De oudste archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit kuilen en een greppel, maar door het beperkte en weinig diagnostische vondstmateriaal kunnen verschillende sporen niet nauwkeuriger worden gedateerd dan de middeleeuwen tot nieuwe tijd. De greppel S10-11 was noordoost-zuidwest georiënteerd, parallel aan de Koppelandstraat, en had een breedte van circa 1,20 m. Uit de vulling werd een fragment grijs aardewerk gerecupereerd.
Ook verschillende kuilen dateren uit deze ruime periode. Kuil S29 bevatte grijs aardewerk. Uit kuil S32 kwamen grijs aardewerk, Siegburg-steengoed en Raeren-steengoed, terwijl kuil S34 uitsluitend fragmenten grijs aardewerk opleverde. Vooral het Siegburg- en Raeren-steengoed en het geglazuurde rode aardewerk uit andere kuilen wijzen op een datering in de late middeleeuwen tot nieuwe tijd.
Binnen deze periode vormen de kuilen de belangrijkste sporencategorie. In werkput 2 werden verschillende rechthoekige kuilen aangetroffen. Kuil S19 bevatte geglazuurd rood aardewerk, waaronder een randfragment van een bord met gele slibversiering en roetsporen, naast een ijzerfragment. Uit S23 kwamen verweerd grijs aardewerk en een randfragment van geglazuurd rood aardewerk, mogelijk afkomstig van een kom. Deze vondsten dateren de kuilen in de late middeleeuwen of nieuwe tijd.
In werkput 3 kwamen eveneens meerdere kuilen uit deze periode voor, met uiteenlopende vormen en afmetingen. S32 leverde grijs aardewerk en Siegburg- en Raeren-steengoed op, terwijl uit S34 verschillende fragmenten grijs aardewerk werden gerecupereerd. De functie van deze kuilen kon niet met zekerheid worden vastgesteld. Volgens het rapport kunnen ze verband houden met de bewoning langs de Koppelandstraat, maar een functie als bijvoorbeeld extractiekuilen wordt eveneens mogelijk geacht.
Er werden geen muurresten van historische bebouwing aangetroffen. De historische bebouwing bevond zich vermoedelijk vooral langs de Koppelandstraat, maar juist deze zone kon niet meer worden onderzocht omdat ze vóór het proefputtenonderzoek al opnieuw was bebouwd. Evenmin werden duidelijke archeologische resten herkend van de siertuin die op de 18de-eeuwse Ferrariskaart wordt weergegeven.
De jongere sporen bestaan voornamelijk uit paalsporen en verstoringen. Zes kleine, overwegend vierkante of rechthoekige sporen werden als paalsporen geïnterpreteerd. Uit paalspoor S24 kwamen een ijzeren nagel, een fragment bruin glas en een fragment geglazuurd rood aardewerk. Vooral het glas plaatst dit spoor in de nieuwste tijd. De overige paalsporen worden op basis van hun scherpe aflijning eveneens in de nieuwe of nieuwste tijd geplaatst.
Daarnaast werden vijftien recente verstoringen vastgesteld. Ze bevatten onder meer baksteenpuin, glas, metaal, cement en plastic en behoren hoofdzakelijk tot de nieuwste tijd. Uit verstoring S1 kwamen een bodemfragment van een industrieel vervaardigde kleurloze glazen fles of bokaal en een vermoedelijke draaiknop uit metaal en plastic. De aanwezigheid van plastic in verschillende verstoringen wijst voor een deel specifiek op een 20ste-eeuwse datering.
Ook de begraven ploeglagen bevatten jong materiaal. Uit de onderste ploeglaag in werkput 2 werden een fragment grijs aardewerk, rood aardewerk mogelijk van een bloempot en een randfragment van een bord in industrieel wit aardewerk aangetroffen. Het industrieel witte aardewerk dateert deze context minstens gedeeltelijk in de nieuwste tijd.
Auteurs: Bruggeman, Jordi
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: All-Archeo bv