Binnen het projectgebied werden 44 sporen aangetroffen, verspreid over een terrein dat uit klei- en veenafzettingen bestaat. De belangrijkste archeologische fase dateert uit de volle tot late middeleeuwen (ca. 1150-1250 n.Chr.) en vertegenwoordigt een rurale nederzetting gericht op landbouw en veeteelt. De nederzetting wordt gekenmerkt door greppels voor ontwatering en perceelsindeling, kuilen, paalsporen, een waterkuil en een poel. Het vondstmateriaal bestaat hoofdzakelijk uit grijs gedraaid aardewerk, aangevuld met rood aardewerk, dierlijk bot en een maalsteenfragment. Daarnaast werden enkele sporen uit de nieuwe en nieuwste tijd aangetroffen, waaronder perceelsgrachten uit de 19e eeuw en twee bomkraters uit de Eerste Wereldoorlog.
De belangrijkste archeologische fase binnen het onderzoeksgebied dateert uit de volle tot late middeleeuwen. Op de kleigronden in het zuiden van het terrein werd een rurale nederzetting vastgesteld die vermoedelijk gedurende één tot maximaal twee generaties in gebruik was. Deze bewoning houdt waarschijnlijk verband met de grootschalige ontginningen die vanaf de 10de-11de eeuw mogelijk werden door inpoldering en bedijking van de kustvlakte. De sporen bevonden zich ongeveer 35 cm onder het maaiveld en wijzen op een landschap dat voornamelijk gericht was op landbouw en veeteelt.
De ruimtelijke inrichting van de nederzetting werd in sterke mate bepaald door een uitgebreid netwerk van greppels. Deze greppels dienden zowel voor de ontwatering van het terrein als voor de afbakening van percelen. In het zuiden van het projectgebied werden verschillende clusters van greppels vastgesteld, waarvan meerdere een oost-westoriëntatie hadden. Vermoedelijk waren deze verbonden door noord-zuid georiënteerde trajecten. Langs en tussen deze greppels kwamen diverse kuilen en paalsporen voor, wat wijst op intensief gebruik van het terrein.
Naast de greppels werden verschillende waterhoudende structuren aangetroffen. Een grote, circulaire uitgraving wordt geïnterpreteerd als een waterkuil of mogelijk een waterput. In de vulling bevonden zich enkele aardewerkfragmenten. Daarnaast werd een omvangrijke poel vastgesteld, die vermoedelijk deel uitmaakte van hetzelfde waterbeheersingssysteem. In deze poel werden zowel aardewerk als dierlijk bot aangetroffen. In de nabijheid lag bovendien nog een grotere kuil.
Verspreid over de nederzetting kwamen talrijke paalsporen voor. Sommige maken vermoedelijk deel uit van constructies langs de greppels. In een zone binnen werkput 3 werd een kleine constructie herkend die mogelijk geïnterpreteerd kan worden als een spieker of bijgebouw. Het gebouwtje had een afmeting van ongeveer 1,8 bij 1,2 m en werd gevormd door vier paalsporen met een kern van verbrande leem.
Het vondstmateriaal bestaat hoofdzakelijk uit aardewerk. Meer dan 225 fragmenten werden verzameld, waarbij grijs gedraaid aardewerk op snelle draaischijf sterk domineert. Vooral kogelpotten komen voor, wat een datering in de tweede helft van de 12de en de 13de eeuw ondersteunt. Daarnaast werd een beperkte hoeveelheid roodbakkend aardewerk aangetroffen, voornamelijk afkomstig van pannen. Eén fragment van een grape of kookkan wijst mogelijk op een gebruiksfase die doorloopt tot in de 14de eeuw. Verder werden enkele fragmenten van een rood aardewerken deksel verzameld. Naast het aardewerk zijn ook dierlijke botresten gevonden, die waarschijnlijk slachtafval vertegenwoordigen, en een fragment van een maalsteen uit tefriet afkomstig uit het Eifelgebied. De combinatie van de structuren en vondsten wijst op een kortstondige maar goed georganiseerde landelijke nederzetting uit de volle middeleeuwen.
Sporen uit de nieuwe tijd beperken zich tot enkele perceelsgrachten in het noordelijke deel van het projectgebied. Deze grachten zijn eveneens zichtbaar op historische kaarten en op de Atlas der Buurtwegen uit circa 1840. Ze onderscheiden zich van de middeleeuwse sporen door hun scherpere aflijning, donkerdere vulling en de aanwezigheid van een beperkte hoeveelheid bouwpuin. De grachten maken deel uit van de 19de-eeuwse inrichting van het landschap en weerspiegelen de toenmalige perceelsstructuur.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag het onderzoeksgebied nabij het front van de IJzerslag. Historische luchtfoto’s tonen verschillende militaire structuren in de omgeving, waaronder loopgraven en versterkingen. Hoewel dergelijke loopgraven binnen het onderzochte terrein niet archeologisch werden vastgesteld, werden wel enkele relicten van de oorlog aangetroffen.
Het gaat voornamelijk om twee bomkraters die verspreid binnen het projectgebied werden geregistreerd. In één van deze kraters werd aanzienlijke hoeveelheden ijzerdraad aangetroffen, vermoedelijk van militaire oorsprong. Daarnaast werd bij de aanleg van een werkput een Franse granaatontsteker gevonden. Deze werd om veiligheidsredenen niet ingezameld maar overgedragen voor verdere afhandeling. Voor het overige werden geen noemenswaardige militaire vondsten of concentraties van oorlogsmateriaal vastgesteld.
Auteurs: Deconynck, Jasper; Van Caenegem, Rune; Van Poucke, Wolle
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)