Tijdens de opgraving werden 72 sporen geregistreerd, waaronder (paal)kuilen, haardkuilen, greppels, grachten en een erosiegeul. Het onderzoek bevestigt de aanwezigheid van een archeologische site die reeds bij eerder proefsleuvenonderzoek werd vermoed. In totaal konden twee hoofdfasen worden onderscheiden: een pre-/protohistorische fase (ijzertijd – vroeg-Romeinse periode) en een fase uit de nieuwe tijd met mogelijk militaire activiteit. Daarnaast werden enkele recente of natuurlijke sporen vastgesteld.
De sporen uit de ijzertijd en de overgang naar de vroeg-Romeinse periode bestaan voornamelijk uit kuilen en paalkuilen die op basis van vondsten, vulling en één 14C-datering (S50: 60 v.C. – 70 n.C.) in deze periode geplaatst kunnen worden. Deze resten zijn relatief ondiep bewaard en vertonen geen duidelijke ruimtelijke samenhang of herkenbare structuren. Dit kan verklaard worden door latere verstoringen, zoals erosie en ontginning van het tertiaire substraat, maar ook door de mogelijkheid dat het onderzochte terrein zich in de periferie van een nederzetting bevindt en dus slechts randfenomenen weergeeft. De aanwezigheid van gelijkaardige vondsten in de omgeving ondersteunt het idee van een bredere, maar slechts fragmentair bewaarde site.
Auteurs: De Raymaeker, Annelies; Engels, Leslie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Studiebureau Archeologie