten van het studiegebied bevond zich een rond spoor (S9), met een diameter van 9m, dat als poel werd geïnterpreteerd. Bij couperen bleek het om een relatief diepe meerfasige poel te gaan die grofweg gedateerd kan worden tussen de tweede helft van de 14e en de eerste helft van de 15e eeuw. De donkere kleur van twee aansluitende lagen wijst er op dat hier gedurende langere tijd organisch materiaal -en in het bijzonder pollen en plantaardige macroresten- konden accumuleren. De structuur werd uitgebreid onderzocht en bemonsterd. Er werden twee pollenanalyses; één macrorestenanalyse en een 14C-analyse uitgevoerd. Deze stellen ons in staat de laat-middeleeuwse evoluties in het landschap in kaart te brengen. Uit de onderste laag werd op een stuk hout een radiokoolstofdatering uitgevoerd, die de opvulling van dez laag tussen 1300 en 1410 CE (95.4%) situeert (RICH-35869: 606±23 BP).
Tijdens beide gebruiksfasen van de poel was een open landschap aanwezig met beperkte aanwezigheid van bomen en sterke aanwezigheid van grassen en graangewassen. De aanwezigheid van mest wijst op het stallen van vee in de buurt.
In de meest recente gebruiksfase kent het landschap, evenals het perceel, een intensiever gebruik dan in de voorafgaande fase. Het landschap verliest daarbij grotendeels zijn boomvegetatie ten voordele van grassen. De diversiteit aan cultuurgewassen neemt opvallend af: waar in de onderste en oudste laag nog een brede waaier aan gewassen wordt aangetroffen — waaronder anijs, biet, gerst/tarwe, granen, hennep, pruim, rogge, fruitbomen, tarwe en vlas — blijven in meer recente laag enkel gerst, een generiek graantype, rogge en vlas over. Deze reductie in gewasvariatie kan mogelijk verklaard worden door een toenemende specialisatie binnen de lokale landbouw, waarbij men zich toelegde op een beperkter aantal gewassen.
Daarnaast werden duidelijke sporen van het verwerken van vlas op het perceel aangetroffen.
De aanwezigheid van hennep- en vlaspollen in beide lagen wijst duidelijk op het lokaal verbouwen en/of verwerken nabij de poel en zijn een duidelijk bewijs voor lokale nijverheid. Deze werden afgezet samen met de enorme hoeveelheden macroresten van vlas. De macroresten bestaan voornamelijk uit vlaskapsels en zaden. De aangetroffen vlaskapsels zijn gebroken en geplet, wat er op wijst dat er in elk geval op wijst dat ook een poging werd ondernomen het lijnzaad te oogsten. Andere delen van het vlas ontbreken. Daardoor kunnen we ervan uitgaan dat het om afval van het repelen of boten gaat. Dit zijn twee methoden voor het ontzaden van vlas voorafgaand aan het roten. Bij het repelen worden de zaaddoosjes en zaden verwijderd door deze over een vlaskam te strijken. Bij het boten worden de zaaddoosjes kapotgeslagen met een hamer.
Auteurs: Defrancq, Jelle
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)