Het landschappelijk bodemonderzoek en de proefsleuven toonden een A-C bodemopbouw op licht zandleem met twee tot drie ploeglagen (Ap/Apb tot ca. 70–90 cm -mv) en een geroerde A/C-overgang op de moederbodem (Cg/2Cg) met gleyverschijnselen op ca. 100 cm -mv.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden twee sporen aangetroffen die in de metaaltijden dateren: een paalspoor met dikwandig handgevormd aardewerk en een greppel met een handgevormde wandscherf. Twee overige paalsporen bevatten handgevormd aardewerk met ijzeroer in de magering (metaaltijden tot vroege middeleeuwen).
Het zwaartepunt van de aangetroffen sporen situeert zich in de middeleeuwen. Het sporenbestand omvat 38 oudere, uitgeloogde paalsporen (voornamelijk centraal en in het noordwesten geclusterd, waaronder een vermoedelijke gebouwplattegrond), 7 kuilen en diverse greppels. Vondstmateriaal uit deze sporen omvat grijs vaatwerkaardewerk, dierlijk botmateriaal (tandfragmenten van een groot zoogdier in een kuil) en baksteen. Opvallend is het voorkomen van slakmateriaal op meerdere locaties, wat op ambachtelijke activiteiten op de site of in de directe omgeving wijst.
Sporen uit de nieuwe tot nieuwste tijd omvatten een reeks van 43 scherp afgelijnde rechthoekige paalsporen (meerdere op een NO-ZW lijn in, geïnterpreteerd als een perceelsomheining), een kuil met groen glas en 3 greppels (met rood geglazuurd aardewerk, steengoed, tegel, nagel en baksteen) op historische perceelsgrenzen. Tien recente verstoringssporen (met beton, plastic en glas) zijn gerelateerd aan een 20e-eeuwse loods en aan twee verblauwingszones onder voormalige verharding.
Auteurs: Bruggeman, Jordi; Kennis, Jef
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)