In alle 17 landschappelijke boringen werd een zware klei zonder profielontwikkeling beschreven. Opvallend werd echter in zeven boringen op minder dan 120 cm diepte onder het marien en/of venig materiaal podzolhorizonten (E- en/of B-horizonten) gevonden, ontstaan in eolisch (zeer) fijn zand. De 17 boorlocaties in zone 7 t/m 9 werden omschreven als marien fijn klastisch holoceen faciës op organo-continentaal holoceen veen op Laat-glaciaal grof zandig hellingsmateriaal. Echter werd een bijkomend eind-weichseliaans fijn dekzand geregistreerd tussen de mariene of organo-continentale fase en de herwerkte hellingsafspoelingsfase.
Tijdens het archeologisch booronderzoek zijn 20 vuursteenartefacten opgeboord. Het gaat om chips, afslagfragmenten, microklingfragmenten, een brokstuk en een werktuigfragment. Ze wijzen op vuursteenbewerking ter plaatse en op een belangrijke steentijdaanwezigheid in het plangebied. Met name in zone 8 west deel B en 9 zijn verschillende positieve boorlocaties aanwezig. Zones 4, 7 en 8 west deel A hebben geen steentijdvondsten opgeleverd. Nochtans maken zones 7 en 8 west deel A, net als zone 8 west deel B, deel uit van een vastgestelde archeologische zone, namelijk het Prehistorisch sitecomplex in alluviale context van de Vrasenepolder. Mogelijk zijn in dit deel van de archeologische zone geen steentijdvindplaatsen aanwezig. Daarnaast blijft de mogelijkheid bestaan dat kleine en/of zgn. vondstarme vindplaatsen tijdens het archeologisch booronderzoek zijn gemist.
In zone 4 is vermoedelijk een waterhoudende deflatiekom of poelstructuur aangeboord en bemonsterd. Op het eerste zicht is dit niet meteen de meest voor de hand liggende locatie om steentijdvindplaatsen op te sporen, maar er zijn in het verleden al vondsten gedaan in dergelijke contexten (bijv. Dourges (Fr.)37). Vaak gaat het dan om materiaal dat vanaf de oever in het water is geworpen. Of om resten van activiteiten die plaatsvinden op momenten van (extreem) lage waterstand.
Over de aard van de vindplaatsen in zone 8 west deel B en 9 kunnen geen uitspraken worden gedaan. Met uitzondering van VAB 272 en mogelijk ook VAB 166 is het niet duidelijk of in het plangebied vondstclusters zijn aangeboord. Steeds gaat het om individuele vondsten die in een aantal gevallen ook relatief geïsoleerd liggen (bv. VAB 141, 170, 319, 333 of 336). De positieve boorlocaties VAB 328-330 of 354-355-359-360-367 sluiten wel bij elkaar aan, maar ook daar blijft het onduidelijk of ze tot eenzelfde vindplaats mogen worden gerekend. De gebruikte vuursteen vertoont namelijk heel wat verschillen, wat niet meteen gelijktijdigheid lijkt te suggereren, maar het ook niet uitsluit.
Een strakke datering voor de vindplaatsen vooropstellen is op basis van de vaak weinig kenmerkende vondsten niet mogelijk. Op basis van hun stratigrafische positie, de vondsten zijn aangetroffen in de top van het (dek)zand, en de aanwezigheid van enkele microklingfragmenten ligt een datering in het mesolithicum, voor ten minste een deel van de vondsten, voor de hand. Een iets oudere datering in het finaal-paleolithicum is echter eveneens mogelijk, net als een iets jongere, neolithische datering. Op basis van eerder onderzoek kan worden aangenomen dat het veen in het plangebied pas op het eind van het neolithicum is beginnen groeien (vanaf ca. 3300-3000 vr.Chr.; laat-Atlanticum). Vanaf dan was het (dek)zand niet langer toegankelijk voor toegankelijk voor bewoning.
Auteurs: Devriendt, Izabel
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: BAAC Vlaanderen bvba