In het kader van de heraanleg van de N411, meer bepaald het gedeelte dat het grondgebied van deelgemeente Baardegem van de stad Aalst doorkruist werd voorafgaand een bureaustudie uitgevoerd. Deze toonde het archeologische potentieel aan ter hoogte van de dorpskern van Baardegem. Op basis hiervan werd een aanvullend een proefputtenonderzoek uitgevoerd, waarna een vlakdekkende opgraving volgde. De aangetroffen sporen zijn in verband te brengen met de vorming en de evolutie van de dorpskern van Baardegem. De opgraving bracht sporen aan het licht uit voornamelijk twee periodes: de middeleeuwen en de postmiddeleeuwen. Tijdens de opgraving zijn 516 individuele sporen geregistreerd. Na interpretatie zijn de sporen ondergebracht in 225 contexten of spoorcombinaties (gracht, greppel, kuil-ongedefinieerd, laag-ongedefinieerd, laag-ophoging, laag-opmaak, muur, paalspoor, poel-ongedefinieerd, uitbraakspoor, weg-ongedefinieerd). Tot deze contexten behoren eveneens 42 inhumaties. Verscheidene contexten zijn verzameld in 12 structuren, met name een gebouw, poel, terreinafbakening en een weg. Het merendeel van de sporen is te linken aan de middeleeuwse periode, meer bepaald de volle middeleeuwen. De laatmiddeleeuwse periode ontbreekt nagenoeg in de onderzochte zone.
Twee van de oudst gedateerde begravingen dateren in de vroege middeleeuwen, meer bepaald de 9de eeuw of ouder.
Het merendeel van de sporen is te linken aan de middeleeuwse periode, meer bepaald de volle middeleeuwen. Het betreft nederzettingssporen en funeraire sporen. Meerdere van de aangetroffen begravingen dateren in de volle middeleeuwen. Het gaat zowel om antropomorfe als om rechthoekige grafkuilen. Ten noordwesten van de kerk zijn verscheidene grachtstructuren opgetekend, waarin drie fases te onderscheiden waren. Deze zijn als afbakening van het kerkhofareaal te interpreteren. Op basis van de aardewerkvondsten is één gracht (V-105) in de periode 1100-1225 n.Chr. te dateren. De tweede gracht (V-109) kan zowel vroeg- als volmiddeleeuws zijn, maar de relatieve chronologie wijst op een datering voor 1200 n.Chr. De aanleg van gracht V-223 moet in de 12de eeuw gesitueerd worden. Naast de grachtstructuren zijn er ook meerdere paalsporen en enkele kuilen geregistreerd. In het geheel van paalsporen is het echter niet mogelijk om duidelijke gebouwplattegronden te onderscheiden. Wel kunnen in de paalsporen bepaalde assen herkend worden. Op basis van de aardewerkvondsten en enkele 14C-dateringen kunnen de verschillende palenrijen algemeen gedateerd worden in de 12de eeuw. Een belangrijke vaststelling is het feit dat de bewoningssporen de drie grachtfases van kerkhofafbakening oversnijden. Dit wijst op een inkrimping van het kerkhof doorheen de 12de eeuw, waarbij een deel van het voormalige kerkhof in gebruik wordt genomen als woonzone.
Een kleiner aantal sporen is te plaatsen in de postmiddeleeuwen (na 1500 n.Chr.) of op de overgang van de late middeleeuwen naar de postmiddeleeuwen (1450-1550 n.Chr. of 1450-1600 n.Chr.), meer bepaald een poel, enkele kuilen, een wegtracé, een muur en bijhorend uitbraakspoor. In het noorden van het projectgebied werd een langwerpig, onregelmatig spoor aangetroffen (16,7 m x min. ca. 6,5 m) dat als poel werd geïnterpreteerd. De poel was rijk aan materiaal en kan gedateerd worden in de tweede helft van de 17de eeuw en de eerste helft van de 18de eeuw. Over het volledige opgravingsvlak zijn sporen van een voormalig wegtracé met bijhorende grachten aangetroffen. Het wegdek is grotendeels bewaard in grondplan en in profiel als onverharde, compacte lagen. Lokaal is in het grondplan ook het restant van een verharding in natuursteen aangetroffen en verspreid over het vlak zijn ook karrensporen opgetekend. De wegstructuur leverde vrij veel vondstmateriaal op, op basis waarvan het gebruik van de weg te situeren is tussen 1625 en 1800 n.Chr. Binnen het projectgebied werd ook het restant van de voormalige kerkhofmuur aangesneden. Deze was voornamelijk samengesteld uit natuurstenen, met name kalkzandsteen en Doornikse kalksteen, en een weinig brokken baksteen. Stratigrafisch gezien is deze muur recenter dan de poel (datering tussen 1650 en 1750 n.Chr.). In het zuiden van het vlak en langs de westelijke sleufwand zijn enkele grote kuilen geregistreerd. Gelet op de snelle vullingsgeschiedenis gaat het misschien om zandwinningskuilen.
Auteurs: Deschepper, Ewoud; Clement, Cateline; Moens, Jan
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: SOLVA