is aangeduid als gebied geen archeologie, gewestelijk Gebied 17906
Deze aanduiding wordt geldig vanaf
Bij deze opgraving werden in totaal zes archeologische sporen aangetroffen. Twee van deze sporen bleken bij verder onderzoek van natuurlijke oorsprong te zijn.
Vier sporen waren waarschijnlijk te dateren in de overgangsperiode tussen de late ijzertijd en de vroeg-Romeinse periode. Het ging hierbij om twee greppels en twee kuilen. Deze sporen waren ondiep bewaard en bevatten weinig tot geen vondsten. Ook konden er geen plattegronden of structuren onderscheiden worden.
De vondsten bestonden voornamelijk uit aardewerk, meer specifiek enkele scherven handgevormd aardewerk uit de ijzertijd en enkele scherven van een Romeinse amfoor. Er werd één jongere scherf aangetroffen, een wandscherf van Zuid-Limburgs aardewerk uit de volle middeleeuwen, maar deze werd als losse vondst aangetroffen en was mogelijk afkomstig uit het bovenliggende colluviumpakket. Verder werden er enkele stenen en twee fragmenten metaalslak aangetroffen.
Vanwege het kleine aantal ondiep bewaarde sporen en het kleine aantal vondsten, die ook niet exact te dateren zijn, is het moeilijk om verdere uitspraken te doen over de aangetroffen site. Waarschijnlijk gaat het hier om randfenomenen aan de periferie van een erf uit de late ijzertijd of vroeg-Romeinse periode, waarbij de bewoning zelf eerder op een andere locatie, mogelijk richting het noordwesten, gezocht moet worden.
Auteurs: Martens, Marleen
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)