Het bodemprofiel vertoont een matig droge tot nattere zandbodem (Zcm/Zdm) met een antropogeen opgebouwd akkerdek/plaggendek (Ap1, Ap2, Ap3 tot 70-96 cm -mv) direct op de dekzanden van de Formatie van Gent (C-horizont). De oorspronkelijke podzolbodem werd tijdens grootschalige ontginningswerken in de 16de eeuw diep doorgraven en gebroken.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden grondsporen van landbouwontginning en -exploitatie geregistreerd: Spitstroken en parallelle greppels met een NNO-oriëntatie waarin onvermengde podzolbrokken aanwezig zijn, toe te schrijven aan de eerste fase van grootschalige ontginning gelinkt aan de stichting van ontginningsboerderijen door de abdij van Tongerlo rond 1530. Parallelle greppels met een NNW-oriëntatie die de oudste ontginningslaag doorsnijden, behoren tot een tweede, gehomogeniseerde fase van beddenbouw.
In het oostelijke deel van het terrein werd het akkerdek in de late 18de en 19de eeuw grootschalig herwerkt door het graven van langwerpige zandwinningskuilen. Voorts werden een 3 m brede perceelsgracht op het tracé van een 19de-eeuwse perceelgrens en een grote rechthoekige kuil, geïnterpreteerd als drenkpoel, geregistreerd. Het schaarse vondstmateriaal omvat een wandscherf Westerwald steengoed met blauw decor (18de-19de eeuw) en faience uit een kuil, alsook een scherf vroeg industrieel wit aardewerk (eind 18de eeuw) uit een andere kuil.
Auteurs: Arckens, Marleen; De Beenhouwer, Jan
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)