Binnen het plangebied werd naar aanleiding van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd.
Om inzicht te krijgen in de bodemopbouw werd eerst een landschappelijk bodemonderzoek uitgevoerd. Het terrein werd onderzocht door middel van 5 landschappelijke boringen. Op basis van de resultaten van het landschappelijk bodemonderzoek bleek dat de bodem in een deel van het studiegebied voldoende goed bewaard is en potentieel heeft om goed bewaarde archeologische resten te bevatten voor zowel steentijd artefactensites als sporensites.
Vervolgens werd overgegaan tot een verkennend booronderzoek binnen een deel van het plangebied. Aan de hand van 33 boringen werd de aanwezigheid van een steentijd artefactensite getoetst. Echter, dit onderzoek was negatief.
Tot slot werd overgegaan tot de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek. Dit onderzoek leverde 52 grondsporen en één muurrestant op. Het gaat om 18 paalsporen, 21 kuilen, vier greppelfragmenten, een uitbraakspoor met bijhorende vulling en zeven verstoringen. De sporen houden enerzijds verband met de resten van voormalige bebouwing op het terrein, anderzijds gaat het over resten van landindeling uit de nieuwste tijd.
Auteurs: Hertoghs, Sarah
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)