Bij opgravingen nav. werkzaamheden aan de Schouwburg te Kortrijk zijn belangrijke resten vanaf de 14de tot de 19de eeuw aangetroffen ondanks zware verstoringen door de 20ste-eeuwse bebouwing. Vooral de laatmiddeleeuwse achtererven zijn goed vertegenwoordigd, met afvalkuilen, lagen en een waterput die inzicht geven in het dagelijkse leven. Voor de nieuwe tijd zijn slechts fragmentarische resten bewaard, wat wijst op een blijvende open of beperkt bebouwde zone. De 19de eeuw toont een duidelijke herontwikkeling met kelders en muren van een klooster en rechtbank. Recente verstoringen hebben echter een groot deel van het bodemarchief aangetast.
De laatmiddeleeuwse sporen vormen de belangrijkste archeologische component van het onderzoek en dateren hoofdzakelijk tussen 1300 en 1450 net als bij de opgravingen van 1994 op het Schouwburgplein. Het betreft voornamelijk afvalkuilen, lagen en een cultuurlaag die wijzen op intensief gebruik als achtererf van stedelijke woningen. Daarnaast werd een bakstenen waterput aangetroffen en zijn brand- en nivelleringslagen mogelijk gerelateerd aan de stadsbrand van 1382. Het vondstmateriaal bestaat voornamelijk uit huishoudelijk aardewerk, dierlijk bot en metalen objecten, wat wijst op dagelijkse consumptie en ambachtelijke activiteiten. Het onderzoek omvatte stratigrafie, zeefonderzoek en metaaldetectie en leverde een goed beeld van het laatmiddeleeuwse stadsgebruik. De resultaten sluiten goed aan bij de door regiospecialist Ph. Despriet onderscheiden periodes I–III (1250–1538).
De archeologische resten uit de nieuwe tijd zijn schaars en beperken zich tot een bakstenen afvalput en een citerne. Deze wijzen op een voortzetting van het gebruik als erf- of tuinzone, mogelijk in relatie tot het tweede Kapucinessenklooster (1668–1786). Daarnaast is de kans groot dat andere resten uit deze periode later werden weggegraven. Het vondstmateriaal omvat aardewerk en bouwresten, terwijl natuurwetenschappelijk onderzoek (botanische waardering, pollen en houtskool) slechts beperkt werd uitgevoerd en weinig bijkomende informatie opleverde. De geringe aanwezigheid van sporen kan verklaard worden door latere verstoringen of een beperkte bebouwing in deze periode. Hierdoor blijft het beeld van deze fase fragmentair.
In de 19de eeuw werd opnieuw gebouwd. Dit is zichtbaar aan de talrijke muren, kelders en vloeren. Deze sporen staan in verband met het derde Kapucinessenklooster en de Rechtbank van Eerste Aanleg (1790-1911) van het terrein en komen goed overeen met historische kaarten. De aanwezigheid van een grote citerne wijst op een georganiseerd waterbeheer binnen het complex. Het vondstmateriaal bestaat voornamelijk uit bouwmateriaal en gebruiksaardewerk. Het onderzoek bestond uit stratigrafische analyse en vergelijking met historische bronnen, wat een gedetailleerd beeld van deze fase opleverde.
De nieuwste tijd wordt gekenmerkt door talrijke muren, kelders en rioleringssystemen die het terrein sterk hebben verstoord vooral in het centrum en noorden van het plangebied. Deze structuren hangen samen met de bouw en latere aanpassingen van de stadsschouwburg en omliggende bebouwing. Hoewel ze zelf weinig archeologische waarde hebben, zijn ze bepalend voor de slechte bewaring van oudere sporen. Het onderzoek beperkte zich hier tot documentatie en registratie van de verstoringen. Deze fase illustreert vooral de impact van moderne bouwactiviteiten op het archeologisch archief.
Auteurs: Demerre, Ine; Thomas, Gill; Vanholme, Nele
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Raap België bvba