Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden 45 sporen geregistreerd, bestaande uit greppels, kuilen en mogelijke paalkuilen. Daarnaast werden verschillende recente verstoringen vastgesteld die vermoedelijk verband houden met de huidige bebouwing langs de Walenhoek. Het vondstmateriaal toont aan dat het terrein vanaf de middeleeuwen intensief werd gebruikt en ook tijdens de nieuwe tijd een belangrijke bewoningszone vormde. De vele greppels en kuilen wijzen vermoedelijk op perceelsindelingen, bewoning en activiteiten binnen de latere vesting van Zandvliet. Door het beperkte archeologische onderzoek in de omgeving heeft het terrein een hoog kennispotentieel.
De oudste datering binnen het plangebied wordt gevormd door een greppel waarin een bodemfragment van proto-steengoed werd aangetroffen. Op basis van deze vondst kan het spoor vanaf de 13de eeuw worden gedateerd. Daarnaast wijzen verschillende andere greppels, waarin aardewerk en dierlijk botmateriaal werden aangetroffen, op een gebruik van het terrein vanaf de middeleeuwen. De greppels zijn overwegend noordoost-zuidwest of noordwest-zuidoost georiënteerd en lijken deel uit te maken van een groter systeem van perceelsafbakeningen. Samen vormen zij aanwijzingen voor een intensief gebruik en een gestructureerde inrichting van het terrein gedurende de middeleeuwse bewoningsfase.
Verspreid over het terrein werden verschillende kuilen aangetroffen waarvan de functie niet kon worden vastgesteld. In enkele van deze sporen werd rood geglazuurd aardewerk ingezameld, waardoor zij ruim tussen de late middeleeuwen en de nieuwe tijd kunnen worden geplaatst. Deze kuilen houden vermoedelijk verband met bewoningsactiviteiten op het terrein, al blijft hun exacte rol voorlopig onduidelijk.
Binnen de nieuwe tijd werden diverse mogelijke paalkuilen vastgesteld. Deze sporen verschenen als ronde donkerbruine verkleuringen en leverden onder meer een scherf steengoed, dierlijk botmateriaal en een fragment van een pijpensteel in pijpaarde op. Op basis van deze vondsten kunnen zij in de nieuwe tijd worden gedateerd. Hoewel tijdens het vooronderzoek geen duidelijke structuren konden worden afgelijnd, wijzen deze sporen mogelijk op bewoningsactiviteiten binnen het plangebied.
Ook verschillende kuilen behoren tot deze periode. Een aantal ervan bevatte vondstmateriaal zoals rood geglazuurd aardewerk, met slib versierd rood aardewerk en pijpaarde. Eén van deze kuilen kon daardoor specifiek in de 18de eeuw worden geplaatst. De aangetroffen kuilen bevestigen dat het terrein tijdens de nieuwe tijd intensief werd gebruikt.
Daarnaast vormen de vele greppels de meest voorkomende spoorcategorie binnen het onderzoeksgebied. Deze greppels bevatten een aanzienlijke hoeveelheid vondstmateriaal, waaronder rood geglazuurd aardewerk, steengoed, dierlijk botmateriaal en baksteenfragmenten. De gelijklopende oriëntatie van de greppels suggereert dat ze deel uitmaakten van een georganiseerd systeem van perceelsindeling. In combinatie met de historische ligging van het terrein binnen de vesting van Zandvliet wijzen deze sporen op een intensieve bewoning en inrichting van het landschap tijdens de nieuwe tijd.
Enkele ronde donkergrijze sporen werden geïnterpreteerd als mogelijke paalkuilen. Ze hadden een vage aflijning, bevatten lokaal houtskoolinsluitsels en leverden geen vondstmateriaal op. Hierdoor blijft hun datering onbekend. Op basis van hun uitzicht wordt wel vermoed dat deze sporen mogelijk ouder zijn dan een groot deel van de andere aangetroffen sporen op het terrein. Zonder bijkomend onderzoek kan hun functie en chronologische positie echter niet verder worden verduidelijkt.
Auteurs: Theyskens, Axel
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)